Ds. H. Brons - Genesis 15 : 17

De HEERE komt tot Abram

Genesis 15
Hij komt in de duisternis
Hij komt met Zijn Woord
Hij komt door een verbond
Hier spreekt God Het jaarthema van de Jeugdbond is ‘Hier spreekt God’. Het is mooi als jongeren de gemeente als hun thuis ervaren, maar de kern is dat ze in de gemeente de stem van God horen. Dáár draait het om. Met dit jaarthema wil de Jeugdbond de aandacht vestigingen op de prediking als centrum van het gemeente-zijn.

Genesis 15 : 17

Genesis 15
17
En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 118: 3
Lezen : Genesis 15: 7 - 18
Zingen : Psalm 18: 8
Zingen : Psalm 89: 13 en 14
Zingen : Psalm 97: 1 en 7
Zingen : Psalm 105: 5

Gemeente, het Schriftwoord dat we willen overdenken vindt u in Genesis 15; met als uitgangspunt het zeventiende vers:

 

En het geschiede, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

 

Ons thema is: De Heere komt tot Abraham.

 

Als het erover gaat hoe het komen van de Heere plaatsvindt, letten wij op drie aandachtspunten:

 

1. Hij komt in duisternis.

2. Hij komt met Zijn Woord.

3. Hij komt door een verbond.

 

De Heere komt tot Abram. We letten met ons eerste punt erop hoe Hij komt in duisternis. Daarover spreekt onze tekst in de eerste plaats: En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd. We lezen dat ook al in vers 12: En ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. Dit zijn belangrijke woorden. Als u de verzen die eraan voorafgaan leest, ziet u dat in het hart van Abram ook al iets van duisternis is, voordat de Heere tot hem komt.

In de tweede plaats komt de Heere met Zijn Woord. Daarover lezen we in de verzen dertien tot en met zestien: Toen zeide Hij tot Abram.

En ten derde spreekt de Heere door een verbond. Daarover lezen we in ons tekstvers en daarna: Kijk maar, Abram: En ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond. Door dit verbond komt Hij tot Abram.

 

Onze eerste gedachte:

 

1. Hij komt in duisternis

 

Het is nacht in het begin van hoofdstuk vijftien. Het is donker in de tent van Abram. Donker is het ook in zijn hart. Maar het blijft niet alleen maar donker. Want die donkerheid en die wolken staan de Heere niet in de weg. De Heere komt! Hij spreekt in vers 1: Ik ben u een Schild, Abram, Ik ben u een Loon zeer groot!

Wie verlangt er niet naar dat de Heere tot u, tot jou, zal spreken? Heb je erom gebeden?

Ik geloof dat Abram een gebedsleven kende. Dat hij gebeden heeft: Heere kom toch, spreek toch, help toch. En nu spreekt de Heere!

Als de Heere dan tot je spreekt ben je toch blij en verwonderd? Maar luister dan eens naar wat Abram zegt. Toen zeide Abram: Heere Heere, wat zult Gij mij geven? ‘Wat zult U mij geven, Heere? U zegt wel dat U het Schild bent dat mij beschermt, en U zegt wel dat U mijn Loon bent, dat zeer groot is, maar een zoon heb ik nog niet. U geeft wel veel, maar wat u ook geeft, ik heb nog geen zoon!’

Is het niet ondankbaar dat Abram dit zegt?

Nee, Abram stort zijn hart uit. De Heere weet dat. Hij kent die wolk in het hart van Abram die zijn hart zo donker maakt. De Heere begrijpt het. Hij begrijpt het volkomen.

Zijn er ook wolken in uw en in jouw hart, vandaag?

De Heere weet wat de diepte daarvan is. We lezen dat Hij Zijn kind mee naar buiten neemt: ‘Kom maar Abram, kijk maar omhoog. Het is wel nacht, maar het is niet donker. Want er zijn sterren. Kijk maar omhoog naar al die sterren die fonkelen in de nacht. Ga ze maar tellen Abram.’

In het Midden-Oosten is het veel donkerder dan het op veel plaatsen in Nederland ooit wordt. En Abram telt. Tot honderd misschien. Tot duizend? Nee, zo ver komt hij niet. Want dan moet hij telkens weer opnieuw beginnen. Want al die sterren pinkelen en flonkeren door elkaar. En waar was hij ook alweer begonnen? Abram, je kunt ze niet tellen, dat lukt je niet! Ik woon boven die sterren en Ik zeg je dit: ‘Zo ontelbaar als voor jou deze sterren zijn, zo groot zal het volk zijn dat Ik je geven zal.’

 

Abram ging met zijn raadsels naar de Heere toe. En de Heere spreekt en troost en onderwijst. En Abram? Hij zwijgt. Nu spreekt hij niet meer. Zijn hart is stil voor God.

Kent u dat; een stille nacht, door Zijn komst en troost? En Abram geloofde, staat er in vers 6. En dat is hem tot gerechtigheid gerekend. Door recht kwam er vrede in zijn hart. Daarom alleen kon het stil worden. De Heere laat dat ook in deze geschiedenis zien.

Nu spreekt de Heere opnieuw, zien we in vers 7. Voorts betekent: verder. De Heere gaat verder, verder met Zijn spreken. Dat hoeft niet in dezelfde nacht te zijn. Opnieuw spreekt de Heere: Ik ben de Heere. Hij is de eerste in Zijn komen, ook tot Abram. En nog is Hij de Eerste in het leven van al Zijn kinderen. Zo genadig is Hij! ‘Ik ben de Heere, die je uitgeleid hebt uit Ur der Chaldeeën. Zo ben Ik begonnen in je leven.’

Weet u het nog? Hoe de Heere begon in uw leven? Misschien kunt u het moment niet zo precies aanwijzen. Dan is het goed om erop te letten hoe de Heere uw leven geleid heeft.

Herkent u daarin Zijn wonderlijke genade voor een zondig mens? Voor Abram lag dat begin vast en duidelijk. ‘Abram, ga uit het land van je maagschap, van je familie, waar je de afgoden dient, naar het land dat Ik u wijzen zal. Ga!’

Met die roep van Zijn Woord maakte de Heere Abrams dode hart levend. Daar mag Abram weer aan denken in deze nacht als de Heere opnieuw spreekt: ‘Ik heb je uitgeleid, Abram, om je dit land te geven, om het erfelijk te bezitten.’

Maar nu is het weer nacht. We weten niet of het een heldere nacht met sterren is geweest. We weten wel dat er weer iets van duisternis was in het leven van Abram.

 

Hoe antwoordt Abram op de verschijning van de Heere?

Wel, hij zegt nu niet: ‘Wat zult U mij geven?’ Hij zegt iets anders: ‘Heere, U spreekt over het erfelijk bezitten van een land. Maar waarbij zal ik dat weten? Hoe kan ik het zeker weten?’

Alweer zo’n vraag van Abram waarvan je denkt: hoe kan dat nu? Is dat niet vreselijk ongelovig van Abram?

We zien hier weer de duisternis in het hart van Gods kind. Maar dit is geen ongeloof. Hoe weten we dat? Ongeloof is alles in twijfel trekken. Dat is alles van Gods Woord en van de Heere Zelf in twijfel trekken. In die kuil valt Zijn kind hier niet. Want dat de Heere gesproken heeft en het bevestigd heeft met het teken van de sterren staat vast. Je zult een kind krijgen, en er zal een volk uit geboren worden. Dat volk zal groot worden, ontelbaar groot, meer dan het getal van deze sterren.

Die belofte trekt Abram niet in twijfel. Die ligt vast, ook voor Abram. Daar komt hij niet op terug. Hij twijfelt niet aan de Heere. Hij gaat juist naar de Heere toe! Maar het ligt niet altijd vast in het hart van Abram zelf. En dat brengt hem naar de Heere.

Ik moet denken aan dat meisje, dat een vriend heeft. Hij heeft best vaak gezegd dat hij van haar houdt. Maar hij komt niet zo vaak bij haar. Hij is zo druk met zijn werk. Zij heeft vaak tegen hem gezegd: ik hou van je. Maar nu zegt ze: ‘Ik wil zeker weten dat je van me houdt. Je moet het niet alleen zeggen, je moet het ook laten zien!’ Ze zegt dit niet omdat ze twijfelt dat hij van haar houdt, maar ze wil het merken, ze wil het voelen. Ze wil weten dat ze veel voor hem betekent, dat hij ook dingen voor haar opzij zet. Dat ze echt belangrijk voor hem is. Dat ze samen mogen zijn en het zo goed mogen hebben. Dat verlangt ze. Zijn steun en zijn stem, en zijn sterke arm om haar heen.

 

Zo’n verlangen naar zekerheid merken we ook bij Abram. Hij weet dat het Woord dat God persoonlijk tot hem sprak vast en zeker is, maar hij wil het ook in de toekomst zeker weten. Nú weet ik het wel, want nú spreekt U, maar straks bent U niet meer zo dichtbij en dan hoor ik Uw stem niet meer. Dan is het zo donker in mijn tent, en in mijn hart. Als de sterren weg zijn dan weet ik het niet meer. En als de dag dan aanbreekt, dan brandt het zand van de woestijn, dan ben ik een vreemde in een land waarvan U zegt dat ik het erfelijk zal bezitten. Maar in dat land wonen heidenen. Zij zijn daar de baas.

De Heere weet van het verlangen van Zijn kind. Hij lokt het hart van Abram als het ware naar Zich toe en Abram legt het voor God neer.

Onze kanttekeningen zeggen dat Abram hier gelóóft. Dat is belangrijk, want: Wie tot God komt, moet geloven dat Hij is en een Beloner is van degenen die Hem zoeken. En dat gelooft Abram. Maar, staat ook in de kanttekeningen, dat is voor Abram niet genoeg. Hij wil meer horen, zodat zijn geloof zal versterkt worden. Het is zoals dat meisje dat tegen haar vriend zei: ‘Ik wil het zeker weten, ik wil het horen zodat ik het straks ook weet, als je weer weg bent.’ Abram vraagt dus een bevestiging ter versterking van zijn geloof.

Nu zou je tegen Abram kunnen zeggen: ‘Abram wees niet zo dom. Je moet niet zo tobben. Je bent zo rijk, je hebt alles wat een rondtrekkende herdersvorst zich ook maar kan bedenken. Je hebt een leger beschikbaar waarmee je de koning van het Noorden, Kedor-Laomer, de machtigste man van de aarde, kunt verslaan. Geniet toch van je rijkdom en van je onafhankelijkheid! Drink de welvaart in, geniet zolang je leeft!’

Maar dit kan Abram geen troost geven. Kent u dat? Wie is er vandaag rijker dan Abram? Hebt u iets van zijn rijkdom? Helpt dat om echt gelukkig te zijn? Abram is er niet mee geholpen. Het laat iets achter dat niet vervuld wordt, iets leegs. Het helpt Abram niet als je tegen hem zegt: ‘geniet maar’.

 

Het is eigenlijk best wonderlijk dat deze geschiedenis in de Bijbel staat. Zou de Heere daarmee willen zeggen dat Hij afweet van die tobbers onder Zijn kinderen? Omdat Zijn kinderen soms zo kunnen twijfelen? Het is immers niet voor niets dat de Psalmen daarover zo vaak spreken? Over strijd, over worstelingen, over wolken in een mensenhart. Ook na ontvangen genade. Zou de reden zijn, dat de Heere het hart van een mens kent, en weet wat eropaf kan komen? Zoveel verdriet, zoveel aanvechting. En de wereld om je heen die zo trekt. En er zijn zoveel krachten vanbinnen waardoor je aan het hier en nu vastkleeft en de Heere vergeet. Hoe snel wankelt een mens als de Heere Zich een ogenblik terugtrekt.

Keurt de Heere daarmee ongeloof goed?

Nee! Dat kun je zien in de Bijbel, in hoe de Heere Jezus omgaat met tobbers als Thomas. Jongens en meisjes, jullie zijn vandaag in de kerk. Thomas bleef thuis. Hij was er niet bij toen zijn broeders op zondag samenkwamen. Dat is niet goed. Waarom bleef hij dan thuis?

Omdat hij dacht dat het voor hem niet meer kon.

Maar toen haalden zijn broeders hem erbij. Dat mag jij ook doen als je merkt dat iemand er niet is.

Toen kwam de Heere. Hij bestrafte het ongeloof van Thomas. Hij bestrafte ook het ongeloof van de Emmaüsgangers, voor wie hun hoop was verdwenen. Dat waren eigenlijk ook kerkverlaters. Ze gingen weg van Jeruzalem, met wanhoop in hun hart. Tobbers, ongelovigen. Dat ongeloof bestraft de Heere. Hij benoemt het ook. En zo zie je Hem nog met Zijn kinderen handelen, Hij lokt hen naar Zich toe. Dan horen we de Emmaüsgangers zeggen: ‘Was ons hart niet brandende in ons, toen Hij op de weg met ons ging? Toen Hij de Schriften openende, en ons hart opende en het in brand zette?’

 

Zo handelt de Heere in deze geschiedenis ook met Abram. Hoe handelt de Heere nu op die vraag van Abram: ‘Waarbij kan ik het weten?’

Wel, Hij geeft Abram in vers negen de opdracht een aantal dieren te nemen. In de beschrijving van die verschillende dieren valt er iets op. Een driejarige vaars is een koe van drie jaar oud, een volgroeide, volwassen koe. Een driejarige geit, een driejarige ram – dat is een volgroeid mannetjesschaap; het zijn allemaal volwassen dieren.

Wat valt nog meer op? Het zijn reine dieren. Mozes heeft het opgeschreven. Het offer dat Abram mag brengen is van het beste dat hij heeft. Het zijn diersoorten die later in de tabernakeldienst gebruikt zullen worden. Daarna moet elk dier doormidden gekliefd worden. Twee kleinenere dieren zijn te klein zijn om te delen.

 

Abram doet wat de Heere zegt. Hij gehoorzaamt zoals hij altijd al gedaan heeft als de Heere iets van hem vroeg. Hij deelt de dieren middendoor met een mes. Zo sterven ze. Daarna verdeelt hij de dieren in zes delen. De vogels legt hij er ook bij.

Maar biedt dit nu hoop aan Abram? Is het een antwoord dat hem houvast geeft? Biedt het hem troost?

Calvijn zegt dat het karkassen zijn – restanten van dode dieren – waarnaar we kijken. Helpt je dat, Abram?

Ja het helpt! Neem voor Mij en deel… Ik denk dat het voor Abram duidelijk was: ‘Wat u geweigerd hebt van de koning van Sodom, dat bied Ik, de Heere je nu aan.’

Wat heeft Abram dan eerder geweigerd?

Een bondgenootschap! De koning van Sodom wilde Abram geven van de overvloed van Sodom. Hij heeft daarmee Abram van hem afhankelijk willen maken en hem bondgenoot willen maken in de gruwelen die ze op hun geweten hebben. En dat heeft Abram geweigerd. Hij wilde geen bondgenootschap in deze wereld.

Wanneer een vriend je meetrekt in het kwaad, moet je nee zeggen! Dat heeft Abram gedaan in Genesis 14. En nu laat de Heere door middel van deze dieren aan Abram weten dat Hij met hem in een verbond wil treden.

Daarop hopen we nog terug te komen, maar nu is het nog niet zover. Want de Heere gaat het nog donkerder maken. Abram heeft de dieren gedeeld. Hij werkt de hele dag. Want er komen vogels af op die stukken dier daar in het steppegras. Dat zijn vogels die graag het vlees van dode dieren eten. Het zijn gieren, aasgieren. Ze cirkelen op grote hoogte, ze zien daar beneden de delen van die dieren, en ze duiken eropaf. Ze proberen het vlees te verslinden.

Maar dat mag niet; het is voor de Heere. Abram doet er alles aan om ze weg te jagen. In de kanttekeningen staat: ‘met gesis’. In het Hebreeuwse grondwoord zit iets van een sisklank. Als jij een kat ziet, die een weerloos vogeltje besluipt, dan kun jij dat ook doen. Zo doet Abram dat ook. Hij jaagt die roofvogels weg. Het gaat nog goed ook, totdat het donker is. Dan is hij zo moe dat hij die doormidden gedeelde dieren niet meer kan beschermen. Het wordt donker. De nacht begint. De zon gaat onder.

Abram valt in een diepe slaap. Het is een soort bewusteloosheid, maar toch anders. Want zijn hoofd en zijn hart zijn erbij. Plotseling overvalt hem een grote schrik! We lezen dat er een schrik en grote duisternis op Abram vallen. Het wordt donker; de duisternis steeds dikker. Het is een andere duisternis dan die onze ogen kunnen zien. De duisternis van Gods majesteit. God komt..!

 

Gemeente, kent u dat komen van de Heere? Die schrik die op je valt omdat die ontzagwekkende majesteit zo dichtbij komt? Als die duisternis merkbaar wordt in je hart? Zodat ons gebed wordt: Heere, voor U kan ik niet bestaan?

Zo is dat hier bij Abram. Hij beeft voor Gods majesteit. Hij verkeert in grote schrik en duisternis omringt hem. In deze duisternis, komt de Heere – het is onze tweede gedachte – met Zijn Woord.

 

2. Hij komt met Zijn Woord

De Heere spreekt. Toen Hij tot Israël sprak vanaf de berg Sinaï, was de berg gehuld in wolken en duisternis. De Heere gaat spreken te midden van duisternis. Abram heeft gewerkt tot het donker werd. Nu is de avond aan het vallen.

Wanneer Abram diep in slaap is gevallen, komt de Heere tot hem. Hij spreekt met Abram op een bijzondere manier. Terwijl Hij Abram verootmoedigt, lokt Hij Abram tegelijk naar Zich toe en onderwijst Hij hem.

Abram mag dan veel leren van de Heere. Wat dan bijvoorbeeld?

Dat je heel erg je best kunt doen voor de Heere, maar dat je je vergist als je denkt dat je daar wat mee verdienen kunt. Voor wie dat denkt, is al dat werken vergeefs. Abram is tot op dit moment zo druk bezig geweest, dat hij er bij wijze van spreken bij neervalt, maar het is tevergeefs. In de duisternis kan hij die dieren niet meer beschermen. Hij heeft voor God gestreden.

Een heeft hij tegen God gestreden, toen hij in Egypte zijn vrouw en Gods belofte op het spel zette. Maar nu is Abram moe en valt hem alles uit handen. Alles is donker en Abram is uitgeput, uitgewerkt, moegestreden.

Wat moet Abram hier leren?

Dat het nu Gods tijd is. De Heere wil hem dat leren. Als onze wegen doodlopen, begint Gods weg. Straks zal Abram begrijpen wat de Heere hier doet. Je mag dat offer dat je Mij wilt brengen wel voorbereiden, Abram, maar Ik zal ervoor zorgen. Als jij niet meer kunt zorgen, zal Ik de betekenis van deze dieren met alle troost die erin ligt, tot je laten spreken.

 

Er loopt een lijn van deze dieren naar het volmaakte Offerlam Christus, maar Abram kent daar nog niet de volle diepte van. Later in zijn leven wel. Dat kun je heel duidelijk merken in Genesis 22 waar hij tegen Izak zegt dat de Heere Zelf voor een offerlam zal zorgen.  

Zoals hier bij Abram, kan het nog wel eens gaan. We kunnen de bijzondere zorg van de Heere in ons leven opmerken, zonder dat we werkelijk de diepte verstaan van het offer van Christus. Maar we zien in dit gebeuren dat de Heere voor alles wil zorgen. Als het offer van Christus nog verborgen is, wil de Heere er op Zijn tijd licht op werpen. Dat kan tot troost zijn voor wie worstelt om meer licht in zijn leven. De Heere gebruikt er Zijn Woord voor.

Nu mag Abram zich overgeven aan de Heere. De Heere zal opnieuw tot hem spreken. Eerst over moeilijke dingen, daarna ook over heel rijke dingen. Hij zegt tegen Abram: ‘Dit land zul je krijgen in erfelijk bezit. Maar – staat er in vers 13 – weet voorzeker dat jouw zoon en zijn kinderen, vreemd zullen zijn in een land dat van hen niet is. Ze zullen er vreemd zijn.’ Dat wil niet zeggen dat ze vreemd zullen doen. Het zullen geen bijzondere mensen zijn. Nee, het betekent dat ze zich in dat land niet thuis zullen voelen.

Ook Abram was er ooit vreemdeling. Hij voelde zich thuis in Ur tot de Heere hem riep. Toen is Abram zich vreemd gaan voelen tussen dienaars van de afgoden. De Heere leidde hem weg van de afgodendienaars in Kanaän. Dan leef je en wandel je als een vreemdeling. Niets is van jou. Nergens ben je thuis, ook niet in het land waarin je woont. De pinnen van je tent mogen niet te vast in het zand. Je moet weer verder trekken.

 

Het leven van Abram is een beeld van het leven Gods kinderen. Als het goed is, ook van ons. Het echte christelijke leven heeft iets van leven als een vreemdeling. Dan voel je je niet meer thuis in de wereld zoals vroeger. Dan wordt waar je vroeger je levensgeluk van liet afhangen, je tot zonde. Het nam de plaats in die alleen God toekomt. Dan mist je leven een werkelijk doel.

Heeft de Heere je zo overtuigt van je zonde en je zo tot vreemdeling gemaakt?

Dat kun je weten. Dan sla je je pinnen niet te vast in. Je verwacht dan, als het goed is, een vaderland dat boven is. Leiden jullie zo’n leven?

 

Het zaad van Abram zal ook vreemd zijn. Ze zullen het land Kanaän door trekken. Niets zal van hen zijn. Daarna zullen ze dienen in een ander land. Wij weten welk land dat is: Egypte. Het volk dat daar woont – vers 14 – zal hen onderwerpen en verdrukken.

God tekent in deze verzen Zijn weg met kinderen van Abram. Het is de weg die de Heere gaat met Israël. Het is ook de weg die de Heere gaat met het beloofde Kind uit Israël. Dat Kind is Christus. Hij zal komen in een land dat vreemd voor Hem is. Hij heeft alles verlaten in de hemel en is op deze aarde gekomen. Niets was van Hem. Als Hij de stad wil ingaan moet Hij zelfs vragen om een vervoersmiddel, een ezel, zo nederig was Hij. Niets is van Hem. Hij is er vreemd. En Hij zal er dienen, Hij zal verdrukt worden tot de dood toe! Christus zal de Goddelijke eer achter Zich laten en tot de dood toe verdrukt worden.

De weg van Israël is hier de weg van Christus. Het is ook de weg van Zijn volk. Straks moet Israël voetstappen drukken in woestijnzand. Het is moeilijk om vreemdeling te zijn in een vreemd land. Om verdrukt te zijn. Christus heeft Zelf niets verkeerds gedaan. Hij droeg alle ongerechtigheden van de zijnen, Hij droeg de vloek van de wet. Hij werd verdrukt tot de dood toe.

                                                                                     

Wanneer de Heere onze ogen opent voor de geestelijke werkelijkheid van ons verloren bestaan, dan klaagt ons hart ons aan. Wij hebben zo veel misdaan. We hebben alles verkeerd gedaan tegenover God Die zo heilig is. Als we dat zien, breekt ons hart. Wat is het dan een wonder als je zien mag dat er Eén is Die de zonden droeg voor verlorenen.  Dan kan de worsteling van ons hart worden: hoe krijg ik genade bij God?

 

De Heere spreekt over moeilijke dingen, maar ook over rijke dingen. Want het zal voor Abrams kinderen door de dood, door de verdrukking en de slavernij heengaan. Maar er komen ook rijke dingen. In vers 14 staat dat ze zullen uittrekken met een grote have. Het bezit van Egypte, het goud, zullen ze opeisen en meenemen de woestijn in. Ze zullen terugkomen in Kanaän en daar wonen.

Het is nog is niet zover, want de ongerechtigheid van de huidige inwoners, de Amorieten, is nog niet vervuld. We lezen in vers 16 dat het land in erfelijk bezit is van de Amorieten. Het is weliswaar aan hen gegeven, maar niet voor altijd. De Heere kan het ook terugnemen.

De Heere let daarbij op de maat van zonden van de Amorieten. Als die maat vol is, vierhonderd jaar later, dan zullen de Amorieten gedood worden. Het is de opdracht van de Heere aan Israël om het oordeel van Zijn vloek over hen uit te voeren. De Heere Zelf zal het volbrengen aan Sodom. De maat van Sodom is nog niet vol. De Amorieten krijgen nog vierhonderd jaar.

Wat een indrukwekkende en huiveringwekkende woorden dat de Amorieten gedood zullen worden. De Heere Zelf zal hen in Zijn toorn straffen.

 

Wijzelf leven onder de bediening van het Nieuwe Testament. Voor ons geldt de opdracht onze vijanden lief te hebben. Maar de Heere vraagt ons wel om de zonde te haten. In dit Bijbelgedeelte lezen we dat de Heere op de zonde terugkomt. Want eenmaal zal de maat van de Amorieten vol zijn gezondigd. Onthoud dat. De maat van de zonde is eens vol! Het is alsof we Noach horen roepen bij die wonderlijke houtconstructie, die ark in aanbouw, op het droge, waarvan hij zegt dat het een schip is en waarmee hij waarschuwt: zorg dat je erbinnen komt.

Maar niemand luistert, de mensen halen hun schouders op. Hij zaagt en bouwt en timmert al zo lang! Petrus zegt in 2 Petrus 3 dat ze het geduld van de Heere opvatten alsof Hij niets zal doen.

 

In ons tekstgedeelte belooft de Heere het land Kanaän aan Zijn volk Israël. Hij vertraagt Zijn belofte omdat Hij geduld heeft met de Amorieten. Hij laat Zijn volk als vreemdelingen leven omdat Zijn geduld met de Amorieten zo groot is.

Nu is de Amoriet vandaag ook hier. Want wie is er meer, wie is er beter dan een Amoriet? We kunnen ons proberen te verstoppen achter ons nette gedrag. Maar heeft de Heere je wel eens laten kijken in de spiegel van de wet? Heeft Hij ons laten zien welke dingen we verkeerd doen? Hebben we ervaren dat we zondaar zijn? Kunt u eigenlijk eerlijk tegen de Heere zeggen: ‘Ik ben veel beter dan die Amorieten?’

De Heere zegt vandaag: ‘Er is een maat. Als die vol is gezondigd, dan voltrek Ik het vonnis dat over u geveld is om de zonde! Wat is het daarom nodig dat we een plaats weten om naartoe te vluchten. Ik mag u die wijzen. De Ark van behoud is vandaag geopend! Die Ark is Christus. Er is een geopende deur en een vrije toegang tot de troon van Gods genade! Haast u en spoed u om uws levens wil!

 

Ons laatste punt:

 

3. Hij komt door een verbond

 

Maar wij zingen eerst. Psalm 97 vers 1 en 7:

 

God heerst als Opperheer;

Dat elk Hem juichend eer';

Gij, aarde, zee en eiland,

Verheugt u in uw Heiland.

Hem dekt met majesteit

Der wolken donkerheid;

Hij vestigt Zijnen troon

Op heil'ge rijksgeboôn,

Vol recht en wijs beleid.

 

Gods vriend'lijk aangezicht,

Heeft vrolijkheid en licht

Voor all' oprechte harten,

Ten troost verspreid in smarten.

Juicht, vromen, om uw lot;

Verblijdt u steeds in God;

Roemt, roemt Zijn heiligheid;

Zo word' Zijn lof verbreid

Voor al dit heilgenot.

 

God komt door een verbond. De Heere spreekt. Met Zijn Woord komt Hij. En Hij komt met Zijn verbond. Abram had zijn hart voor de Heere uitgestort. De zon was al ondergegaan. Nu is het helemaal donker lees ik in vers 17. De zon zakt snel in Israël. Tussen de verzen 13 en 16 liggen misschien maar een paar minuten. Nu is de zon helemaal onder. Het is nu helemaal donker. En juist nu gaat de Heere spreken. Nu niet door Zijn Woord, maar door Zijn verschijning.

Abram ziet het. Waarschijnlijk is hij nu klaarwakker. Hij ziet enkel duisternis. De Heere komt in duisternis.

Hoe indrukwekkend is Zijn verschijning. Een mens kan daar niet voor bestaan. En juist nu komt God vol majesteit door een verbond.

In het woord verbond hoor je het woord ‘verbinding’. Deze God wil met Abram een verbond aangaan! Abram kan nu niet meer werken, niet meer de aasgieren wegjagen. Hij is moe en uitgeput. Maar nu komt God met Zijn verbond en wordt de betekenis van het delen van die dieren in twee helften duidelijk.

Abram kende die taal van het verbond. Wanneer in het Oosten twee partijen een verbond wilden sluiten, liepen die twee partijen tussen de stukken van die doormidden gesneden dieren door. Daarmee zeiden ze eigenlijk twee dingen. Kijk maar opzij naar die beide helften. Die stukken passen precies bij elkaar. Zo passen ook wij bij elkaar als verbondspartij.

En nog iets: Als je tussen die stukken door loopt, en links en rechts kijkt, dan zie je daar twee helften. Steeds weer. Gedode dieren. Zo wordt dit verbond bevestigd door de dood. Degene die het breekt zal sterven zoals dat dier werd gedood. Dat is een indringende boodschap. Abram begreep het goed.

  

Wat gebeurt er verder?

Het was donker, maar opeens is het licht. De Heere komt door licht! Door vuur en rook. Lees vers 17 maar: En er was een rokende oven en een vurige fakkel die tussen de stukken doorging. Klaar en helder was het gezicht dat Abram hier zag. Kijk, het is alsof de Heere Zelf tegen Abram zegt, en tegen ons vandaag: ‘Kijk, een rokende oven!’ Wij bakken ons brood meestal niet zelf, we kopen ons brood in de supermarkt of bij de bakker. Maar sommige mensen bakken het zelf. Dan gebruiken wij vaak een elektrische oven. Die was er toen natuurlijk niet. Je gebruikte een stenen oven. Die oven moest je met brandende takken heet maken, waardoor er rook uit de oven kwam.

Abram ziet nu zo’n rokende oven tussen de stukken doorgaan. De Heere komt met rook en duisternis, onder een heilig beven! Zo is Hij gekomen op Sinaï, dat hebben we gezongen. Zo komt Hij hier: in wolken en donkerheid.

Hij komt niet alleen met die rokende oven, maar er is ook vuur. We lezen over een vurige fakkel. Dat is vuur dat Abram kon verteren. Dat zou verdiend zijn, maar toch is hij niet verteerd! Het vuur geeft een helder licht. Wat kan Abram de in stukken gedeelde dieren nu goed zien. Hij ziet ze als in een gezicht dat zo veel troost bevat.

Welke troost dan?

Wel, er vallen licht en vuur op het verbond. Wanneer de Heere tussen de stukken doorgaat, dan ziet Abram dat die twee delen precies bij elkaar passen.

Kijk maar goed, Abram. Zo passen de partijen van het verbond bij elkaar.

Past Abram dan bij de Heere? Past deze God bij een zondig mens?

Ja! Want een rijke God, Die groot is in ontferming, past bij een arme zondaar. Dat mag Abram hier zien.

‘Kijk goed Abram. Die dieren zijn doormidden gedeeld. Ik maak nu een verbond. Te dienzelfde dage maakte de Heere een verbond. Kijk, Ik, de Heere ga er tussendoor. Ik alleen! Jij doet niets, Abram. Ik maak het verbond!’

 

Het verbond is dus eenzijdig in hoe de Heere de eerste is, maar het is tweezijdig in zijn bediening. Hoe wonderlijk en onverdiend, hoe indrukwekkend en genadig is de Heere in Zijn komst en Zijn bediening. Ik maak een verbond!

In het Hebreeuws staat er eigenlijk: Ik snijd het. Dan kun je begrijpen dat snijden de term was om zo’n verbondssluiting aan te duiden, want het wordt door gedeelde dieren bevestigd. Zij moeten sterven, zij moeten gedeeld worden.

Zo wordt een verbond gesneden. God snijdt een verbond. Hij is zonder zonde. Maar toch is er Iemand die van Gods zijde tussen de stukken doorgaat. Ziet u Hem?

Zou Abram Hem hebben gezien?

Zeker wel! Er is een tijd in het leven van Abram gekomen dat hij de diepte van Gods verbond heeft verstaan. Toen heeft hij gewezen op het Lam Gods. Dat gebeurde toen Abraham zijn zoon Izak aan de Heere moest teruggeven. De Heere heeft immers recht op alle eerstgeborenen, ja op ons allemaal. Wij hebben allemaal de dood verdiend. Maar dan mag Abraham zeggen dat God Zelf een Lam ten brandoffer heeft gegeven.

 

Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. Op Hem mag Abram nu zien. We lezen in het Evangelie van Johannes dat Abraham met verheuging verlangd heeft dat hij Gods dag zou zien, en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest (Joh.8:58).

Nu mag Abram deze verbondssluiting zien en het niet meer vergeten. Het mag hem tot troost zijn en veel vastheid bieden in de Heere. Dat is Abram nooit vergeten! Als God komt, dat vergeet je dat niet. Als Hij komt, als Hij het vastmaakt, dan onthoud je dat.

De Heere spreekt hier niet alleen, maar Hij maakt het ook vast en zeker! De Heere wijst hier op het Liefste dat Hij heeft. Hij wijst op een Lam, op Zijn eigen Zoon. Dat Lam is onschuldig, zonder zonde. Dat Lam neemt al de ongerechtigheid van de Zijnen op Zich en draagt ze weg tot in de dood.

Abram had gevraagd: waarbij zal ik het weten?

Hierbij Abram, bij Mijn Woord. Bij Mijn komst en bij Mijn verbond. Zodat je het nooit meer zult vergeten. Gods spreken is onuitwisbaar.

Kent u iets van Zijn komen en spreken, van dat weten zoals Abram hier leert? Van die dingen die ons van God, door Zijn Geest, geschonken zijn?

Gods Geest brengt die wetenschap in het hart van Gods kind. Zij hebben een hart dat door het geloof aan Christus is verbonden, zo is het verenigd aan de Levende.

Abram gelóófde. Dat is hem tot gerechtigheid gerekend. Maar de Heere geeft er nog iets bij. Als de Heere komt, dan geeft Hij in overvloed! Hij breidt hier Zijn belofte uit. Van rivier tot rivier is alles voor jou, Abram, voor jou en voor je zaad. Van de rivier de Eufraat tot de rivier de Nijl. Het is nog niet vervuld in de tijd van koning David, maar wel onder de regering van koning Christus. Van rivier tot rivier, tot aan de einden der aarde zal het zaad van Abram regeren.

 

We moeten eindigen. Hoe wonderlijk was de komst van de Heere tot Abram. Heeft u iets van dat wonder ervaren? Wat dat misschien vandaag? Was het duister? Of vindt u dat spreken over duisternis eigenlijk niet goed past bij deze geschiedenis? Zou je vooral over blijdschap moeten spreken?

Het is een heel groot voorrecht als de Heere vreugde en blijdschap in het hart geeft. Maar toch lezen we hier over verschrikking. Zo kan er licht vallen op onze verlorenheid.

Was er een pijl van Gods Woord die uw leven schampte? Of was het raak? Kunt u alles weer van u af schudden? Zoekt u liever maar de duisternis op, de duisternis van de vergetelheid – dan ben ik het maar kwijt, dan hoef ik niet te huiveren en te beven voor Gods Majesteit? Heeft u ervaren dat de Heere zo wonderlijk genadig is in Zijn komst?

Kan dat ook nog vandaag?

Ja, want Hij komt nog. Hij kwam tot Abram. Hij kwam in Zijn Zoon. En daarom komt Hij ook vandaag.

Heeft u die Naam van die God van het verbond gehoord? Eenzijdig in het sluiten, tweezijdig in zijn bediening? Die Naam waarin alle zaligheid ligt? Die Naam is er voor de grootste van de zondaren.

Waarbij kan ik het weten? Uit het Woord dat door de duisternis heen komt. Dat geeft zoveel vreugde, zoveel verrassing, zoveel verwondering. Waarom ik? Genade alleen uit een Ander. We kunnen niet zonder! Abram geloofde, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

 

Amen.

 

Psalm 105 vers 5:

 

God zal Zijn waarheid nimmer krenken,

Maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Zijn woord wordt altoos trouw volbracht,

Tot in het duizendste geslacht.

't Verbond met Abraham, Zijn vrind,

Bevestigt Hij van kind tot kind.