Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 29

Onderwerp

De leer van het Heilig Avondmaal tegen dwalingen verdedigd
De tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal
Het onderwijs van Christus in het Heilig Avondmaal
De verzekering van Christus in het Heilig Avondmaal
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 1
Lezen : Johannes 6: 41 - 59
Zingen : Psalm 25: 1, 2 en 6
Zingen : Psalm 103: 2 en 3
Zingen : Psalm 16: 3

Wij lezen Zondag 29 van de Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 78: Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus?

Antwoord: Neen; maar gelijk het water in de Doop niet in het bloed van Christus veranderd wordt, noch de afwassing der zonden zelve is (waarvan het alleen een Goddelijk waarteken en verzekering is), alzo wordt ook het brood in het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelf, hoewel het naar de aard en de eigenschap der sacramenten het lichaam van Christus Jezus genaamd wordt.

Vraag 79: Waarom noemt dan Christus het brood ‘Zijn lichaam’ en de drinkbeker ‘Zijn bloed’ of ‘het Nieuwe Testament in Zijn bloed’, en Paulus ‘de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus’?

Antwoord: Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worde; maar veelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden te verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk Zijns waren lichaams en bloeds door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen met den lichamelijken mond tot Zijn gedachtenis ontvangen; en dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wij zelven in onzen eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeggedaan.

 

Gemeente, het thema van deze Zondag is:

De leer van het Heilig Avondmaal tegen dwalingen verdedigd

 

We letten op drie aandachtspunten:

1. De tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal

2. Het onderwijs van Christus in het Heilig Avondmaal

3. De verzekering van Christus in het Heilig Avondmaal

 

Gemeente, het was in de eerste week van oktober in het jaar 1529, dat twee groten uit de kerkgeschiedenis elkaar ontmoetten op het kasteel van de landgraaf te Wartburg. Tussen Luther en Zwingli werd een godsdienstgesprek gehouden en dat ging over het Heilig Avondmaal. Toen de kernpunten van het Heilig Avondmaal aan de orde kwamen, pakte Luther opeens een stuk krijt. Hij schreef op de tafel waaraan men disputeerde: ‘Dit is Mijn lichaam’. Waarom deed hij dat? Niet voor zijn tegenstander, want hij sloeg meteen het tafelkleed er weer overheen. Ook niet voor zichzelf, want hij was diep overtuigd van zijn eigen mening. Luther deed dit om de waarheid waarover men aan het disputeren was, vast te leggen. Want op het hoogtepunt van het gesprek, toen Zwingli uitlegde dat men Christus’ woorden moest uitleggen als: ‘Dit brood betekent Mijn lichaam’, sloeg Luther opeens het tafelkleed op om de naakte waarheid van Gods Woord te onthullen. En daar stond het: ‘Dit is Mijn lichaam.’

U weet dat Luther leerde de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus aan het Heilig Avondmaal in, met en onder de tekenen van brood en wijn. Hij zei: ‘Zoals het vuur het ijzer doorgloeit, zo is Christus lichamelijk aanwezig in de tekenen van brood en van wijn.’

Zwingli zei: ‘Het Heilig Avondmaal is alleen maar een herinnering aan de kruisdood van Christus’, zoals u een foto van een overleden familielid in huis hebt staan. Zo’n foto herinnert u aan de overledene, maar de persoon die op de foto staat is daar niet zelf tegenwoordig.’

Toen Zwingli tegen Luther zei: ‘Hang toch niet zo aan de mens en aan het vlees van Christus, maar verhef uw geest op tot Zijn Godheid’, antwoordde Luther: ‘Ik weet van geen andere God dan Die mens is geworden en ik wil ook geen andere hebben.’

 

Op dit punt van het Heilig Avondmaal konden ze elkaar niet vinden. Voor Zwingli was het Heilig Avondmaal niet meer dan een gedachtenismaaltijd. Christus is daar, volgens hem, niet werkelijk aanwezig. Op dit punt, zeggen wij nu, was hij fout. Luther was dichter bij de waarheid. Hij leerde dat Christus wel degelijk aanwezig is in het Heilig Avondmaal, namelijk in de tekenen. Hoewel volgens hem wel het brood gewoon brood bleef en de wijn gewoon wijn bleef.

 

De roomse kerk stond verder van de waarheid af. Zij leerde de tegenwoordigheid van Christus bij het Heilig Avondmaal en wel puur lichamelijk. Zij geloven dat brood en wijn echt veranderen in het lichaam en bloed van Christus.

 

De Reformatie, met name Calvijn, dus de gereformeerden, leerden ook de tegenwoordigheid van Christus. Niet lichamelijk maar geestelijk. Niet vervlakt, zoals bij Zwingli, zodat Christus alleen maar tegenwoordig is in de gedachten van de mens, als een herinnering. Nee, Hij is wezenlijk en waarachtig en krachtdadig tegenwoordig. We kunnen ook zeggen: ‘Hij laat Zich aan het Heilig Avondmaal vertegenwoordigen door Zijn Heilige Geest.’ Maar Hij is er ook werkelijk Zelf. Christus is er aan Zijn Tafel.

 

We laten Zwingli nu rusten; die is bij de Heere. En we laten Luther nu rusten; die is ook bij de Heere. We gaan nu, daar dwingt de Catechismus ons toe in deze Zondag, verder in op het roomse standpunt en het gereformeerde standpunt.

 

Het Heilig Avondmaal tegen dwalingen verdedigd.

Onze eerste gedachte:

 

1. De tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal

 

De vraag wordt gesteld:

Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloed van Christus?

 

De roomse-katholieke kerk leert de transsubstantiatie. ‘Trans’ betekent: over, anders. ‘Substantie’ betekent: stof. De ene stof gaat dus over in de andere. Toegepast op het Heilig Avondmaal: brood en wijn gaan wezenlijk over in het lichaam en het bloed van Christus. Christus zei immers: ‘Dit is Mijn lichaam’ en ‘Dit is het Nieuwe Testament in Mijn bloed.’ Telkens als de priester bij de communie de instellingswoorden in het Latijn uitspreekt, bewerkt hij daarmee de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal. De roomse kerk leert dat dan het brood echt het lichaam van Jezus en de wijn echt Zijn bloed wordt.

Iemand zegt misschien wel: ‘Dat kun je toch makkelijk genoeg controleren? Je kunt het proeven en je kunt het zien. Je ziet toch of je een stukje vlees in je hand hebt of een stukje brood?’

Nee, zegt Rome, dat kan je niet zien. De eigenschappen van brood en wijn, zoals de vorm, kleur en de smaak, blijven na de omzetting nog hetzelfde. Alleen het wezen, de essentie, wordt veranderd. Uw oog ziet gewoon brood. Uw hand voelt gewoon brood. Uw mond proeft gewoon brood. Maar het is geen brood meer. Uiterlijk blijven brood en wijn gelijk, maar naar hun innerlijke wezen worden ze veranderd in het lichaam en het bloed van Christus en wel zo dat in ieder stukje brood en iedere druppeltje van de wijn de volle Christus aanwezig is.

 

Dit is een dwaling. Hoe zou die dwaling de Kerk zijn binnengeslopen? Het Heilig Avondmaal werd na de eerste eeuwen, waarin de Kerk nog volop Bijbels was, hoe langer hoe meer gezien als een mysterie, als een geheimzinnig iets. De ware inhoud van het Evangelie werd losgelaten. In de duistere Middeleeuwen sprak het duistere en het mysterieuze heel erg aan bij de mensen. Men noemde op den duur het Heilig Avondmaal ‘het sacrament van het eeuwige leven’ of ook wel ‘het sacrament van de onsterfelijkheid’. Zo kwam langzaam maar zeker de mening op dat het brood werkelijk werd overgezet in het lichaam van Christus en de wijn in Zijn bloed.

Deze dwaling, die zo de Kerk was binnengeslopen, vond haar bezegeling en bevestiging op het Vierde Lateraans Concilie in 1215. Van toen af leerde de roomse kerk officieel, als dogma, de transsubstantiatie-leer. Dat wil zeggen dat brood en wijn wezenlijk worden veranderd in het lichaam en het bloed van Christus.

Het Concilie van Trente in 1541 bezegelde deze leer door de vloek uit te spreken over een ieder die deze leer niet onderschrijft.

 

Tien jaar later kwam de Catechismus uit met vraag en antwoord 78. U kunt zich wel voorstellen dat deze vraag de mensen van toen erg bezighield. De Reformatie was nog maar net begonnen. Steeds opnieuw kwamen er nog mensen uit de roomse kerk over naar de gereformeerde kerk. Velen zaten in hun denken nog vast aan die oude roomse gebruiken. De roomse opvatting van de wezensverandering kwam bij de mensen telkens weer in hun gedachten als het Heilig Avondmaal werd bediend. Dan wisten ze daar niet zo goed raad mee.

 

Vandaar dat de Catechismus vraag 78 stelt en beantwoordt. Het antwoord op de vraag of het brood en de wijn echt vlees en bloed wordt, is: ‘Nee!’

Waarom niet? Is dat te geheimzinnig of te wonderlijk? ‘De Heere kan wel uit stenen Abraham kinderen verwekken’, zegt de Bijbel.

Nee, zegt de Catechismus, dat is het probleem niet. Kijk naar de Doop en wees dan consequent. Het doopwater verandert toch ook niet in het bloed van Christus! Al leert Rome dan dat het doopwater een bijzondere, Goddelijke kracht heeft tot vergeving van zonden, zij leert niet de wezensverandering van het doopwater in bloed. Welnu, waarom dan die ongelijkheid tussen de beide sacramenten?

 

Zo komt de Catechismus met de zuivere leer van de Bijbel. Die wordt uit het stof gehaald. Ogenschijnlijk had Rome gelijk met het beroep op de instellingswoorden van Christus. Het staat er toch: ‘Dit is Mijn lichaam.’? Ja, dat staat er. Rome neemt die Bijbeltekst heel letterlijk.

Dat geeft de Catechismus ook toe, want er staat:

Hoewel het naar de aard en de eigenschappen van de sacramenten het lichaam van Christus genoemd wordt.

Zet onder ‘genoemd wordt’ maar even een streepje. Het wordt zo genoemd, maar het ís niet zo. We moeten dat figuurlijk opvatten.

 

Zo gebeurt dat toch zo vaak in de Bijbel? Als er staat dat Israël gedronken heeft uit de geestelijke steenrots en de steenrots is Christus, dan nemen we dat toch ook niet letterlijk? Het is een symbolische manier van spreken. Dat wil zeggen: De steenrots zag op Christus.

We hebben ook gelezen in Johannes 6: ‘Ik ben het Brood des levens.’ Dat vatten we toch niet letterlijk op? Christus vergelijkt Zich met brood. Dat wil zeggen dat Hij gekomen is om ons te spijzigen.

 

We hebben gehoord hoe het níet is, maar hoe is het dan wel?

Wel, zegt de Catechismus, het gaat om een geestelijk eten en drinken. Of zoals Guido de Brès, een leerling van Calvijn, het later formuleert in de geloofsbelijdenis: ‘Dat Hij gegeten, dat is toegeëigend, wordt, en ontvangen door het geloof in de geest. Het geloof is de mond van onze ziel.’

 

We hebben gelet op de Tegenwoordigheid van Christus in het Heilig Avondmaal.

 

En nu in de tweede plaats:

 

2. Het onderwijs van Christus in het Heilig Avondmaal

 

Luther heeft geen gelijk als hij de lichamelijke aanwezigheid van Christus leert. Rome heeft ook geen gelijk als ze de wezensverandering van brood en wijn in vlees en bloed leert. Zwingli zegt maar een halve waarheid als hij zegt dat het Heilig Avondmaal niet méér is dan een herinnering aan de verbroken Christus aan het kruis.

Nee, er is meer! Christus is Zelf tegenwoordig aan het avondmaal. Maar hoe? Daarop geeft Calvijn een Bijbels antwoord. En dat spreken de Catechismus en de geloofsbelijdenis na.

 

Waarom noemt dan Christus het brood ‘Zijn lichaam’ en de drinkbeker ‘Zijn bloed’ of ‘het Nieuwe Testament in Zijn bloed’, en Paulus ‘de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus’?

Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijk leven onderhouden, alzo ook Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed de waarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoed worde; maar veelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden te verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk Zijns waren lichaams en bloeds door de werking des Heiligen Geestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen met den lichamelijken mond tot Zijn gedachtenis ontvangen; en dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wij zelven in onzen eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeggedaan.

 

Ziet u het? Niet alleen wil Hij het ons leren, maar Hij wil ons ook verzekeren.

Daar hebt u de twee elementen, zoals ook in de voorgaande Zondag: lering en verzekering, teken en zegel.

 

Eerst het teken, de lering, het onderwijs.

Christus spreekt niet zonder grote oorzaak. Met andere woorden: Hij zegt dat opzettelijk zo. Expres drukt Hij Zich zo uit. Expres zegt Hij: ‘Dit is Mijn lichaam’, want Hij wil Zijn discipelen hier iets door leren. Hij wil hen leren dat er een directe overeenkomst is tussen het teken en de betekende, de afgebeelde zaak. Al is Christus dan niet lichamelijk tegenwoordig, geestelijk is Hij er wel. En dat betekent dat het niet minder werkelijk is, dat het niet vaag is of zomaar een beetje. Nee, Hij is helemaal present, werkelijk en waarachtig, door de Heilige Geest.

 

Weest u nu eens eerlijk: ‘Ervaart u dat ook?’ U die hier komt, is dat ook uw ervaring dat Hij er is? Kijk, als de koning ineens voor u staat, gaat er heel wat door u heen. Als nu de Koning der koningen voor ons staat, tot ons komt in het Heilig Avondmaal, door de kracht van de Heilige Geest, wat gaat er dan door ons heen? Als we dat echt ervaren?

Hij is daar, aan Zijn Tafel, als de grote Gastheer. Hij buigt Zich diep neer voor u, verloren, arme, schuldige zondaar. Hij richt Zijn Tafel toe voor uw aangezicht. Hij zalft uw hoofd met olie. Uw beker mag overvloeien. Hij geeft u Zijn gekruiste lichaam te eten en vergoten bloed te drinken. Dat zult u toch uw leven lang niet vergeten, als u dat echt mag ervaren? Die heerlijke tegenwoordigheid van Christus bij het Heilig Avondmaal.

Hebt u het wel eens ervaren als het Heilig Avondmaal bediend werd, dat u zomaar uit de volheid van uw gemoed mocht ervaren: ‘Het is hier zo heerlijk!’ Hoe komt dat? Jezus is hier! Waarachtig en werkelijk.

 

Welke lering, welk onderwijs geeft de Catechismus nu het eerst?

Wel, we horen eerst over een gewone maaltijd. Een gewone maaltijd is tot onderhoud van ons natuurlijk leven. Dat brengt de Catechismus geestelijk over, in opdracht van Christus, vanuit de Bijbel.

Van het natuurlijk leven en de natuurlijke maaltijd wordt overgestapt op de geestelijke maaltijd, het geestelijke leven.

 

Diezelfde lijn trekt Guido de Brès in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, in artikel 35. Ik wil daar enkele stukjes uit citeren.

Wij geloven en belijden dat onze Zaligmaker Jezus Christus het sacrament des Heiligen Avondmaals verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen die Hij alrede wedergeboren, en in Zijn huisgezin, hetwelk is Zijn Kerk, ingelijfd heeft. Nu hebben degenen die wedergeboren zijn, in zich tweeërlei leven: het ene lichamelijk en tijdelijk, hetwelk zij van hun eerste geboorte medegebracht hebben, en allen mensen gemeen is; het andere is geestelijk en hemels, hetwelk hun gegeven wordt in de tweede geboorte dewelke geschiedt door het woord des Evangelies, in de gemeenschap des lichaams van Christus; en dit leven is niet gemeen, dan alleen den uitverkorenen Gods. Alzo heeft ons God, tot onderhouding des lichamelijken en aardsen levens, aards en gewoon brood verordend, hetwelk daartoe dienstig is, en allen gemeen is, zowel als het leven. Maar om het geestelijk en hemels leven te onderhouden, hetwelk de gelovigen hebben, heeft Hij hun gezonden een levend Brood, Dat van den hemel nedergedaald is, te weten Jezus Christus, Dewelke het geestelijk leven der gelovigen voedt en onderhoudt, als Hij gegeten, dat is, toegeëigend en ontvangen wordt door het geloof, in den geest.

Even verder in het artikel staat:

Door het geloof (hetwelk de hand en mond onzer ziel is) het ware lichaam en het ware bloed van Christus, onze enige Zaligmaker, ontvangen in onze zielen, tot ons geestelijk leven.

En nog een ander gedeelte:

Hetgeen door ons gegeten en gedronken wordt, het eigen en natuurlijk lichaam en het eigen bloed van Christus is; maar de wijze op welke wij dit nuttigen is niet de mond, maar de geest, door het geloof. Alzo dan blijft Jezus Christus altijd zittende ter rechterhand Gods Zijns Vaders in de hemelen, en laat toch daarom niet na ons Zijner deelachtig te maken door het geloof. Deze maaltijd is een geestelijke Tafel, aan dewelke Christus Zichzelf ons mededeelt met al Zijn goederen en doet ons aan haar genieten.

Prachtig gezegd! Het is een geestelijke Tafel.

 

De Catechismus gebruikt ook het beeld van de gewone maaltijd. Want er staat:

zoals brood en wijn nodig zijn tot onderhoud van ons tijdelijk leven, zo mogen we Christus’ lichaam en bloed ontvangen tot onderhoud van ons geestelijk leven.

 

Drie keer per dag gaan we aan tafel om ons tijdelijk leven te onderhouden. Daar zoek je toch het beste eten voor uit? Het vlees van Christus is Zijn lichaam en het schenkt ons het eeuwige leven. Het is onze roeping om goed voor ons lichaam te zorgen, maar het onderhoud van ons tijdelijk leven is niet genoeg. Ook het geestelijke, eeuwige leven moet gevoed worden. Onze zielen moeten gevoed worden ten eeuwigen leven. En daar is de Tafel des Heeren voor nodig.

Zo ligt in de tijdelijke maaltijd het beeld van de geestelijke maaltijd. Wie helemaal niet eet of zo nu en dan maar eens, die schaadt zijn. Dan gaat het niet goed. Eten op gezette tijden is nodig. Zo ook als u door de Heilige Geest bent wedergeboren tot een levende hoop en dus het geestelijk leven ontvangen hebt.

Wie dan maar slechts nu en dan eens een keertje aan het Avondmaal gaat, die doet verkeerd. Die veracht het door God gegeven middel tot onderhoud van het geestelijk leven en die verachtert in de genade.

 

Het is Jezus alleen Die waarlijk spijze is en ook waarlijk spijze geeft. Hij is het levende Brood. Dat hebben we gelezen in Johannes 6. In Johannes 7 staat dat Hij het levende water is.

Kent u die honger en dorst naar Hem? Dat verlangen naar de Heere Jezus Christus, Die u kent, bij Wie u veilig bent, om Hem lief te hebben en voor Hem te leven en Hem te dienen? Dan vinden we bij onszelf de eeuwige dood, niets dan schuld, zonde en overtredingen. Alleen Zijn gekruiste lichaam en Zijn vergoten bloed kan onze arme ziel verzadigen.

 

Iedere keer als de Tafel wordt aangericht in de kerk, komt de roepstem van Zijn liefde tot ons. Hij zegt: ‘O mens, Ik ben de eeuwige dood ingegaan om u het eeuwige leven te schenken. Zie toch Mijn gekruiste lichaam! Zie toch Mijn doorboorde handen!’

Om uw overtredingen ben Ik verwond en om uw ongerechtigheden ben Ik verbrijzeld.

Tenzij dat gij het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelven.

Ik ben het Brood des levens.

Hoe laag daalt Hij tot ons af!

 

Zo leert Hij ons de beloften van Zijn Evangelie beter te verstaan.

Hij geeft er een streep onder. Hij zegt het nog eens in het onderwijs over het Heilig Avondmaal:

Zo dikwijls als gij van dit brood eet en van deze drinkbeker drinkt, zo wordt u verzekerd van Mijn hartelijke liefde en trouw.

 

Gemeente, de Catechismus geeft het beeld van een maaltijd.

Daar zitten twee beelden in. Een maaltijd is een heel geschikte gelegenheid om elkaar als gezin te ontmoeten. Overdag is iedereen weg, moeder is aan het werk, kinderen zijn naar school. Maar met etenstijd komen ze allemaal weer terug. Moeder roept: ‘Eten!’ En daar zitten ze allemaal aan tafel. O, er is er één nog niet! U merkt het gelijk als er iemand niet is, want dan is er een lege stoel. Dan staat het bord er, terwijl er niets opgeschept wordt. Dat valt toch op?

Gemeente, u mist uw kinderen toch ook als ze er niet zijn? Het zou een slecht teken zijn als u ze niet miste.

Zo is het ook aan de Tafel van de Heere Jezus. Dat is ook een ontmoeting, want het zijn broers en zussen van hetzelfde huisgezin. Het is een slecht teken als een avondmaalganger een keer overslaat. Het is een slecht teken als u zo iemand niet mist.

Hoe is het met de onderlinge gemeenschap? De Tafel is het beeld van de onderlinge gemeenschap.

 

De maaltijd is ook een beeld van versterking. Daar wordt u versterkt. U krijgt eten. U kunt uw werk weer verder gaan doen.

Maar dat is geestelijk ook zo. U kunt vermoeid zijn, uitgeput, bedroefd, moedeloos, bestreden, moe, gebogen onder uw zonden. Maar dan is er aan het Avondmaal weer nieuwe kracht. ‘Komt, zit hier neer, eet en drinkt, anders zou de weg voor u teveel zijn.’

 

Christus kan verborgen zijn voor ons. Niet dat Hij dat wil, want dat is dan onze schuld. Dan zijn wij bij Hem weggegaan. Zo zegt de Heere Jezus het ook tegen de gemeente van Efeze: ‘Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.’ Christus heeft hen niet verlaten, maar zij hebben Christus verlaten. Dus als u zegt: ‘Christus is zo verborgen’, dan is dat niet Zijn schuld, maar dan is dat uw schuld.

         

Maar het gebeurt. Christus verborgen, de eerste liefde verlaten, de weg wordt teveel. Hoe moet het nu? Dan maakt u een fout. Dan wilt u uw staat gaan opmaken vanuit uw stand. Dan zegt u: ‘Het is helemaal niets met mij. Ik zal wel geen kind van God zijn.’ Daar komt de Heere aan tegemoet. Hij weet hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn van krachten. Hij weet hoe de bestrijders tekeer kunnen gaan en dan zegt Hij:

‘Kom eens terug, hier opnieuw bij de Tafel des Heeren. Zit neer, eet, drink, rust een weinig. Ik ben u niet vergeten. Moet u Mijn wonden weer zien? Zie eens hoe lief Ik u heb. Ik gaf Mijn leven voor u. Zou u dan voor Mij uw leven niet geven in heiliging en strijd tegen de zonde? Kom, hef uw moede hoofd maar op, pelgrim! Eenmaal zult u in het zalig oord van Sion haast voor God verschijnen. Geniet maar van de oase die Ik aanricht in de woestijn.’

 

De geloofsbelijdenis zegt, dat Christus aan de Tafel Zichzelf meedeelt met al Zijn goederen. Met het Heilig Avondmaal is een feest. Dan mag u uw hart ophalen. O, wat is de Heere Jezus toch rijk! En wat kent Hij onze armoede en onze zwakheid! Dat Hij ons zo tegemoet komt!

Zijn enige offerande brengt Hij levensgroot onder de aandacht in de beelden van brood en wijn, om onze hongerige zielen te voeden en te laven tot het eeuwige leven.

 

Hij is de Eerste, maar ook de Laatste. Hij bewaart. Hij voleindigt. Hij is de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof. Zijn vlees is waarlijk spijs en Zijn bloed is waarlijk drank.

 

Dat was het eerste uit vraag 79. En dan komt nu het tweede, dat is onze derde gedachte: De verzekering van Christus in het Heilig Avondmaal.

 

We zingen eerst uit Psalm 103 de verzen 2 en 3 over die vergevende liefde van Hem.

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

 

Loof Hem, Die u vergunt uw zielsverlangen,

En ’t goede tot verzading doet ontvangen;

Uw jeugd vernieuwt, gelijk eens arends jeugd.

De Heer’ doet recht, is heilig in Zijn richten;

Treft iemand druk, Hij wil den druk verlichten,

En hart en mond vervullen met Zijn vreugd.

 

3. De verzekering van Christus in het Heilig Avondmaal

 

Tegenover de jammerlijke roomse vermaterialisering van de gemeenschap van Christus in het Heilig Avondmaal, stelt de Catechismus de volle rijkdom van de geestelijke gemeenschap met de Heere Jezus aan Zijn Tafel. Het brood en de wijn eten en drinken wij wel met de mond, maar de uitgetekende zaak, de vergeving van zonden en het eeuwige leven, worden we deelachtig door de werking van de Heilige Geest, de Toepasser van het lijden en sterven van Christus.

 

Wat de Heere Jezus heeft verdiend aan het kruis, schenkt de Heilige Geest in het hart van de gelovigen. Dat noemen we de toepassing, dat is de bevinding. Dan beleeft u het echt door het geloof. Want het geloof is de mond van uw ziel, zegt Guido de Brès. Zo eten we Zijn verbroken lichaam en Zijn vergoten bloed.

Het is toch onvergetelijk, als de Heilige Geest ons de toe-eigening schenkt van Christus?

Het kan in uw leven langzaam gaan, dat u zich daarvan bewust wordt en dat u de kracht daarvan mag ervaren. Het is net als met het eten. Op het moment dat u een maaltijd gebruikt voelt u nog niet de kracht ervan. Zo kan het zijn dat u de maaltijd van Christus gebruikt en dat het pas de volgende dag goed tot u doordringt wat er eigenlijk gebeurd is en wat de Heere Jezus gezegd heeft. Dat is de toe-eigening van de verdienste van Christus door de Heilige Geest. Als u Zijn verdienste mag omhelzen, zingt u van ganser harte:

Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,
Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,
Van ons de schuld en zonden weggedaan
.

 

Dan is er vrede met God. Dan is er niets meer tussen God en u. Dan wilt u aanbidden, buigen, dienen, de minste zijn, loven, prijzen, Hem liefhebben en getuigen.

De Catechismus zegt:

Wij worden Zijn lichaam en bloed deelachtig door de werking van de Heilige Geest.

Zoals het natuurlijk eten zich verenigt met ons lichaam, zo worden we in het Heilig Avondmaal verenigd met Christus. Dat noemen we de geloofsgemeenschap met Hem of de levensgemeenschap met Hem. Die diepe, innige gemeenschap tussen Christus en de Zijnen wordt in het Heilig Avondmaal verzekerd.

Dat kunt u merken in uw eigen leven, maar een ander kan dat ook aan u zien en merken. Want dan draagt u het beeld van Christus. Dan straalt u ook Zijn liefde uit. Dan gaat u op Hem lijken.

 

Tenslotte zegt de Catechismus:

En dat al Zijn lijden en gehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wij zelf in onze eigen persoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.

Dat is de persoonlijke verzekering van het borgwerk van de Heere Jezus. Dat alles wordt ons toegezegd in de belofte van het Evangelie. Het wordt ons toegerekend door God en ontvangen in geloof. Het Heilig Avondmaal zet daar een streep onder. Die hangt daar het zegel aan, het zegel van de echtheid, van de betrouwbaarheid. Het is echt waar. Het is geen gedachtespinsel. U hebt het zelf niet verzonnen. Christus zet er met Zijn eigen bloed nog eens Zijn handtekening onder; zo zeker is het voor u en voor jou.

 

Is dat geen onuitsprekelijke troost? ‘Zijn lijden en sterven zo zeker ons eigene is.’

O, zie toch op Hem! Al Zijn lijden en sterven is volbracht aan het kruis op Golgotha. U hebt maar één ding nodig en dat is dat u mag zeggen: ‘Ook voor mij!’

Er zitten er hier in de kerk die daarnaar hunkeren, die echt niet onverschillig zijn en die echt niet onverschillig afblijven van het Heilig Avondmaal, maar die daarnaar hongeren en dorsten. ‘Heere, is dat nu ook voor mij?’

En ze zitten maar met die vraag. Ach, uiteindelijk is er maar Eén Die u helpen kan. Het is de Heere, Die u erbij insluit. Als Hij dat doet, dan kunt u niet meer blijven zitten en dan gaat het vanzelf. Dan mag u de bedelaarshand van het geloof ophouden door de Heilige Geest. Dan mag u uw hand leggen op dat volkomen offer van Jezus Christus en dan mag u vol verwondering uitroepen:

‘O dierbare Heere Jezus, nu zie ik het en nu geloof ik het. U bent mijn Verlosser, mijn Zaligmaker, mijn Broeder en mijn Bruidegom, mijn Koning, het leven van mijn leven, mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig Goed! Wie heb ik nevens U omhoog? U bent mijn alles! Alles wat aan U is, is gans begeerlijk. Zulk Eén is mijn Liefste, zulk Eén is mijn Zielenvriend.’

 

Dat noemt de Catechismus de toe-eigenende daad van een gelovige. Dat is nodig om de kracht te ervaren. Het wordt ons toegerekend, geschonken in de belofte van het Evangelie. Het Heilig Avondmaal onderstreept dat. En wie gelooft, die hééft het! Zo zeker is Hij en Zijn gerechtigheid mijn eigendom.

En omdat dat zo is en omdat de Heilige Geest dat in mijn ziel schrijft, daarom mogen we dat ons van harte toe-eigenen. Het is de wil van God dat we dat doen.

O, geloof toch Zijn heil- en troostrijk woord?

Waarom zou u het niet doen?

Waarom zou u Hem toch niet voor betrouwbaar houden?

Waarom zou u Zijn bloed verachten?

Waarom zou u op Hem trappen, als Hij Zelf zegt: ‘Hier ben Ik. Mijn Vader geeft u dat levende Brood.’?

 

Moet ik dan niet eerst bekeerd zijn om aan te gaan? Er zijn zoveel mensen die zitten te wachten tot ze bekeerd worden en dan zullen ze geloven en kunnen aangaan aan de Tafel. Hoor wat Heere Jezus zei tegen de schare die voor Hem staat: ‘Mijn Vader geeft u dat ware Brood uit de hemel.’

 

Ik vraag u:

‘Heeft Christus waarde voor u?’

‘Kunt u niet meer buiten Hem?’

‘Voelt u dat het om Hem gaat?’

Als u met vrijmoedigheid mag zien en geloven dat Hij Zich aan u aanbiedt, zeg dan:

‘Heere Jezus, U bent de mijne en U hebt U gegeven in mijn plaats aan het vloekhout des kruises, mij ten goede.’

Daarin wordt God verheerlijkt. Dat wil de Heere.

Luther zegt: ‘We hebben geruild, Heere Jezus! Ik Uw gerechtigheid en Gij mijn zonden!’

 

Zo ontvangen en genieten we de zaligheid, zegt de Catechismus.

‘Heere, wat bent U toch goed voor mij!’

U wordt er als het ware helemaal onder bedolven.

‘Mijn beker is overvloeiende. Ik kan het niet vatten!’

Dan voelt u zich weer zo onwaardig en u zegt:  

‘Heere, ik heb het helemaal niet verdiend.

U onderhoudt gestaag mijn lot, dat Gij zo mild voor mij hebt uitgelezen.

De vergeving der zonden, het eeuwige leven en dat ik Uw eigendom mag zijn.

Dat ik weten mag dat ik eenmaal komen zal op de bruiloft des Lams.

Die schone plaats mat Gij met ruime snoeren. O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.’

 

Gemeente, die geweldige vertroosting ligt er in het woord van onze Catechismus, in het onderwijs van vandaag. Dat is de grote zegen die de Heere ons geschonken heeft door de kerkhervorming, toen Hij de ogen van de reformatoren geopend heeft voor de misleidende leer van de transsubstantiatie.

En nu mogen wij het zuiver vanuit Gods Woord belijden, maar wat doen we daarmee?

 

Hoe staat u tegenover het Heilig Avondmaal? In de geloofsbelijdenis staat dat de Heere het heeft ingesteld voor degenen die Hij heeft wedergeboren en in Zijn huisgezin heeft ingelijfd. Is dat uw liefste wens? Bent u daar mee bezig voor Gods aangezicht?

Onderzoek u eens wat de grootste plaats heeft in uw hart.

Kent u iets van die geloofsvruchten, van de droefheid over de zonde en het belijden van de Heere en het belijden van uw eigen schuld?

Kent u iets van de honger en dorst naar de gerechtigheid en het aannemen van Hem door het geloof?

Kent u iets van de blijdschap, het gebedsleven, dat u niet van de Heere weg te slaan bent, dat zitten aan de voeten van die gezegende hoogste Profeet?

Maar kent u ook iets van de dankbaarheid die opwelt uit uw hart, als u ziet wat God voor u gedaan heeft?

Is er een haten en een vlieden van de zonde?

Hoe meer wij leven bij de inzettingen van God en van Zijn Woord, des te vaster en des te zekerder wordt het geloof gewerkt en gesterkt in ons hart door de Heilige Geest.

Kom, hoe is dat met u? Altijd hebt u toegestemd in de rechte prediking en de reine bediening van de sacramenten. Maar dat is niet genoeg, gemeente.

 

Misschien zegt u: ‘Maar er gaan er zoveel aan. Ik ben nog van het oude stempel.’ Daar komt u er niet mee, gemeente. Ziet u dan Jezus niet en hoort u Zijn uitnodiging niet? Hebt u dan nooit met heilbegerige ogen gekeken naar de Tafel des Heeren?

 

Als u daarop ‘ja’ zegt en toch niet aangaat en meent: ‘Het is voor Gods volk en daar durf ik me niet bij te rekenen’, dan is dat schroom en dat kan ik begrijpen. Maar dan blijft u wel altijd de rol van toeschouwer speler en wordt u nooit deelnemer, hoewel uw hart ernaar uitgaat.

Heeft het Woord van Christus u dan nooit aangegrepen, als Hij zegt: ‘Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij. Maar zo wie Mij verloochend zal hebben voor de mensen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, in de hemel is.’?

 

Het Heilig Avondmaal is niet voor verzekerde christenen. Althans, niet alleen. Integendeel. Het is juist voor de bekommerden die hun heil en zaligheid in de Heere Jezus Christus zoeken. De Heere Jezus wil uw zwakke, beginnende geloof sterken. Dat kleine groene sprietje van de genade, dat Woord dat in uw hart viel, dat is uitgekomen.

Dat geloof wil Hij versterken.

‘O, twijfelende zondaar,’ zegt Hij, ‘Ik kom bij u en Ik laat u zien dat Ik voor u stierf.’

Zie toch eens hoe laag Hij afdaalt in het Avondmaal.

‘Kijk eens naar dat stukje brood en proef dat slokje wijn eens goed. Dat is nu Mijn lichaam, dat verbroken is voor u. Voor u die zich veroordeelt. Voor u die zegt: ‘Ik vind de dood bij mezelf.’

 

Maar, gemeente, weet u er dan niet dat het leven in Hem ligt? Ja, dat weet u. Maar waarom zoekt u het dan niet bij Hem? Want voor die mensen is het, die de dood bij zichzelf vinden en het leven in Christus Jezus zoeken.

Gedenkt en gelooft dat Hij Zijn dierbaar lichaam voor ons verbroken heeft en Zijn bloed vergoten heeft tot een volkomen verzoening.

Durven we dat bloed van Jezus onrein te achten?

 

We zeggen vaak: ‘Ik durf niet aan het Avondmaal.’ Ik kan het begrijpen, hoor! Ik drijf u er niet aan, want dat heeft geen zin. Maar durven we dan wel Zijn bloed onrein te achten? Durven we dan wel vol te houden dat we Christus niet nodig hebben en dus aan Hem voorbijgaan?

‘O nee, zo is het niet. Ik heb Hem wel nodig, want toen we zongen: ‘Wie heeft lust de Heer’ te vrezen?’, toen heb ik in mijn hart gezegd: ‘Ja, Heere, ik!’ Ik kan niet leven zonder U. Ik acht Uw bloed zo dierbaar.’

 

Maar als het dan werkelijk zo is in uw leven, dan moet u dat toch ook belijden door gehoorzaam te zijn aan Zijn liefdesbevel en door Hem te belijden aan de Tafel voor de mensen. Daar geeft Hij niet alleen onderwijs, maar daar verzekert Hij de Zijnen ook van Zijn hartelijke liefde en trouw. U mag komen zoals u bent.

 

Het lijkt wel een voorbereidingspreek, gemeente! Maar eigenlijk moet iedere preek een voorbereidingspreek zijn, zeker op het grote Avondmaal dat komt. Want misschien bent u morgen niet meer in dit leven. En zit u dan aan het grote Avondmaal op de bruiloft des Lams?

Zouden er vandaag mensen in de kerk zitten die nog nooit aan de Tafel des Heeren geweest zijn en die, als ze er morgen niet meer zijn, aanzitten aan de Tafel bij de Heere? Het kan hoor!

Maar als dat nu waar is, dan wil de Heere ook dat het zichtbaar gestalte krijgt in Zijn gemeente. Dan hoeft u niets mee te brengen. Alleen maar te vluchten tot Hem, Die alles heeft en alles is voor Zijn kinderen en Die gezegd heeft:

 

‘Mijn vlees is waarlijk spijs, en Mijn bloed is waarlijk drank.’

 

Amen.