Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 26

Het sacrament van de Heilige Doop

Het teken van de Doop
De betekenis van de Doop
De instelling van de Doop
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 115: 6 en 8
Lezen : Handelingen 8: 26 - 40
Zingen : Psalm 111: 1, 4 en 5
Zingen : Psalm 103: 2 en 5
Zingen : Psalm 87: 4

Gemeente, wij lezen uit onze Catechismus Zondag 26, de vragen en antwoorden 69 tot en met 71:

 

Vraag 69: Hoe wordt gij in de Heilige Doop vermaand en verzekerd dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?

Antwoord: Alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest van de onreinheid mijner ziel, dat is van al mijn zonden gewassen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben.

Vraag 70: Wat is dat, met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn?

Antwoord: Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van Christus’ wil, hetwelk Hij in Zijn offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook, door de Heilige Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven en in een godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

Vraag 71: Waar heeft ons Christus toegezegd dat hij ons zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?

Antwoord: In de inzetting van de Doop, welke alzo luidt: Gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes; Matth. 28:19. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben zal verdoemd worden; Mark 16:16. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift de Doop ‘het bad der wedergeboorte’ en ‘de afwassing der zonden’ noemt; Tit. 3:5. Hand. 22:16.

 

Het gaat in Zondag 26 over:

Het sacrament van de Heilige Doop

 

Naar aanleiding van deze vragen drie aandachtspunten:

  1. Het teken van de Doop

2.   De betekenis van de Doop

3.   De instelling van de Doop

 

Jongens en meisjes, jullie hebben zo straks natuurlijk geluisterd toen uit de Bijbel gelezen werd over de Moorman. Wat was dat voor een man? Dat was een neger, een zwarte man. Hij kwam uit Morenland. Dat land heet nu Ethiopië, dus hij was een Ethiopiër. Hij kwam naar Jeruzalem, omdat hij naar God verlangde, naar de God van Israël. Hij zal wel van die God gehoord hebben in Ethiopië. Daar woonden ook Joden in die tijd, een hele joodse kolonie. Daar is hij vast mee in contact geweest. Het was heel wonderlijk, in zijn hart werd het verlangen geboren om die God ook te kennen en te dienen.

De Joden zullen zeker gezegd hebben: ‘Dan moet je naar Jeruzalem gaan. Daar is het centrum van onze godsdienst. Daar is de tempel. Daar zijn de heilige boeken.’

Hij is gegaan. En toen heeft hij een boek gevonden: het boek Jesaja. Hij heeft dat gekocht en daar is hij onderweg terug in gaan lezen. Maar hij snapte er niet zoveel van. Je zou zeggen: ‘Als je er niet zoveel van snapt, dan doe je het boek toch weer dicht?’

 

Weet je wat zo wonderlijk is? Het gebeurt nog, dat er mensen zijn die uit de wereld komen of misschien heel vroeger bij de kerk gehoord hebben en die de Bijbel gaan lezen omdat ze naar God verlangen. Ze begrijpen er heel weinig of niks van en toch blijven ze lezen. Hoe kan dat nu? Dat werkt de Heere.

 

De Heere geeft deze Moorman er op Zijn tijd een uitlegger bij. Filippus wordt weggehaald uit de grote gemeente van Samaria, want de engel van de Heere zegt tegen Filippus: ‘Filippus, je moet daar en daar heen. Daar heb Ik werk voor je.’ Filippus loopt langs de wagen, waarmee deze man weer teruggaat naar Ethiopië, en dan hoort hij hem uit het boek van de profeet Jesaja lezen. Dat zijn bekende woorden voor Filippus. Dat is mooi: de Heere zorgt voor een aanleiding.

Die man is aan het lezen en Filippus zegt: ‘Begrijp je het ook, Moorman?’ ‘Nee’, zegt die Moorman, ‘hoe zou ik dat toch kunnen, als ik niet onderwezen word?’ ‘Nou’, zegt Filippus, ‘zal ik het voor je doen?’

Hij klimt in de wagen en daar zitten ze samen. En hij verkondigt hem de Heere Jezus. Als hij hem zo een heleboel dingen uitlegt en over de Heere Jezus spreekt, dat Hij gestorven is aan het kruis voor onze zonden, zal hij ook wel gesproken hebben over de Heilige Doop. Want die Moorman begint er ineens over.

Ze komen langs een rivier en dan zegt hij: ‘Kijk eens, water! Wat verhindert mij om gedoopt te worden?’ ‘Mag ik gedoopt worden?’ Filippus zegt: ‘Ja, dat mag, als je van ganser harte gelooft.’ En dan zegt die Ethiopiër: ‘Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.’ En dan wordt hij gedoopt.

 

Een hele mooie, duidelijke geschiedenis.

Die man heeft eerst de Bijbel gevonden. Toen is hij uit de Bijbel onderwezen door Filippus. Toen heeft hij zijn geloof beleden. En toen is zijn geloof verzegeld met het sacrament van de Heilige Doop. Dat is de goede volgorde bij de Volwassendoop. En daar gaat het over in Zondag 26. In de volgende Zondag wordt de Kinderdoop behandeld, maar hier gaat het over de Volwassendoop.

Het gaat hier over wat de Doop betekent voor het geloof. Dus u moet steeds ook aan uzelf denken, dat u als kind gedoopt bent. Jullie ook, jongens en meisjes. Want het gaat over de Doop en wat de Doop betekent.

 

Beiden dalen ze af in het water, Filippus en de kamerling. En dan klinkt in de Naam van de drie-enige God: ‘Moorman, ik doop u in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes.’ En dan verdwijnt hij helemaal onder de waterspiegel, want er werd gedoopt door onderdompeling.

Zo doen we dat nog op het zendingsveld, omdat dat zo duidelijk is en ook omdat het in de Bijbel staat. Een prachtig beeld: ondergaan in het water en omhoog komen uit het water.

Sterven en opstaan. Het water is net als een graf. Dat lees ik in Romeinen 6: Of weet gij niet dat zovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de Doop in de dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden is opgewekt tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.

Als die Moorman afdaalt in het water, belijdt hij daarmee dat hij de dood heeft verdiend. Heel het oude bestaan van die Moorman sterft op het ogenblik dat hij afdaalt in het water en het water zich boven hem toesluit. Het is immers de Doop der bekering tot vergeving der zonden. Het ondergaan in het water is een afsterven van de oude mens.

Het weer omhoogkomen uit het water betekent de opstanding van de nieuwe mens.

Als die Moorman opkomt uit het water, gemeente, is hij een ander mens. Van heiden is hij christen geworden. Van vreemdeling is hij huisgenoot van God geworden.

 

Net zoals jullie, jongens en meisjes. Toen je gedoopt werd, hier bij het doopvont, toen is je naam genoemd en dan: ‘Ik doop u in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.’ Dopen betekent: onderdompelen in de Naam van God. Dat is God Zelf.

Ondergedompeld in God. Kan God een verloren zondaar nog dichter naar Zich toehalen? Ingeboekt op naam van de drie-enige God.

 

De Moorman is nu het eigendom van God. God is zijn Vader en de Heere Jezus is zijn Oudste Broeder. Dat wordt hem verteld en geleerd door de Heilige Geest. Door het werk van de Heilige Geest zal hij de betekenis van dit sacrament hoe langer hoe dieper leren verstaan. Hij is met Christus opgewekt om in nieuwigheid des levens, in heilige wandel voor de Heere te leven.

Gemeente, u moet proberen om deze geschiedenis over de Moorman in gedachten te houden, als we verder gaan met Zondag 26. Het gaat over de wezenlijke betekenis van de Volwassendoop door onderdompeling.

 

In de vroege kerk werd het leren kennen van de Heere Jezus en de daaruit volgende nieuwe levenswandel sterk beleefd vanuit de Doop. Paulus gebruikt in zijn onderwijs ook het beeld van de oudchristelijke doopliturgie, die in drie onderdelen bestond: een afleggen, een vernieuwd worden en een aandoen.

Ik zal deze drie punten nog wat duidelijker uitleggen.

Het eerste: het afleggen. Voor de dopeling in het water afdaalde, legde hij zijn oude vuile klederen af. Zo legt ook een mens die door het bad der wedergeboorte - zo wordt de Doop ook genoemd - wordt ondergedompeld, zijn oude klederen af. Dat wil zeggen: de oude levenswandel, dat vroegere, zondige leven, de oude mens.

Het tweede is: het staan in het doopwater, het ondergaan en het weer gereinigd en vernieuwd omhoogkomen uit het water. Daarin wordt het sterven aan de zonde en het opstaan tot een nieuw leven gesymboliseerd. Door de wedergeboorte vangt immers het nieuwe leven aan.

Het derde is dat de dopeling na de onderdompeling uit het water omhoogkomt en zijn nieuwe witte doopkleed aantrekt. Dat is een symbool van reinheid, van gereinigd zijn.

Daarom komt het vaak voor, jongens en meisjes, dat onze kinderen als ze gedoopt worden een witte doopjurk aanhebben. Dat is nog een restant van die vroegere, oudchristelijke Doop. Toen trok men een nieuw doopkleed aan. Zo trekt de gelovige, zegt Paulus, de nieuwe mens aan. Daarbij gaat het natuurlijk niet om uiterlijke kleding, maar om de inwendige vernieuwing van hart en leven.

We letten in de eerste plaats op:

 

1. Het teken van de Doop

 

We lezen nog een keer vraag en antwoord 69:

Hoe wordt gij in de Heilige Doop vermaand en verzekerd dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?

Alzo, dat Christus dit uitwendig waterbad ingezet en daarbij toegezegd heeft, dat ik zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest van de onreinheid mijner ziel, dat is van al mijn zonden gewassen ben, als ik uitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg te nemen, gewassen ben.

Een lange volzin, maar we knippen hem in stukjes.

 

‘Het uitwendig waterbad’, laat ik dat er eens eerst even uithalen.

Water is een middel om iets schoon te krijgen. Maar water heeft ook een levenwekkende kracht. Denk maar aan de verschroeide aarde die weer groen en fris wordt en tot nieuw leven komt door een milde regenbui of door irrigatie, zoals dat in Israël veel gebeurt.

Die twee functies van het water worden hier in de Catechismus genoemd: de reinigende kracht en de levenwekkende kracht; vergeving en vernieuwing. Het doopwater veroordeelt ons. Het doopwater wijst ons op de onreinheid van onze zielen, op onze zonden, op onze vuilheid.

 

Het doopwater zegt:

‘Mens, u bent onrein. Zoals u nu bent, kunt u voor God niet bestaan. U kunt het rijk van God niet binnengaan, tenzij door het bad der wedergeboorte, tenzij u geboren wordt uit water en Geest.’

Water en Geest. Het doopwater en de Heilige Geest, Die de betekenis van de Doop doet begrijpen. Het teken van de Doop verkondigt aan u en aan mij onze verlorenheid, dat in ons geen goed woont. Het doopwater spreekt ten diepste een vernietigend oordeel uit over ons zondige leven. We worden daardoor vermaand om een mishagen aan onszelf te hebben, ons voor God te verootmoedigen en onze reinigmaking en zaligheid buiten ons in Christus te zoeken. Ja, in Christus! Want we hebben in de eerste Zondag over de sacramenten gezien zij maar één doel hebben: te wijzen op het Lam, te wijzen op Christus, te wijzen op het kruis van Christus.

 

Het water wijst niet alleen onze vuilheid aan, maar het reinigt ook van die vuilheid.

Als jullie in de tuin of op straat gespeeld hebben, jongens en meisjes, en je zit helemaal onder de modder, als je dan binnenkomt, zegt mama: ‘Zo, wat heb jij gedaan? Je bent zo zwart als roet!’ En wat gebeurt er dan? Dan moet je in bad en word je weer helemaal schoon.

Het doopwater verwijst ons naar het reinigingsmiddel bij uitstek en dat is het bloed van Jezus Christus dat reinigt van alle zonden. Ook daarvan spreekt het teken van de Doop. Niet alleen van veroordeling, maar ook van vrijspraak. Onze onreinheid, maar tegelijkertijd ook de reinigende kracht van het bloed van de Heere Jezus.

 

De betekende zaak van de Doop wordt ontvangen door het geloof.

De volwassendoop, waarover het hier gaat in Zondag 26, mag alleen bediend worden aan hen die waarlijk geloven. En dan is de Doop een teken en zegel van de vergeving van hun zonden, net als bij Abraham de besnijdenis een zegel was op de gerechtigheid van zijn geloof. Christus heeft toegezegd dat Zijn bloed en Geest zo zeker reinigt van de zonde als het uitwendige waterbad het lichaamsvuil afwast. Zo zeker als je dus het doopwater voor je ziet en als je in het doopwater ondergaat, zo zeker mag je ervan zijn dat je zonden zijn afgewassen.

Op een andere manier mogen we niet over de Doop spreken, gemeente. Zondag 26 gaat uit van het wezen van de Doop. Het waterteken beeldt het bloed van Christus af en dat bloed is door God geschonken om zwarte zondaarszielen te reinigen en te wassen.

Denk maar aan de Moorman. Deze waarheid staat zo vast als een huis, want Christus heeft het gezegd. De Catechismus zegt het zo: Christus heeft het toegezegd, beloofd in de belofte van het Evangelie: ‘Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden.’

 

Ziet u wel, er is geen reiniging van mijn vuile ziel zonder geloof. Alleen door het geloof verstaan we de belofte van het Evangelie. Zonder geloof verstaan we die toezegging van Christus niet. Het uitwendig waterbad wast door de hand van de dienaar onze zonden niet af. Dat gebeurt alleen door de Heilige Geest in ons hart, Die de toepassing schenkt van wat de Heere Jezus heeft verworven. De Doop is er een Goddelijk waarteken en zegel van. Alleen God wast de zonden af door het bloed van Christus.

Ik kan mijn vuile zonden niet afwassen. Ik kan mijn eigen lichaam niet eens wassen zonder water. Zo kan God de vuilheid van mijn ziel niet wegnemen dan alleen door het bloed van Christus. Daarvan is de Doop een teken en een zegel.

 

Gemeente, we moeten enerzijds de Doop niet overschatten. Nergens leert de Bijbel: ‘Uw Doop heeft u behouden.’ Maar wel: ‘Uw geloof heeft u behouden.’

Maar we moeten de Doop ook niet onderschatten. De Doop is geen formaliteit zonder consequenties voor ons leven. Wat is de Doop dan wel? De Catechismus zegt dat zo mooi:

Het is een teken van de offerande van Christus, aan het kruis geschied, en een zegel dat mij ervan verzekert dat die offerande van Christus aan het kruis mij ten goede komt.

Dat bedoelt de Catechismus met ‘vermaand en verzekerd’.

Dat woordje ‘vermaand’ is ouderwets Nederlands en betekent: onderwijzen, uitleggen, wijzen op. Het teken van de Doop brengt ons dus aan de voet van het kruis.

 

Vermaand en verzekerd.

Ja, want zo waarachtig als ik het doopwater voor mij zie, zo waarachtig als ik in het doopwater onderga, verzekert God mij dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden. Zo persoonlijk stelt de Catechismus deze vraag over het teken van de Doop.

 

Wat hebt u aan uw Doop? Wat doet u daarmee? Hoe komt de Doop u ten goede?

U moet daar een antwoord op geven. Wat betekent de Doop voor u? Wat hebt u daar iedere dag aan? Wat doet u daar iedere dag mee? Hoe komt de offerande van Christus in de Doop u ten goede? Want de Heere Jezus is niet voor niets gestorven. ‘Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien’, profeteerde Jesaja.

Zijn bloed wil ons reinigen. Dat Christus het offer gebracht heeft, weten we allemaal. Maar heeft Hij het voor u gebracht? Mag u dan zeggen:

Christus is voor mij gestorven,
heeft genâ voor mij verworven:
'k ben van dood en zonde vrij!

Onze houding tegenover het kruis van Christus kan nooit neutraal zijn. Daarom kan onze houding ten opzichte van onze eigen Doop ook niet neutraal zijn. Want als de Doop ons niet ten goede komt zal het ons eeuwig veroordelen.

Daar wijst het doopformulier ook op: ‘Gij, Die de verstokte Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, door hetwelk de Doop beduid werd.’ De Doop wordt vergeleken met de Rode Zee. Dat water was voor Israël ten leven, maar voor de Egyptenaren ten dode. Voor wie de Doop gelovig gebruikt is het een weg ten leven. Maar zo niet, dan zullen we erin verdrinken.

 

En daarom, gemeente, wat hebt u aan uw Doop en wat doet u ermee? Wie u ook bent, er blijft maar één ding, één weg voor u over: als een onreine zondaar de toevlucht nemen tot de reinigende en zuiverende kracht van Jezus’ bloed, tot het onbestraffelijke Lam van God. ‘O, ziet Hem hangen aan het kruis, bloedend in al Zijn wonden!’ Hij droeg de zware last van de zonden. In Zijn offer aan het kruis droeg Hij onze zware schuld. Door Zijn offerdood bracht Hij de verzoening aan.

Toen Hij afdaalde in de Jordaan, betekende dat: ‘Goede Vrijdag komt!’ En toen Hij opkwam uit het water van de Jordaan, betekende dat: ‘En Pasen komt ook!’ Opgewekt tot onze rechtvaardiging.

Hoe rijk is dan de betekenis van het doopwater en van de handeling van de Doop!

 

Dat teken van de Doop brengt ons op onze tweede gedachte, namelijk:

 

2. De betekenis van de Doop

 

Wij lezen samen nog een keer vraag en antwoord 70:

Wat is dat, met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn?

Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om des bloeds van Christus wil, hetwelk Hij in Zijn offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft; daarna ook, door de Heilige Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven, en in een godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

 

U begrijpt dat het antwoord uit twee delen bestaat. ‘Gewassen met het bloed’, dat is het eerste deel van het antwoord. ‘En met de Geest van Christus’, dat is het tweede deel van het antwoord. De afwassing met het bloed correspondeert met de vergeving der zonden en de afwassing met de Geest correspondeert met de vernieuwing van het leven door de Heilige Geest, de heiligmaking.

 

Dus er is tweeërlei afwassing in de Doop: een uiterlijke afwassing door het water en een innerlijke afwassing door de Geest en het bloed van Christus.

Die innerlijke afwassing, zegt de Catechismus, bestaat uit twee delen: vergeving van zonden en vernieuwing van het leven, zodat we tot lidmaten van Christus geheiligd worden. Anders gezegd: rechtvaardiging en heiliging; de vrijspraak door het bloed van Christus en het gelijkvormig worden aan Zijn beeld.

Deze twee zaken mogen we nooit van elkaar losmaken. We zijn er niet als we geloven mogen dat onze zonden uit genade vergeven zijn. Ons leven moet ook vernieuwd worden. Wie die twee zaken van elkaar scheidt, kent ze geen van beiden. Als God ons de zonden vergeeft en ons tot Zijn kinderen aanneemt door de wedergeboorte, dan zullen door de Heilige Geest ook de trekken van het kind in ons leven zichtbaar worden. Dan zullen we het beeld van de Vader gaan vertonen.

Vergeving en vernieuwing horen bij elkaar als twee kanten van één en dezelfde zaak. Beide zaken worden door hetzelfde teken afgebeeld, namelijk het teken van de Heilige Doop.

En zo zegt God niet alleen in de Doop dát Hij u hebben wil - u kunt vergeving krijgen bij Hem; dat wil Hij - maar zo zegt de Doop ook hóé Hij u hebben wil, namelijk in een heilige wandel en een godzalig leven voor Zijn aangezicht.

Zo onderwijst ons ook het klassieke doopformulier: de Heilige Geest wil ons toe-eigenen hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing onzer zonden - dat is het eerste - en de dagelijkse vernieuwing van ons leven - dat is het tweede -.

 

Eerst over eerste punt: vergeving van zonden uit genade te hebben.

Wat zegt de Catechismus? In de Doop garandeert God ons dat al onze zonden vergeven zijn. Let wel, de Doop zelf bewerkt niet de verzoening en de heiliging. Maar achter de Doop staat de drie-enige God. Hij bewerkt het. Hij geeft het. Hij doet het. Hij schenkt het geloof in de harten van Zijn kinderen, om door dat geloof te zien op het offer van Christus aan het kruis.

En wie dat doet, die heeft vergeving. Dat hebben we gezien in Zondag 23: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus.

 

Nog een keer: ‘Wat hebt u aan uw Doop? Waar heeft de Doop u gebracht? Waar brengt de Doop u iedere dag?’ Als u de Doop verstaat, dan brengt de Doop u aan de voet van het kruis, bij Christus en bij Hem alleen. De Heilige Geest verzekert dat in ons hart. Hij is de inhoud van de Doop. Wie zo de inhoud van zijn Doop mag verstaan, die leert steeds weer en steeds meer om uit Christus te leven, uit Zijn offer aan het kruis gebracht.

We hebben iedere dag weer nodig, om de reinigmaking en zaligheid buiten onszelf te zoeken in Hem. In die weg wordt Christus steeds heerlijker, steeds waardevoller, steeds dierbaarder.

En dan word ik almaar groter zondaar in eigen oog, want de ontdekking gaat door. En steeds meer moet ik ervaren hoe noodzakelijk het is om te komen tot de fontein van Jezus’ bloed, om daardoor gewassen te zijn.

 

De vergeving, gemeente, hebben we dus alleen om het bloed van Christus, hetwelk Hij in Zijn offerande aan het kruis voor ons uitgestort heeft. Er ligt geen enkele reden voor die vergeving in ons.

‘Zijn offerande aan het kruis’, staat er. Dat betekent: Hij ging de dood voor ons in. Het was een offer. Hij offerde Zichzelf. Het offerdier ruilde met de schuldige. En dat offer was aan het kruis, aan het vloekhout, dat wij door onze schande hadden verdiend.

Gemeente, wie nu dat wonder van het offer van de Heere Jezus, die genadige ruil tussen Christus en de zondaar, leert verstaan en erop mag zien door het geloof, al is het nog zo van verre, die krijgt de Heere Jezus zo onuitsprekelijk lief. Onbeschrijfelijk! Die zegt: ‘Heere, als ik zie dat U dat voor mij hebt gedaan, dan wil ik voor U leven.’

 

We gaan eerst zingen over de vergevingsgezindheid van God, uit Psalm 103, het tweede en het vijfde vers:

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

 

Hij zal Zijn volk niet eindeloos kastijden,

Noch eeuwiglijk Zijn gramschap ons doen lijden;

Hij is het Die ons Zijne vriendschap biedt;

Hij handelt nooit met ons naar onze zonden;

Hoe zwaar, hoe lang wij ook Zijn wetten schonden,

Hij straft ons, maar naar onze zonden niet.

 

Het gaat nog steeds over De betekenis van de Heilige Doop, wat het is om met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn.

 

Met het bloed gewassen; dat hebben we in het eerste deel van het antwoord gezien.

Nu het tweede: met de Geest van Christus gewassen.

We lezen in antwoord 70:

Daarna ook door de Heilige Geest vernieuwd en tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer der zonden afsterven en in een Godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

 

We lezen in Romeinen 6: Wij zijn dan met Hem begraven door de Doop in de dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.

Christus heeft, toen Hij Zijn dierbaar bloed voor ons stortte, niet alleen vergeving van zonden verworven, maar ook de levendmakende Geest, door Wie Hij vernieuwt en doet leven uit Zijn volheid, door het geloof. Hij vernieuwt en doet leven. De rank in de Wijnstok gaat vrucht dragen. Door de inplanting, door het geloof in Christus worden we ook geheiligd als leden van Zijn lichaam.

Daarvan zegt de Catechismus: tot lidmaten van Christus geheiligd te zijn.

Dan zijn wij leden. Wij zijn de leden en Christus is het Hoofd. Dat wil zeggen: Hij regeert ons door Zijn Geest. Dan vragen we: ‘Heere, wat wilt Gij toch dat ik doen zal? Mag ik leven voor Uw aangezicht?’

 

Door de Heilige Geest vernieuwd.

Want, gemeente, de Heilige Geest maakt ons niet alleen onze zonden indachtig, maar ook het bloed van de Heere Jezus en de beloften van het Evangelie. Hij doet ons zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus is. Hij opent ons geloofsoog om de verlossing in Christus te zien en ernaar te verlangen. Hij breekt onze harten open om door de liefde van de Heere Jezus, Zijn stervende liefde aan het kruis, overweldigd te worden.

En als u daar neerligt met uw schuldige hart, opgeheven tot God in de gebeden en smekend om genade, laat Hij het bloed van Christus als een zachte olie druppen op uw verslagen hart. En door de wonderlijke kracht van dat bloed wordt de macht van de zonde totaal gebroken. Dat kan je niet in eigen kracht.

Er zijn mensen die vechten tegen hun verslaafdheden en ze kunnen het niet aan, totdat ze zien op Jezus’ bloed, Die ook ons lichaam heeft gekocht toen Hij stierf aan het kruis.

 

De kracht van Jezus’ bloed breekt de macht van de zonde. Dat noemt de Catechismus hier ‘de zonde afsterven’. Dan ontvangt onze oude mens de doodsteek.

Met Hem gestorven.

‘Houdt het daarvoor, dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levend in Christus Jezus, onze Heere.’ Dat is heilshistorisch, voorwerpelijk, in Hem.

Maar dat heeft een heilsordelijk gevolg. Dat wordt uitgewerkt in ons hart door de Heilige Geest.

 

Met Hem begraven door de Doop in de dood.

Dat is een stervend leven, gemeente. Levenslang! Dat herkent u toch wel: het stervende leven, sterven aan jezelf en leven in Christus? De zonde is mij de dood geworden. Dan wordt al het mijne afgekeurd en blijft Hij alleen over.

Daar ben je zomaar niet. Het is gauw gezegd, maar niet zo makkelijk beleefd. De zonde afsterven, minder zonden doen en groter zondaar worden. Hoe kan dat? Door het ontdekkend werk van de Heilige Geest. Dat afsterven gaat samen met het leven voor God.

 

Dat zegt de Catechismus ook. Er staat: En in een Godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

Onstraffelijk, onbevlekt. Godzalig is letterlijk: vol van God.

Dan staat ons leven helemaal gericht op God, naar Hem toegekeerd. Dan houden we iedere dag rekening met Hem; doen we wat Hij wil. Niet naar de wereld gekeerd of naar de zonde gekeerd, maar naar God.

 

Godzalig, dat betekent: vervuld door God, door de Heilige Geest.

Dan leven we niet meer in onze zonde, maar Christus leeft in ons en wij in Hem. ‘Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij’, zegt de apostel.

Kent u dat leven? En jullie, jongens en meisjes? Ga het eens na bij jezelf en wees eens eerlijk. Zeg eens eerlijk, waar draait nu alles om in je leven? Waar denk je het meest aan? Waar zijn je gedachten het meest mee bezig? Wat is je doel? Waar werk je voor? Waar slaaf je voor? Waar gaat het om? Waar leef je voor? Of liever: voor wie leef je? Voor jezelf of voor God?

De Doop leert ons: in Christus rechtvaardig, ja, maar ook heilig. Alleen in Christus, want in onszelf blijven we onheilig.

Dat wordt dan je strijd. Herkent u dat, die strijd? Kunt u die volkomen heiligheid maar niet bereiken? Probeert u iedere dag om voor de Heere heilig te leven en zegt u aan het eind van de dag, voor u gaat slapen: ‘Heere, wat heb ik nog veel onheilige dingen gedaan. Het lukt niet één dag.’?

O, wat een strijd!

 

‘Als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt.’ Valt u uzelf ook wel eens tegen? Komt u uzelf ook wel eens tegen?

Voor zulke mensen staat er hier in de Catechismus een heel vertroostend woord. Kijk maar, er staat: ‘Hoe langer, hoe meer.’ Niet in één keer. U bent niet zomaar in één keer heilig. Met vallen en opstaan.

Het doopsformulier zegt zo vertroostend:

Als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen…

Is er zo iemand in de kerk? Uit zwakheid. Niet omdat je erin volhardt, maar overvallen door de zonde, uit zwakheid in zonde vallen.

… dan moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen, aangezien de Doop een ontwijfelbaar getuigenis is dat wij een eeuwig verbond der genade met God hebben.

 

Dat was: De betekenis van de Doop.

En nu:

 

3. De instelling van de Doop

 

Waar heeft ons Christus toegezegd dat Hij ons zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?

In de inzetting des Doops, welke alzo luidt: Gaat dan heen, onderwijst al de volken, dezelve dopende in den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden noemt.

 

De Doop is een instelling van Christus.

De Doop is niet iets nieuws. Het Oude Testament kende al de proselietendoop. In het Nieuwe Testament horen we al over de Doop van Johannes. Maar het nieuwe ligt in wie er gedoopt moeten worden. Door de proselietendoop konden de heidenen overgaan tot de Joodse religie en in Israël worden ingelijfd. De heidenen die onrein waren, moesten eerst door de Doop, door het waterbad, gereinigd worden. Voor de joden was dat niet nodig.

Maar toen kwam Johannes de Doper en die sprak tot de joden, tot de kinderen van Abraham en de kinderen van het verbond en de farizeeërs:

‘U moet ook gedoopt worden. U bent ook onrein. U moet gewassen worden. U bent onheilig, al ben je een kind van Abraham. Je hart moet vernieuwd worden en daarom u moet zich bekeren!’

Johannes predikte de Doop der bekering. Dat was al iets heel nieuws voor hen. Een Jood gedoopt?

En dan komt Christus na Zijn opstanding en kort voor Zijn Hemelvaart en Hij stelt de Doop in voor alle gelovigen uit alle volken. Dat is het nieuwe.

Gaat dan henen, onderwijst al de volken. De zaligmakende genade Gods, die eerst besloten lag binnen de grenzen van Israël, verschijnt dan aan alle mensen. Het Evangelie en de zaligheid gaat naar alle heidenvolken.

 

‘Ik zoek ze. Het is Mijn opzoekende liefde. Tot een volk dat naar Mijn Naam niet genoemd was, ga Ik zeggen: Ziet hier ben Ik!’

Alle volken! Dat is het zendingsbevel dat Christus aan Zijn Kerk gegeven heeft en dat geldig is tot aan de wederkomst. Alle volken moeten onderwezen worden. Dat is het wachtwoord van de discipelen. 'Onderwijzen hen die dwalen en ze brengen in het rechte spoor.’

In de Catechismuszondag hebben we gehoord dat dat onderwijs enerzijds gaat over de verdorvenheid van ons hart, maar tegelijkertijd over de genade van Christus Jezus.

 

Godskennis en zelfkennis. Dat Jezus de Messias is, de beloofde Verlosser. Filippus onderwees de Moorman. Hij verkondigde hem Jezus, de Verlosser. En als Jezus verkondigd wordt en de volkeren in God door Christus gaan geloven, dan mag dat bezegeld worden met het sacrament van de Heilige Doop. Dan mag de vergeving der zonden, die ze eerst belijden als vrucht van het onderwijs uit de Schriften, afgebeeld worden in het doopwater, de afwassing der zonden door Jezus’ bloed.

 

Ziet u de lijn: onderwijs, geloof, Doop. Zo is de Doop een teken en zegel van de door God geschonken genade.

Dopen in Naam van de drie-enige God betekent:

Ik geef je over op rekening van de drie-enige God. Ik dompel je onder in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Je verliest je eigen naam. Daar gaat een streep doorheen. Je komt te staan op rekening van God. Zijn eigendomsmerk staat gestempeld op je leven. Hij heeft recht op u. ‘U bent niet meer vrij om te leven naar het goeddunken van uw hart, maar u zult Mij voortaan gehoorzaam zijn.’ Is dat niet duidelijk?

En dan Titus 3 vers 5. De Doop is het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden, dat begrijpen we nu vanuit de volwassendoop, waarover het gaat in deze Zondag.

 

Wedergeboren tot een levende hoop.

Gemeente, kent u dat leven, dat nieuwe leven? Mag u zo de kracht van uw Doop belijden en beleven? Komt het offer van Christus u zo in uw Doop ten goede? U moet uw Doop niet overschatten. Maar laten wij ervoor waken dat wij de Doop niet ónderschatten.

Eerlijk waar, dat is gevaarlijk.

 

En weet u, er is ook een andere vreselijke mogelijkheid: Die gedoopt zal zijn en toch niet geloofd zal hebben - het gaat nu even over de kinderdoop - die zal verdoemd worden.

De eerste wereld ging ten onder in het water van de zondvloed en Noach met de zijnen werden erdoor gered.

Het water van de Rode Zee bracht Israël veilig aan de overkant en de Farao ging er in onder.

Gemeente, God neemt de Doop nooit terug. Bedenk dat. Ook jullie, jongelui! Als je op het punt staat om te denken: ‘Heeft het nog wel zin om naar de kerk te komen?’, bedenk het: dan zal de Doop eeuwig tegen je getuigen.

Jongelui, kom toch naar de catechisatie! Kom terug! Hoor naar de stem van de Vader! Hij ziet ernaar uit dat verloren zonen en dochters terugkomen. Want Hij roept. Je Doop zal eeuwig tegen je getuigen als je de dienst van God loslaat.

 

De Doop is zo’n troost! Luther had last van hevige aanvechtingen. En temidden van zo’n aanvechting riep hij hard uit: ‘Ik ben gedoopt! Ik ben gedoopt!’ Dat wil zeggen: God wil nooit meer van mij af! Is dat geen troost?

Dat ligt vast, gemeente. Daar mag u op pleiten in uw strijd tegen de zonde en uw verlangen naar vergeving.

‘O God, U hebt beloofd, toen ik gedoopt ben, dat er voor mij vergeving is en dat de Heilige Geest in Mij wil wonen. Met name ben ik genoemd.’

 

U mag pleiten voor uw kinderen die nog zonder God leven, al komen ze gelukkig wel mee naar de kerk, of die de dienst van God en de kerk al vaarwel gezegd hebben.

Misschien hebt u de doopkaart nog thuis in de kast liggen. Haal hem dan maar eens tevoorschijn en leg hem neer voor Gods aangezicht en buig uw knieën en zeg:

‘Heere, mijn kind draagt het teken van Uw verbond en toen is er gezongen: God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken.’

‘Rechten hebben we niet. En nochtans, o Heere, maar om Uws Naams wil, wij laten U niet los, tenzij Gij ons en onze kinderen zegent. Want U hebt gezegd: Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.’

 

Jongelui, jullie zijn gedoopt. Wat doe je daarmee? God heeft recht op je leven, op die nieuwe gehoorzaamheid, om de Heere te dienen en lief te hebben. De Heere is het zo waard. Hij heeft zo graag jonge rekruten in Zijn dienst.

 

O, buig je knieën en zeg:

Leer mij, o God van zaligheden,

Mijn leven in Uw dienst besteden.

 

Want dan ben je gelukkig. Nu en voor eeuwig.

 

Amen.