Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 27

Onderwerp

De leer van de Heilige Doop tegen dwalingen verdedigd
Het water van de Doop wast onze zonden niet af
Het water van de Doop is een Goddelijk pad en waarteken
Het water van de Doop is ook bestemd voor onze kinderen

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 100: 1
Lezen : Kolossenzen 2: 1 - 15
Zingen : Psalm 78: 1, 2 en 4
Zingen : Psalm 105: 5 en 6
Zingen : Psalm 17: 3

Gemeente, aan de beurt is vandaag Zondag 27, een vervolgzondag over de Doop. We

lezen de vragen en antwoorden:

 

Vraag 72: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf?

Antwoord: Neen het, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

Vraag 73: Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?

Antwoord: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmee te leren dat, gelijk de onzuiverheid van het lichaam door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij ook zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

Vraag 74: Zal men ook jonge kinderen dopen?

Antwoord: Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

 

De vragen met de bijbehorende antwoorden hebben een spits, namelijk om de dwaalleer te weerstaan. Het thema is:

De leer van de Heilige Doop tegen dwalingen verdedigd

 

Om het beter te kunnen onthouden drie hoofdlijnen waarmee in feite alles inhoudelijk

is samengevat:

1.     Het water van de Doop wast onze zonden niet af

2.     Het water van de Doop is een Goddelijk pand en waarteken

3.     Het water van de Doop is ook bestemd voor onze kinderen

 

Jongens en meisjes, jullie kunnen je het best voorstellen hoe het is als een stelletje gaat trouwen. Heerlijk, samen een nieuw leven beginnen, van elkaar zijn, in volle vrijheid bij elkaar zijn. En wat geven die twee jonge mensen elkaar als ze gaan trouwen? Dan geven ze elkaar een trouwring. En daarmee wil de bruidegom zijn bruid ervan verzekeren dat hij echt van haar houdt en dat hij haar trouw blijft. Een trouwring: ik blijf je trouw. En andersom betekent het dat de bruid haar bruidegom liefheeft en hem trouw zal blijven. Die ring is niet de trouw zelf, maar het is er een teken, een waarteken, een onderpand. Bruid en bruidegom zullen telkens als ze die ring zien aan elkaar denken en aan de belofte van trouw die ze elkaar hebben gegeven.

 

Er gebeurt nog meer als ze gaan trouwen. Ze kopen of huren een huis. Op een gegeven moment voor hun trouwdag krijgen ze de sleutel van dat huis overhandigd. Het overhandigen van de sleutel is het symbool dat het huis voor hen is. Zij zullen daar straks ongetwijfeld in gaan wonen. Die sleutel is natuurlijk niet het huis, maar het is een pand, een garantie dat zij het huis mogen gaan betrekken.

 

Iemand zegt misschien: ‘Wat heeft dat nu met Zondag 27 te maken?’ Dat heeft er alles mee te maken. Bruid en bruidegom beginnen een nieuw leven. Als ze voortaan papieren in moeten vullen, vullen ze niet meer ‘ongehuwd’ in, maar ‘gehuwd’.

Zo is het ook met de Heilige Doop. Dat is het teken van de inlijving in de gemeente van Christus. Dan begint een nieuw leven. De status van gedoopte is niet meer ‘heiden’ of ‘vreemdeling’, maar: burger, huisgenoot, lid van de gemeente, kind en erfgenaam van het verbond. Zoals de trouwring het teken en het pand is van de huwelijkstrouw en de sleutel er het bewijs van is dat je de rechtmatige eigenaar of gebruiker van het huis bent, zo zijn de sacramenten heilige waartekenen en zegelen van Gods genade.

Daardoor wil Hij ons de belofte van het Evangelie des te beter doen begrijpen. Dat hebben we al geleerd in de vorige Zondag. Doop en Avondmaal helpen ons daarbij en verzekeren ons van de genadige beloften van God.

 

In Zondag 27 gaat het opnieuw over de Heilige Doop.

Op twee thema’s gaat deze Zondag nog nader in.

Het eerste is: Doop en wedergeboorte en

het tweede: de samenhang tussen Doop en verbond.

 

Twee dwalingen worden hier afgewezen. Eerst is de spits gericht naar de Roomse Kerk, waar geleerd wordt dat de Doop de zaligheid werkt, de wedergeboorte en de vergeving van zonden.

De andere spits betreft de vraag over de Kinderdoop, die is gericht tegen de Wederdopers in de tijd van de Reformatie en gaat dus over de samenhang van verbond en Doop.

 

De Catechismus wil hier het rechte midden bewaren tussen enerzijds de overschatting van de Doop en anderzijds de onderschatting van de Doop.

Wie de Doop overschat, zegt: ‘Die sleutel is mij alles; daar heb ik genoeg aan. Ik ben de rechtmatige eigenaar of gebruiker van het huis.’ Maar hij vergeet daarbij dat het uiteindelijk niet om de sleutel gaat, maar om het huis. Of wie de Doop overschat zegt: ‘Die trouwring is mij alles. Dat is voor mij voldoende.’ Ja? Zonder het huwelijk? Kan dat? Nee, dat kan niet. Dan verwar je het teken met wat we noemen ‘de betekende zaak’, die afgebeeld wordt in de Doop. Die worden dan met elkaar vereenzelvigd.

De onderschatters laten zich niet door God onderwijzen en verzekeren van Zijn genadige belofte van vergeving van zonden. Zij minachten het teken en hameren alleen maar op de betekenende zaak.

 

De overschatters zien de Doop als de genade, de wedergeboorte en de bekering. ‘Je bent gedoopt; er hoeft niets meer te gebeuren; je bent een verbondskind; je bent een kind van God.

Allebei zijn ze fout.

Welnu, tegen beide dwalingen werpt de Catechismus hier in Zondag 27 een dam op.

 

1. Het water van de Doop wast onze zonden niet af

 

Vraag 72:

Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing van de zonde zelf?

U voelt, dat is gericht tegen de overschatting van de Doop.

Nee het, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

 

De overschatting van de Doop komen we vooral tegen in de Rooms-katholieke Kerk, waar geleerd wordt dat het doopwater een bijzondere kracht heeft, die de wedergeboorte werkt en vergeving van zonde schenkt.

Als dat waar was, gemeente, dan zou je je toch haasten om zo snel mogelijk jezelf en je kinderen te laten dopen. Want volgens de roomse voorstelling van zaken wordt op dat moment de genade werkelijk geschonken. Dankzij de doopsgenade ben je rechtvaardig voor God. Daaruit vloeit voort dat in die opvatting de Doop onmisbaar is voor de zaligheid. Dus als er levensgevaar is als er een kindje geboren wordt en er is geen priester bij de hand, dan mag iedere leek de Doop bedienen. Die opvatting is al in de Oude Kerk ontstaan.

De Doop wordt niet alleen overschat door de roomse kerk, maar ook wel in protestantse kerken. In de regel denken degenen die de Doop overschatten: ‘Hoe vroeger je gedoopt bent, hoe beter’, met het oog op de zaligheid van het kind. Want wie niet gedoopt is kan niet in de hemel komen, denkt men.

Dan overschat je de Doop. Dan wordt het teken gehouden voor de zaak waarom het gaat, de zaak die uitgetekend wordt. De sleutel wordt dan vereenvoudigd met het huis en de trouwring met het huwelijk.

 

Nee, zegt de Catechismus, je moet de Doop niet overschatten. Alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden. Het uiterlijk waterbad wast onze zonden niet af. Toch hoef je niet rooms te zijn om de fout van de veruitwendiging te maken. Hoevelen zien de vorm niet aan voor het wezen?

 

Zal ik u eens vertellen wat sommige Papoea’s deden aan de kust van West Papoea? Als ze stierven, maakten ze een afspraak: ‘Als ik begraven word, dan moet je mijn doopbewijs in de kist stoppen. Dat is altijd gemakkelijk om bij me te hebben op die grote reis naar de eeuwigheid, naar God.’

 

Daar moeten wij niet om lachen, want Israël deed precies hetzelfde. Toen Israël de ark in het leger bracht in de strijd tegen de Filistijnen, dachten ze ook: ‘Die ark moet ons redden.’ Dat was natuurlijk niet waar. Die ark was een teken van Gods tegenwoordigheid. Zij waren van de Heere geweken en daarom was de Heere van hen geweken. Maar de ark gaf de overwinning niet. Ze verloren de strijd en de ark werd veroverd door het leger van de Filistijnen.

 

Zo is het ook als je de Doop losmaakt van Christus, als je denkt dat er in het doopwater een soort toverkracht zit om je zonden af te wassen. Je bent toch dwaas als je heel je leven met de sleutel blijft rondlopen en niet in het huis gaat wonen? Net zo dwaas als wie een trouwring draagt zonder huwelijksleven.

Alleen het bloed van Christus en de Heilige Geest reinigen mij van al mijn zonden. Alleen Christus’ verlossend werk door Zijn bloed, Golgotha, het kruis en het vernieuwende, heiligende werk van de Heilig Geest redden van de zonden.

 

Daarom zegt de Catechismus:

Wast het water van de Doop de zonden af? Nee, het!

Wij zouden zeggen: ‘Absoluut niet!’ ‘Integendeel!’ In de doop laat God mij zien hoe verloren mijn leven is. De onreinheid van onze zielen wordt in het doopwater aangewezen. Ik heb het bloed en de Geest van Christus nodig om van de toorn van God verlost te worden. Dat leert de Heilige Doop mij.

Maar de Doop wijst ook op het enige reinigingsmiddel: het bloed van Jezus Christus. Door dat bloed is er reiniging, dat betekent: vergeving. En als ik ‘bloed’ zeg, dan betekent dat de dood van Christus. Daardoor is er vergeving van zonden.

 

Daarom, gemeente, mag u de Doop nooit losmaken van Christus. U mag de Doop ook nooit losmaken van het geloof. Want alleen door het geloof ontvangen we de zaak waarom het gaat, de werkelijke betekenis. We doen er dus goed aan om het uitwendig waterbad, zoals de Catechismus dat noemt, te onderscheiden van de inwendige vernieuwing van ons hart door de Heilige Geest.

Dat wil niet zeggen dat de Doop, het uitwendige waterbad, niet zo veel betekent, dus dat kan eigenlijk net zo goed achterwege blijven. Het is maar een waardeloze vorm. Wat heb ik er eigenlijk aan?’ Zegt een jong stel ook: ‘Wat heb ik aan de sleutel van dat huis? Wat heb ik aan die trouwring?’ Nee toch? Die zijn toch waardevol voor je? Dat belooft toch veel? Dat verzekert je er toch van dat je straks samen zult wonen en getrouwd zult zijn?

 

Welnu, gemeente, zo wil de Doop u en mij uitdrijven naar Golgotha, naar Christus, naar de schuldvergeving. De Doop is een teken, een Goddelijk pand en waarteken van de afwassing der zonden door Christus’ bloed en de vernieuwing van ons leven door Zijn Geest.

 

Onze tweede gedachte is:

 

2. Het water van de Doop is een Goddelijk pand en waarteken

 

We lezen vraag 73:

Waarom noemt dan de Heilige Geest…’ Valt dat u op? De Heilige Geest! Het staat in de Bijbel, maar toch staat er ‘de Heilige Geest’. Hier belijden onze vaderen dat de Bijbel is geïnspireerd door de Geest.

Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing van de zonden?

God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid van het lichaam door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden

 

Als de Doop de zonden niet afwast, waarom spreekt de Bijbel dan toch in die geest? Is dat dan niet in tegenspraak met elkaar? Schrijft Paulus niet aan Titus: Hij heeft ons zalig gemaakt door het bad der wedergeboorte.? Hij bedoelt de Doop. De Doop is het bad der wedergeboorte.

En zei Ananias niet tegen Paulus: ‘Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen.’? Dat is toch duidelijke taal? Daar beroepen de roomsen zich op. Ze zeggen: ‘Het staat er toch letterlijk: de Doop is zonden-afwassen; de Doop is het bad der wedergeboorte.’?

Maar dan zegt de Catechismus: ‘God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak.’ Daar heeft God Zijn redenen voor, om Zich zo uit te drukken.

Hebben we in onze eerste gedachte gezien dat de Doop overschat wordt, nu bindt de Catechismus de strijd aan tegen de mensen die de Doop onderschatten. Het gevaar bestaat immers dat de betekenis van de Doop wordt uitgehold. Het is net of de Heilige Geest dat heeft voorzien. Vandaar dat Hij Zich zo kras uitdrukt. Als de Heere de Doop zo laat noemen, dan wil dat niet zeggen dat de Doop de afwassing van de zonden bewerkt. Maar wel dat de Doop de afwassing van de zonden afbeeldt en verzegelt.

 

Antwoord 73 bestaat uit twee delen: beeld en pand.

Het beeld van de reiniging door het water en het pand van de zekerheid dat God die reiniging belooft aan allen die Hem voor waarachtig houden.

De Doop wil ons iets leren. God geeft aanschouwelijk onderwijs. Het zichtbare teken van het water, dat de vuilheid van het lichaam wegneemt, wast. Zo wijst de Doop ons op de noodzaak van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden door het bloed van Jezus Christus. Maar de Doop wil ons niet alleen iets leren, maar de Doop wil ook iets verzegelen.

Nog even dat zinnetje oppakken:

maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.’

De Doop verzekert. Het is een pand, een garantie dat God Zijn beloften vervult, dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Dat dat echt waar is.

De wedergeboorte en de vergeving der zonden worden verzegeld. Zie je het water van de Doop? Ben je erin onder gegaan of is het gesprenkeld op je voorhoofd? Heb je het gezien toen je daar met je kind in de armen stond? Geen twijfel aan, je hebt het water van de Doop gezien. Het was geen schijnbeweging. Welnu, zo werkelijk en waarachtig, zegt de Doop, is de verlossing van de zonden door Jezus Christus.

 

Een Goddelijk pand en waarteken.

Dan moet u weer maar denken aan die trouwring en aan die huissleutel. Dat zijn panden. Dat zijn waartekenen. Die ring verzegelt de huwelijkstrouw. Die sleutel zegt: ‘U bent de rechtmatige bewoner van het huis. U kunt nu het huis gaan bewonen.’ Het is een pand, een garantie.

 

Wat verzekert de Doop? De belofte van het Evangelie, wedergeboorte en bekering. Wie in Christus gelooft is gered. Voor eeuwig! Aan wie verzekert die sleutel het gebruik van het huis? Aan degene die de sleutel heeft. Aan wie verzekert die trouwring de trouw en de liefde? Aan degene die de trouwring draagt. Aan wie verzekert de Doop de belofte van het Evangelie? Aan degene die de Doop ontvangt, aan de dopeling, of dat nu een volwassene is of een kind.

Aan alle gedoopten worden de weldaden van het genadeverbond toegezegd in de belofte van het Evangelie.

 

Dit wordt in de Doop verzegeld en bekrachtigd aan heel de gemeente, telkens weer.

Daarom bent u er allemaal bij betrokken. Daarom wordt de Doop bediend in het midden van de gemeente. In de Doop zegt God: ‘O mens, Mijn belofte is echt waar, betrouwbaar en geloofwaardig.’ Elke gedoopte draagt het teken en zegel van de verzoening door het bloed van Christus. Als je gedoopt bent, ben je voor je leven getekend. Christus geeft je het zegel, de verzekering, dat Hij je wil redden.

 

Maar daar ben je niet mee klaar. Het heil dat uitgebeeld en verzegeld wordt, vraagt om de toepassing, om de toe-eigening. En die geschiedt door het geloof. Wij ontvangen in de Doop de verzegeling.

Het formulier zegt het zo:

Als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben,

De goederen van het genadeverbond worden dus alleen mijn deel in de weg van bekering en geloof.

Dat geloof wil de Heere ook schenken. De Doop leert en verzegelt ons de wedergeboorte. Dan wordt het geloof geplant. Dat is een werk van Gods Geest.

 

Kent u ook die heel persoonlijke, vrijwillige inwilliging van het verbond van God? Dat is de wedergeboorte.

Het formulier begint daar zelfs mee in het onderwijs over de Doop: ‘Wij kunnen in het Rijk van God niet komen, tenzij wij vannieuws geboren worden.’

Onze eerste geboorte deugt niet. Wij en onze kinderen zijn in zonden ontvangen en geboren. Bij de doopvragen wordt u daaraan herinnerd. Als u volwassen gedoopt bent, hebt u ‘ja’ gezegd op de vraag of gij niet belijdt dat u in zonden ontvangen en geboren bent en daarom een kind des toorns bent van nature. Daar hebt u ‘ja’ op gezegd.

En als u uw kind hebt laten dopen, hebt u het voor uw kind gezegd, een eed afgelegd dat het waar is: wij en onze kinderen zijn zo bedorven en aangetast door het kwaad van de zonden, dat wij opnieuw geboren moeten worden, uit water en geest; het doopwater en de kracht van de Heilige Geest.

Dat geldt niet alleen onze kinderen, maar dat geldt ook onszelf. Wij moeten gewassen worden. Maar nu zegt de Doop: ‘Dat kan!’ We kunnen gewassen worden. Wat is er een ruimte in het bloed van Christus! Het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde. Het Lam Gods droeg de zonde van de wereld weg.

 

Heeft het nooit uw hart verbroken, dat in Hem alles vastligt en dat Hij het verworven heeft en dat Hij ons met name genoemd heeft in de Heilige Doop? Het gaat in de Doop over het lijden van Christus; daar wijst het doopwater op.

U en ik zo slecht, zo vuil, zo zondig en zo verloren en Christus zo rein en zo heilig!

De Doop is een teken van de hartelijke liefde en trouw van Christus jegens zondaren.

 

We gaan naar de derde gedachte.

 

3. Het water van de Doop is ook bestemd voor onze kinderen

 

Het doopwater is een pand, een waarteken. Het wijst naar de zaak waarom het gaat. Die ontvangen we door het geloof.

 

En nu: het water van de Doop is ook bestemd voor onze kinderen. Tot hiertoe heeft de Catechismus gehandeld over de Volwassendoop.

Nu pas gaat de Catechismus over op de Kinderdoop.

Vraag 74:

Zal men ook de jonge kinderen dopen?

Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken van Gods verbond, de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

 

Er ligt een voelbare spanning in deze vraag van de Catechismus. Zal men ook jonge kinderen dopen?

U moet weten dat in de tijd dat de Catechismus werd opgesteld de Kinderdoop fel bestreden werd. En dan denken we aan de Wederdopers. Zij redeneren als volgt: de Bijbel zegt: ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.’ Kleine kinderen kunnen niet geloven, dus mogen zij niet gedoopt worden. Daarom staan de kleine kinderen buiten de gemeente.

Dat verzet tegen de Kinderdoop is er vandaag nog. Het is hoogst actueel. In pinkstergemeenten, evangelische kringen, baptistengemeenten en de Vergadering van Gelovigen kom je nog steeds het doperse standpunt tegen: eerst geloof en dan de Doop. Er zijn zelfs mensen die zich laten overdopen. Daarmee verloochenen ze dus met de daad de Doop die ze als kind ontvangen hebben. Zelfs binnen reformatorische kerken zijn er die het moeilijk hebben met de Kinderdoop, ook onder jongeren.

 

Men komt met verschillende argumenten.

Ze zeggen: ‘Ja maar, je moet toch een kind vrijlaten? Je kunt dat een kind toch niet opdringen? Als ze later kiezen voor de dienst van God, dan laten ze zich maar dopen.’ Als u ze zo vrij opvoedt en dan afwacht voor wie ze later kiezen, wat zal dan hun keus zijn?

 

Een tweede argument is dit: ‘Maar een Volwassendoop maak je bewust mee.’ Dat is waar. Maar dan zeg ik altijd tegen onze jonge mensen als ze belijdenis doen: ‘Jongens, dat maken jullie ook bewust mee.’ Gemeente, Volwassendoop is hetzelfde als Kinderdoop plus het afleggen van belijdenis des geloofs. Even zwaar. ’Als je belijdenis doet, neem je je Doop over,’ zeggen we wel eens. Dan ben je er toch heel bewust bij betrokken? Dan belijd je de Heere toch als de Eerste? Je zegt: ‘Ja, Heere, U wil ik dienen!’ Dat is duidelijk je eigen keus. Daarom is het ook jammer en erg als je er nooit toe komt, om je Doop over te nemen in het doen van belijdenis.

 

Een derde argument van mensen die voorstander zijn van de Volwassendoop is: ‘De Kinderdoop komt in de Bijbel niet voor. De Schrift biedt geen grond voor de Kinderdoop.’

Dat lijkt een sterk argument. Want het is waar, een letterlijk voorschrift in de Bijbel om kleine kinderen te dopen zoeken wij tevergeefs. Alleen stel ik daar wel de vraag tegenover: ‘Was dat dan wel nodig?’

 

Een kind kan begrijpen dat de apostelen in het Nieuwe Testament, toen zij op het zendingsveld kwamen, niet begonnen om daar kinderen te dopen. Toen hebben ze natuurlijk volwassenen gedoopt die tot het geloof kwamen, na het horen van het Evangelie. Denk maar aan de kamerling, Lydia en de stokbewaarder. Het boek van de Handelingen der Apostelen is bij uitnemendheid het zendingsboek dat ons vertelt over al die gebeurtenissen op het zendingsveld, in de heidenwereld.

 

De apostelen zijn begonnen om Gods Woord te prediken en te onderwijzen en op te roepen tot bekering en geloof. En degenen die door Gods genade mochten geloven en de leer van Christus aannamen, werden gedoopt. Het spreekt dus vanzelf dat deze bekeerde heidenen op volwassen leeftijd gedoopt werden, nadat ze hun geloof beleden hadden.

Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Natuurlijk! Maar dat staat in het kader van het zendingsbevel. Toch lezen wij meermalen dat hele gezinnen werden gedoopt. ‘Hij en zijn huis’, ‘zij en haar huis’. Er staat een woordje dat betekent: man, vrouw, slaven, kinderen. Lydia met haar huis; de stokbewaarder in Filippi werd gedoopt met al de zijnen; Paulus heeft ook het huisgezin van Stefanus gedoopt.

 

Het gaat in de Doop niet in de eerste plaats om de daad van de mens. Wij worden gedoopt. Wij ondergaan die handeling. De Heere legt Zijn hand op ons leven.

Jongens en meisjes, nog voor wij van onze vader en moeder kunnen leren wie de Heere is, is God al tot ons gekomen. Niet mijn beslissing wordt bevestigd, maar de belofte van het Evangelie. Dat komt in de Kinderdoop heel sterk tot uiting.

Bij de Volwassendoop moet je wedergeboren zijn en geloven. Dat is waar. Dat is terecht. Bij de Kinderdoop steekt God als eerste Zijn hand naar je uit.

Wie de Kinderdoop belijdt, is vaak heel erg doordrongen van het eenzijdig karakter van Gods genadewerk. Dat Hij naar ons vraagt, dat Hij de Eerste is, dat Hij gevonden wordt van degene die naar Hem niet zochten. Maar Hij kwam en toen werkte Hij en toen begonnen ze Hem te zoeken.

 

U voelt wel het verschil met de aanhangers van de Volwassendoop. Wij zijn ook voor de Volwassendoop, maar uitsluitend in de zending en evangelisatie, als mensen volwassen zijn en nog niet gedoopt zijn.

Maar binnen de gemeente, binnen het verbond, is het anders. Bij de Volwassendoop ligt heel vaak de nadruk op de beslissing van de mens. Maar dat is eenzijdig. Gods beloften zijn niet afhankelijk van ons geloofsleven. Integendeel! Wij zijn in ons geloven afhankelijk van Gods beloven, van wat de Heere belooft in Zijn Woord. Hoe zou ons zwakke geloof anders versterkt kunnen worden door het sacrament? Nee, de Kinderdoop heeft een veel hechter fundament.

 

Waar begint vraag en antwoord 74 mee? Met het verbond van God.

Hoewel onze kinderen in het verbond van God en Zijn gemeente begrepen zijn…

Dus jullie horen er helemaal bij, jongens en meisjes! Je bent van de gemeente. In het verbond, staat er. Houd die formulering vast: het verbond van God.

Er is maar één genadeverbond, weliswaar met twee bedelingen: de oude en de nieuwe bedeling. Maar het gaat om één verbond. Het verbond dat God met Abraham, Zijn vriend, gesloten heeft, is geen ander verbond dan met de discipelen.

Beide bedelingen, het Oude Testament en het Nieuwe Testament, hadden hun eigen zegel. In het Oude Verbond de besnijdenis en in het Nieuwe Verbond de Doop.

Onze kinderen, zegt de Catechismus de Bijbel na, zijn in het verbond van God en Zijn gemeente begrepen. God heeft met de gevallen mensen een verbond opgericht. Het ging van Hem uit.

In dat verbond, gemeente, komt God met Zijn beloften en Zijn eisen. Die beloften gaan voorop, de beloften van genade, de vaderlijke gunst van God, vergeving van zonden, eeuwig leven.

En die eisen vloeien hieruit voort:

Omdat Ik zo ben, omdat Ik dit beloof, omdat Ik dit schenk. Geloof het! Wees gehoorzaam, willig het verbond in, aanvaard het, Leef voor Mij, praktiseer die nieuwe gehoorzaamheid!

 

De beloften van het genadeverbond gelden de hele gemeente, volwassenen en kinderen. De Catechismus zegt: de kinderen worden met hun ouders mee inbegrepen, die zijn mee inbegrepen in het verbond. Dat was onder Israël al zo. En in het Nieuwe Testament, in de brief aan Efeze, spreekt Paulus niet alleen mannen en vrouwen aan, maar ook de kinderen. En hij noemt de kinderen heilig. Het gezin, in 1 Korinthe 7, waarvan de man ongelovig is en de vrouw christin, telt voor God als een christelijk gezin. Die kinderen zijn heilig krachtens geboorte, zegt Paulus.

 

Door geboorte word ik een Nederlands staatsburger. Zo zijn de kinderen van ouders die bij het verbond van God horen, door geboorte lidmaten van Christus’ gemeente, erfgenamen van het rijk van God en van Zijn verbond. In de eerste doopvraag zeggen de ouders daar ‘ja’ op.

Als u uw kind hebt laten dopen, hebt u ‘ja’ gezegd op de vraag:

Of gij niet bekent dat uw kinderen in Christus geheiligd zijn (van de wereld afgezonderd, toegewijd aan de dienst God en bestemd voor de dienst van God) en dat ze daarom, omdat dat zo is, als lidmaten van Christus en van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen?

En omdat ze behoren bij het verbond, is aan hen de belofte van vergeving door het bloed van Christus en het geloof, dat de Heilige Geest werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd.

 

Voor we daar nog een paar dingen over zeggen, gaan we eerst zingen over dat verbond van God, uit Psalm 105 vers 5 en 6:

 

God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Zijn woord wordt altoos trouw volbracht

Tot in het duizendste geslacht.

’t Verbond met Abraham, Zijn vrind,

Bevestigt Hij van kind tot kind.

 

Al wat Hij Izak heeft gezworen,

Heeft Hij ook aan Zijn uitverkoren’,

Aan Jakob tot een wet gesteld,

Van al ’t beloofde heil verzeld;

En aan gans Isrel toegezeid

Tot Zijn verbond in eeuwigheid.

 

Gemeente, als we deze verzen zingen over de trouw van God aan Zijn verbond, van geslacht tot geslacht, tot in de late nageslachten, voelen we toch dat dit ontzaglijk genadig en goedertieren is van God? Zolang de zon aan de hemel staat zal God doorgaan, zegt David in Psalm 72.

 

‘Ja’, zegt u, ‘dat kun je nu wel zeggen. Wij weten dat, maar onze kleine kinderen ondergaan de Doop toch onbewust? Ze begrijpen toch nog niets van de belofte van God die hen is toegezegd?’ Inderdaad, daar hebt u gelijk in. Maar weet u wat u dan ook moet zeggen? Wat het formulier zegt: Ze zijn ook, onbewust, zonder hun weten, aan de verdoemenis in Adam deelachtig. Dus om aan de verdoemenis deel te hebben hoef je niet volwassen te zijn. Dat is de ontzaglijke erfenis die wij aan onze kinderen achterlaten.

Dat is de erfzonde. Geen reine uit een onreine. Dat is de erfenis van Adam. Ze krijgen van ons mee dat ze liggen onder het oordeel van God. Ouders. Beseffen we dat?

Als we daarvan doordrongen zijn zullen we er toch alles aan doen om onze kinderen te wijzen op die andere erfenis die Christus beloofd heeft? Namelijk dat ze in Christus - ik gebruik nu de formulering van het doopformulier - tot genade aangenomen worden. Dat ze erfgenamen van Gods verbond en van Zijn Rijk zijn en dat ze ook in Christus geheiligd zijn. ‘Mijn kind, jij bent ervoor bestemd om God te dienen en te eren.’

 

Dat is niet de keus van onze kinderen, maar de keus van God. Als onze kinderen de Heilige Doop ontvangen, zet God daar Zijn zegel op. Hij merkt Zijn verbondskinderen met het teken en zegel, het merkteken van Christus, het zegel van de Heilige Doop. Dat is een eigendomsmerk.

‘Je bent van Mij. Je bent lid van Mijn gemeente. Je bent bestemd voor Mijn dienst.’

 

Wil dat dan zeggen dat ze daardoor wederom geboren en gelovig zijn? Nee, je moet de Doop niet overschatten. Maar er staat wel dat hen de verlossing van de zonden en het geloof, dat de Heilige Geest werkt, niet minder dan de volwassenen is toegezegd in de Doop. Dat de Heilige Geest in hen wil komen wonen om de toepassing te schenken. De Heilige Geest is zeer gewillig.

 

Maar de vraag is, gemeente: ‘Bent u dat, en jij?’ De Heilige Geest wil het. Dat is gezegd toen we gedoopt zijn. Daar hebt u allemaal ‘ja’ op gezegd. Maar willen wíj het?

Wees eens heel eerlijk! Je kunt de Heilige Geest tegenstaan en uitblussen. Stefanus zegt: ‘Gij wederstaat altijd de Heilige Geest.’ Je kunt de zonden aanhouden, de wereld dienen, de wereld belangrijker vinden dan de dienst van God.

Kijk eens waar jij je vrije tijd het meest aan besteedt. Is dat op je knieën, met de Bijbel voor je? Of is dat in sport en spel, commercie en geld en noem maar op? Kijk, dan komt het uit wat het belangrijkste voor ons is in ons leven. Daarmee staan we de Heilige Geest tegen. En daarom werkt de Heilige Geest niet.

Waar is de nieuwe gehoorzaamheid in ons leven? Wat doen wij met die toezegging van de Heere? God komt tot ons met Zijn eisen en Zijn beloften. En bij die beloften hoort het gebed om de vervulling. Dat is niet automatisch. Bij die eisen hoort het gebed om de volbrenging, om de gehoorzaamheid.

 

Misschien denkt een jongen of een meisje: ‘Ja, maar ik heb er toch niet om gevraagd om gedoopt te worden?’ Ja, dat is waar. God heeft het zo beschikt. Wat is God goed, hè? Daarmee heeft Hij Zijn hand op je leven gelegd en je laten geboren worden in een gezin waar de Heere gediend wordt, waar je naar de kerk gaat, waar je onderwijs van vader en moeder ontvangen mag.

God koos voor jou, toen jij nog niet eens voor God kon kiezen. Toen je nog van niets wist. Hij was de Eerste. Je hebt eigenlijk niet meer te kiezen. Ja, toch wel, als je belijdenis doet.

Bij de Doop zegt God:

‘Je bent van Mij en voor Mij.’

Als je belijdenis doet, geef je daar het antwoord op en dan zeg je:

‘Ja, Heere! Alstublieft, mag dat, Heere?’

Een gebed om genade.

‘Ja, Heere, ik zou van U willen zijn, bij U, bij Uw gemeente willen horen en U dienen.’

 

Gemeente, al heb je twintig jaar geleden belijdenis gedaan, dan mag je het ieder jaar opnieuw doen, het verbond met God vernieuwen, zoals Jozua met Israël in Jozua 24 het verbond vernieuwde.

Wees er toch dankbaar voor, als je geboren bent op het erf van Gods verbond! Je bent niet beter dan al die miljoenen die geen deel hebben aan Gods beloften. De Heere maakte onderscheid.

 

Daar wil ik mee eindigen. Er staat in dat antwoord dat God onderscheid maakt. Er staat:

door de Doop worden onze kinderen van de kinderen der ongelovigen onderscheiden.

Dus de Doop is ook een onderscheidingsteken. Je bent apart gezet door God, voor Zijn dienst. Je hoort niet bij de wereld. Je hoort bij de gemeente. De wereld heeft geen recht op je.

Is het zichtbaar, jongens en meisjes, dat je God liefhebt? Misschien zeg je net als Obadja: ‘Ik, uw knecht, nu vrees den Heere van mijn jonkheid af.’

O, het is zo heerlijk om God te vrezen! Dan kom je niet meer op plaatsen waar God wordt veracht en wordt vervloekt en waar wordt gespeeld en gespot.

 

Het zal wat zijn, om moedwillig de verbondszegen af te wijzen en de verbondswraak van God over je leven uit te roepen! O, zeg toch niet: ‘Ik doe wat ik wil. Ik ben de baas.’ Maar zeg toch: ‘Heere, mijn wil is zo verdorven. Ik ben zo slecht, maar wat wilt Gij dat ik doen zal? Want Uw wil is alleen maar goed.’ Denk aan je Doop en aan de God van je Doop.

Laat de Heere niet los met Jakob in de worsteling van het gebed, totdat Hij ook jou de vervulling geeft van Zijn belofte.

 

Vraag maar, gemeente, om geloof en bekering en vergeving van zonde en om vernieuwing van je leven en om Zijn gunst en gemeenschap.

Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.

 

Ouders, vergeet niet wat u gezworen hebt, hier voorin de kerk, toen u uw kleine ten Doop hield. U hebt beloofd uw kinderen mee te nemen naar de kerk, ze in Gods verbond en woorden op te voeden, te onderwijzen, te doen onderwijzen en te helpen onderwijzen. U laat ze toch niet opgroeien alsof ze tot de wereld behoren?

Weet u waar de kerkverlating begint? Zij begint daar waar kinderen zien dat het geloof voor hun ouders niets betekent. Dat ze wel mooie woorden hebben, maar in hun leven klopt het niet. Ze leven gewoon voor de wereld. Daar begint bij de kinderen de kerkverlating.

O, laat ze van jongsaf merken wat u het meest na aan het hart ligt en dat het u ernst is om ook in de praktijk van het dagelijks leven naar het Woord van God te willen leven. ‘Aangaande mij en mijn huis, wij zullen de Heere dienen!’

 

Wat een troost is de belofte van het genadeverbond ook voor ouders die een kindje moesten missen, voor de geboorte of vlak na de geboorte. De Kerk belijdt op grond van Gods Woord dat de kinderen van de gelovigen heilig zijn. Niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, waarin ze met hun ouders begrepen zijn. Daarom hoeven ouders niet te twijfelen aan het lot van hun jonggestorven kind. Ze mogen geloven dat ze op grond van Jezus’ bloed, de Verbondsmiddelaar, voor eeuwig bij de Heere zijn. Niet als een vanzelfsprekende zaak, maar als een wonder van genade.

 

Het is ook een troostrijke gedachte voor ouders van wie de kinderen zich niet normaal kunnen ontwikkelen, omdat ze gehandicapt zijn, omdat ze misschien een verstandelijke beperking hebben. De Bijbel zegt: Het geloof, de vreze des Heeren, is een weg waarop de verstandeloze niet dwaalt.

 

Er zijn ook ouders in ons midden die veel verdriet en zorgen hebben over hun kinderen, omdat ze de wereld zijn ingegaan. Geen bitterder verdriet in het hart van een vader en van een moeder. Maar niemand kan de pleitgrond in de Doop van uw kinderen wegnemen. Al denken ze er zelf niet meer aan en al leven ze ver van God, dan mag u met Monica, de moeder van Augustinus, bidden tot God.

Ambrosius zei het toen zo: ‘Een kind van zulke gebeden, zulke geloofsgebeden, kan niet verloren gaan!’

 

De Heere doet nog wonderen, om Zijns Naams wil, om Zijns verbonds wil.

 

Amen.