Ds. S. Maljaars - Jesaja 53 : 2 - 3

De vernederde Man van smarten

Jesaja 53
Zijn komst
Zijn gang
Zijn volk

Jesaja 53 : 2 - 3

Jesaja 53
2
Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.
3
Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 3
Lezen : Jesaja 53
Zingen : Psalm 89: 16, 18 en 20
Zingen : Psalm 69: 3
Zingen : Psalm 118: 11

Gemeente, met Gods hulp willen we u op deze lijdenszondag Gods Woord prediken uit Jesaja 53, de verzen 2 en 3:

 

Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde; Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben.

Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

 

Het gaat in onze tekstwoorden over: De vernederde Man van smarten.

 

Drie punten:

1. Zijn komst – vers 2a: Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde;

2. Zijn gang – vers 2b en 3a: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten en verzocht in krankheid;

3. Zijn volk – vers 3b: en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

 

  1. Zijn komst

Onze tekst komt uit een gedeelte van de profetieën van Jesaja; uit een van de vier profetieën over de Knecht des Heeren. We vinden deze profetische liederen over Gods Knecht ook in Jesaja 42, 49 en 50. Dit is het vierde lied over de Knecht des Heeren, dat begint bij hoofdstuk 52 vers 13.

Jesaja wordt wel de adelaar onder de profeten genoemd. Jongens en meisjes, ook jullie weten dat een adelaar of arend heel ver en scherp kan zien. Zo heeft de profeet Jesaja onder leiding van de Heilige Geest ook heel ver gezien. Hij mag meer dan 7 eeuwen vooruitzien op de komst en het lijden van de Knecht des Heeren.

 

Wie is die Knecht? Over Wie gaat het als er hier gesproken wordt over de Man van smarten, over een rijsje en over een wortel uit een dorre aarde? Jesaja heeft het dan over de Heere Jezus Christus, Gods Zoon. Híj is de vernederde Man van smarten. Dus als het in deze lijdenspreek gaat over de Man van smarten, bedoelen we daarmee de Heere Jezus, de Zoon van God, in Zijn lijdensgang.

 

De Joden geloven niet dat Jesaja 53 over de lijdende Messías gaat. Ze weten eigenlijk geen raad met dit hoofdstuk. Ze betrekken dit op het lijdende volk Israël of op een andere onbekende profeet. Jaren geleden bezocht ik met een reisgezelschap vanuit de Theologische School het land Israël. Bij de Klaagmuur in Jeruzalem begon een van de broeders een gesprek met een rabbijn over Jesaja 53. Met ernst en bewogenheid probeerde hij vanuit dit hoofdstuk op de Messías, de Christus der Schriften, te wijzen. Met een vijandige blik keerde de rabbijn zich om en liep geërgerd weg. Hij wilde niets horen over de lijdende Christus.

 

Hoe weten we dat in Jesaja 53 met de Knecht des Heeren de Messías bedoeld wordt? Daarvoor moeten we naar het Nieuwe Testament. In Handelingen 8 staat de geschiedenis van Filippus en de kamerling uit Morenland.

Deze man die van Jeruzalem naar Gaza reist, zit op zijn wagen in de rol van de profeet Jesaja te lezen. Als de evangelist Filippus naast hem op de wagen klimt, vraagt de Moorman: Van Wien zegt de profeet dit – en dan wijst hij op een gedeelte van Jesaja 53 – van zichzelven, of van iemand anders? En dan lezen we: En Filippus deed zijn mond open, en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus (Hand.8:34).

Dus Jesaja 53 gaat over Jezus, de beloofde Messías, de Knecht des Heeren. De weg van deze Knecht gaat door lijden tot heerlijkheid. Aan het begin van dit lied horen we: Zie, Mijn Knecht zal verstandiglijk handelen; Hij zal verhoogd en verheven, ja, zeer hoog worden (Jes.52:13). Aan die verhoging gaat een diepe vernedering vooraf. Jesaja tekent dat in het vervolg van dit profetische lied.

 

Die vernedering stuit op onbegrip en weerstand. Daarom roept de profeet uit in vers 1: Wie heeft onze prediking geloofd? En aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? Na deze klacht legt Jesaja uit waarom die prediking niet geloofd wordt, waarom aan zo weinig mensen de arm des Heeren geopenbaard wordt: Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde.

Dus waarom stuit deze prediking op tegenstand? Omdat het voor een natuurlijk mens een onmogelijke gedachte is, dat deze lijdende Messías Gods Zoon is. Dit kan niet waar zijn. Van nature is er bij ons voor de boodschap van een vernederde Zaligmaker ook geen plaats. En daarom kunnen we niet staan boven de Israëlieten van toen en het Joodse volk van nu.

Tóch is de vernedering van de Man van smarten de Goddelijke weg tot verlossing. Door de diepte van Zijn vernedering gaat het naar de glorie van Zijn verhoging. Veel mensen leven daaraan voorbij. Zij willen niet naar die prediking horen en gaan verder op hun eigen weg. Gemeente, jongeren en ouderen, wij ook?

 

Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten… Er staan veel kanttekeningen bij Jesaja 53. Het is heel nuttig om ze eens rustig na te lezen en te onderzoeken. Doe het maar in deze lijdensweken, vers voor vers, met de verwijsteksten erbij.

Zo wordt in kanttekening 4 geschreven dat we wel een Messías willen in koninklijke pracht, maar niet een Messías, Die vernederd wordt. Ons hart is van nature vol vijandschap tegen deze Man van smarten. Zo’n Zaligmaker begeren wij niet.

Als de mensen in de tijd van Jezus brood kunnen eten, ja, dan willen ze nog wel luisteren. Zolang ze opzienbarende wonderen zien, gaat het goed. Ze willen Hem zelfs wel koning maken! Maar als de Heere Jezus gaat spreken dat Híj dat levende Brood is en dat ze door Hem alléén behouden moeten worden, wijzen ze Hem af. Wanneer Hij zegt dat ze in Hem moeten geloven, wandelen velen niet meer met Hem. Voor zo’n Zaligmaker is er bij hen geen plaats. Dit geldt ook voor ons. Is het ons al tot smart geworden?

 

Maar deze Zaligmaker gaat door met Zijn werk. Hij zal plaats blijven maken in het leven van mensen. Dit gaat altijd door de weg van de vernedering. Alleen in een vernederd hart is er plaats voor een vernederde Zaligmaker. Een nederige Zaligmaker past niet in een hoogmoedig hart. Zo’n Zaligmaker kan alleen wonen in een ootmoedig hart.

Nu gaat God de Heilige Geest erop aanwerken dat ik vernederd word. De Geest van Christus maakt een mens klein. Hij maakt van mij een arme zondaar, een verloren zondaar, die gered moet worden. Zo steekt de Heilige Geest af naar de diepte, opdat er behoefte komt aan het Middelaarswerk van de Zaligmaker.

Zie maar in het leven van de discipelen. Eerst was er helemaal geen plaats in hun leven voor de lijdende Man van smarten. Maar de Heere Jezus ging er door Zijn onderwijs wel plaats voor maken. Na de opstanding hebben Christus’ leerlingen er meer van mogen zien en verstaan. Toen is er licht op de lijdensweg van Christus gevallen. Toen werd duidelijk waaróm het kruis van Golgotha nodig was. Er moest voor hen aan het recht Gods worden voldaan!

Jongere en oudere, smeek vandaag onder de lijdensprediking of de Heere plaats wil maken in jouw en uw hart voor de Man van smarten. Bid maar: ‘Heere, geef mij een nederig hart, want alleen in zo’n hart past een nederige Zaligmaker.’

 

Want Hij is opgeschoten, lezen we in vers 2. Wonderlijk hoe de profeet dit zegt. Hij is opgeschoten. Het lijkt wel of het al gebeurd is. Hoe kan Jesaja dit zo zeggen?

Hij leeft in de tijd van koning Hizkía, aan het einde van de achtste eeuw voor Christus. Het zal nog ruim zevenhonderd jaar duren voor de Messías in Bethlehem geboren zal worden. Toch spreekt Jesaja erover alsof het al gebeurd is.

Dat is nu profetie. Dan worden de zaken die nog in de toekomst verborgen liggen dichterbij gehaald. Jesaja mag hier zó vast spreken alsof het al verleden tijd is. In de profetie is het werkelijkheid, terwijl de vervulling nog jaren op zich zal laten wachten. Zo geeft dit woord hoop in de donkere nacht voor Christus’ komst.

 

Hij is als een rijsje opgeschoten. Een rijsje, wat is dat? Jesaja gebruikt het woord wel meer. Jongens en meisjes, misschien hebben jullie met Kerst die bekende tekst uit Jesaja 11 wel geleerd of opgezegd: Want er zal een Rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en een Scheut uit zijn wortelen zal vrucht voortbrengen.

In onze tekst gebruikt Jesaja ook het beeld van een rijsje. Een rijsje is een klein takje, waar groene blaadjes aan komen. Zo’n teer takje wordt een plant. Een rijsje noemen we ook wel een scheut of een spruit. Je ziet het wel eens in het bos. Uit de tronk van een omgezaagde boom komt een takje tevoorschijn. Waar je eigenlijk geen nieuw leven zou verwachten, zie je zo’n takje met kleine blaadjes uitspruiten.

Denk aan dit beeld als het gaat over de Heere Jezus. Hij is als een rijsje opgeschoten. Kanttekening 6 wijst daarbij op Zijn menselijke natuur. Dit Rijsje is opgeschoten in Bethlehem: En zij baarde haar eerstgeboren Zoon (Luk.2:7). Was de Heere Jezus niet klein toen Hij als mens te Bethlehem geboren werd? Hij kwam daar als een rijsje, heel gering. Voor Hem was geen plaats in de herberg. Toen Zijn geboortebericht door de herders in Bethlehem verbreid werd, hebben de mensen zich even verwonderd en gingen ze vervolgens over tot de orde van de dag. Wie lette er op dit Rijsje?

Hij is opgeschoten. Dat ziet op Zijn komst en ontwikkeling als Mens. Die was niet tegen te houden. Hij is opgegroeid in Zijn woonplaats Nazareth: En het Kindeken wies op en werd gesterkt in den geest, en vervuld met wijsheid; en de genade Gods was over Hem (Luk.2:40).

Dat Rijsje, Gods Zoon, is naar Zijn menselijke natuur opgeschoten. Als de Heere Jezus in de wereld komt, is Hij niet gelijk een volwassen man. Hij heeft naar Zijn menselijke natuur een ontwikkeling doorgemaakt. Zo is Hij als een rijsje opgeschoten, opgegroeid.

 

Gemeente, gaat het zo ook niet in het hart van Gods kinderen? Als de Heere Jezus Christus Zichzelf in het hart van een verloren zondaar gaat openbaren, is dat dan gelijk in Zijn volle heerlijkheid? Is dit dan direct als een grote boom? Nee, het begint als zo’n klein rijsje, zo’n teer takje.

Een wonder als een schuldig en verloren mens in de nood van het leven mag horen dat er bij God vandaan een middel is om de verdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen. Het is groter als de Middelaar Zich openbaart als de Verlosser, Die tot Sion zal komen. Het is noodzakelijk dat er een opwas komt in de genade en kennis van deze Zaligmaker. Dit gaat meestentijds geleidelijk aan. Onze oudvaders gebruiken in dit verband wel het woord ‘allengskens’ om deze gang aan te geven. Zo komt er geleidelijk meer plaats voor Jezus’ Persoon en werk.

Hij is als een rijsje opgeschoten. Het begin van het genadewerk is wel gering, maar de voortgang is zeker. Geen mens kan het tegenhouden. De Heilige Geest werkt erop aan om Christus te verheerlijken in een zondaarshart. Als die Geest Zijn werk in het hart doet, komt er plaats voor Christus. Van nature is er voor Hem geen plaats, maar de Geest máákt plaats. En dan zal blijken dat de groei van dit Rijsje niet tegen is te houden.

 

Er staat nog iets bij in onze tekst: ‘Want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten.’ Kanttekening 5 wijst erop dat de Heere Jezus voor het aangezicht van God Zijn Vader is opgeschoten. Het oog van de Vader is altijd op dit Rijsje geslagen. De Vader heeft Zijn Zoon in deze wereld gezonden: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft (Joh.3:16). Hij kwam op het moment, bepaald door de Vader, voor het aangezicht van de Vader, onder het oog van Zijn Vader. Als er in Bethlehem geen plaats is voor dit Rijsje en bijna niemand heerlijkheid in Hem ziet, ziet de Vader Zijn Zoon. Ook als Hij opgroeit als jongen in Nazareth en de anderen niets bijzonders in Hem opmerken, is het oog van de Vader op Zijn Zoon geslagen.

 

Dit Rijsje kwam bijzonder op voor de eer van Zijn Vader. Hij wilde de geschonden deugden van de Vader verheerlijken. Met Gods deugden bedoelen we Gods eigenschappen. Die eigenschappen zeggen Wie God is: rechtvaardig, heilig, goedertieren, genadig.

Wij mensen hebben die deugden van God geschonden. We hebben God veracht in Wie Hij is. We kozen de kant van de duivel en grepen met onze handen naar de verboden vrucht. We deden alsof de Heere niet goedertieren was. Hij had gezegd: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten (Gen.2:16). Alles in de hof van Eden stond tot onze beschikking. We deden ook alsof de Heere niet rechtvaardig was. Hij had gesproken: Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen.2:17). Maar we hebben wél gegeten.

Zo hebben wij de deugden van God geschonden. En daarom moest dit Kind komen om Zijn Vader te verheerlijken. Deze Zaligmaker heeft nooit zonde gehad of gedaan. De Vader ziet met welgevallen op Hem neer.

 

God de Vader heeft Zelf gezegd dat Christus Zijn Zoon is. Denk even mee, gemeente: wanneer heeft God de Vader in het openbaar gezegd dat dit Rijsje Zijn Zoon is? De eerste keer bij de doop in de Jordaan. Dan worden de hemelen geopend en daalt de Heilige Geest op Jezus neer in de gedaante van een duif. Dan zegt de Vader van dit Rijsje: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb (Matth.3:17). Later, op de berg der verheerlijking, zegt de Vader het nog een keer: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem (Matth.17:5).

Het is alsof de Vader zegt: ‘Zie, Mijn Knecht!’ Achter die Knecht des Heeren, de Man van smarten, staat God de Vader. Hij is vertoornd vanwege de zonde en nu moet deze Knecht aan Zijn geschonden recht genoegdoening geven. Hij moet aan dat recht gaan voldoen. En daarom: voor Zijn aangezicht opgeschoten. Hij kwam voor de Vader.

Waarom moest Hij komen voor Zijn Vader? Omdat we tegen God hebben gezondigd. Daar gaat de Heere Zijn volk iets van leren. Om dan ook iets van het geheim te openbaren dat deze Zoon voor Zijn Vader kwam en daarom kwam Hij ook voor mij. Dierbaar onderwijs!

 

Er staat in vers 2 nog iets over de komst van deze Man van smarten: En als een wortel uit een dorre aarde. Dit rijsje komt als een wortel uit dorre, droge aarde. We lopen allemaal wel eens over de hei. Soms heb je dan zo’n kaal stuk grond. Er groeit niets. Maar als je dan goed kijkt, zie je iets groens boven de grond uitkomen. Blijkbaar zit daar wat zaad of een wortel onder de grond. Dat is hier het beeld: een wortel uit een dorre aarde.

De Heere Jezus was naar Zijn menselijke natuur nederig van afkomst. Van het koningshuis van David was niet meer overgebleven dan een afgehouwen tronk. Jozef was een arme timmerman, Maria een eenvoudige maagd. Hij werd in het nederige Galiléa opgevoed. Men zei toen het over Jezus ging: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? (Joh.1:47).

 

Als een wortel uit een dorre aarde. Calvijn merkt op: ‘Hier wordt niet slechts over de geboorte van Jezus gehandeld, maar over heel Zijn Rijk.’ De aard van Gods Koninkrijk is dat het altijd komt als een wortel uit een dorre aarde. Alles wat God werkt, begint klein. Het is als het zaad dat in de droge grond lijkt te versterven. Het is als de wortel van een boom, die in de dorre aarde verdroogt en waar niets van terecht lijkt te komen.

Als een wortel uit een dorre aarde… Zie eens op de pinksterdag. Aan het begin van de dag zijn er twaalf Galilese mannen die over de grote werken Gods spreken. Aan het einde van diezelfde dag zijn er 3000 zielen tot de gemeente toegedaan. Op de dag van de sabbat zitten enkele vrouwen aan de rivier bij Filippi. De opening van het hart van Lydia betekent het begin van de gemeente daar in Macedónië.

Gods werk begint klein. Dat diepe gevoel dat alles zo leeg is zonder de Heere. Dat stille heimwee naar God in het hart. Die hartelijke droefheid over de zonden. Het begint naar menselijk begrip zo klein. Maar dat beginsel uit God zal zich gaan ontwikkelen.

 

Als een wortel uit een dorre aarde… Soms lijkt het zo onmogelijk dat God ergens begint. Je zou zeggen: het is allemaal dorre aarde, er is niets van te verwachten. Ook wij kunnen dat wel eens denken: Hoe zou dat toch kunnen, in zíjn leven, in háár hart? Maar voor de Heere zijn geen onmogelijkheden. Hij spreekt en het is er, Hij gebiedt en het staat er. Geen zondaar is te slecht om door God opgezocht te worden. Er is genade bij God, om Christus’ wil. Schep moed uit deze woorden: als een wortel uit een dorre aarde. Zo kwam Christus in Zijn nederige staat op deze aarde. Zo kan Hij komen in een verloren mensenhart, dat ook is als die dorre aarde. Waar het van onze kant niet meer kan, daar kan het van Gods kant juist wél!

 

Als een wortel uit een dorre aarde… Dat geldt niet alleen bij de aanvang van Gods genadewerk, maar ook bij de voortgang. Gods kinderen leren hun hart kennen als zulke onvruchtbare aarde. Maar in die onvruchtbaarheid wil God Christus openbaren en nader verklaren. Houd dan moed, u die moet ervaren steeds meer te gaan lijken op dorre grond. De komst van Christus is als een wortel uit een dorre aarde, voor het eerst en opnieuw.

 

Zo zagen we in de eerste gedachte de komst van de vernederde Man van smarten. Nu onze tweede gedachte:

 

  1. Zijn gang

 

Hoe is de gang van de vernederde Man van smarten door deze wereld? We lezen in vers 2: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid.

Geen gedaante noch heerlijkheid… De Messías verscheen hier niet op aarde als een Koning, met pracht en praal omgeven. Dat kwam ‘vanwege Zijn nederige staat, de wonden en striemen, het bloed en de zweetdruppels en andere menigvuldige ellenden’, schrijft de kanttekenaar.

Van deze vernederde Man van smarten geldt wat we zongen uit Psalm 89: ‘Zijn schoonheid is vergaan, Zijn troon ligt neergestort. De dagen Zijner jeugd zijn door Uw hand verkort.’

Jezus boog zó diep dat Hij geen gedaante en geen heerlijkheid had. Dat was Zijn hele leven zo. Hij zag eruit als ieder ander mens. Maar de diepte van deze woorden blijkt vooral aan het einde van Zijn leven. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid. In de Hof van Gethsémané, waar Hij bloed zweette. Op de rechtplaats Gábbatha, waar Zijn rug tot bloedens toe gegeseld werd. Op de kruisheuvel Golgotha, waar Hij hing in Zijn diepe lijden naar ziel en lichaam. Geen gedaante, geen heerlijkheid.

 

Bij de gang van deze Man van smarten hoort ook, dat Hij niet begeerd werd. Jesaja zegt: Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. De gewone mens heeft niets bijzonders in Jezus gezien. Wie zag in Hem Gods Zoon?

Zelfs op weg naar Golgotha gold het: Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. De dochters van Jeruzalem zagen de Man van smarten bijna bezwijken onder Zijn kruis. Ze hadden medelijden met deze Martelaar en beklaagden Hem. De tranen stroomden over hun wangen. Maar ze begeerden de Man van smarten niet als Middelaar.

Daarom moet het van een andere kant komen, wil ik wél een gestalte in Hem zien en Hem gaan begeren. Wat is daarvoor nodig? Dat de arm des Heeren aan ons geopenbaard wordt. Dat de kracht van God in ons leven komt. Dan gaan we onze zonden belijden en onze schuld eigenen. Dan leren we onze verlorenheid inleven. Dan gaan we buigen voor de eis van Gods heilig recht. We moeten van onze gerechtigheden afgestoten worden, willen we heerlijkheid gaan zien in deze Man van smarten. Zo alleen komt er plaats voor Jezus, Die in de gang van Zijn vernedering de losprijs voor Zijn volk volkomen heeft voldaan. Hij moet aan ons geopenbaard worden, anders zien we Hem niet.

Denk aan de hoofdman over honderd bij het kruis van Jezus. Eerst zag hij geen enkele heerlijkheid in de Man van smarten. Maar toen de arm des Heeren eraan te pas kwam, heeft hij het beleden: Waarlijk, Deze was Gods Zoon (Matth.27:54).

 

Geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben… Oudvader Abraham Hellenbroek – dezelfde als de auteur van het bekende catechisatieboekje – heeft een uitgebreide verklaring van Jesaja nagelaten, met als titel ‘De evangelische Jesaja’. Het slot van vers 2 leest hij als vraag: ‘En zouden wíj Hem begeerd hebben?’

Deze indringende vraag die Hellenbroek stelt, leggen we vandaag ook aan uw en jouw hart: Zouden wíj Hem begeerd hebben? De blinde farizeeën niet, de wenende dochters van Jeruzalem niet, velen van het volk ook niet… maar wij?! Zouden wíj Hem begeerd hebben? Weet u wat het antwoord moet zijn? Weet jij welk antwoord we hierop moeten geven? ‘Nee’. Van nature geldt het voor ons allen: niet begeerd!

 

Jesaja zegt nog meer: Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen. Hij was veracht door de mensen, een verworpen Man. We zongen uit Psalm 22:

 

Maar Ik, Ik ben een worm, van elk vertreden;

Een worm, geen man;

Een spot en smaad van mensen,

Dien ’t boze volk naar zijn baldadig wensen,

Beschimpen kan.

 

Een Man van smarten… Dit wil zeggen: een Man vol smarten. Bij Hem was alles smart. Schriftverklaarder Matthew Henry merkt bij deze tekst treffend op dat we nooit lezen dat de Heere Jezus lachte, wel meerdere keren dat Hij weende. Hij heeft de hele tijd van Zijn leven smart gehad, van het begin tot het einde. Jezus droeg de ondeelbare toorn Gods die brandde tegen de zonde van het menselijk geslacht. Jezus zag altijd de zonde en de gevolgen van de zonde om Zich heen. Wat moet dat voor Zijn reine ziel geweest zijn om daar 33 jaar lang in te moeten verkeren. Zo was Hij de Man van smarten.

 

En verzocht in krankheid… De Middelaar werd verzocht in krankheden, smarten, ellenden. Zo stond Hij bekend, bijzonder in de laatste dagen van Zijn vernedering op aarde. Zie Zijn gebeukte aangezicht, Zijn bespuwd gelaat, Zijn gegeselde rug, Zijn gefolterde lichaam. Hij doorleefde op intense wijze wat krankheid, ellende en smart is.

Hij heeft de gevolgen van de zonde en van de krankheid gedragen. Maar bovenal heeft Hij de oorzaak van onze geestelijke ziekte, de zonde, weggedragen. Zo heeft Hij de krankheden van Zijn volk op Zich genomen en hun smarten gedragen; lees het maar in vers 4. Dat is het werk van die vernederde Man van smarten.

In het dragen van die smarten heeft Hij de zonde van Zijn gehele Kerk op Zich geladen. Voor dat werk kwam Hij. Daarvoor wilde Hij de Man van smarten worden en Zijn ziel tot een schuldoffer stellen. Hij heeft het verbond der genade en der verzoening besloten toen Hij uitriep: Het is volbracht! (Joh.19:30).

 

Kinderen des Heeren, in het volbrachte werk van deze Man van smarten ligt de grond van uw zaligheid. Zijn bloedprijs is het enige fundament om voor God te kunnen bestaan. Zalig die hongeren en dorsten naar Zijn gerechtigheid!

De Man van smarten kent ook volmaakt de diepte van alle smarten. Hij is in alle dingen verzocht geweest, doch zonder zonde. Zo is Hij de Hogepriester Die medelijden kan hebben met de zwakheden van Zijn volk. Laat het tot troost zijn dat Hij weet wat maaksel zij zijn. Hij weet wat hun smarten zijn.

Volgelingen van deze Zaligmaker, zou u dan Zijn voetstappen niet gewillig drukken? Als uw Meester nu het kruis heeft verdragen, zou u dan uw kruis niet willen opnemen en het Hem nadragen?

Zie eens naar de Man van smarten. Hij is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Hij is door de smarten heen gekomen en leeft nu voor altijd aan de rechterhand van Zijn Vader. Hij zal niet rusten voordat Hij al de Zijnen tot Zich genomen heeft in eeuwige heerlijkheid.

 

Een Man van smarten en verzocht in krankheid, zegt Jesaja. Is Hij u al dierbaar? Werd Hij voor jou al noodzakelijk? Is Hij voor ons de Schoonste van alle mensenkinderen geworden?

De dichter van Psalm 45 zingt: ‘Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen.’ En zo is het! Wat is Hij schoon in Zijn vernedering. Hij gaat gewillig de lijdensweg van kribbe naar kruis. Wat is Hij schoon in Zijn spreken. Zijn mond brengt niet dan loutere wijsheid voort, als Hij Zijn jongeren nader onderwijst. Wat is Hij schoon in Zijn voorbeeld. Ziende op Hem, mag de Kerk in Zijn voetspoor gaan: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde, maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt (1Petr.2:23). Wat is Hij schoon als Hij Zichzelf wegschenkt en Zijn Middelaarswerk toepast in het hart.

Dan verstaan we de taal van de bruid: Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem (Hoogl.5:16). Wat wordt die Man van smarten ons dan dierbaar. Wat wordt Hij allerbeminnelijkst! Door Hem wordt de stille hoop in het hart van degenen die de Heere verwachten niet beschaamd. Hij denkt aan Zijn ellendigen!

We gaan er samen van zingen uit Psalm 69 vers 3:

 

Beschaam door mij de stille hope niet

Van hen, die U, o Heer’ der legerscharen,

Verwachten; laat geen schande wedervaren

Aan hen, die U steeds zoeken in verdriet.

Met mij verging hun hoop, o Isrels God,

Daar ik mijn smaad om Uwentwil moet dragen.

Mijn aanschijn is bedekt met schand' en spot;

Helaas, wat heb ik stof tot bitter klagen!

 

We prediken u de vernederde Man van smarten. Onze eerste gedachte ging over Zijn komst: als een rijsje voor Gods aangezicht, als een wortel uit een dorre aarde. De tweede gedachte bepaalde ons bij Zijn gang: geen gedaante, geen heerlijkheid, geen gestalte, geen begeerte, veracht, de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, verzocht in krankheid.

Nu onze derde gedachte:

 

  1. Zijn volk

Wat wordt er van Zijn volk gezegd? Zie het slot van vers 3: En een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

Een iegelijk – dat wil zeggen: iedereen. Iedereen verborg het aangezicht voor Hem. Men wilde van Hem niet weten.

Het Joodse volk verbergt het aangezicht voor Hem. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen (Joh.1:11). Dat is nu Zijn volk. Ze verbergen het aangezicht voor Hem. Ze erkennen Hem niet als de Zoon van God.

De mensen uit Galiléa verbergen het aangezicht voor Hem. Ze willen wel van de broden eten en Zijn wonderen zien, maar ze lopen Hem als Zaligmaker voorbij. Ja, uiteindelijk keren vele uiterlijke volgelingen zich van Hem af: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen? (Joh.6:60).

De farizeeën en de schriftgeleerden verbergen het aangezicht voor Hem. Ze willen Hem niet aanzien als Messías. Smalend uiten ze hun spot: Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen (Luk.15:2). Ze willen niets met Jezus te maken hebben.

De discipel Judas verbergt het aangezicht voor Hem. Hij die zo dicht bij Jezus’ aangezicht geweest is, loopt in de hof van Gethsémané op de Meester af en kust Hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus? (Luk.22:48). Ten diepste moet Judas niets van Jezus hebben.

Het Sanhedrin verbergt het aangezicht voor Hem. De Grote Raad velt het vonnis over Jezus: Hij is des doods schuldig (Matth.26:66).

Koning Herodes verbergt het aangezicht voor Hem. Hij doet Jezus een blinkende spotmantel om en zendt Hem zo snel mogelijk terug naar Pilatus.

Rechter Pontius Pilatus verbergt het aangezicht voor Hem. Hij veroordeelt Jezus tot de kruisdood en wil zelf buiten schot blijven: Ik ben onschuldig van het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien (Matth.27:24).

De wispelturige schare – zoals dominee Hellenbroek het uitdrukt – verbergt het aangezicht voor Hem. Men kiest Barábbas boven Jezus en roept het als uit één mond: ‘Weg met Dezen, kruis Hem, kruis Hem!’

De Romeinse soldaten verbergen het aangezicht voor Hem. Ze weten niet wat ze doen, als ze de spijkers door Zijn handen en voeten drijven en Hem nagelen aan het kruis.

Ja, zelfs Zijn Vader verbergt het aangezicht voor Hem, als Zijn Zoon het moet uitroepen in de drie-urige duisternis: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth.27:46). O, ontzaglijke diepte van het lijden van de Man van smarten!

 

En een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem.

We gaan nog verder. Ook de discipelen hebben het aangezicht voor Hem verborgen. Ze hebben Hem vooreerst niet erkend als Degene Die Hij voor hen in Zijn vernedering wilde zijn. Hun ogen waren ervoor gesloten. Ze begeerden liever in een opgaande weg een Koning bij Wie zij de hoogste plaatsen mochten innemen.

Petrus heeft het namens de discipelen vol overgave gezegd – en het was de taal van het zaligmakende geloof – Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods (Matth.16:16). Maar als de Zoon des mensen gaat beginnen over Zijn lijdensgang, keert Petrus zich naar zijn Meester toe en dreigt hij zelfs een struikelblok voor Hem te worden. Blind voor Christus’ Borgwerk zegt hij: Dit zal U geenszins geschieden (Matth.16:22). Petrus verbergt op dat moment het aangezicht voor Hem, want hij weet geen raad met een lijdende Man van smarten.

O, als de Heere Jezus toch eens naar de woorden van Petrus geluisterd had… Dan was het een verloren zaak geweest voor Petrus en voor heel Gods Kerk. Maar deze Man van smarten is doorgegaan. Hij móest en wilde lijden om de prijs voor Sion te betalen.

Zo zijn ze allen blind voor de vernederde Man van smarten – niet alleen het Joodse volk en de farizeeën, niet alleen Judas en het Sanhedrin, niet alleen Herodes en Pontius Pilatus, niet alleen de schare en de soldaten – maar ook de discipelen, zelfs Petrus.

Zie deze discipel later in de zaal van Kájafas. Hij verbergt het aangezicht voor Jezus: Ik ken den Mens niet (Matth.26:72). Petrus neemt het niet op voor de zaak van zijn Meester, maar hij verloochent Hem.

 

En een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem.

Nu heel persoonlijk. Wij allen verbergen het aangezicht voor Hem. We hebben deze lijdende Zaligmaker niet nodig. Wat zijn zelfs degenen die genade hebben ontvangen  aanvankelijk blind voor het priesterlijke werk van de Man van smarten. Ze willen zelf nog zoveel bijdragen aan hun zaligheid. Ook zij weten eigenlijk niet wat ze met een lijdende Borg moeten doen. De Heere gaat Zijn kinderen eraan ontdekken: ‘Ook ík verberg mijn aangezicht voor Hem.’ Wat wordt het een smart als we gaan zien dat het onze zonden zijn die Hem dit bittere lijden hebben gebracht. Wat gaan we ons schamen als we ontdekken dat we ons aangezicht van Hem afkeren, als het gaat over Zijn voldoening.

Gemeente, en ook kinderen des Heeren, voelen we hoe schuldig we staan? En een iegelijk, ook ik… Hebben wij daar onze eigen naam al ingevuld?

 

Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht. Jesaja zegt: ‘Wij, Joden, hebben Hem niet geacht.’ De profeet staat niet boven het volk in zijn tijd. Hij sluit zichzelf erbij in: wij… Als je eerlijk wordt voor God, ga je dat ook zeggen: ‘Ik heb Hem niet geacht, ik ben net als die tempelbouwers Die de Hoeksteen hebben verworpen.’

Zijn we al tot inkeer gekomen? Leerden we al zien: ‘Ook ík heb Hem niet geacht?’ Denk eens aan de moordenaar die naast de vernederde Man van smarten op Golgotha hangt. Deze man heeft zijn hele leven de Zaligmaker veracht. Daarover krijgt hij smart. Zijn spottende mond gaat dicht. Deze lasteraar begint te bidden. Hij zegt tegen de andere moordenaar: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt? En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (Luk.23:40-41). O, deze zondaar krijgt zoveel achting voor die Man van smarten, verzocht in krankheid. De Heilige Geest gaat het oog van deze moordenaar openen voor de Man aan het middelste kruis. Als een rechteloze bedelaar smeekt hij: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (Luk.23:42).

En wat gebeurt er? Dan gaat de lijdende Zaligmaker vanaf Zijn kruis het verlossende woord spreken: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn (Luk.23:43). Weet je wat de Man van smarten doet? Hij neemt alle krankheden van die moordenaar op Zich. Hij draagt al zijn smarten. Zo neemt Hij de oorzaak van zijn geestelijke ziekte weg en herstelt hij wat deze moordenaar was kwijtgeraakt in de zondeval. U zult heden met Mij zijn, in het Paradijs!

 

Tegenover deze zegen door de arbeid van de Man van smarten, staat de straf die Hij straks zal volvoeren aan allen die Hem blijvend hebben veracht en verworpen. Als Hij terugkomt op de wolken des hemels – niet meer als de vernederde Man van smarten, maar als de verhoogde Rechter van levenden en doden – zullen we het uitroepen tot de bergen en de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen Die op den troon zit, en van de toorn des Lams (Openb.6:16). Dan is de genadetijd voorbij… Nu nog niet!

 

Gemeente, het ging in deze lijdenspreek over de Man van smarten: Zijn komst, Zijn gang, Zijn volk.

Jongens en meisjes, de vernederde Man van smarten verschijnt als een rijsje – zo’n klein takje – voor Gods aangezicht. Weet je wat dit voor jou betekent? Dat ook jij een nieuw hart kunt krijgen, omdat de Heere Jezus een Rijsje wilde worden en zo heel klein wilde beginnen. Zoek Jezus veel, zoek Jezus vroeg. Wie Jezus heeft, die heeft genoeg!

Jongeren, als een wortel uit een dorre aarde. Van jullie geldt – zoals van ieder mens – dat er vanuit jezelf geen enkele verwachting is. Maar de Heere Jezus kan komen en Zijn werk doen, daar waar het van ons uit onmogelijk is. Vraag aan de Heere: ‘Werk ook in de dorre aarde van mijn hart.’ Voor Hem zijn alle dingen mogelijk.

Volwassenen en ouderen, wij hebben Hem niet geacht. Als wij Hem blijven verachten, zal deze Zaligmaker straks óns verachten. Als wij ons aangezicht voor Hem blijven verbergen, verbergt Hij het Zijne straks voor óns. O, bedenk heden wat tot uw vrede dient. Hij wacht nog om genadig te zijn.

Volk des Heeren, het ging met deze Man van smarten door de diepte van het lijden heen. Zo betaalde Hij de schuld der Zijnen. En daarom mogen we, ziende op deze vernederde Man van smarten, ook nu tot Sion zeggen: ‘Zie, hier is uw God!’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 118: 11

 

De steen dien door de tempelbouwers

Veracht’lijk was een plaats ontzegd,

Is, tot verbazing der beschouwers,

Van God ten hoofd des hoeks gelegd.

Dit werk is door Gods alvermogen,

Door ’s Heeren hand alleen geschied;

Het is een wonder in onz’ ogen;

Wij zien het, maar doorgronden ’t niet.