Ds. H. Paul - Johannes 10 : 27 - 28

De goede Herder en Zijn schapen

Deze schapen zijn Zijn eigendom
Deze schapen dragen daarvan het kenmerk
Deze schapen delen in Zijn zegeningen

Johannes 10 : 27 - 28

Johannes 10
27
Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij.
28
En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 85: 3
Lezen : Johannes 10: 1 - 29
Zingen : Psalm 23: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 144: 2
Zingen : Psalm 66: 5
Zingen : Psalm 31: 17

Gemeente, de tekst voor de prediking vindt u in het gedeelte van het Woord van God, u voorgelezen, uit Johannes 10, de verzen 27 en 28.

 

Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij; En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.

 

Onze tekst spreekt ons van de goede Herder en Zijn schapen.

Deze schapen zijn Zijn eigendom: Míjn schapen.

In de tweede plaats dragen zij daarvan het kenmerk: Zij horen Mijn stem en zij volgen Mij.

Zij delen, in de derde plaats, in Zijn zegeningen: En Ik geef hun het eeuwige leven, en wat er verder volgt.

 

Dus onze tekst spreekt ons van de goede Herder en Zijn schapen.

1. Deze schapen zijn Zijn eigendom;

2. Deze schapen dragen daarvan het kenmerk;

3. Deze schapen delen in Zijn zegeningen.

 

1. Deze schapen zijn Zijn eigendom

 

Onze tekst is uit het onderwijs dat de Heere Jezus aan de schare gegeven heeft. Dit naar aanleiding van de genezing van de blindgeborene, waar we in het vorige hoofdstuk van lezen. Hij kreeg geopende ogen naar het lichaam, maar ook zijn zielsogen werden geopend, waardoor hij de Heere Jezus leerde kennen, Die hij heeft aanbeden.

In onze tekst wandelt de Heere Jezus in de hof van Salomo. Dat wil zeggen: die was aangebouwd aan de tempel, waar men dus ook in de wintertijd, de regentijd, droog kon blijven. Daar gaf Hij onderwijs aan de farizeeën en ook onderwijs aan de schare. Er was een grote schare bijeen. Het was namelijk het feest van de vernieuwing van de tempel.

U zult zeggen: Wat is dat voor een feest, daar léés ik niet van in de Bijbel? Dat was een feest dat later was ingesteld, na de profeet Maleachi, in de tijd tussen het Oude en Nieuwe Testament. Judas de Makkabeeër heeft, 165 jaar voor Christus, de tempel gereinigd. In die tijd was het de koning van Syrië die de heerschappij over Israël uitoefende. Hij heeft het volk van Israël getart. Hij plaatste een altaar in de voorhof en daar offerde hij varkens op. Varkens, onreine dieren, werden dus geofferd in de voorhof van de tempel.

Toen sloeg de vlam in de pan. Dat was teveel voor de Joden. De priester Matthatias met zijn zonen stond op en zij hebben de strijd aangebonden tegen de Syriërs, tegen koning Antiochus Epiphanes en ze hebben hem verslagen. En het eerste wat ze deden, was de tempel reinigen van die afgod, van die verschrikkelijke manier waarop deze koning de offeranden bracht.

Dat feest werd ieder jaar herhaald. Ook in onze tijd wordt dit feest gevierd door orthodoxe Joden, het Chanoekafeest. Dat is het feest van de lichten. Chanoeka is licht. Dan gebruikt men een achtarmige kandelaar. Iedere dag wordt er een nieuw lampje aangestoken, zodat na acht dagen de kandelaar volledig licht draagt.

 

Welnu, bij die gelegenheid waren er veel mensen in de voorhof van Salomo. En daar heeft de Heere Jezus onderwijs gegeven. Het was winter, maar niet alleen in de natuur. Het was ook winter in de harten van hen die Hem hoorden, van de farizeeën. Zij weigerden in Hem te geloven. Ze hoorden Zijn stem wel, maar aanvaardden de woorden niet. De Heere Jezus zegt in vers 26: Maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.

Jezus zegt dus: Gij zijt niet van Mijn schapen. Ze wílden er ook niet toe behoren. Het was hun verlangen niet om een schaap van de Heere Jezus te worden. Ze hielden zich staande tegenover de Heere Jezus en wilden Hem niet volgen. Want het volgen van de Heere Jezus is een kenmerk van de schapen. Nu heeft de Heere Jezus Zich nooit op een directe wijze bekendgemaakt als Messias, maar toch, uit Zijn wóórden konden ze wel opmaken dat de Schriften in Hem vervuld waren.

Bovendien, de wonderen die Hij deed, getuigden er bijzonder van dat Hij de Messias was, de Zoon van God, door de Vader in deze wereld gezonden. Maar zij weigerden dit te erkennen. Ze zeiden: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit (vers 24). Dus tegen beter weten in geloofden zij Zijn woorden niet, en heeft de Heere Zich dus niet bekendgemaakt zoals aan de Samaritaanse vrouw: Ik ben het, Die met u spreek (Joh. 4:26). Tegen de Samaritaanse vrouw zegt Hij ook dat Hij de Messias is. De farizeeën hadden het wel kúnnen weten, maar ze weigerden.

 

Nu houdt de Heere Jezus hen vóór wie de schapen zijn van Zijn kudde. Jullie zijn het niét. Want je wilt niet naar Mij luisteren. Je wilt Mij niet volgen. Wie zijn het dan wél die Hem volgen? Wel, dan leert Hij wie de schapen zijn, hoe Hij voor hen zorgt, hoe Hij hen leidt, hoe Hij hen bewaart. Hij maakt hun duidelijk dat Hij de Naam van Herder verdient. Hij is de Eigenaar van die schapen, de Eigenaar-Herder. Hij is geen huurling, die geen hart heeft voor de schapen. Maar ze zijn Zijn eigendom en Hij heeft hen lief. Hij kocht hen met de prijs van Zijn bloed. Aan Hem zijn ze van de Vader gegeven. Dan besteedt Hij ook de teerste zorg aan deze schapen. Hij heeft er een nauwlettend oog voor. Die zorg komt iedere dag terug. Die zorg hebben de schapen zo nodig, die zorg, die leiding, die bewaring. Want schapen zijn uiterlijk wel vreedzaam en volgzaam, maar ze zijn vaak dwaalziek en weerspannig. Dat eist veel geduld en oplettendheid van deze Herder, want Hij houdt ze nauwkeurig in de gaten. Hij heeft ook eindeloos geduld met deze schapen.

 

Het was ook niet zonder gevaar als je herder was in die tijd en in die omstandigheden. Denk aan David. Jongens en meisjes, jullie weten wel dat David eens met een leeuw gevochten heeft, en met een beer, van die grote roofdieren. Die kwamen op de schapen af. Maar hij heeft ze overwonnen. Hij heeft ze verslagen. Soms moet er een schaap uit een ravijn gehaald worden. Wat een wonder dat Jezus die schapen als loon op Zijn arbeid wilde hebben.

Want Hij zegt: Het zijn Míjn schapen. Ik heb ze verdiend. Ik heb ze van de Vader gekregen. In Johannes 17 lezen we: Zij waren Uwe en Gij hebt Mij dezelve gegeven (vers 6). De Vader gaf ze aan Hem als loon op Zijn arbeid, die Hij volbracht als Borg en Zaligmaker. Daar heeft Hij Zich in de eeuwigheid al toe gegeven, toen de vraag klonk: Want wie is hij, die met zijn hart borg worde, om tot Mij te genaken? (Jer. 30:21)

Toen heeft de Heere Jezus, de Tweede Persoon in het Goddelijke Wezen, Zich daartoe beschikbaar gesteld. En de Vader heeft dat loon Hem in het vooruitzicht gesteld. Hij zal het ontvangen, dwars door alles heen.

 

Het is dus enkel genade die de boventoon voert. Hij heeft een volmaakte gerechtigheid aangebracht, toen Hij als Herder van de schapen Zijn Middelaarswerk volbracht heeft. Die gerechtigheid is hun toegerekend in de weg van bekering en geloof. Het geloof leert die genade steeds nodig te hebben, maar leert ook die genade te ontvangen met de lege hand van het geloof, die het ook mág ontvangen en aannemen door de kracht van de Heilige Geest.

Door het geloof wordt verstaan dat de Heere ons rechtvaardig zou kunnen voorbijgaan, dat Hij ons liet liggen waar we door eigen schuld gekomen zijn. Door het ontdekkende licht van de Heilige Geest leren schapen zichzelf kennen, maar ze leren ook genade nodig te krijgen. Dan worden ze uitgedreven tot de Heere in het gebed: O God, wees mij zondaar genadig (Luk. 18:13).

Dan is er gelijktijdig liefde tot de Heere. In erkenning van schuld en van zonde, is er toch een trekkende kracht van de Heilige Geest, die hen aan de voeten van de Heere brengt.

 

Dat is het wonder, dat de Heere hen liéfgehad heeft; dat ze Hém liefkrijgen, omdat Hij hen éérst heeft liefgehad. Dan leren ze Zijn vrijmacht aanbidden. En ondanks de influisteringen van de boze en de weerstand van hun vlees mogen ze tot Hem de toevlucht nemen. Hij legt de hand op hen en zegt: Mijn schapen. Die zijn van Hém, daar mag niemand aankomen.

Was het dan zo dat ze aantrekkelijk waren toen ze nog buiten die kudde waren? Kocht Hij hen dáárom, vanwege voorgezien geloof en goede werken, zoals Arminius zegt? Nee, Hij wínt hen in om Hem te zoeken en naar Hem te vragen. Want in deze weg wordt de rechtvaardigheid van God verheerlijkt, dat de Heere hun genade schenkt op grond van recht. Aan al Gods deugden is voldaan. Daarom heeft Hij het recht om te vragen: Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld (Joh. 17:24).

Die gegevenen eist Hij op, die brengt Hij toe. Daardoor wordt de eer van God op het hoogst verheerlijkt en Zijn deugden erin opgeluisterd.

 

Hij zegt: Ik heb U verheerlijkt op de aarde (Joh. 17:4). Zijn liefde straalt uit in het raadsplan van de verlossing. Wat heeft ook de Vader de Zijnen liefgehad. Hij heeft hen gegeven, en daarin wordt Zijn Naam verhoogd. De Heere Jezus heeft volmaakt volbracht wat ervoor nodig was. Zijn wijsheid, Zijn genade en Zijn bewogenheid met het verlorene worden bewonderd. Hij heeft hen liefgehad tot het einde. Daartoe heeft Hij de gang gemaakt naar Gethsémané en ook naar Golgotha. Niets heeft Hem kunnen weerhouden, ondanks het gedrag van de schapen.

Denk er aan dat de discipelen sliepen toen Hij worstelde aan de troon der genade. Petrus heeft Hem verloochend en met een eed gezworen dat hij Hem niet kende. Het heeft Hem niet weerhouden om hen toch te eigenen als Zijn schapen. Hij bídt zelfs voor hen dat hun geloof niet ophoude. Daarom zal de wetenschap dat Hij ons in genade wil gedenken en voor Zijn wil rekening nemen, tot aanbidding brengen. En dat voor zó een! Want met de kennis van Hem hangt ook gelijktijdig samen de zelfkennis; en dan wordt het wonder steeds groter. Hij moet wassen en ik moet minder worden.

 

De vraag is, gemeente, en ook voor jullie, jongens en meisjes: Hoe worden we nu een schaap van deze kudde? Moet ik dan tegen jullie zeggen: Kinderen, jullie zijn allemaal schaapjes van Jezus? Moet ik dát zeggen? Nee, dat mogen we niet zomaar zeggen. Wel dat je het kunt wórden! Dat je ertoe opgeroepen wordt om dat bij de voortduur te zoeken en van de Heere te vragen. Dan staat de deur van de genade wijd open. Maar niet zonder meer. Niet zonder bekering, niet zonder geloof.

We worden geen schaap door tot de gemeente te behoren, doordat we het teken van de doop aan ons voorhoofd dragen. Daardoor is er wel een oproep om dat doel te zoeken, maar het betekent niet automatisch dat je dan een kind van God bent.

Jonge mensen, misschien ontmoet je tijdens je studie medestudenten die wel een soort automatisme voorstaan. Dan hoor je: Ja, wij zijn gedoopt, dus alles is goed. Wij zijn kinderen van de Heere. Probeer maar uit te leggen dat je daar grote moeite mee hebt, want dat mag je niet zomaar zeggen. Je mag de doop, hoe belangrijk die ook is en hoeveel de Heere daarin ook zegt, niet zonder meer als een bewijsgrond aanvoeren dat je een schaap of lammetje bent van Zijn kudde.

Het is Gods vrije genade. Hij laat de verkondiging van het Woord tot ons komen. En wat hebben we daarmee gedaan? Dat roept ons op tot bekering. Dat geeft als het goed is ons vrijmoedigheid om die bekering van Hem te vragen. Dan zien we ook van onszelf dat we daarbuiten staan, dat we op dwaalwegen gaan zoals die van de eigengerechtigheid, de boosheid en de zondigheid. Maar de Heere leert bij Hém om genade te vragen. Al ken je dan de goede Herder nog niet persoonlijk, er is toch de heilige drang van de Heilige Geest, die ons doet zoeken Hem te behagen om genade bij Hem te zoeken, opdat we die mogen vinden.

Het is een belangrijk feit dat de Heere juist de verkondiging van het Woord, ook nu, wil gebruiken om u en jou tot schaap van Zijn kudde te maken. Hij heeft beloofd: Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen hetgeen dat Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend (Jes. 55:1).

Als dat Woord opengaat en u zichzelf leert zien in de spiegel van Gods Woord en wet; als u uzelf verfoeit vanwege uw zonden, uzelf aanklaagt, dan ontstaat er een droefheid naar God die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Dan krijgt u een afkeer van de zonde en een verlangen om ook een schaap, om een lammetje van die kudde te zijn. Dat is wat eeuwigheidswaarde heeft, en wat al het andere op deze wereld ver te boven gaat.

 

Zo zegt de Heere dus: Dit zijn Míjn schapen. Er staat: Ik ken dezelve. Dat is ook een wonder. Hij kent Zijn schapen. Hij heeft hen lief. Hij heeft er alles voor over gehad. Hij is de goede Herder Die tot hen spreekt. En Hij kent dezelve, als de enige Herder. Wat bevatten deze woorden een rijke schat, Ik ken dezelve, of Ik ken hen. Ik ken hen en Ik heb hen lief en Ik zorg voor hen. Hij heeft persoonlijk kennis aan hen.

Hij heeft Zich in het Woord bekendgemaakt. Want Hij heeft hen niet gezocht omdat Hij een goede verwachting van hen had. Het was niet omdat Hij van hen vond dat zij het zich waard gemaakt hebben. Hij kent hen in hun weerspannigheid en in hun neiging tot afdwalen. Hij kent hen in hun zwakheden en weet welke behandeling ze nodig hebben. Hij vond hen zoals ze zijn, als kind van Adam, godsdienstig, vroom misschien of goddeloos, die zich met het Woord niet zo bezig hielden.

Maar als Hij spreekt, is er een ontmoeting; dan vindt er een ontmoeting plaats met de Heere. Dan voel je: door dat Woord spreekt de Heere. Dan zegt Hij wie ik ben, maar dan zegt Hij ook op Zijn tijd wat bij Hem te vinden is. Dan ervaren ze dat Hij zulken die Hij bedroefd gemaakt heeft naar God over hun zonden, gelijktijdig nodigt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22).

 

Zo kende hij Zacheüs in de boom en riep hem eruit. Zo kende Hij Nathanaël onder de vijgenboom. Zo kent Hij ze, zoals Hij ze vindt. Maar Hij laat ze niet zo. Dat heeft gevolgen, dat brengt verandering. Hij kent hen in liefde en er ontstaat ook wederliefde in hun hart, waardoor ze Hem ook niet meer kunnen missen. Het feit dat ze van zichzelf nog buiten de kudde leven, wordt voor hen ondragelijk. Wat een rijke God als Hij dan met de belofte van het Evangelie tot hen zegt: O, alle gij dorstigen, kom tot de wateren (Jes. 55:1). Er is bij Mij zaligheid.

We lezen in Jesaja 43: Alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne. Dan kent Hij hun noden en behoeften, hun zonden en hun zwakheden. En dat om die weg te nemen en hen daarvan te reinigen.

 

De vraag is: Hoe weet ik nu dat ik een schaap ben van die kudde? Hoe weet ik dat nu? Wel, Hij zegt in vers 14: Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen en wordt van de Mijnen gekend. Er is dus wederkerige werking dat Hij ze kent en trekt. Dat heeft een uitwerking in hen. Dan leren ze Hem kennen, althans zoeken, totdat ze Hem gevonden hebben.

Want gemeente, Hij heeft hen niet gekocht vanwege hun kwaliteiten. En dan zegt Hij: Ik ken u. Dat wordt alleen maar een wonder. Want daaruit blijkt een tegenstelling. Als Hij tot ons moet zeggen: Ik ken u niet, ga weg van Mij, dan is dat rechtvaardig. Maar genade is: Ik ken u bij name.

Denk aan Ruth. Als Ruth op de akker van Boaz is, zegt ze tegen Boaz: Waarom heb ik genade gevonden in uw ogen, dat gij mij kent, daar ik een vreemde ben? (Ruth 2:10). Het is geen onbetekenende zaak dat men zich verwondert over het feit dat de Heere ons kent, dat Hij ons dit doet ondervinden. Dat er ontmoeting mag plaatsvinden, dat onze naam genoemd wordt. Dat we weten: Dit geldt ook mij. Waar dat doorleefd wordt, gemeente, daar wordt ook verstaan wat we nu eerst zingen uit Psalm 144, en daarvan het tweede vers.

 

Wat is de mens? Wat is in hem te prijzen?

Dat Gij, o Heer’, hem gunsten wilt bewijzen;

Dat Gij hem kent? Wat is des mensen kind,

Dat Gij het acht, en zo getrouw bemint?

Hij mag den naam van ijdelheid wel dragen;

Zijn tijd is kort, en al zijn levensdagen,

Hoe groot, hoe sterk hij op deez’ aarde zij,

Gaan snel, gelijk een schaduwe, voorbij.

 

2. Deze schapen dragen daarvan het kenmerk

 

In de tweede plaats zien we dat deze schapen kenmerken dragen, eigenschappen hebben. Want Hij zegt in onze tekst, vers 27: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. Hier worden dus twee kenmerken genoemd, namelijk: zij horen Mijn stem en zij volgen Mij. In het eerste gedeelte van het hoofdstuk dat u is voorgelezen, lezen we dat de schapen Zijn stem horen. Hij roept ze bij name, en Hij leidt ze uit en zij volgen Hem omdat ze Zijn stem kennen.

 

We stonden jaren geleden in Jericho bij de Elisabron, waar Elisa het water gezond gemaakt heeft. En dat water stroomde verder in een beekje. We zagen daar drie kudden aankomen. Drie verschíllende kudden, met drie herders met schapen, ongeveer twintig à dertig in getal, en die schapen gingen allemaal drinken. Het was één massa, allemaal door elkaar en ze dronken van het water. Toen ze gedronken hadden, gingen de herders staan. De een stond hier en de andere twee stonden op een andere plek. Zij riepen hun schapen. En al die schapen gingen naar hun eigen herder. Ze kenden zijn stem. Daar gaven ze gehoor aan. Het waren dus weer drie kudden die verder trokken, alleen door het feit dat de drie herders ze riepen. Ze kenden de stem van hun eigen herder. Elk mens heeft een eigen stem. Al die stemmen zijn verschillend.

Je kan soms iemand niet zien, en toch horen en weten wie hij is. Dan herken je zijn stem. Dat is het mooie van de schepping. Ieder heeft een eigen stem. Zo hoorden die schapen ook hun eigen herder, en ze gingen naar hem toe en volgden hun herder weer. Zo is het ook met de Heere Jezus. Mijn schapen horen Mijn stem.

 

Dat is het kenmerk van die schapen. Zij volgen de Heere Jezus, zij gehoorzamen Hem. Zij gaan achter Hem aan. Dat is het wonderlijke. We hebben samen gezongen: Merk op mijn ziel, wat antwoord God u geeft. Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Dan is het een wonder dat zij achter Hem aankomen en Hem gaan volgen. Dwars door alle geluiden heen horen ze Zijn stem, geven ze Hem gehoor en leren vragen: Wat wilt Gíj Heere, dat ik doen zal?

Dat horen is verstaan, dat is gehoor geven, verstaan met het hárt. Dat is een ervaring. Het is niet mogelijk om door te geven hoe dat precies is. Maar het is een wetenschap. De Zijnen horen Zijn stem, ze herkennen Zijn stem te midden van alle geluiden die tot ons komen.

 

Gemeente, jongens en meisjes, er is een geweldig rumoer van stemmen rondom ons. Er zijn zoveel stemmen die ons bij Hem vandaan zoeken te trekken, die de aandacht voor zích opeisen, voor de wereld, voor de zonde en verlokkingen. Stemmen die ons moeten laten beseffen hoe verkeerd ze zijn, omdat ze niet naar Gods Woord zijn. Dan zullen we ons daarvan afkeren.

We geven helaas zo vaak gehoor aan al die verkeerde stemmen, al die verleidingen. Er is zoveel wat ons bij God vandaan zoekt te trekken. Er is maar één stem die ons in waarheid naar het Woord leidt. Die stem moeten we volgen en daarachter moeten we aankomen. Als u en als jij die stem echt horen, dan is er een neiging om daarnaar te horen.

 

Dat is niet vanzelfsprekend. Want ook die farizeeën hoorden Zijn stem. Ze hebben Zijn stem wel gehoord, maar gaven er geen gehoor aan. Ze luisterden niet, ze wilden niet horen naar die stem.

En hoe is het met ons? Luisteren wij? Of is er de satan die een verkeerde gedachte in ons geeft als we die stem horen? De wereld lokt en trekt met haar stemmen. We hebben in het Paradijs gehoor gegeven aan de boze. Sindsdien zijn we horende doof geworden.

Maar gelukkig is er bij de Heere uitkomst. Hij kan het zó maken dat we naar Zijn stem horen en er gehoor aan geven. Dat is een wonder dat door de Heilige Geest gewerkt wordt. Dat zien we bijvoorbeeld bij Lydia in Filippi, die gehoor gaf aan het Woord dat door Paulus gesproken werd. Zij hoorde daarin de stem van de Heere.

Zijn stem heeft grote kracht, die heeft doordringende kracht. Die kan maken dat die andere stemmen moeten zwijgen om Zijn stem alléén te mogen beluisteren. Dat Woord dringt door in het binnenste van ons. Ja, dan kan het later wel eens zó zijn dat we zeggen: Is dat nu van de Heere geweest? Is dat niet van mezelf geweest? Al beseffen we ook: ik heb niet zomaar die stem mogen beluisteren. In dat geval heeft het Woord toch uitwerking, namelijk verootmoediging. Dat doet verlangen nog meer ervan te horen. Dat geeft een afkeer van de zonde.

 

Men zegt wel eens: Hoe was het ervoor, hoe was het eronder, hoe was het erna? Wat werkte het Woord uit? Daaraan kunt u weten of het van de Heere geweest is, al wil satan dat vaak ook weer betwisten. Het brengt aanbidding teweeg, verwondering en verlangen naar heiligheid. Al kan die stem ons wijzen op een weg die we niet willen gaan, toch wint Hij er voor in. Dan is het goed om naar Hem te horen. Hij leert luisteren naar Zijn stem. Dan is er een leven met de Heere.

We moeten wel de middelen waarnemen. Dat is de weg die God gebruiken wil: onder de verkondiging van het Woord. Kom getrouw op naar Gods huis, zodat u zegt: In het Woord dat verkondigd wordt, mag ik Zijn stem beluisteren. Dat verbreekt uw hart, dat maakt u beschaamd, maar ook verlangend om nog meer van Hem te horen.

 

Maak door Uw Woord en Geest mij Uw wegen bekend, leer mij Uw paden. Dat zingen we zo gemakkelijk: Heer’, ai, maak mij Uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend. Maar verlangen we dat ook? Zijn we zo naar de kerk gekomen, dat we verlangen dat de Heere door Zijn Woord tot ons spreken zal en ons de weg wil wijzen? Beseffen we dat Hij de weg der zaligheid wil verkondigen en toepassen door de kracht van de Heilige Geest?

Dan zijn er wel veel stemmen die proberen dat te overstemmen en daar bovenuit te komen. Maar de Heere spreekt en wint het hart in. Hij maakt ook gehoorzaam om Zijn Woord te horen. Dan verlangen we: Maak Heere, in Uw Woord mijn gang en treden vast.

 

Het is geen kleine zaak, jongens en meisjes, dat je onder het Woord mag verkeren, dat de Heere gebruiken wil om je onderwijs te geven. Kennis van wie je bent tegenover God, maar ook wat in de Heere Jezus te vinden is tot je zaligheid. Want de Heere nodigt ons allen tot de zaligheid. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan? (Jes. 55:2) Hij zegt: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth. 11:28).

Comrie zegt, en het is goed eens te horen hoe onze oudvaders het zeiden: ‘Het is ook een aanbiedend Woord. Heden komt Christus in het Evangelie als in een gevangenis. Hij brengt een algehele vergiffenis met Zich mee voor de allergrootste opstandeling. Hoe groot uw schuld is, hier is vergiffenis te verkrijgen. Wilt u het ook aannemen? Nu wordt de deur opengesteld. Wee hem die het niet wil aannemen.’

 

Zo werd er en – als het goed is – zo wordt er ook nu op aangedrongen om het Woord gehoor te geven. En wat daarvoor nodig is wil de Heere ook schenken. Comrie zegt ook: ‘De Heere is duizendmaal gewilliger, niet alleen om anderen maar ook u, wie u ook bent, te helpen dan dat uzelf verlangt geholpen te worden.’ Wat een vermanend woord. Het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. Maria overlegde al die woorden in haar hart.

 

Dat horen van het Woord draagt vrucht. Dat draagt vrucht in het volgen. Onze tekst zegt het ook: Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. Dus dat komt openbaar in het volgen. Het houdt in dat Hij voorgaat – wij mogen niet vooroplopen. Híj gaat voor, en wij mogen achter Hem aan komen. Dan is er geen weg waarin Hij niet is voorgegaan. Dan ligt ook de uitkomst van die weg voor Hem, voor Zijn rekening. Hij zal niet in een weg leiden waarin Hij het goede niet beoogt. En de uitkomst is voor Zijn rekening en dient tot ons welzijn.

We zijn wel eens bang dat de Heere wegen met ons gaat die tegen ons verlangen ingaan. Maar vertrouw u maar gerust aan Zijn leiding toe. Hij weet immers beter wat nodig is, dan dat u het zelf weet.

 

De Heere maakt de Zijnen gewillig. Dat zijn we niet altijd. Denk aan Jona, die was helemaal niet gewillig. Maar de Heere heeft hem wel gewillig gemaakt. We lezen in Psalm 110: Uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer heirkracht. Denk aan Abram. Abram was gewillig, en gaf gehoor aan de stem van God. Hij wist niet waar hij heen moest gaan, maar de Heere wist het en dat is genoeg.

Wat is dat een troost, als u niet weet wat de toekomst brengen zal. Wat ik zal meemaken in mijn leven, ik weet het niet. Maar ik hoef het niet te weten, want de Héére weet het. Hij gaat vóór. Wij hoeven alleen maar te volgen, achter Hem aan te komen.

Is dat geen rijke troost? Daar nodigt Hij ons toe. Dat verzekert Hij hun: zij volgen Mij. En als wij dan vragen tot wie we zullen heengaan, heeft Híj de Woorden van het eeuwige leven. Schapen die Hem niet volgen, komen om. Het Koninkrijk Gods kunnen wij niet ingaan als wij niet achter Hem aankomen. Laten we dat voor ogen hebben.

 

Volgen vraagt zelfverloochening. Toen zeide Jezus tot Zijn discipelen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge Mij (Matth. 16:24). Maar de uitkomst is voor Hem, tot ons welzijn. Alles wat Hij in dit jammerdal toeschikt, zal Hij mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader. En de Vader werkt door de Zoon.

 

De vraag is, gemeente: kennen we dat verlangen om zo achter Hem aan te komen? En willen we niet anders weten dan wat de Heere ons in Zijn Woord voorhoudt? Dan kan de weg weleens door de woestijn gaan. Maar die woestijn moeten we doorgaan om opnieuw een goede plaats te krijgen waar het voedsel is en waar het water is om te drinken. Hier scheen ons 't water t' overstromen, daar werden wij bedreigd door 't vuur; maar Gij deed ons 't gevaar ontkomen, verkwikkend ons ter goeder uur. We zingen er ook eerst van, Psalm 66, het vijfde vers.

 

Een net belemmerd’ onze schreden;

Een enge band hield ons bekneld;

Gij liet door heerszucht ons vertreden;

Gij gaaft ons over aan ’t geweld.

Hier scheen ons ’t water t’ overstromen;

Daar werden wij bedreigd door ’t vuur;

Maar Gij deedt ons ’t gevaar ontkomen,

Verkwikkend ons, ter goeder uur.

 

3. Deze schapen delen in Zijn zegeningen

 

In de derde plaats, gemeente, staan we nog stil bij de zegeningen die Hij als de goede Herder aan de schapen geeft. Vers 28: En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Ze zijn veilig. Wat een vooruitzicht. Ik geef hun het eeuwige leven, het leven uit de drie-enige God, het leven dat altijd stand houdt.

Aards leven is vergankelijk, maar dit leven blijft, en het vindt zijn volmaking in de eeuwige heerlijkheid, in de eeuwige zaligheid. Een zaligheid die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, en die in het hart van een mens niet is opgeklommen. God heeft die zaligheid bereid voor hen die Hem liefhebben. Dat leven onderhoudt Hij door de verkondiging van het Woord, door de bediening van de sacramenten.

 

Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven. Dat leven kan niet zondigen. Gods kind in het tijdelijke leven zondigt wel, want er is ook nog de oude mens. Zijn schapen hebben echter niet alleen een natuurlijk leven, maar ook een geestelijk leven. Dat wordt in de wedergeboorte geschonken. Dat wordt geoefend in het geloof. Dat vindt zijn voltooiing in de zaligheid.

De eerste Adam is geworden tot een levende ziel. Maar de tweede Adam tot een levendmakende Geest. Zijn opstandingskracht wordt daarin verheerlijkt. Op rechtsgronden wordt hun dat geschonken. Sion zal door recht verlost worden, en haar wederkerenden door gerechtigheid. Hij heeft alles daarvoor aangebracht. Hij zegt: Wendt U naar Mij toe, wordt behouden (Jes. 45:22).

 

Hij zweert zelfs: Ik heb in uw dood en jouw dood ook geen lust, maar dat je zult léven. Want die kudde vergadert Hij nu nog. Die kudde is nog niet voltallig. Daar kunnen er nog veel meer bij. Die ene Herder wil een nog veel grotere kudde. In de menigte van volk is heerlijkheid van de Koning. Wat een dwaasheid als we die nodigingen afslaan, als we ons richten op datgene wat voorbijgaat, wat ons hart niet kan vervullen.

 

Maar, Ik gééf hun. Dat pákken ze niet, dat ontvangen ze met de lege hand, met de ontvangende hand, namelijk het eeuwige leven. O, ze moeten daarbij wel ervaren dat veel van hun aardse leven hun ontvalt. Wat moeten ze vaak inleveren. We moeten ze veel afleren, maar ook soms zoveel afstaan. Denk aan de vele verdrukkingen van Zijn kudde die er zijn. Velen ervaren de vijandschap van moslims en van communisten. We moeten wel veel verliezen, maar dat leven blijft. Ik geef hun het eeuwige leven. Dat houdt stand, dat kan niemand afnemen, ook zelfs satan niet. De wereld kan het niet. Ondanks de verdrukkingen kan niets ons het leven uit God ontnemen. Want dat leven houdt stand in eeuwigheid. Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij (Jes. 49:16). Die handen zijn doorboord aan het kruis. Hij mocht roepen: Het is volbracht! Hij houdt stand in eeuwigheid.

Die handen worden nog uitgestrekt naar ieder onder de verkondiging van het Woord.

 

Geen vijand kan het ware leven ontnemen. Er is in vers 12 sprake van de wolf, die probeert de schapen te verscheuren. Maar deze wolf kan niet meer kwaad doen dan God toelaat. Er zijn veel gevaren, uitwendig, maar ook inwendig. Johannes spreekt over de begeerlijkheid der ogen en de begeerlijkheid van het vlees en de grootsheid van het leven. Die kunnen het leven wel beschadigen als we er gevolg aan geven. Maar het leven uit God houdt stand.

Twee handen houden het vast, de hand van de Vader en de hand van de Zoon. We lezen immers in vers 29: Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Er wordt wel aan gerúkt, er wordt aan getrókken. Net als een straatrover die iemands tasje afpakt, zo rukt hij; zo probeert hij het afhandig te maken. Maar het zal niet lukken. Want Jezus blijft Dezelfde. Hij is eeuwig Dezelfde, Die nooit laat varen het werk van Zijn handen.

Paulus zegt ervan in Romeinen 8: Ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onze Heere. Ik ben ervan verzekerd. Het ligt vast, niet in mij, maar in Hem, in Zijn kruisdood, in Zijn trouw.

 

We hebben Psalm 23 gezongen: De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij zegt: Laat het maar op Mij aankomen en u zult niet teleurgesteld worden.

Psalm 37 spreekt er ook van. Stel op de Heere in alles uw betrouwen. Betracht uw plicht; bewoon het aardrijk. Stel op de Heere uw vertrouwen. Laat degenen die aangevochten en bestreden worden, niet denken: Hoe zal het nog een keer aflopen in mijn leven? Op Hém zien! Want Hij zorgt ervoor. Hij is de Getrouwe tot aan de dood, tot in de dood, tot na de dood, eeuwig en altoos.

 

Die Herder leeft nog. Hij wil Zijn kudde nog meer vergaderen. Hij nodigt vandaag nog: Wendt u naar Mij toe. Jongens en meisjes, geef Mij je hart. Laat de wereld je niet bedriegen. Zij stelt teleur. Maar wie de Heere zoekt, zal nooit beschaamd worden.

Wat een toekomst en dat voor eeuwig. Zo gij Zijn stem dan heden hoort, gelooft Zijn heil- en troostrijk woord; verhardt u niet, maar laat u leiden.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 31:17

 

Geloofd zij God, Die Zijn genade

Aan mij heeft groot gemaakt;

Die voor mijn welstand waakt;

Zijn oog slaat mij in liefde gade;

Hij wil mij heil bereiden;

Mij in een vesting leiden.