Ds. Th. van Stuijvenberg - Psalmen 34 : 6

Davids vertrouwen op de Heere

Psalmen 34
Het zien op de Heere
Het aanlopen van de Heere
De verhoring door de Heere

Psalmen 34 : 6

Psalmen 34
6
He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 103: 8 en 9
Lezen : 1 Samuel 21
Zingen : Psalm 142: 4, 6 en 7
Zingen : Psalm 56: 6
Zingen : Psalm 116: 1 en 10

Gemeente, we staan stil bij Psalm 34 en daarvan het zesde vers.

 

Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

 

In deze tekstwoorden wordt gesproken over: Davids vertrouwen op de Heere

 

We letten op:

1. Het zien op de Heere

2. Het aanlopen van de Heere

3. De verhoring door de Heere

 

1. Het zien op de Heere

 

Als we Psalm 34 samen lezen en overdenken dan zien we direct dat hij een historische achtergrond heeft; het gaat over gebeurtenissen in het leven van David. Het opschrift zegt dat het een psalm van David is. We lezen in het eerste vers: Als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimelech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.

Een psalm van David, de liefelijke in de psalmen. Deze geschiedenis vinden we terug in 1 Samuel 21, het hoofdstuk dat u voorgelezen is en dan in het bijzonder in de verzen 10 tot en met 15. Weet u wat David daar vertelt? Hij verhaalt wie de Heere voor hem geweest is. We horen dat de Heere hem verlost heeft uit de handen van Achis, de koning van de Filistijnen, die de titel Abimelech droeg. Achis was de eigen naam van de koning, maar Abimelech de titel die hij voerde. Dat vinden we meer bij de koningen van de Filistijnen. Ook al in de tijd van Abraham en Izaäk. In Genesis 20 en 26 lezen we ook over deze titel Abimelech. We vinden dat ook bij de koningen van Egypte die wij steeds Farao noemen, maar voor wie het eigenlijk een titel was.

 

Welnu, David moest vluchten. Hij moest vluchten voor het aangezicht van zijn schoonvader Saul, die het op zijn leven gemunt had. Hij vluchtte eerst naar de hogepriester Achimelech. Daar vroeg hij om brood voor hem en de mannen die bij hem waren. De priester had geen ander brood dan de broden die in het Heilige van de tabernakel lagen, op de tafel der toonbroden. David eiste deze broden en Achimelech heeft ze gegeven, hoewel hij wel ernstige bedenkingen had. David heeft toen ook het zwaard van Goliath, dat achter de efod lag, meegenomen. Hij was zonder zijn spullen mee te nemen op reis gegaan. Hij suggereerde dat hij voor de koning op reis was en dat die opdracht grote haast had.

David is dus niet eerlijk. Hij heeft de hogepriester Achimelech wat voorgelogen. Wat heeft dat ook vreselijke gevolgen gehad! Doëg, de goddeloze Edomiet, heeft alles gezien wat David gedaan heeft bij Achimelech. Als hij dat Saul te kennen geeft, laat deze ‘al degenen die de linnen lijfrok droegen’, allen die in de dienst van de Heere waren, doden. Alleen Abjathar weet te ontvluchten.

Bovendien had David niet de Heere gevraagd. Als we de wil van de Heere niet doen, als we de Heere niet vragen, wat kan een mens zich dan in bijzondere moeilijkheden brengen!

Met de toonbroden en het zwaard komt hij in het land van de Filistijnen, in Gath, de stad van koning Achis. De knechten van Achis herkennen David. Ze zeggen: Kijk, dat is nu die man over wie de vrouwen in rijen gezongen hebben: Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden (1Sam.18:7). Ze brengen hem bij de koning en zeggen: ‘Koning, nu hebt u de gelegenheid om u van de man, die ons volk zoveel afbreuk gedaan heeft, te ontdoen.’

 

David ziet het gevaar en hij vreest het. Wat gaat hij dan doen? Hij is een mens van gelijke beweging als ieder ander. Hij stelt zich op een ongepaste wijze aan. Hij gaat zich als een krankzinnige gedragen. Hij laat zijn zever, dat is zijn speeksel, in zijn baard lopen en hij bekrabt de muur en de poort van de stad Gath. Hij neemt de toevlucht tot ongeoorloofde dingen.

In deze daad zien we hem niet als een geloofsheld. Dat is hij óók geweest, vast en zeker! De Heere laat niet alleen de geloofsdaden van Gods kinderen uit het Oude Testament en uit het Nieuwe Testament beschrijven, maar ook de omstandigheden waarin zij door eigen schuld gekomen zijn en dat zij hun vertrouwen niet op God stelden.

David heeft andere tijden gekend toen hij dichtte: ‘Het is beter tot den Heere de toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen. Het is beter tot den Heere de toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.’

David ligt voor rekening van de Ander. De Heere slaat hem gade, want de Heere regeert en is met hoogheid bekleed. De Heere is bekleed met sterkte en Hij heeft Zich omgord. De Heere laat David, in deze omstandigheden waarin hij zichzelf gebracht heeft, vastlopen. Dan ziet hij zijn zonden.

 

De zonden onder ogen zien is niet iets wat maar één keer in het leven gebeurt. Nee, de zondaar blijft zondaar tot aan zijn laatste ademsnik toe. Daarom is het ook nodig dat wij elke keer weer zondaar worden voor God. Daarom is het ook zo gelukkig als de Heere er in ons leven steeds weer aan te pas komt. De Heere regeert over de hele wereld, over alles wat er gebeurt. Ook over ieder mens persoonlijk, over zijn leven, over zijn sterven, over zijn komen en zijn gaan. Over dat alles regeert de Heere.

Maar wat is het een eeuwig wonder als de Heere ons leert af te zien van dat steunen en leunen op onszelf en op mensenkinderen, om dan alleen de Heere over te houden! Het is beter tot de Heere de toevlucht te nemen dan op mensen te betrouwen. Dat heeft David van de Heere geleerd. Het gaat op een afbrekende wijze in het leven van Gods Kerk. Maar de Heere leert het. Buiten Hem komen we altijd bedrogen uit. In die weg laat de Heere onze volstrekte hopeloosheid en krachteloosheid zien.

Toch moeten we bij het licht van de Heilige Geest, als Hij ons dat ontdekkend licht schenkt, vaak zeggen: ‘Heere, wat proberen we toch elke keer weer te steunen op dingen en zaken die u niet welbehaaglijk zijn.’

Weet u hoe de Bijbel dat noemt? Dat noemt de Bijbel gebroken rietstaven die de handen doorboren en dat wordt nu zo duidelijk zichtbaar in het leven van David.

 

Maar de Heere handelt in het strijdperk van dit leven met David en met Zijn Kerk niet naar onze zonden en Hij vergeldt niet naar onze ongerechtigheden. Want wat gebeurt er? Als we de geschiedenis horen voorlezen, zouden we zomaar kunnen zeggen: ‘David, nu is het laatste uur voor je geslagen.’

Maar nee, de Heere regeert! Als David niet weet hoe het verder moet, als David niet weet hoe het gaan zal, dan staat de Heere op. Dan wordt het waar:

 

De Heer’ zal opstaan tot den strijd;

Hij zal Zijn haters, wijd en zijd,

Verjaagd, verstrooid doen zuchten;

Hoe trots Zijn vijand wezen moog’,

Hij zal, voor Zijn ontzaglijk oog,

Al sidderende vluchten.

 

Want Achis jaagt David weg. Dat is een wonder! Dat is een Godswonder! De Heere laat de situatie kantelen. De hand van God wordt zichtbaar in de nood waarin David verkeerde.

Moet u eens lezen wat er staat in vers 7. Ja, hij heeft eerst wel de toevlucht genomen tot ongeoorloofde dingen, maar dan staat er toch duidelijk in vers 7: Deze ellendige riep, en de Heere hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden. David heeft door genade de Heere in het oog gekregen en de Heere is een Hoorder van het gebed.

Laten we daar toch altijd op letten, gemeente. Dat doet de Heere in droefheid en in smart, in wegen die wij niet geweten en paden die wij niet gekend hebben. Hij zal Zich ontfermen.

 

Als een mens zijn leven nagaat, als Gods kind zijn leven nagaat, dan moet hij zeggen: ‘Heere, toen en toen hebt U het goed gemaakt. Daar hebt U het goed gedaan. U hebt het nog nooit verkeerd gedaan.’ De Heere doet het goed!

David heeft de Heere in het oog gekregen en hij is een smekeling geworden. Het ongeloof in zijn hart is weggevaagd en het geloof breekt door. Daarom zegt hij: Ze hebben op Hem gezien. Dat is een wonder van Goddelijke genade, want wij doen dat nooit. U niet en ik niet! Zien we niet op de Heere, dan blijft de mens maar staren op de omstandigheden. Dan zien we niet meer door de omstandigheden heen. Maar als de Heere iets van het geloof in het hart verheerlijkt en dat geloof ook in beoefening brengt, dan wordt het zo heel anders. Dan wordt het: Zij hebben op Hem gezien.

David ziet op de Heere. Wat doet hij dan? Dan wekt hij al degenen die rondom hem zijn op om God groot te maken. Dan roept hij ze allemaal toe om op de Heere te zien.

Gemeente, dat moeten wij ook doen. Wij moeten elkaar opwekken om op de Heere te zien, op Hem te vertrouwen. Dat moet zeker als er zich in ons persoonlijk leven moeilijke omstandigheden voordoen. We hebben de Heere dag in dag uit nodig, maar als geliefden ons ontvallen, dan kan er zo’n bange zucht naar boven gaan.

 

Houd Gij mijn handen beide

met kracht omvat,

geef mij uw vast geleide

op ’t smalle pad.

 

Ook in ons gemeenteleven kan zoveel gebeuren dat ons hart smeekt: Vat Gij mijn hand. Gebeurtenissen kunnen zo ingrijpend zijn! Wat een worsteling brengt dat teweeg! Maar dan zegt Hij, Die alles regeert: Mijne is het zilver en Mijne is het goud (Hag.2:9). Wat ook verandert, Hij verandert niet.

 

Gij evenwel, Gij blijft Dezelfd’, o Heer’!

Gij zijt vanouds mijn Toeverlaat, mijn Koning,

Die uitkomst gaaft.

 

Gemeente, zie in alle nood toch op de Heere. Een kruimeltje geloof, één lichtstraaltje uit de volheid die in Christus is! De enige troost in droefheid en rouw, is als we de Heere aan onze zijde ervaren. Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt!

 

We lezen: Zij hebben op Hem gezien. Wie waren die zij? David zegt niet: Ik heb op Hem gezien. Hij heeft omhoog mogen zien. Hij staat er niet buiten. Nee, hij is erbij betrokken. Maar hij zegt: Zij hebben op Hem gezien. Al degenen die in dezelfde omstandigheden verkeren, zijn ellendigen evenals hij. Mensen, die moeite en benauwdheid, zorgen en verdrietelijkheden meemaakten, en die zich bij David hebben gevoegd.

Deze ellendigen hebben de toevlucht tot de Heere genomen. Zij hebben er kennis aan gekregen wat de Heere voor hen is en voor hen zijn zal. Zij hebben leren afzien van eigen wijsheid en van eigen overlegging des harten. Het zijn mensen, die machteloos en krachteloos in zichzelf zijn, maar met David weten zij:

 

Welzalig hij die al zijn kracht

En hulp alleen van U verwacht,

Die kiest de welgebaande wegen.

 

Al zullen de omstandigheden van deze mannen en hun gezinnen verschillend zijn, in feite is het één en dezelfde nood. Er is één roep, één gebed, naar het hemelhof: Zie op mij in gunst van boven; Wees mij toch genadig, Heer’. Zij kennen met Paulus: Eén God en Vader van allen, Die daar is boven allen en door allen en in u allen (Ef.4:6).

Hoe bidt David? Hij bidt in geloof, maar ook ootmoedig en vertrouwend. Zijn gebed is een hartelijk pleiten op Gods beloften. David wekt allen die bij hem zijn op om met hart en ziel op Gods Woord te pleiten. Gods beloften zijn in Jezus Christus ja-en-amen, Gode tot heerlijkheid. Nooit kan 't geloof te veel verwachten, des Heilands woorden zijn gewis.

 

Zij hebben op Hem gezien. Wat is dat onuitsprekelijk! Eén blik op de Algenoegzame en getrouwe Verbondsjehovah te mogen werpen. Op Hem gezien...

Hij wil alles voor hen en voor ons zijn. Ja, wij hebben zo dikwijls harde gedachten van de Heere. Wat schrijven we Hem toch veel ongerijmds toe. Hij doet het verkeerd in ons leven. Toch niet! Nee! Als we tot de Heere de toevlucht mogen nemen, dan vervult Hij alle nood en zorg: ‘Is de nood zo hoog gerezen, dat gij nergens uitkomst ziet: God, uw God vergeet u niet!’

Zo werpen we een blik in het geloofsleven van David. De Heere heeft in het leven van David de banden van de zonden verbroken. Hij wordt gered uit deze omstandigheden. De Heere is aan de spits getreden en Hij maakt het zo wonderlijk wel! Hij is het, Die zeeën droogmaakt. David weet het, er is hulp besteld bij een Held. Hij blikt vooruit op die Held, op Jezus, Die het zegt: En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods (Openb.1:18).

 

Geloof en ongeloof liggen in Davids leven dicht bij elkaar. Lange tijd leefde hij ver van de Heere, maar nu breekt het geloof door. Het geloof in Hem, Die ook voor David is: de Weg, de Waarheid en het leven. Nee, dat heeft David niet van zichzelf. Hij was de liefelijke in de psalmen, hij was de man naar Gods hart, maar in zichzelf kon hij niet bestaan voor de Heere. Ook hij vindt alleen maar rust in het verzoenend bloed, wat van het altaar druipt.

 

Gemeente, als wij geen weg meer zien, de weg niet meer weten, als wij zorgen hebben en verdriet, dan zegt de Heere: Ik ben de Weg (Joh.14:6). U hoort van David en zijn metgezellen: Zij hebben op Hem gezien. We moeten afzien van onszelf en omhoogzien. Dat is moeilijk, maar het zijn toch altijd twee zaken die bij elkaar horen: Het zien op de Heere, het zien op Jezus en het afzien van onszelf. Dan laat de Heere Zijn licht schijnen in ons leven. Dan horen we zingen:

 

Gods vriend’lijk aangezicht,

Heeft vrolijkheid en licht.

Voor all’ oprechte harten,

Ten troost verspreid in smarten.

 

Buiten Jezus is geen leven, maar alleen in Hem. Zie op Hem. Heilbegerig! Verlangend! Laten we tot Hem gaan met belijdenis van onze grote schuld en zonden, maar hopend op Zijn genade. Ze gaan gelijk op: Een belijden van onze zonden en treuren over onze zonden, maar ook het zien op de Heere. God is getrouw, Die het ook doen zal. Hij laat nooit varen het werk van Zijn handen, Hij is het, Die trouwe houdt in eeuwigheid.

 

Dat brengt ons bij onze tweede gedachte. We staan dan stil bij:

 

2. Het aanlopen van de Heere

 

Zij hebben Hem niet alleen aangelopen, zegt David, maar zij hebben Hem voortdurend aangelopen. Ze hebben Hem aangelopen als een waterstroom, als de stroom van een rivier.

Gemeente, misschien hebben we weleens op de plek gestaan waar de Rijn ons land binnenkomt. We zien dan het water dat van de bergen afkomt, daar met ontzettend veel kracht de lage-landen binnenstroomt. Soms kan ook de wind het water nog verder opstuwen. Zo is nu het gebed van David, en vaak ook het gebed van al Gods kinderen. Het is een bidden, het is een zuchten zoals die stroom.

Ze hebben als een waterstroom Hem aangelopen. Dat is volhardend bidden. Dat is gedurig aandringen aan de troon der genade. Dat is sterk roepen, vaak met veel tranen.

De Heere Jezus heeft in Zijn omwandeling in de wereld het voorbeeld gegeven. Hij was geen zondaar maar de Zaligmaker, de Borg van Zijn Kerk. Hij bad nachten lang op de berg alleen, Hij liep Zijn Vader aan als een waterstroom voor Zijn kinderen.

Ze hebben als een waterstroom Hem aangelopen. Dat heeft David gedaan en zo doet de Kerk van vandaag ook. Al is het dat spotters van binnen zeggen: ‘Je hebt toch geen heil bij God! Wat heb jij nu toch voor verwachting? Wat heb jij te verwachten, want je hebt geen heil.’ Maar een gebed dat aandringt als een waterstroom, houdt aan bij de troon der genade, vaak onder heel veel tranen. Een gelovig gebed heeft ongekende kracht. De vloed van tranen is niet steeds zichtbaar, maar hoe vaak schreit het hart!

 

Gemeente, de Heere doet niet alles wat Hij kan, evenmin wat wij van Hem vragen, maar het gelovig gebed houdt aan. Wat is het zalig om dat te mogen beoefenen! Om alles te verliezen en over te geven in de hand des Heeren! Zij dwongen God en zij bleven vrienden. Wat is het zalig om dat te mogen beoefenen! Om alles te verliezen en over te geven in de hand des Heeren! Dat groeit niet op onze akker. Dat wordt bij ons niet gevonden. Het overgeven? Nee! Zelf doen! Dat leeft in ons hart. Overgeven? Nee! Daar vechten we tegen.

Hem als een waterstroom aanlopen, dat blijft doorgaan, net zoals het water met kracht blijft stromen van de bergen. Het gaat dag en nacht door. Zo is het ook in het leven van de Kerk. We kunnen er niet genoeg op aandringen om toch te smeken: Och Heere, wilt u door Uw Geest ons toch maar leren zuchten als een waterstroom. Dan zullen we het ervaren net als David: Deze ellendige riep en de Heere verhoorde.

Die ellendigen weten niet van ophouden; ze kunnen geen dag zonder. Op het werk, in de studeerkamer, op school, in de bank, voor de klas – met de pet op, noemen we dat wel – we kunnen de Heere niet loslaten. Aanhouden zoals de Kananese vrouw. Dat hoort de Heere, maar verhoren doet Hij op Zijn tijd. Dat doet Hij niet direct als wij het verlangen. Want de Heere beproeft ons, maar we blijven aanhouden.

Zij hebben als een waterstroom Hem aangelopen. Ze kunnen niet zwijgen, want hun smeken is niet als een als een morgenwolk, en als een vroegkomende dauw, die heengaat, maar hun smeken is als een aanhoudende regen.

 

We bidden en weten dat van Zijn verhoring alles afhangt. Het is een groot verschil of we nog dierbare herinneringen hebben, nog dierbare versjes hebben om op terug te vallen of dat het een totaal afgesneden zaak is. Dan horen we Jakob zeggen in zijn worsteling bij Pniël: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (Gen. 32:26).

Zij hebben Hem aangelopen en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden, want ze kunnen Hem niet missen. Wat is dat groot, jong en oud, als we de Heere in ons leven niet meer kunnen missen! Als het gebedsleven niet verflauwt, maar gaande blijft! Als de Heilige Geest bij ons aandringt met lege handen tot God te gaan.

U zult misschien vragen: ‘Wanneer begint dat nu, dat Hem aanlopen als een waterstroom?’ Wel, dat begint wanneer de Heere het nieuwe leven in ons hart plant. Als we de scheiding tussen de Heere en onze ziel als een gemis gaan voelen. We leren ons zondige, vuile, boze hart kennen en al de gruwelen die erin leven. We gaan ons hart zien als een vuile bron van wanbedrijven.

 

Als u Saulus van Tarsen, nadat hij op de weg naar Damascus neergeworpen was, had gevraagd: Ben jij een bidder geworden? Dan had hij gezegd: ‘Ik, die de gemeente Gods vervolgd heb? Ik een bidder?’ En toch, de Heere zegt tegen Ananias: Zie, hij bidt (Hand.9:11). Dat gebeurt als de Heere een mens in zijn ongeluk zet en hij als een arme zondaar gaat bedelen aan de troon der genade. De ware bidder, de alles-misser, die de scheiding inleeft van de Heere en zijn ziel, houdt aan. Ze liggen aan de voeten van de Heere, machteloos, smekend om genade. Daar kunnen we niet overheen stappen, dat moet u nooit doen! Hoe oud u ook wordt.

Laten we altijd maar vragen om het ontdekkend licht van de Heilige Geest. We moeten de scheiding die wij gemaakt hebben onder ogen zien; we moeten ‘Adam’ worden in ons leven. We moeten als een verloren mens om genade leren bidden. Dan kunnen we God niet meer missen; we bedelen om Zijn gunst en verlangen naar Zijn gemeenschap. Dan begrijpt u wat David zingt in psalm 42:

 

Mijn ziel dorst naar God,

naar den levenden God;

wanneer zal ik ingaan,

en voor Gods aangezicht verschijnen?

 

Dat ‘aanlopen als een waterstroom’, houdt toch zeker wel op wanneer we iets geproefd hebben van de genade en de gemeenschap en de gunst des Heeren? Het eindigt toch wel als de Heere ons dieper heeft ontdekt en als we door genade iets hebben mogen zien van die Heilsfontein Christus Jezus?

Nee, gemeente, door diepe ontdekking gaan we al dieper zuchten; we leren alleen op de naam des Heeren te betrouwen. We kunnen niet anders leven na alle geschonken weldaden. Al is het dat de Koning, in Zijn schoonheid, in Zijn heerlijkheid en in Zijn voortreffelijkheid Zich aan hen heeft bekend gemaakt en zij weleens armen des geloofs hebben mogen ontvangen, toch kunnen er ook tijden komen dat ze uitroepen: Zie, ga ik voorwaarts, zo is Hij er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet (Job23:8).

 

De Kerk des Heeren is met grauwheid bedekt, het geloofsleven ligt onder de as en er is zo weinig doorbreken. Zo spreken we er weleens over. En inderdaad, dit is de nood van de kerk, maar laten we daar toch niet aan gewend raken. ‘Zie, ga ik voorwaarts’, zo zeggen zij, ‘Hij is er niet, of achterwaarts, zo verneem ik Hem niet.’ Ze zeggen vanbinnen: ‘Gij hebt toch geen heil bij God.’ En de vorst der duisternis probeert van alles om ongeloof in hun ziel te brengen.

Het zijn donkere wegen, wegen die ze niet bezien kunnen. Maar in die wegen krijgen ze toch meerdere kennis. Toenemen in het geloofsleven gaat altijd gepaard met geleid worden in diepere wegen. Daardoor krijgen ze meer kennis van zichzelf, leren ze hun verdorvenheid dieper kennen. U moet maar eens op de Bijbelheiligen letten en de profeten nagaan. De Heilige Geest leert ze steeds inblikken in hun eigen zondig bestaan.

Daniel is nooit een hoogmoedig mens geworden. Als hij bidt met open vensters naar Jeruzalem dan buigt hij zijn knieën en klaagt hij zichzelf aan en zijn volk: Wij hebben gezondigd (Dan.9:5). Zo krijgen ze steeds meer zelfkennis, maar ook meerdere kennis van God. Zij zien op Zijn heiligheid en op Zijn heerlijke deugden en volmaaktheden. God, Die heilig is en rechtvaardig,

Maar ze krijgen ook meerdere kennis van Christus, want ze hebben op Hem gezien. Op Jezus, Die beminnelijke Persoon, Die zich uitstalt in Zijn heerlijkheid en in Zijn middelaarsverdiensten, zodat ze zeggen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hoogl.5:16). Ze krijgen steeds meer vertrouwen op de Heere. Ze mogen de hand van het geloof dan weleens uitstrekken naar de Heere en zeggen:

 

‘Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;

Uw goede Geest bestier’ mijn schreden,

En leid’ mij in een effen land.’

 

Ze gaan meer zichzelf kennen, meer de Heere kennen en meer Christus kennen. De weg gaat door diepten en berouw. Het zijn smartelijke en droeve wegen. Maar zij mogen zien op Sions Koning, Die de weg gegaan is van de kribbe tot aan het kruis. Volgen, zonder vragen. Zijn voetstappen drukken! Achter Hem aan! Dan is hun roepen niet tevergeefs.

Gemeente, wij zouden graag willen dat een roepen, een Hem aanlopen als een waterstroom veel gevonden werd, voor ons persoonlijk leven, voor ons huisgezin en voor onze gemeente. O, Heere, wilt u nog in genade op ons neerzien. Opdat de lof des Heeren zal verhoogd en verheerlijkt worden en Zijn Naam geprezen van nu aan tot in der eeuwigheid. Dat brengt ons tot onze derde gedachte als we nog stilstaan bij:

 

3. De verhoring door de Heere

 

Maar we zingen eerst uit psalm 56 vers 6:

 

Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood;

Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot';

Gij zijt voor mij een schild in allen nood;

Gij hebt mijn smart verdreven;

Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven;

'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven;

Zo word' door mij Zijn naam altoos verheven;

Zo word' Zijn lof vergroot.

 

Gemeente, we overdenken Davids vertrouwen op de Heere. In de eerste gedachte bepaalden we u bij: Het zien op de Heere. In de tweede gedachte bij: Het aanlopen van de Heere. Nu, in de derde plaats bij: De verhoring door de Heere. Want David zegt: hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

Ondanks alles wat hen probeert ervan te weerhouden, kunnen ze toch niet nalaten om tot de Heere te roepen. Het is een gelovig roepen, een roepen uit de diepte, dat de Heere werkt in het hart. Wat gebeurt er dan? Dan wordt hun hart verruimd en hun ogen verlicht. Bezorgdheid kijkt om zich heen, naar de omstandigheden, maar geloof kijkt naar boven. Ze heffen hun hart op naar omhoog.

Wat kan een blik op de Heere toch troost – ja, een rijke zegen – zijn in rouw, in droefheid, in smart, in ongekende wegen! Door een blik op het kruis, is er leven en heil. Degenen die in de woestijn door de slangen gebeten waren werden genezen door slechts met een gebroken oog een blik te slaan op de koperen slang. Zo geeft ook één blik op de gekruiste Christus leven, licht en vrijheid.

Nooit heeft een gewond hart tevergeefs op Jezus gezien. We mogen elkaar wel toeroepen: Zie toch op Hem! Dat is nooit tevergeefs! Hij is de Middelaar Gods en der mensen. Nooit heeft een stervende ziel met een gebroken oog tevergeefs op Hem gezien. Nee, hij heeft de genezende kracht ervaren van Christus bloed.

 

Gemeente, we kunnen elkaar niets beters toewensen, dan op Hem, Jezus Christus te zien. Hij zegt nooit: ‘Zoekt Mij tevergeefs.’ Uw aangezicht zal met David niet schaamrood worden. Wij kijken dikwijls ergens anders heen en dat leidt tot teleurstelling. Daarmee komen we bedrogen uit. Dat geeft geen houvast. Maar het is het verlangen van Gods kind om in het strijdperk van dit leven op de Heere te zien. Hoe vaak moet hij ervaren dwaas en verdorven te zijn als hij zich weer afkeert van de Heere! Let eens op David! Bent u ook zo? Dwaalt u ook zo vaak af? Hoor David belijden:

 

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond,

Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren.

Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;

Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

 

Maar wanneer ons oog gericht is op onze Heiland worden we nooit teleurgesteld. Dan is de uitkomst altijd goed. De Kananese vrouw werd door Christus schijnbaar afgewezen, maar anderzijds door Hem met krachtige hand vastgehouden. Afgewezen en toch vastgehouden. Zo wonderlijk! Zo onbegrijpelijk! Deze Heelmeester, onze Heiland, laat zich niet narekenen, maar Hij doet het altijd goed. Hij brengt redding. Hij brengt Zijn kinderen altijd thuis!

Er gebeurt zo veel in ons leven, veel wat zo zeer kan doen. Maar om dan later te begrijpen: De Heere deed het goed. De Kananese vrouw werd afgewezen en toch vastgehouden. De Heere ging net zolang door totdat zij het verloor en zij het met Hem eens werd, toen Hij zei: ‘U hoort niet bij dat Bondsvolk, daar staat u buiten, vrouw.’ Ze kon niet anders dan daarmee instemmen: Ja, Heere, dat is waar. Daar wilde Jezus haar hebben. Het water staat die vrouw tot aan de lippen, maar ze gaat niet weg. De uitkomst zal heerlijk zijn.

Gemeente, zo gaat het altijd: wij moeten er zelf tussenuit. U en ik! Dan laat de Heere zien wat Hij doet en dat het is tot Zijn heerlijkheid en tot Zijn lof op aarde. Hij wacht zo vaak in ons leven om Zich daarna nog lieflijker en heerlijker aan onze ziel te openbaren. Hij beproeft Zijn ellendigen, zoals goud gelouterd wordt. De Heere laat wel zinken, maar Hij laat nooit verdrinken. Nee, de gans hulpeloze, die tot Hem de toevlucht neemt, komt niet beschaamd uit.

 

Ze hebben als een waterstroom Hem aangelopen, en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Wij weten wel wat het is, beschaamd zijn. We hebben iets verkeerds gedaan, iets fout gedaan. We hadden dat niet moeten doen. Als dan iemand dat merkt en de fout ons voorhoudt, dan krijgen we een kleur. Dan worden we beschaamd. Aandoeningen die we ondervinden zijn altijd op ons gezicht af te lezen. We kunnen zien of iemand blij is, maar ook of het kind tegenover je, bedroefd is. Ons gezicht kan van angst vertrekken! Zo is het ook direct te zien als iemand zich schaamt.

Maar, hier staat nu het tegenovergestelde. Zij, die Hem als een waterstroom hebben aangelopen, zullen juist niet beschaamd worden. Hun aangezicht zal glanzen, omdat ze in aanraking komen met Hem tot Wie ze om hulp vluchtten. Hun aangezicht blinkt vanwege de hoop en de verwachting die er op de Heere is. De Heere stelt niet teleur. Er is een God, Die hoort! De Heere is een Verhoorder van het gebed.

Het vergaat zo’n bidder net als Mozes. Hij is op de berg in de tegenwoordigheid van de Heere geweest. Als Mozes van de berg afdaalt dan blinkt zijn gezicht nog van de goddelijke heerlijkheid. Een bidder, die de Heere aanloopt als een waterstroom en zegt: ‘Ik laat u niet los, Heere, tenzij Gij mij zegent’, krijgt ook iets van die heerlijkheid en ervaart die glans in zijn hart en in zijn leven. Welgelukzalig, die met Mozes en met David ook iets van die glans krijgt.

 

Gunstgenoten van God. Nee, van onze kant is de afstand zo groot; die kunnen wij nooit overbruggen. Maar de Heere is aan de spits getreden. Zijn gunstgenoten gaat Hij bedelen met Zijn weldaden en met Zijn rijke zegen.

Denk aan de bloedvloeiende vrouw. De Heere wilde niet dat ze in het wonder van haar genezing zou eindigen. Nee, Hij wilde dat ze met het wonder in de Gever, haar Jezus, haar Heiland en Heelmeester, zou eindigen. Zo handelt de Heere altijd met Zijn volk, opdat Zijn Naam de eer ontvangt.

 

Deze psalm heeft een rijke en diepe inhoud. Er wordt gesproken over het zoeken van de Heere, het zien van de Heere en het roepen tot de Heere. Hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Hun ziel is in de ruimte gezet. Hun hart is verwijd. God wordt verheerlijkt. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden. Deze ellendige riep, en de Heere hoorde en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.

Wat een rijke troost! Wat een bemoediging voor de Kerk des Heeren!

Nee, ze hebben Hem niet altijd in het oog. Ze zien Zijn heerlijkheid niet altijd. Het is dikwijls duister, hun geestelijk leven is vaak zo grauw. Maar laten we toch op de Heere zien, net als David. Hoe vaak overrompelen ons de moeilijkheden en zorgen in ons leven. En dan zuchten we: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef Gij over ons het licht Uws aanschijns, o Heere (Ps.4:7).

Maar dan klinkt vandaag de boodschap, zoals David verwoordt: Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

 

Als we terugkijken in ons leven, wat zijn we dan door veel zorgen, moeite en verdriet heen gegaan. Geliefden zijn ons ontvallen: onze man of vrouw, ons kind dat we zo hartelijk liefhadden. Misschien mis je, terwijl je toch nog jong bent, al je vader of je moeder of beiden.

Dan wijst David ons de weg, de weg van troost en houvast voor het leven: Zie op Hem! Loop Hem aan als een waterstroom! Hij is een Waarmaker van Zijn Woord als Christus u toeroept: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28). God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? (Num.23:19)

De Heere kent Zijn gunstgenoten van voor de grondlegging der wereld. Hij zoekt ze op in de tijd en trekt ze met koorden van liefde. Hij verlaat hen niet en begeeft hen niet. Hij is zo getrouw als sterk. Hij zal Zijn werk voleindigen tot op de dag van Jezus Christus.

 

Amen.

 

Slotzang.

Psalm 116 vers 1, 10:

 

God heb ik lief; want die getrouwe Heer

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, ’k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Ik zal Uw Naam met dankerkentenis

Verheffen, U al mijn geloften brengen;

’k Zal liefd’ en lof voor U ten offer mengen,

In ’t heiligdom, waar ’t volk vergaderd is.