Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 28

De leer van het Avondmaal zuiver beleden

De uitwendige tekenen van het Heilig Avondmaal
De geestelijke betekenis van het Heilig Avondmaal
De Goddelijke instelling van het Heilig Avondmaal
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 23: 1
Lezen : 1 Kortinthe 11: 23 - 34
Zingen : Psalm 139: 9, 10 en 11
Zingen : Psalm 119: 32 en 47
Zingen : Psalm 36: 2

Gemeente, wij lezen met elkaar uit onze Catechismus Zondag 28, waar boven staat:

Van het Heilig Avondmaal des Heeren

 

Vraag 75: Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd dat gij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebt?

Antwoord: Alzo, dat Christus mij en allen gelovigen tot Zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en van deze drinkbeker te drinken bevolen heeft, en daarbij ook beloofd heeft: eerstelijk, dat Zijn lichaam zo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en Zijn bloed voor mij vergoten is, als ik met de ogen zie dat het brood des Heeren mij gebroken en de drinkbeker mij meegedeeld wordt; en ten andere, dat Hij Zelf mijn ziel met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed zo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en de drinkbeker des Heeren (als zekere waartekenen van het lichaam en bloed van Christus) uit des dienaars hand ontvang en met de mond geniet.

Vraag 76: Wat is dat te zeggen, het gekruisigde lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?

Antwoord: Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige leven verkrijgen, maar ook daarbenevens door de Heilige Geest, Die én in Christus én in ons woont, alzo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer verenigd worden, dat wij, al is het dat Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, nochtans vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn, en dat wij door één Geest (gelijk de leden van een lichaam door één ziel) eeuwig leven en geregeerd worden.

Vraag 77: Waar heeft Christus beloofd dat Hij de gelovigen zo zeker alzo met Zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van deze drinkbeker drinken?

Antwoord: In de inzetting van het avondmaal, welke alzo luidt: ‘De Heere Jezus, in de nacht, in welke Hij verraden werd, nam het brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook de drinkbeker, na het eten van het Avondmaal, en zeide: Deze drinkbeker is het Nieuwe Testament in Mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt de dood van de Heere, totdat Hij komt.’ (1 Korinthe 11:23-26)

Deze toezegging wordt ook herhaald door de heilige Paulus, waar hij spreekt: ‘De drinkbeker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is die niet een gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet een gemeenschap van het lichaam van Christus? Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.’ (1 Korinthe 10:16-17)

 

Tegen allerlei dwalingen in wordt in deze Zondag de zuivere leer van het Heilig Avondmaal beleden. Het thema van deze Zondag is dan ook:

De leer van het avondmaal zuiver beleden

 

Om het beter te kunnen onthouden drie hoofdlijnen waarmee in feite alles inhoudelijk

is samengevat:

We letten op drie hoofdgedachten:

1. De uitwendige tekenen van het Heilig Avondmaal

2. De geestelijke betekenis van het Heilig Avondmaal

3. De Goddelijke instelling van het Heilig Avondmaal

 

1. De uitwendige tekenen van het Heilig Avondmaal

 

Ik neem aan dat u allen vanmorgen gegeten hebt. Jullie, jongens en meisjes, een boterham, een beker melk, een kop thee. Een enkele die wat laat was en die nog op tijd in de kerk wilde zijn, heeft misschien niet gegeten. Maar die zal het straks zeker doen als hij weer thuis komt. We moeten allemaal eten, want dat hebben we nodig tot onderhoud van ons leven.

 

Dat beeld, dat iedereen kent, gebruikt Zondag 28 om aan te geven hoe nauw de gelovigen met Christus’ lichaam verenigd worden, zodat ze vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente worden. Dat bedoelt de Catechismus niet letterlijk, maar figuurlijk of liever geestelijk. Het gaat om de geestelijke vereniging met Christus door het geloof.

De nauwe vereniging met Christus, waartoe we vermaand, onderwezen en verzekerd worden, is het meest wezenlijke waar het om gaat in het Heilig Avondmaal. Zo dicht komt Christus in het Heilig Avondmaal naar ons toe, zo één wil Hij met ons zijn.

 

In de volgende Zondag wordt deze leer tegen dwalingen verdedigd en in de derde Zondag gaat het over de viering van het Heilig Avondmaal.

 

Nu dus:

het zuivere belijden over het Heilig Avondmaal, verdeeld in drie onderwerpen: teken, betekenis en instelling.

 

Misschien valt het u op dat het dezelfde indeling is die de Catechismus aanhoudt in Zondag 26, waar het gaat over de Heilige Doop. Er is een grote overeenkomst in opbouw en inhoud van Zondag 26 en Zondag 28. Beide sacramenten hebben ook alles met elkaar te maken. Ze liggen in elkaars verlengde. De Doop wijst op het nieuwe leven. Het Avondmaal wijst op versterking van dat nieuwe leven en op de bekering, de levensheiliging. Calvijn zegt het zo: ‘Bij de Doop heeft God ons opgenomen in Zijn huisgezin en in het Heilig Avondmaal wil Hij, zoals een goed huisvader betaamt, Zijn kinderen van het nodige voorzien.’

 

De Doop is het sacrament van de inlijving in de gemeente van Christus en het Heilig Avondmaal het sacrament van de gedurige voeding. Wie eenmaal geboren is, moet groeien. Het geloof wordt éénmaal geplant, maar het moet dagelijks groeien.

Vandaar dat de Doop maar één keer plaatsvindt in je leven en het Heilig Avondmaal steeds weer terugkomt. Maar in beide sacramenten gaat het om Christus en om Zijn volbrachte offer, Zijn werk als de enige grond van onze zaligheid. Beide sacramenten wijzen met een uitgestoken vinger naar Golgotha, naar het Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt.

 

Dat het bij het Heilig Avondmaal alleen om Christus gaat, blijkt ook al uit de naam. In 1 Korinthe 11 vers 20 spreekt Paulus over het Avondmaal des Heeren en op een andere plaats kunnen we lezen over het Nachtmaal. Het Nachtmaal wijst ons op de avond of de nacht, voorafgaand aan het diepe lijden en sterven van Christus.

 

Het Avondmaal heeft twee elementen: verzoening en gemeenschap. De verzoening door Christus’ bloed en de gemeenschap door het geloof.

Het brood wordt gebroken, zoals het paaslam werd geslacht en het brood wordt gegeten, zoals het paaslam werd gegeten. Daarom noemt Paulus in 1 Korinthe 10 het Heilig Avondmaal ook de Tafel des Heeren. Christus gebruikt brood en wijn. We noemen dat onbloedige tekenen, er vloeit geen bloed. Waarom niet? In het Nieuwe Testament mogen wij weten: het Offer is gebracht. Er hoeft geen bloed meer te vloeien. Het Lam is geslacht. Het bloed is gestort. Gods kinderen oefenen gemeenschap met Christus aan Zijn tafel en ze genieten de weldaden die Hij voor hen verworven heeft in Zijn verzoenend lijden en sterven.

 

Als u vol verwondering aan het Avondmaal mag aanzitten en uw tranend oog, vanwege de droefheid over uw zonden, mag opheffen tot het gebroken lichaam van Christus en Zijn vergoten bloed, dat u voor u ziet uitbeelden in de breking van het brood en de vergieting van de wijn, en het wordt u persoonlijk uitgereikt door de hand van de dienaar, alsof Christus Zelf het aan u geeft, en u mag die tekenen met de mond proeven en genieten, dan ervaart u de zalige gemeenschap met God door Christus’ bloed en de vrede die Hij verworven heeft aan het kruis.

 

Daarvan zegt Zondag 28

dat u vermaand en verzekerd wordt dat u met Christus, door die enige offerande aan het kruis geschied, gemeenschap hebt.

In die vraag zitten twee onderdelen. Er staat: ‘vermaand’ en ‘verzekerd’.

Eerst: de vermaning.

In de taal van de Catechismus van zoveel honderden jaren geleden, heeft het woordje ‘vermanen’ de betekenis van ‘onderwijzen’. Het Heilig Avondmaal is een zichtbare prediking van Christus aan het kruis.

Maar er is meer. Vermaand en verzekerd.

Het Heilig Avondmaal is ook een zegel dat Christus hangt aan Zijn Woord, aan Zijn belofte. Het is een streep die Hij eronder geeft om het te verzekeren. Het Avondmaal is dus niet een illustratieve uitbeelding door middel van de tekenen van brood en wijn, maar ook de verzekering die de Heere Jezus door dit sacrament aan de Zijnen geeft, om hun geloof te versterken en te bevestigen.

 

Daarom komen we in deze Zondag formuleringen tegen zoals:

zo zeker als je het voor je ogen ziet gebeuren,

zo zeker dat het brood wordt gebroken en de wijn wordt vergoten,

zo zeker heb Ik Mij voor u laten verbreken.

Zo bevestigt Christus dat we gemeenschap hebben aan Zijn offerande, die Hij aan het kruis heeft volbracht.

Zo wil Hij ons wankele geloof oprichten, onze harten versterken.

Daarom heeft Hij Zijn discipelen van toen, maar ook van nu, iets bevolen, maar ook iets beloofd. Als u Jezus liefhebt bent u Zijn discipel, dan bent u Zijn volgeling. Hij heeft Zijn discipelen bevolen dat wij tot Zijn gedachtenis het brood zullen eten en de drinkbeker zullen drinken. Maar Hij heeft ook beloofd dat Zijn lichaam voor mij verbroken is en Zijn bloed voor mij vergoten is.

 

Het is een liefdesbevel. Hij heeft het bevolen. De Heere Jezus heeft het Avondmaal niet bevolen als een soort rite die je nu eenmaal moet nakomen. Niet als een koude, uitwendige plicht, zo van: ‘Dat hoort er nu eenmaal bij.’ Nee, het is een liefdesbevel! ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis.’

U moet eens letten op al die imperatieven, al die gebiedende wijzen. Doe dat! Eet! Drink! Verkondig! Betekent dat dan dat iedereen maar aan het Avondmaal moet gaan? Nee, dat niet. Maar als u bij de gemeente hoort, zet het u wel geducht in de klem. Ik hoop dat u dat voelt. Hij zegt: ‘Doe dat!’

Wil het wel met ons zijn, dan zullen we deel moeten nemen aan het Heilig Avondmaal. Willen we als een waardige gast aangaan, dan zullen we echt in de Heere Jezus moeten geloven met een waar, doorleefd, bevindelijk, door de Heilige Geest in ons hart gewerkt geloof en vertrouwen.

 

Stelt u zich eens voor dat de Heere Jezus het niet bevolen had, dat Hij gezegd had: ‘Ik vier het Avondmaal nu een keer met je. Ik geef een voorbeeld. Zo moet je dat later ook doen in de gemeente en dan moet je maar kijken of de mensen het willen of niet, of ze er behoefte aan hebben. Je moet het alleen maar doen als ze er behoefte aan voelen en je moet er maar mee ophouden als die behoefte er niet meer is of als de Kerk verslapt of tekenen van verval vertoont.’

 

Het is maar gelukkig dat het zo niet is. Dan zaten we regelrecht midden in willekeur en eigenwillige godsdienst. De duivel zou het graag zien dat het Avondmaal niet meer gevierd wordt. Er zijn gemeenten waar het Avondmaal niet meer gevierd wordt of hooguit één keer per jaar. Dat is eigenlijk heel erg. De duivel ziet niets liever dan dat we niet meer bidden en niet meer in de Bijbel lezen en niet meer het Avondmaal vieren, omdat er geen behoefte aan is.

Maar het mooie is dat de Heere zegt:

‘Dat moet je doen, want de behoefte groeit juist in de weg van de gehoorzaamheid aan Mijn liefdesbevel.’

In de instelling van de Heere Jezus zit dus ook iets van opvoeding. Hij zegt: ‘Doe dat, totdat Ik kom, en dat tot Mijn gedachtenis. Dat zal blijken tot uw troost te zijn.’

Juist als u wellicht besloten hebt om maar eens een keer over te slaan, omdat het niet vlak ligt met uw naaste of omdat u niet zo gevoelig gestemd bent, komt de Koning, de Gastheer, met het bevel:

‘Doe dat tot Mijn gedachtenis! Bekeer je en maak het goed met je naaste. Laat de oude kwesties niet zitten, waardoor je geen vrijmoedigheid hebt om aan te gaan en waardoor je wel vrijmoedigheid hebt om dan maar aan Mij ongehoorzaam te zijn.’

 

Hij beveelt. Maar Hij bevéélt niet alleen. Nee, Hij nodigt ook vriendelijk. Hij dringt ook aan. Het is Zijn liefdesbevel.

De Meester is daar en Hij roept u.

Hij zegt:

‘Kom toch tot de bruiloft! Kom tot Mij, de Gastheer! Kom en koop zonder geld, wijn en melk.’

Je hoeft niets mee te brengen. Al zou je niets bijzonders voelen, dan hoor je toch nog Zijn stem.

De schapen horen zijn stem.

Ziende op uzelf kan dat toch nooit. Maar ziende op Hem, op het Lam en op wat Hij deed, kan het en mag het en moet het.

 

Hij beveelt het mij, zegt de Catechismus, en alle gelovigen, tot Zijn gedachtenis. Dat is in de eerste plaats dus tot Zijn eer. Maar direct daarmee verbonden het tweede: dat is ook tot ons heil, tot onze troost.

 

Het gaat hier in het Avondmaal om de taal van de tekenen: brood en wijn.

Zijn lichaam is zo zeker voor mij aan het kruis geofferd en gebroken en Zijn bloed voor mij vergoten, als ik met mijn ogen zie dat dit brood des Heeren mij gebroken en deze drinkbeker mij meegedeeld wordt.

Dat is duidelijke taal. Het sacrament is een stille, woordeloze prediking van de gekruiste Christus en van Zijn vergoten bloed. En dat voor mij! Hij roept het ons toe in het Heilig Avondmaal:

‘Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven Ik heb Mijn lichaam aan het kruis gegeven en Mijn bloed laten vergieten.’

In de taal van de tekenen zie je dat gebeuren. Brood en wijn waren het volksvoedsel in Israël. Toch is er meer. Denk eens aan wat er allemaal aan voorafging, voordat het brood gebroken kon worden. Het zaad moet in de akker worden gestrooid, om daar te sterven. Als het is opgekomen en rijpt in de halmen, wordt het afgesneden, gedorst, de korrels worden vermalen, vermorzeld, tot meel gemalen en in de hete oven tot brood gebakken. Dat brood wordt tenslotte voor mijn ogen gebroken.

Dat is aangrijpende taal. Het wil zeggen: ‘Wat een lange, bange lijdensweg en stervensweg moest Christus gaan, om Zijn lichaam tot spijze en Zijn bloed tot drank te kunnen geven!’

 

Die sprake gaat ook uit van de wijn. De rijpe druiven moeten afgesneden worden en geperst in de wijnpersbak. Het formulier zegt dat ook: ‘Gelijk uit vele beziën (druiven), samengeperst zijnde, één wijn en drank vliedt.’ Zonder verbrijzeling van de druiven is er geen wijn.

De dienaar heft de beker omhoog en spreekt: ‘De beker der dankzegging, die wij dankzeggende zegenen, is de gemeenschap aan het bloed, aan het lijden, aan het offer van Christus.’ De kan van het avondmaatstel schenkt de wijn in de beker. Je ziet het voor je ogen gebeuren. Zo stroomde het bloed van Christus langs de kruispaal omlaag, uit Zijn doornagelde handen.

 

Een treffend beeld, die tekenen van brood en van wijn. Het offer van Christus op Golgotha. Hoe aangrijpend! Die tekenen verkondigen ons hoe bitter en hoe smartelijk het lijden en sterven van Christus was. Je ziet het opnieuw voor je ogen gebeuren. Die diepe weg van verbrijzeling, die Hij moest gaan. Ik voor u! Alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij ze liefgehad tot het einde.

De dienaar neemt het brood uit de schaal. Hij heft het omhoog, zodat ieder het zien kan. Hij breekt het voor uw ogen. Het wil zeggen: Zo werd Christus verbroken. En als wij de wijn uit de kan in de beker zien stromen, zien we uitgebeeld: Het dierbaar bloed van Christus, uitgegoten op Golgotha aan het kruis.

 

We zien dan daarachter hoe Hij in de wijnpersbak van Gods toorn is verdrukt geweest en uitgeperst en hoe Zijn bloed de aarde van Gethsémané bevochtigd heeft en hoe het langs Zijn slapen afliep, toen Hij met doornen werd gekroond. U ziet het als het ware allemaal gebeuren bij de viering van het Heilig Avondmaal.

En tegelijkertijd weten wij: Deze lijdende Christus is nu verhoogd en verheerlijkt. Hij denkt aan ons en wij denken aan Hem. Hij is één met ons en wij zijn één met Hem. In het Avondmaal worden wij met Hem verenigd en hebben wij gemeenschap aan het lijden van Christus. Dat is de vermaning, de onderwijzing, in de taal van de tekenen.

 

‘Ja’, zegt u, ‘dat geloof ik allemaal wel. Dat is allemaal waar. Maar het moet toch ook persoonlijk mijn deel zijn? Het moet toch persoonlijk worden toegepast in mijn hart? Ik moet er deel aan krijgen.’

Dat is waar. Dat zegt hier de Catechismus ook:

Hoe word ik - daar hebt u dat persoonlijke - vermaand, onderwezen en verzekerd dat ik aan Christus en Zijn goederen gemeenschap heb?

Het gaat om de gemeenschap met Hem, door het geloof.

 

Vermaand en verzekerd.

Het Heilig Avondmaal is een verzekering van het geloof. Over die verzekering lezen we in het tweede deel van het antwoord, bij ‘ten andere’. Leest u nog eens mee, halverwege het antwoord:

En ten andere, dat Hij Zelf mijn ziel met Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed zo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en de drinkbeker des Heeren (als zekere waartekenen van het lichaam en bloed van Christus) uit des dienaars hand ontvang en met de mond geniet.

Hier hebt u die verzekering, die persoonlijke toespitsing. Het antwoord op de vraag: ‘Hoe wordt gij, aan het Avondmaal vermaand en verzekerd?’, zou niet persoonlijker kunnen zijn als dat het hier staat. We hebben gelezen:

Mij en alle gelovigen… zo zeker heeft Christus zijn lichaam aan het kruis voor mij geofferd als ik met mijn ogen zie dat het voor mij gebroken en mij meegedeeld wordt, zo zeker als ik het brood uit de hand van de dienaar ontvang en met de mond geniet.

Ziet u hoe persoonlijk het hier staat? Dat hebt we nodig. En niet één keer, maar telkens weer. Met overgave en aanbidding klinkt het: ‘Heere, is dat nu voor mij?’ ‘Dank U, Heere.’ ‘Christus aan het kruis voor mij.’ In toe-eigening van het geloof, de overgave aan Hem en in verwondering: ‘Voor mij, grote zondaar, hebt U dat willen doen.’

 

Daar kunt u niet buiten. Anders kun je het Avondmaal niet met vrucht vieren.

Gemeente, die overgave is nodig. Daar mag je ook om vragen. Dat wil de Heere geven, als je in gehoorzaamheid aan Zijn liefdesbevel mag aangaan. Dan wil de Heere het ook werken in je hart, want dat hebben we niet van onszelf. Wij zijn altijd maar van die mensen die zeggen: ‘Ja, maar het zal wel niet voor mij zijn.’

 

We twijfelen aan Gods welwillendheid en aan de betrouwbare aanbieding van Zijn genade. Hij zegt: ‘O zondaar, geloof het dan toch!’ Daarom wordt Avondmaal in de gemeente gevierd. Het is niet alleen maar voor degenen die hier aan tafel komen, maar ook voor u. De dominee heft het brood en de beker toch hoog op? U kunt toch de beker zien? De Heere wil daar Zijn gewilligheid aan heel de gemeente laten zien. Ik voor u.

Waarom kom je dan niet, zodat het geloof in je hart wordt versterkt en er overgave en aanbidding komt? Zeg dan: ‘Heere, als dat dan waar is, dan zal ik Uw Naam belijden voor de mensen. Dan kan ik niet achterblijven, om deelgenoot te zijn aan het offer van Christus.’

 

Er kan vaak zo’n twijfel in ons hart zijn, zo’n klein geloof, zo’n zwak geloof. Daar hebben we allemaal last van.

‘Heb ik mij niet vergist?’ ‘Is het wel voor mij?’ Hoe vaak ik dat niet hoor! Wie zegt me nu dat het voor mij is? Ja maar, waarom zit u dan in de kerk? Waarom komt God dan met Zijn Woord tot u? Is dat Woord dan minder heilig dan het Heilig Avondmaal? ‘

‘Ja, maar is het wel voor mij?’ Is dat nu geen slag in Zijn gezicht, als u Jezus aan het kruis ziet hangen? Hij hangt er bloedend. Het is een slag in Zijn aangezicht als je zegt: ‘Ja maar, Heere, dat is nu wel mooi, maar is dat wel voor mij?’

Voelt u, gemeente, hoe godonterend de zonde van ongeloof is? Want dat is puur ongeloof. Dat is God verdacht houden. Hij nodigt toch? Hij zegt het toch: ‘Ik heb geen lust in uw dood, maar in uw leven.’? En moeten wij dan zeggen: ‘Is dat dan wel voor mij?’

 

Gemeente, ik begrijp het hoor. Ik heb er ook zo vaak mee gezeten. En zelfs na ontvangen genade kan het nog wel eens door je heen gaan, dat je zegt: ‘Ja maar…’ Maar het is allemaal ongeloof dat ‘ja maar’. Dat ongeloof wil de Heere overwinnen in de overweldigende komst van Zijn Geest in het sacrament, als Jezus Zich tot ons overbuigt.

Er is nog een factor. Kijk, bij het zelfonderzoek - en dat hoort ook bij het Avondmaal - komt er vaak zoveel onheiligs aan het licht. Dan kun je de vraag stellen: ‘Kan dat wel met genade gepaard gaan? Ik moet toch eerst helemaal zuiver zijn en alles opgeruimd hebben?’ Jezus zegt: ‘Kom zoals je bent.’ Maar als je komt zoals je bent, wil je een zuiveringsactie houden in je leven en een volkomen hart aan de Heere geven.

 

Hoe groot is Gods neerbuigende liefde! Juist in het Avondmaal, als Hij ons tegemoet komt met brood en wijn, om ons van twijfel te verlossen en om ons tot zekerheid te brengen.

‘Hier is Mijn lichaam, voor u.’

‘Hier is Mijn bloed, o aangevochten en bestreden zondaar.’

‘Geloof het nu toch.’ ‘Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank.’

 

De Catechismus zeg:

dat Hij ons spijst en laaft met Zijn gekruisigd lichaam en Zijn vergoten bloed tot het eeuwige leven. Zo zeker als u het brood uit de hand van de dienaar ontvangt en met de mond geniet.

Over dat ‘genieten met de mond’ moet u niet heen lezen. Er staat niet ‘nuttigen’, maar daar staat ‘genieten’. Aan het Heilig Avondmaal kom je niet om wat te eten. Nee, het is méér: genieten. Dat betekent: Christus komt met al Zijn schatten en gaven en Hij geeft overweldigend.

Wat mag je genieten? De vergeving der zonden en het eeuwige leven.

 

Spijzen en laven, staat er.

Dat is dus voor hongerigen en dorstigen. Kent u honger en dorst? Verlangt u naar Christus en Zijn kennis en naar de verzoening met God? Is dat uw worsteling? Dan is het voor u, want Hij wil juist hongerige en dorstige zondaren spijzen en laven, teerkost geven op de weg, brood voor het hart.

 

Hij zegt:

‘Kom bij Mij en rust een ogenblik uit. Staak uw zonden en rust uit van uw strijd tegen de zonde, anders zou de weg voor u teveel zijn. Kom maar bij mij.’

Als de Heere die levendige begeerte in uw hart werkt, die betrokkenheid op Christus, dan zal Hij het ook verzadigen, op Zijn tijd.

Spijzen en laven tot het eeuwige leven. Dat wil zeggen: zodat het eeuwige leven er de vrucht van is. Wat een heerlijke, zalige ervaring is dat! Om te genieten, als iemand die niets heeft en die alles zoekt en vindt bij deze Koning. Een Koning, Die in het Avondmaal zo diep neerbuigt dat Hij onwaardige, kreupele Mefiboseths, die zelf niet meer kunnen, laat dragen op de wagen van Zijn liefde. En Die Zich neerbuigt tot gevallen Petrussen.

 

Gemeente, Hij ontvangt zondaren en eet met hen.

Bent u een zondaar? Hij is de Vriend van tollenaren en zondaren. Als u dat ziet, breekt uw hart en dan zegt u: ‘Heere Jezus, Vriend.’

Welk een Vriend is onze Jezus,

die in onze plaats wil staan!

De Borg wil in onze plaats staan. Als u dat ziet, dan zegt u:

‘Heere, nu ben ik aller zonden vijand en nu word ik een vriend van U en een metgezel van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen en leven naar uw Goddelijk bevel.’

Laten we het samen gaan zingen. Psalm 119 vers 32 en 47:

 

‘k ben een vriend, ik ben een metgezel

Van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen,

En leven naar Uw Goddelijk bevel.

O HEER’, hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen!

Gij doet op aard’ aan alle scheps’len wel;

Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen!

 

’k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord;

Want ik ontving door Uw bevelen ’t leven;

’k Ben d’ Uwe, Heer’, geleid mij ongestoord;

Behoud mij toch, naar ’t woord aan mij gegeven;

Ik heb met lust Uw wetten nagespoord,

En die gezocht, door Uwen Geest gedreven.

 

Gemeente, we gaan naar onze tweede gedachte:

 

2. De geestelijke betekenis van het Heilig Avondmaal

 

Nadat we het teken hebben gezien, gaat het nu vooral over de betekenis.

Vraag en antwoord 76:

Wat is dat te zeggen, het gekruisigde lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?

Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van zonden en het eeuwige leven verkrijgen, maar ook daarbenevens door de Heilige Geest, Die én in Christus én in ons woont, alzo met Zijn heilig lichaam hoe langer hoe meer verenigd worden, dat wij, al is het dat Christus in de hemel is en wij op de aarde zijn, nochtans vlees van Zijn vlees en been van Zijn gebeente zijn, en dat wij door één Geest (gelijk de leden van een lichaam door één ziel) eeuwiglijk leven en geregeerd worden.

 

We zien twee delen in dit antwoord: ‘niet alleen’ en ‘maar ook’.

Het gaat hier niet om de natuurlijke spijs, maar om de geestelijke spijs.

Kort gezegd:

het gaat erom dat we geloven dat Christus voor ons gestorven is,

dat we door dat geloof vergeving van zonden en eeuwig leven ontvangen en

dat we zo met Christus verenigd worden, door Zijn Heilige Geest Die ons regeert.

Dat zijn de drie dingen in dit antwoord.

 

Eerst de aanbieding van Christus met al Zijn schatten en daarop volgt de aanneming door het geloof. Het woord ‘aannemen’ is van ons uit gezien. Van God uit gezien kun je dat ook noemen: de toepassing door de Heilige Geest. Wij gaan niet iets halen bij Hem, maar Hij komt Zelf tot ons en Hij schenkt Zich weg in het Avondmaal.

U moet dus niet denken dat u uw geloof in de zak hebt en dat u uw berouw en uw schuldbesef en uw gebroken hart moet meebrengen en dat u dan in ruil daarvoor de vergeving van zonden en het eeuwige leven ontvangt. Want zo is het niet.

Nee, de Heere schenkt alles. Ook het geloof, ook het berouw en het gebroken hart. Dat hart breekt juist daar waar wij zien hoe Christus Zich heeft laten verbreken. Hoe leger en armer u bent, des te voller kan Hij u maken.

Dan mag ik door het geloof zeggen:

‘Ja, Heere Jezus, dat hebt U voor mij gedaan. Voor mij hebt U Uw dierbaar bloed vergoten. Voor mij hebt U Uw lichaam laten verbreken. O Heere, zo groot zijn mijn zonden, dat dat nodig was! Ik kon mijn zonden niet voldoen. Ik kon mijn schuld niet betalen. Maar U hebt dat gedaan, in een weg van recht.

U hebt genoegen genomen, Heere God, met het offer van Uw Zoon. En daar mag ik mij nu op verlaten.

Niet maar op een deel van Uw lijden en sterven, maar op Uw ganse lijden en sterven. En dat vertroost mij zo onuitsprekelijk, dat ik zeg: Heere daaraan heb ik genoeg, want U hebt er ook genoeg aan.’

 

En zoals de gelovige Israëliet zijn hand mocht leggen op de kop van het offerdier, om daarmee te belijden dat dat dier zijn plaats innam, zo mogen wij door het geloof de hand leggen op het offer van Christus, dat Hij in onze plaats heeft gebracht. En dat is nu met recht Zijn dood verkondigen. Dat is roemen in het kruis.

Doet u dat wel eens, roemen in het kruis?

In het kruis zal 'k eeuwig roemen!
En geen wet zal mij verdoemen;
Christus droeg den vloek voor mij!
Christus is voor mij gestorven,
heeft gena voor mij verworven!
'k Ben van dood en zonde vrij!

 

En zo mag je neerzitten aan Zijn tafel, want Jezus heeft alles gedaan. Zo verkrijgen we, zegt de Catechismus, vergeving van zonden en eeuwig leven. De eerste en de laatste schakel noemt de Catechismus hier. De eerste en de laatste schakel van de keten van genade, die reikt vanuit de tijd tot in de eeuwigheid en daarin zijn al de andere weldaden die Christus voor Zijn Kerk verworven heeft, begrepen.

 

Maar er is nog méér.

Bij het tweede deel van het antwoord valt de nadruk op de verandering, de vernieuwing die in de avondmaalganger plaatsvindt.

We zien weer die twee-eenheid: rechtvaardiging en heiliging, vergeving en vernieuwing. De Geest komt in ons hart en door de Heilige Geest worden wij hoe langer hoe meer met het heilig lichaam van Christus verenigd.

 

Hoe langer hoe meer.

Dat is een proces, niet mystiek, maar door het geloof. Het is de geloofsvereniging met Hem, zodat we Zijn beeld ook gelijkvormig worden. Daarom staat er ook dat we door één Geest geregeerd worden. Hoe nauwer de band met Christus, hoe meer we Hem lief gaan krijgen en hoe dierbaarder Hij ons wordt.

Steeds minder zien we dan in onszelf en steeds meer zien we in Hem. We worden aller zonden vijand. Dat wordt doorleefd. Paulus zegt in Romeinen 7: ‘Ik ellendig mens.’ Hij kon dat zeggen omdat hij ook kon zeggen: ‘Ik dank God door Jezus Christus, Die ons de verzoening gegeven heeft.’

 

Hoe langer hoe meer met Christus verenigd.

Dat doe ik niet, maar dat doet de Heilige Geest Die in mij woont. Die legt het eerste contact bij de levendmaking, de wedergeboorte. Hij brengt ons tot Christus en Christus tot ons. Zo komt de vereniging tot stand.

De Heilige Geest houdt die band ook intact. De ranken moeten in de Wijnstok blijven, zodat de sapstroom kan doorgaan.

 

Als dat gebeurt, komt de onderlinge gemeenschap tot uitdrukking, onder de leden, onder de ranken. Je kunt niet met Christus verenigd zijn en je naaste haten. Dat bestaat niet. Het Avondmaal, als maaltijd, sluit dat ten enenmale uit. Juist de maaltijd versterkt het eenheidsgevoel, de band tussen de leden van het gezin. Zo is het ook aan de Tafel des Heeren. Daar wordt de gemeenschap der heiligen geproefd.

Als je daar zit en je mag met elkaar zijn om te zingen, te ontvangen en te genieten, als de beker uit de ene hand in de andere wordt overgeven en er wordt gedronken, dan ervaar je: ‘Nu zijn we kinderen van één Vader, met één bloed gekocht.’

 

Gelijk uit vele graankorrels één meel gemalen en één brood gebakken wordt, en uit vele beziën, samengeperst zijnde, één wijn en drank vliet, alzo zullen wij allen, die door een waarachtig geloof Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, één lichaam zijn en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen.

Dat betekent dat we in de navolging van Christus het offer van de zelfverloochening weten te brengen. Dan wordt het waar wat we gezongen hebben: ‘Een vriend, een metgezel van allen die Zijn Naam ootmoedig vrezen.’

 

Onze derde gedachte:

 

3. De Goddelijke instelling van het Heilig Avondmaal

 

Het gaat nu over vraag en antwoord 77, die we al verschillende malen gelezen hebben omdat het ook in de schriftlezing voorkomt.

Christus heeft het Avondmaal ingesteld.

Ik wil een streepje zetten onder één facet, namelijk de tijd waarop Christus het Avondmaal instelde. Dit zinnetje: In de nacht in welke Hij verraden werd.

 

Hoe aangrijpend, dat Christus juist in de nacht in welke Hij verraden werd, het Avondmaal instelde.

De nacht van Zijn verraad, waarin Judas zou komen met zijn huichelkus, waarin de vijanden Hem zouden binden en wegvoeren, waarin Hij zou bespot worden en beschuldigd en veroordeeld.

De nacht die voorafging aan dat spotkleed en die doornenkroon, dat lijden en dat kruis.

O bange nacht, waarin Christus is verraden!

 

Het zou geen wonder geweest zijn, gemeente, als Hij in die nacht aan Zichzelf had gedacht en Zich in de eenzaamheid had teruggetrokken om te wachten op de vreselijke dingen die gebeuren moesten, toen het recht van Zijn Vader over onze zonden zijn loop moest hebben.

Maar zie nu eens de zelfverloochenende liefde van Christus in die nacht in welke Hij verraden werd! In de allervreselijkste, de allerbangste nacht, zoals er nooit een nacht geweest is, denkt Christus niet aan Zichzelf, maar aan Zijn Kerk. Daar klinkt het, als Hij weet dat de bittere beker uit de hel voor Hem klaar staat, van Zijn gezegende lippen: ‘Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.’

Dan neemt Hij het brood en Hij vergiet de wijn, als Hij het Avondmaal instelt. Dan ziet Hij aan Zichzelf voorbij en is Hij gericht op de troost voor de Zijnen.

Wat een tere, diepe, zelfverloochenende, neerbuigende liefde! Met Gethsémané en Golgotha in het vooruitzicht zorgt de Goede Herder voor Zijn schapen.

 

Dan klinkt Zijn bevel: ‘Doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, tot Mijn gedachtenis.’

Dat is Zijn laatste wens, de wens van de stervende Christus, de opdracht aan de Kerk van alle eeuwen.

Geeft dat niet een extra klem op Zijn liefdesbevel? Weet toch hoe u er mee omgaat! Wie durft daar dan toch lichtzinnig mee om te gaan?

Wie durft dan te zeggen: ‘Het Avondmaal, nee hoor, niets voor mij.’?

 

Ben je lid van de gemeente of ben je het niet? Hoor je bij de gemeente of hoor je er niet bij? Voor wie is het? O, dus we moeten allemaal? Nee, nee, we moeten niet allemaal.

Maar waarom worstelen we er niet mee? Waarom ga je dan niet naar huis met het gebed:

‘O God, zo kan het niet langer. Ik heb gehoord hoe erg het is met mij. Hoe onverschillig, hoe hard, hoe ongelovig ik ben. En ik denk maar gewoon: ‘Het is niet voor mij’. En dat terwijl U bevolen hebt om het te vieren. Maar ik kan niet, want ik geloof niet in U. Ik heb de zonden nog lief en ik wil er niet mee breken ook. Ik zie eigenlijk niet zo veel in de dienst van U.’

 

Laat dat eens de worsteling van je hart worden. Kom daarmee eens aan de voeten van de Heiland. Want Hij haalt mensen op uit de goot, ook uit de goot van verharding. Opdat ze zullen komen aan Zijn voeten, opdat hun harten breken en opdat ze Zijn Naam belijden.

Wie legt zo’n dringend verzoek dan zomaar naast zich neer?

 

Dan zeg je ook niet, als je de Heere vreest: ‘Ik zal nu maar eens een keertje overslaan, want het is niet in orde.’ Als dat zo is, hebt u de stervende Christus met al Zijn wonden niet in uw hart.

 ‘Ja maar’, zegt u, ‘ik ben het niet waardig.’ Dat is met recht gezegd. Niemand is het waardig. Maar het Avondmaal is niet ingesteld voor mensen die waardig zijn, maar juist voor mensen die onwaardig zijn. Voor armen en ellendigen, voor dorstigen en hongerigen, voor vermoeiden en schuldigen, die de toevlucht nemen tot het kruis van de Heiland.

 

O, laat dan toch uw zwakke geloof versterkt worden, uw ingezonken hoop verlevendigd en uw liefde aangewakkerd!

Het Heilig Avondmaal lijdt ons naar Gethsémané en Golgotha. Hoe bitter en smartelijk heeft Jezus daar geleden!

 

Zie naar boven, want Hij is nu boven!

Zie ook naar de toekomst. Hij heeft gezegd: ‘Doe dat, totdat Ik kom.’

Straks komt Hij en is de bruiloft van het Lam. Dan is het eeuwig Heilig Avondmaal.

 

Amen.