Ds. A. Elshout - Psalmen 106 : 4 - 5

Onderwerp

Psalmen 106
Een ootmoedig gebed in een kwade tijd om het goede van Gods uitverkorenen
Het gedenken aan ons door God
Het bezoeken van ons door God
Het roemen door ons in God

Psalmen 106 : 4 - 5

Psalmen 106
4
Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
5
Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 81: 12
Lezen : Psalm 106: 1 - 12
Zingen : Psalm 106: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 147: 6
Zingen : Psalm 106: 26

Gemeente, de tekst voor de prediking op deze biddag vindt u in het Schriftgedeelte dat ons is gelezen uit Psalm 106, de verzen 4 en 5.

 

Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil. Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

 

In dit Schriftwoord horen wij: Een ootmoedig gebed in een kwade tijd om het goede van Gods uitverkorenen. In deze tekst wordt aangegeven, waarin dat goede van Gods uitverkorenen bestaat.

Dat is:

 

1. het gedenken aan ons door God;

2. het bezoeken van ons door God;

3. het roemen door ons in God.

 

We bepalen u dus bij een ootmoedig gebed in een kwade tijd om het goede van Gods uitverkorenen.

Het gedenken aan ons door God zien we in het eerste gedeelte van de tekst: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk.

Het bezoeken van ons door God zien we vervolgens in het tekstgedeelte: bezoek mij met Uw heil, opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen.

Het roemen door ons in God wordt vertolkt in het slot van de tekst: opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

 

1. Het gedenken aan ons door God

In deze Schriftwoorden horen we dus een gebed om het goede. Wie onder ons zou niet graag in de periode die vóór ons ligt, ja, de rest van zijn leven, het goede willen zien? Wie van ons zou voor de rest van zijn leven eigenlijk niet graag ‘het beste’ willen ontvangen en genieten?

Dat is algemeen onder ons mensen, in een wereld waarin zoveel kwaad is en er zoveel kwade dagen zijn vanwege de zonden van onszelf en van anderen. Wat is er algemener dan in zo’n wereld het goede te willen zien? Ja, we willen het beste zien. Maar waar moeten we het zoeken?

Ook in onze tijd zijn er tallozen die de oude klacht op de lippen nemen, die we al vinden in Psalm 4: Wie zal ons het goede doen zien? Wie? Waar moeten we heen?

Hoe vaak is men al bedrogen uitgekomen met het zoeken van het goede bij mensen, bij zichzelf, bij de groten der aarde? En elke keer wordt het weer bevestigd: Vest op prinsen geen betrouwen, waar men nimmer heil bij vindt. Telkens weer wordt het bevestigd dat het vertrouwen op eigen kracht, op eigen vlijt, op eigen inzicht, op wat dan ook van onszelf, het goede niet brengt. En het beste al helemaal niet! O, wat zijn er toch keer op keer talloze teleurstellingen. Wat zijn er velen die  twijfelmoedig vragen: Wie zal ons het goede doen zien?

 

Daar heeft de Heere een antwoord op gegeven. Een antwoord dat we vinden in de Psalm die we samen hebben gezongen: Doet uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen (Ps. 81:11). De Heere roept tot gebed, in de allereerste plaats om Hem te kennen in al onze wegen.

Het is dan ook in overeenstemming met de heilige wil van de Heere dat wij vandaag op deze biddag hier samen zijn met onze kinderen. Dat is een heel goede zaak! Het wordt in ons land immers steeds meer nagelaten. Men vindt het niet meer nodig om een biddag te houden of te bezoeken. Het groeit toch wel, wordt dan gezegd. Men vindt het niet meer nodig om te vragen naar de Heere en Zijn sterkte (Ps. 105:4).

Wat is het daarom goed dat we nu op biddag samenzijn in dit bedehuis. Nee, we zíjn niet beter dan al die anderen die niet meer naar de kerk gaan om Gods zegen af te smeken voor gewas en arbeid. Maar we dóen wel beter.

Al zou het zelfs alleen maar zijn uit plichtsbesef dat we hier naar Gods gebod komen, dan is dat altijd nog beter dan helemaal niet te komen. Maar … laten we niet denken dat de zaak ermee rond is als we onze plicht weer gedaan hebben. Want zo is het niet!

De Heere heeft ons het gebed geboden. En dat mag niet alleen lippenwerk zijn, maar allereerst een zaak van het hart. De Heere wil immers gevraagd zijn in geest en waarheid (Joh. 4:24).

Ja, zegt u, maar dat heb je ook niet van jezelf! Nee, dat is waar, maar hier kom ik nog op terug.

 

Als er hier gesproken wordt over ‘het goede’, gaat het over het goede van Gods uitverkorenen. En daar hoort alles bij wat tot Gods eer en tot onze zaligheid zou strekken. Nu en in de toekomst. Daar wil de Heere immers om gevraagd zijn! We moeten onze mond wijd opendoen.

 

Het is in de natuur bijna weer de tijd dat we overal de vogels bezig zien met hun nesten. Ik zat een keer in mijn studeerkamer toen de vogeltjes zich weer in de tuin lieten zien. Toen viel me iets op, en dat is misschien ook voor ons een les. Wat zag ik in die tuin? Een moedermus met twee kleintjes. Toen viel me op dat die ene kleine mus vaker wat toegestopt kreeg dan de andere. Dat vond ik toch wel vreemd! Ik dacht: Ja, bij mensen komt het nog weleens voor dat de één voorgetrokken wordt boven de ander. Maar dat zal toch in de dierenwereld niet zo zijn? Ik ging eens goed kijken, en toen kwam ik erachter hoe dat kwam!

Dat ene kleintje had steeds maar weer zijn bekje wijd open. Zo gauw hij wat gekregen had, ging zijn bekje alweer open. En die ander? Nou, die zocht zelf zijn kostje wel een beetje op. Die was niet zo dicht in de buurt van zijn moeder. Dat ene kleintje was heel dicht bij zijn moeder, maar die ander ging verder weg. Toen zag ik hoe het kwam dat de één meer kreeg dan de ander: de één sperde zijn bekje méér open en kreeg dan ook meer.

Toen zag ik meteen hoe het kwam dat ook onder ons, mensen, de één soms wel eens wat minder krijgt dan de ander. Nee, de Heere is niet ongewillig om te geven, maar wij doen onze mond te weinig open!

In het dagelijks leven doen we onze mond natuurlijk genoeg open, maar hoe is dat geestelijk? Doen we dat wel op de juiste wijze en op de juiste plaats? Al wat u ontbreekt, schenk Ik, zo gij ’t smeekt, zegt de Heere. Dan is er niets te klein, maar ook niets te groot waarin Hij gekend wil zijn. Het is een teken aan de wand als we de Heere niet kennen, niet kennen in al onze wegen, tot in de kleinste finesses toe. Zoekt dagelijks Zijn aangezicht; gedenk aan ’t geen Hij heeft verricht.

Zo wordt het ons voorgehouden. Maar helaas, we zijn van onszelf zo trots! We willen eigenlijk geen bedelaars zijn en bedelaars blijven. En we zijn niet alleen trots, maar we hebben zoveel zelfoverschatting. O, dit…? Dat kan ik zelf wel. En dat? Dat zal ik wel even regelen. En dat? Ja, precies, zo gaat dat nu. Maar zo gaat het verkeerd!

Want de Heere zegt ook tegen ons: Ken Mij in ál uw wegen, en Ík zal uw paden recht maken (Spr. 3:6). Dat meent Hij. En het is al talloze keren bewezen dat Hij dat ook waarmaakt!

 

Geeft God dan altijd alles waar om gevraagd wordt? Is dát ‘het goede’, waarover het hier gaat? Als hier gevraagd wordt om ‘het goede’, wordt dan bedoeld dat de Heere alles zal geven wat we graag willen hebben? Nooit één dag ziek, nooit een dag met zorgen of moeiten, nooit een dag met tekort. Is dat ‘het goede’?

Nee, dat is het goede niet dat hier gevraagd wordt! Er wordt hier gevraagd om het goede van Gods uitverkorenen. Om het beste dus.

Dat zou het weleens kunnen betekenen dat het beste voor ons is dat we juist níet alles krijgen wat we vragen. Dan is het beste dat God ons wil schenken wat we wérkelijk nodig hebben en wat nuttig voor ons is in leven en sterven. Dan kan het weleens zijn dat de Heere ons precies onthoudt wat we zo graag willen hebben. Dan neemt Hij precies van ons af wat we beslist niet kwijt willen.

Waarom? Wel, opdat we Hem niet alleen voor de vorm nodig zouden hebben, maar ook in de praktijk. Dat we Hem aanlopen als een waterstroom. De Heere weet het wel!

Wij weten niet te bidden zoals het behoort. Maar Hij wil allerlei wegen gebruiken door Zijn Geest om ons in het rechte spoor te leiden en om nederig naar Hem te vragen. Nederig, zoals de dichter het deed in Psalm 106.

 

Die psalm is een gebed in een kwade tijd. Lees de hele psalm maar eens door; dan zult u wel lezen, in hoeveel moeilijke omstandigheden de dichter en zijn volk verkeerden.

Hoogstwaarschijnlijk is dit gebed uitgesproken in de periode dat het volk van Israël in Babel verkeerde, in gevangenschap. Lees maar wat er in vers 47 staat: Verlos ons, Heere onze God, en verzamel ons uit de heidenen. Hoort u het? Uit de heidenen. Dus ze waren uit hun eigen land verdreven. Verzamel ons uit de heidenen, opdat wij de Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.

Het waren dus echt ‘kwade dagen’.

Wat was de oorzaak dat het volk in zo’n situatie van ellende en narigheid terecht was gekomen? Wel, wie enigszins de Bijbelse geschiedenis kent, weet dat aan de wegvoering naar Babel een lange periode is vooraf gegaan, waarin het volk door de profeten van Israël was gewaarschuwd. Elke keer weer opnieuw.

 

In het Evangelie heeft ook eens iemand gevraagd: ‘Heere, gedenk mijner’(Luk. 23:42). Wie was dat ook alweer? De moordenaar aan het kruis. Hij had eerlijk zijn schuld beleden vanaf het kruis en gezegd: Wij ontvangen straf, waardig hetgeen dat we gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan Heere, gedenk mijner’ (Luk. 23:41,42).

‘Gedenk mijner.’ Hij vroeg niet veel … Hij had niet een hele verlanglijst … zus moet het en zo moet het ... Nee, alleen maar: ‘Gedenk mijner.’

Zo staat er ook in onze Psalm: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk. Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen.

 

Het goede Uwer uitverkorenen? Hoe durft die man daar om te bidden? Uitverkorenen, dat zijn toch heel goede mensen? Dat zijn toch mensen die het er heel best hebben afgebracht? Dat zijn toch bijzondere mensen? Nou, denkt die dichter dan dat hij zo’n bijzonder iemand is?

Nee, zo is het niet, want lees die Psalm maar helemaal! Nee, als hij bidt om het goede van Gods uitverkorenen te mogen zien, dan is dat niet daarop gebaseerd dat hij denkt het in zijn leven zo goed gedaan te hebben.

Het is een dwaze gedachte die bij veel mensen leeft, dat je pas om het goede van God mag bidden als je het zelf goed gedaan hebt en het er goed hebt afgebracht. Als je het er niet goed afgebracht hebt – zo denkt men dan – mag je ook niet bidden of je het goede van Gods uitverkorenen zou mogen zien. Maar zo is het helemaal niet!

Als deze dichter bidt om het goede van Gods uitverkorenen, zegt hij: Heere, gedenk mijner. De Naam ‘HEERE’ staat met grote letters. Dat is de Naam des Heeren als de God van het genadeverbond.

Nee, hij bidt niet op grond van iets goeds in hém, maar op grond van al het goede in Gód. Zijn vrije genade, Zijn soevereine genade, die Hij bewijst zonder enige waardigheid in het schepsel, zonder iets uit of van onszelf.

 

Gedenk mijner, Heere. Gedenk mij naar dat trouwverbond, waarvan we hebben gezongen:

 

Op Mijn trouwverbond.

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ’t smeekt.

 

De dichter is zich bewust van zijn onwaardigheid. Als God in het recht zou treden en hem zou gadeslaan in zijn ongerechtigheden – dat belijdt hij heel eerlijk en eenvoudig in deze Psalm – dan is er geen enkele verwachting.

Hij werpt zijn smekingen daarom niet neer op zíjn gerechtigheden, maar op het Borgwerk van de Middelaar Gods en der mensen, Die nog komen zou. Zijn komst werd reeds afgeschaduwd in het Oude Testament in al de offers die gebracht werden, en in de vele profetieën.

Zó wil de Heere gebeden zijn: Gedenk mijner, om Jezus’ wil. Heere, gedenk mijner. Gij, Zone Davids, ontferm U mijner (Luk. 18:38). Ik heb het wel niet verdiend, maar wees ook mij toch genadig!

 

2. Het bezoeken van ons door God

Bezoek mij met Uw heil. Met het goede Uwer uitverkorenen. Dát is het beste: het goede van Gods uitverkorenen.

Zeg eens, gemeente, wat staat er bovenaan uw verlanglijstje voor de periode die vóór u ligt? Zeg het eens, kinderen, als jullie nu een verlanglijstje moesten maken, wat zou er dan bovenaan staan? Wat zou je dan graag van de Heere hebben? Staat er dan bovenaan: een nieuw hart? Staat er dan bovenaan, ouders, het goede van Gods uitverkorenen? Gaat het u om het heil des Heeren te zien? Dat ene nodige?

 

Zeker, de Heere wil gevraagd zijn, ook om al datgene wat wij voor het lichaam nodig hebben. Hij heeft immers Zelf gezegd dat we zouden bidden, elke dag weer: Geef ons heden ons dagelijks brood (Matth. 6:11). Nee, het is niet te aards of te eenvoudig om daarom te vragen. De Heere wil juist dat wij er Hem om vragen! Elke dag weer: Geef ons heden ons dagelijks brood. Maar ook: Vergeef ons onze schulden (Matth. 6:12).

 

Om het goede van Gods uitverkorenen. Het gaat om het heil – niet alleen voor het lichaam, maar ook voor de ziel – wat de Heere Jezus heeft willen verwerven met de prijs van Zijn dierbaar borgwerk. Dan mogen we in God gunst worden hersteld en in Zijn gunst delen.

Bezoek mij … Bezoek mij met Uw heil. Wat is dat heil? Dat is niet alles wat u en ik zo graag zouden willen, zodat God onze idealen gaat verwezenlijken. Maar het heil is dat God geeft wat Hij beloofd heeft te zullen geven op het smeekgebed, wat werkelijk nodig is tot Zijn eer en onze zaligheid.

Wat is dan dat ‘goede van Zijn uitverkorenen’? Dat zijn de gaven van de Geest die onmisbaar zijn tot zaligheid: geloof, hoop en liefde; deze drie. De gave van ogen om te zien en harten om op te mogen merken.

 

Het goede van Gods uitverkorenen; dat is de genade die nodig is om vergenoegd te zijn met het tegenwoordige (Hebr. 13:5). De genade om in tegenspoed geduldig te zijn, in voorspoed dankbaar en voor het toekomende vertrouwend. (HC Zondag  10, vr. 28).

Het goede van Gods uitverkorenen is ook: gerechtigheid. Gerechtigheid bij God, om Christus’ wil. Maar ook: gerechtigheid, door Gods kracht in zwakheid volbracht.

Dan worden we gewillig gemaakt en gehouden om in Gods wegen te wandelen. Dan gaat het erom altijd een onergerlijk geweten te hebben bij God en bij de mensen (Hand. 24:16), en om te wandelen waardiglijk het Evangelie (Filipp. 1:27). Gerechtigheid, vrede, en blijdschap door de Heilige Geest.

Het goede van Gods uitverkorenen. Nee, dat bestaat niet in de eerste plaats in grote hoeveelheden van dit of dat. Maar het bestaat in vergenoegdheid. Ezau zegt tegen zijn broer Jakob: ‘Ik heb veel’; Jakob zegt: ‘Ik heb alles’ (Gen. 33:9 en 11). Hoe kon Jakob dat zeggen? Hij had toch niet alle koeien? Hij had toch niet alle kamelen? Nee.

Maar toch had hij alles. Waarom? Wel, hij had immers de Heere tot zijn Deel, de Eigenaar van al het goud en het zilver en het vee op duizend bergen. Die uit Zijn volheid schenkt genade voor genade (Joh. 1:16). Al wat u ontbreekt … Jakob had alles, en dat maakte hem rijk. Dat is het goede van Gods uitverkorenen.

 

Als deze dichter bidt om het goede van Gods uitverkorenen, vraagt hij om Gods zegen. Het bekende spreekwoord zegt het al: ‘Aan Gods zegen is alles gelegen’. Zo mag de dichter in tegenspoed geduldig zijn en in voorspoed dankbaar. Zo krijgt hij ogen om te zien hoe God zorgt. Wat is het een rijk leven, als je dagelijks mag zien hoe God zorgt als een genadig God en als een getrouw Vader. Om Jezus’ wil. Dan mag hij zien met welk een prijs de Heere dit alles heeft willen en moeten betalen. Alles, voor lichaam en ziel. Alle heil voor lichaam en ziel beide, voor tijd en eeuwigheid. Het is toch alles met dezelfde prijs betaald door Christus’ bloed? En om dát te mogen zien, vrienden, o, wat is dat van onuitsprekelijke waarde!

 

Nee, dan verachten we de dag der kleine dingen niet. Trouwens, dan is er geen dag van kleine dingen meer, want het is allemaal groot. Alles is groot. Tot de kleinste dingen toe! Als ze maar in het rechte licht mogen worden gezien.

Daarom staat er in de Psalmen dat Gods gunst méér sterkt dan de uitgezochtste spijzen. Dan is een slok water en een droog stuk brood al een geschenk van Gods trouwe zorg. Hij heeft gezegd: Uw brood is zeker, en uw water gewis (Jes. 33:16). Dat brood smaakt beter dan het beste van een glansrijk diner. Want het is werkelijk waar dat Gods gunst méér sterkt dat de uitgezochtste spijzen.

 

Het goede van Gods uitverkorenen is ook blijdschap. Het is vrede, maar ook blijdschap. Blijdschap over de mogelijkheid van zalig worden, om Christus’ wil. O, wat is het een onuitsprekelijke blijdschap als de Heere door Zijn Woord en Geest de prediking van het Evangelie in de kerk, maar ook op de catechisatie of op school, wil zegenen.

Door de toepassing daarvan aan ons hart is er niet alleen voor anderen een mogelijkheid van zaligheid, maar ook voor óns, voor míj. Is dat niet heerlijk? Is dat niet het goede van Gods uitverkorenen?

Die grote blijdschap was er bij de aankondiging van Jezus’ geboorte: Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal (...) dat ú heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere (Luk.2:10,11). Hij is niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering (Luk. 5:32).

Daar kan de Heere de prediking, maar ook het onderwijs op school voor gebruiken. Of het onderwijs op de catechisatie of op de vereniging. Ja, daar kan de Heere ook het onderwijs van vader en moeder voor gebruiken, van man en vrouw. Als de Heere het maar zegent! Daar kan de Heere álle ambtelijke arbeid voor gebruiken.

O, wat is daarom dat goede van Gods uitverkorenen belangrijk! Dan is er échte blijdschap als een gave van de Heilige Geest, waardoor men zijn weg met blijdschap kan reizen. Dat kan dan zelfs te midden van allerlei moeite en zorg en ellende.

 

Dit weet ik vast: God zal mij nooit begeven;

Niets maakt mijn ziel vervaard.

 

Dat is het goede van Gods uitverkorenen. Blijdschap, niet alleen over de mógelijkheid van zalig worden – en dat is al groot! – maar de Heere heeft nog veel meer! Hij wil ook zekerheid over het zalig worden schenken, zodat de enige troost in leven en sterven de onze wordt.

Wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat ik niet mijn eigen eigendom ben, maar dat van mijn getrouwe Zaligmaker, Jezus Christus. En dat geen haar van mijn hoofd vallen kan of zal zonder de wil van mijn hemelse Vader. En ten slotte dat de Heilige Geest mij leidt en troost.

Kortom: dat ik voor rekening mag zijn van een drie-enig God, Die voor mij zorgt en over mij waakt. Dat is het goede van Gods uitverkorenen. O, wat is dat een blijdschap!

Van die blijdschap wordt gezongen:

 

Hoe zalig is het volk dat naar Uw klanken hoort!

Zij wandelen, Heere, in het licht van ’t Goddelijk aanschijn voort.

 

Dat is toch het beste wat er is!

Helaas, zelfs de allerheiligsten hebben niet elke dag die blijdschap. Nee, ook voor hen zijn het maar ogenblikken. Maar, aan wie ligt dat? Is God dan zo karig om het te geven? Nee, het ligt niet aan God! Het ligt altijd maar weer aan ons. Daarom wil Hij erom gevraagd zijn, keer op keer. Op uw smeekgebed … en in het belijden van zonden en schuld. En dan kunt u nog niet eens schuldenaar worden, als u het wilt! Ook dáár wil Hij om gevraagd zijn!

Ja, het goede van Gods uitverkorenen, dat is: dat de Heere ons dicht bij Zich houdt! Bidt daar maar om, jongens, meisjes, vaders en moeders, volwassenen en bejaarden. Dat is het beste wat er is.

En Henoch wandelde met God (Gen.5:22). Beter gezelschap is niet denkbaar. Dan is het weinige van de rechtvaardige beter dan de overvloed van vele goddelozen (Ps. 37:16).

 

 

 

 

3. Het roemen door ons in God

En dan is er nog een belangrijk onderdeel van het goede van Gods uitverkorenen. Het is datgene waarvan de dichter zegt: opdat ik roeme. Opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volk; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

Hij bidt niet om het goede van Gods uitverkorenen om daarmee zélf op de troon te zitten, om daar zelf de eer van te krijgen. Nee, hij bidt: Heere, gedenk mijner. En schenk mij ook die genade, dat ik mij met Uw erfdeel blij zal mogen beroemen.

Wat betekent dat, gemeente? Dan zíngen we niet alleen de woorden van de Psalmen, maar we beléven ook de zaken van de Psalmen. Dan beleven we in principe hetzelfde wat David beleefde, die in zijn Psalmen hiervan zo vaak getuigt.

 

Dat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Dat erfdeel hebben de Israëlieten al eeuwenlang in hun gebeden, hun gezangen en hun liederen bezongen. Met hart en mond. Dat is waar die dichter naar verlangt.  Opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Niet alleen met de lippen, maar ook ‘met mijn ganse hart Uw eer, vermelden, Heer’, U dank bewijzen. En ‘k zal U in het midden van de goôn, op hogen toon, met psalmen prijzen. Dat is het goede van Gods uitverkorenen. Daar is het de dichter om te doen. Daar is het deze bidder en voorbidder om te doen!

Wat een wonder van genade, waar het zo mag zijn en zo mag blijven.

Het zal ongetwijfeld leiden tot het ervaren van wat de dichter zong in Psalm 147, het zesde vers. Dat zingen we nu eerst.

 

De Heer’ betoont Zijn welbehagen,

Aan hen die need’rig naar Hem vragen,

Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden,

En door Zijn hand zich laten leiden;

Die, hoe het ook moog’ tegenlopen,

Gestadig op Zijn goedheid hopen.

O Salem, roem den Heer’ der heren;

Wil uwen God, o Sion, eren.

 

‘Wil uwen God, o Sion eren.’ Waar bestaat dat in?

‘O, Sion.’ Dat was dus de Oudtestamentische kerk, zoals ze zich ook in de wereld openbaarde. De zichtbare kerk dus, waarvan wij het verlengstuk zijn. We zijn immers een onderdeel van de ene, heilige, algemene, christelijke Kerk die zijn oorsprong heeft in het Oude Verbond.

Adam en Eva waren de eerste levende lidmaten van die Kerk. En velen zijn hen door Gods genade gevolgd. Zij leerden al hun kracht en hulp alleen van de Middelaar Gods verwachten.

‘Wil uwen God, o Sion, eren.’

Hoe dan? Hoe wil de Heere geëerd zijn door u en door mij? En door jullie, jongens en meisjes, als doopleden van de gemeente? En door u, volwassenen, belijdende leden van de gemeente, en bejaarden? Hoe wil de Heere door u geëerd zijn?

 

Dat zal ik u laten horen uit de profeet Jeremia, hoofdstuk 3, vers 4. Daar spreekt de Heere door middel van Jeremia tot het afvallige en onbekeerde volk van Israël. Ze waren zo verhard dat ze zelfs zeiden: Wij zijn heren, wij zullen tot U niet komen (Jer. 2:31). Wij zijn volwassen, we willen op eigen benen staan.

Tegen dat volk, tegen dat afvallige verbondsvolk dus, zegt de Heere nu: Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd? (Jer. 3:4).

 

 O, God was de Leidsman van het volk van Israël, vanaf de tijd in Egypte. Alles wat ze waren en alles wat ze hadden, hadden ze aan God en aan Zijn genade alleen te danken. Net als u en ik.

Waar hebben we het aan te danken dat we zijn wat we zijn? Dat we hebben wat we hebben? Is het niet alles genade?

En ons Nederlandse volk – waar heeft het aan te danken dat het geworden is tot wat het nu is? We zijn gaan horen tot de rijkste volkeren in de wereld. We zijn de mensen met de hoogste inkomens, in vergelijking met de wereldbevolking. Waar hebben we het aan te danken? Toch alleen aan die ‘Potentaat der potentaten’, met Wie onze vader des vaderlands in de ontstaansperiode van ons volk een verbond had gesloten?

 

Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen? Dat wordt gevraagd aan u, die een gedoopt voorhoofd hebt en misschien al belijdenis gedaan hebt. Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman van mijn jeugd? Alles wat ik heb, van mijn jeugd aan, heb ik slechts te danken aan Uw zorg en verzorging. Wat ik ben en wat ik heb, heb ik slechts aan U te danken.

De Heere zegt: ‘Zult u, die alles aan Mij te danken hebt, zult u niet van nu af aan tot Mij roepen?’ Nee, u moet niet zeggen: ‘Nou, morgen zal ik er eens over denken.’ Nee, van nu aan, ogenblikkelijk. Zult gij niet van nu aan tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman mijner jeugd?

 

Gedenk mijner naar het welbehagen tot Uw volk. Bezoek mij met Uw heil. Met het goede Uwer uitverkorenen.

‘Ja’, zegt u, ‘maar, dominee, ik weet niet of ik wel uitverkoren ben?’

Dat hoeft u ook niet te weten. Dat weet God wel. Maar dit weet u wel, en u kunt dat ook weten: u hoort tot de geroepenen, tot degenen die God roept. Zoekt eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden (Matth. 6:33). Dat kunt u wel weten!

Het is zelfs aan uw voorhoofd verzegeld dat God niet alleen met anderen, maar ook met u en jou te doen wil hebben. Niet, zoals je behóórt te zijn – want dat was je ook niet toen je geboren werd, maar zoals je bent.

Zoekt Mij, en leeft, zo roept de Heere ons toe (Amos 5:4). Niemand sluit Hij uit van het Woord dat Hij eenmaal sprak tot het volk van Israël, en tot ieder die Zijn Woord hoort. Ook nu sluit Hij niemand van ons uit, als Hij zegt: Zult gíj niet van nu af tot Mij roepen? Niet alleen je vader of moeder, of wie dan ook die het méér waard is dan jij van jezelf denkt. Nee, ook ons, onwaardigen die we zijn. Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader, Gij zijt de Leidsman van mijn jeugd?

‘Ja’, zegt u misschien, ‘maar ik durf me niet bij Gods volk te rekenen, die God als hun Vader mogen kennen en aanroepen.‘

Laat dat dan in de allereerste plaats uw gebed zijn. Laat het op de eerste plaats staan op uw gebedslijst: om het goede van Gods uitverkorenen te mogen kennen, en vervolgen te kennen.

Maar God noemt Zich ook ‘de Vader der schepping’. Daarom wil Hij aangeroepen zijn, zoals Hij dat hier Zelf zegt, met de bede:

 

Vergeef mij al mijn zonden,

Die Uwe hoogheid schonden.

 

‘Wees ook mij, zondaar, genadig (Luk. 18:13). Bezoek mij met het goede Uwer uitverkorenen.’

’O’, zegt u, ‘dominee, ik durf het niet te doen.’

Waarom dan niet? Ben je te jong? Of ben je te slecht? Of ben je al te oud? Denk je dat? O, ik kan het heel goed begrijpen, dat ‘niet durven’. Maar toch wil de Heere niet dat we daaraan toegeven. Dat zou een verkeerde bescheidenheid zijn, ja zelfs een valse bescheidenheid! Want dat is een bescheidenheid die in strijd is met Zijn eigen wil. Dan wil men zo bescheiden zijn dat men nalaat te doen wat Hij gebiedt te doen. Dat kan toch nooit naar Zijn wil zijn? Dat is ongehoorzaamheid!

Nee, dan is het beter om zo ellendig en onwaardig als men is, toch toe te gaan tot de troon der genade om barmhartigheid, genade en hulp te krijgen ter bekwamer tijd (Hebr. 4:16). Daar kun je niet te jong voor zijn. Daar kun je niet te slecht voor zijn. En daar kun je ook niet te oud voor zijn.

De Heere sluit u niet uit van de nodiging. Sluit dan toch uzelf ook niet uit met uw ongelovig, wettisch geredeneer. Zoek daarvoor toch geen grond in uzelf. Die zult u nooit vinden!

 

De grond om de Heere aan te roepen zoals Hij ons heeft voorgehouden, ligt alleen en ook helemaal in Zijn permissie, in Zijn gebod zelfs. Ja, Hij wil erom gevraagd zijn, opdat Hij het ons schenkt.

Hij heeft bovendien in Zijn eigen Woord getuigd en verzekerd dat het bedelen om Zijn genade, barmhartigheid en hulp niet tevergeefs zal zijn. En dat niet vanwege uw prestaties, op welk gebied dan ook, maar vanwege Zijn gratie. Het is genade, vrije genade, soevereine genade. Hij is aan ons niets verplicht vanwege onze zonde en ellende. Maar Hij wil het doen om Zijns Naams wil.

O, wat een gebed op deze biddag: Gedenk mijner naar het welbehagen tot Uw volk. Niet dat ik het waardig ben, o God. Niet dat ik het verdiend heb om behandeld te worden als één van Uw volk. Maar o Heere, bezoek me toch met het goede Uwer uitverkorenen.

Want dat is werkelijk het goede; nee, het is het beste! Dat heeft waarde in leven en sterven, voor tijd en eeuwigheid beide. Er is geen beter deel dan dit.

 

En dan zal ik u nog eenmaal laten horen wat de Heere Jezus Zelf zegt. Dat moet toch het einde zijn van alle tegenspraak, en het behoort het einde te zijn van alle tegenstand en alle tegenwerking.

U kunt het vinden in het boek van de profeet Jesaja, in hoofdstuk 55. Ik zal het u voorlezen: Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids.

Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is. De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. Want Mijn gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uw wegen zijn niet Mijn wegen, spreekt de Heere (Jes. 55:2,3,6-8).

Amen.

 

 

Slotzang Psalm 102:26.

 

Geloofd zij Isrels grote God!

Zijn gunst schenk’ ons dit heilgenot;

zo zullen wij Zijn goedheid danken.

Dat al wat leeft Hem eeuwig eer’!

Al ’t volk zegg’ “Amen” op mijn klanken.

Juich, aarde, loof den Opperheer.