Ds. D. Rietdijk - Lukas 2 : 27 - 28

De geloofsgetuige Simeon

Lukas 2
Simeon en de Geest
Simeon en het Kind
Simeon en Gods eer

Lukas 2 : 27 - 28

Lukas 2
27
En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen;
28
Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide:

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofzang van Simeon: 1
Lezen : Lukas 2: 25: 38
Zingen : Psalm 84: 1 en 2
Zingen : Psalm 52: 7
Zingen : Psalm 63: 2

Gemeente, wij willen u het Woord van God bedienen, zoals u dat vinden kunt in het zojuist voorgelezen Schriftgedeelte: Lukas 2 vers 27 en 28. Wij lezen daar het volgende:

 

En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen. Zo nam hij Hetzelve in zijn armen en loofde God.

 

Wij willen aan de hand van deze tekstwoorden luisteren naar: De geloofsgetuige Simeon.

 

Wij overdenken dan drie dingen:

 

1.         1.  Simeon en de Geest. En hij kwam door den Geest in den tempel

2.  Simeon en het Kind. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen, zo nam hij Hetzelve in zijn armen.

3.   Simeon en Gods eer. En loofde God.

 

Dus: de geloofsgetuige Simeon. We noemen u als aandachtspunten:

1. Simeon en de Geest.

2. Simeon en het Kind.

3. Simeon en Gods eer.

 

1. Simeon en de Geest

 

Simeon is één van de geloofsgetuigen op het kerstfeest dat Lukas beschrijft. Tot driemaal toe komen wij in Lukas 2 van die geloofsgetuigen tegen. In vers 8 leest u: En er waren herders… In vers 25 lezen we: En zie, er was een mens… En in vers 36: En daar was Anna… Nu gaat het over die tweede geloofsgetuige, Simeon.

Doorgaans wordt verondersteld dat Simeon een oud man was. Wij geloven dat op grond van gegevens die de Schrift meedeelt over de omstandigheden, hoewel de Bijbel het niet uitdrukkelijk zegt. Wat de Bijbel wel zegt: Zie, er was een mens.

Dit is overigens een veelzeggend begin. Het wil zeggen dat wij beelddragers zijn, gevallen beelddragers; gevallen ambtsdragers ook. Dat is de betekenis van het woordje ‘mens’. Hij is een onttroonde koning; een profeet die de leugen is toegedaan; een priester die offert aan de afgod van zijn ‘eigen ik’. 

 

Nu staat er, de Bijbel vraagt er speciaal aandacht voor: En zie, er was een mens. Want er is met deze mens iets opmerkelijks aan de hand. Het bijzondere is niet dat hij te Jeruzalem woonde – al was daar wel het heiligdom van de tempel. Het opmerkelijke is ook niet dat hij Simeon heette – al betekent dat wel iets moois; want het betekent: ‘Jehovah heeft gehoord, of verhoord’.

Wat is dat mooi! Maar je kunt vlak naast het heiligdom wonen, en toch vreemd zijn aan God. Je kunt een prachtige naam dragen, en toch een leven zonder God leiden. Het gaat niet om onze menselijke naam, maar of wij voor God zijn zoals onze naam uitdrukt. Zijn wij voor God, zoals wij ons uiterlijk voordoen?

De naam Simeon betekent dus ‘verhoring’. Maar de vraag is tegelijk: Zijn wij biddende mensen? Zijn wij in ons leven bidders geworden? Daar gaat het om.

Met deze Simeon is er dus iets bijzonders: En zie, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon. We lezen over hem dat hij rechtvaardig was, dat hij vroom was, dat hij de vertroosting Israël verwachtte, en dat de Heilige Geest op hem was. Dat zijn dus vier opmerkelijke dingen die van Simeon gezegd worden.

 

Simeon was rechtvaardig. Lukas wil ermee zeggen dat hij trouw was aan de wet van God. Hij trachtte naar de inzettingen en naar de rechten des Heeren te leven. Hij was een man die zijn gang richtte naar de wet des Heeren. Lukas schrijft dat ook over Zacharias en Elisabeth: Zij waren beiden rechtvaardig voor God (Luk.1:6). Zij waren beiden godvrezend. Godvrezend – dat staat er van Simeon ook. Het Griekse woord voor ‘godvrezend’ kunt u ook met ‘vroom’ vertalen. In onze dagen heeft men vaak iets tegen dat woord ‘vroom’, maar het is een Bijbels woord, dat ‘gewetensvol, consciëntieus, voorzichtig’ betekent.

Simeon overwoog zijn daden én zijn woorden. Hier ziet u de vreze Gods – de voorzichtigheid der rechtvaardigen – zoals in Lukas 1 vers 17 staat. U moet daarbij bedenken dat de hoedanigheden ‘rechtvaardig’ en ‘Godvrezend’ geen kwaliteiten van Simeon zelf waren; nee, het zijn vruchten van genade, die in zijn leven openbaar kwamen.

 

Simeon was een mens; niets goeds is van hem te verwachten. Maar hij was een begenadigd mens; dat komt uit in de vruchten van zijn leven. Die komen openbaar in zijn handel en wandel. De woorden die Simeon sprak waren in overeenstemming met zijn daden. Hij leefde door de genade van God in de vreze van God.

Gemeente, het bruiloftskleed van Christus’ gemeente is het sieraad van Gods Kerk. Als de gemeente Gods wandelt in de vreze des Heeren wordt het waar wat de psalmdichter zingt:

 

Des Heeren vrees is rein;

Zij opent een fontein

Van heil, dat nooit vergaat.

 

En de dichter van psalm 93 zingt:

 

De heiligheid is voor Uw huis, o Heer’,

Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.    

 

We zagen dat Simeon rechtvaardig en godvrezend was. Het derde wat over hem gezegd wordt is dat hij de vertroosting van Israël verwachtte. Simeon verwachtte de vervulling van de Messiaanse belofte. Daarbij moet u altijd bedenken dat verwachten in de Bijbel niet ‘wachten op’ betekent, maar dat het een verlangend uitzien is naar de vervulling van wat beloofd is. Het is een voortdurend en vertrouwend verwachten van de vervulling van de beloften.

Want Simeon zag uit naar de vertroosting van Israël, die in Jesaja 40 was beloofd: Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen (Jes.40:1). En Jesaja 49: Juicht, gij hemelen (…), want de Heere heeft Zijn volk vertroost (Jes.49:13). En Jesaja 61: Om alle treurigen te troosten.

Het volk Israël troosten – dat zou de Heere doen door de Knecht, Die Hij zenden zou; op Wie de Geest des Heeren Heeren zou rusten. Dat zou de Heere doen door de Messias, door Christus. Christus zal teruggeven wat wij kwijtgeraakt zijn. Hij zal Israël Zijn vertroostingen weergeven.

 

En dan, dan is er opeens in Jeruzalem een man… Zoveel eeuwen nadat de profetie voor het laatst geklonken heeft, het godsdienstige leven in Israël was ingezonken, het wetticisme de overhand heeft gekregen, de vrijzinnigheid der sadduceeën en de dode rechtzinnigheid van de farizeeën opgeld doet… dán is er een mens te Jeruzalem…

Wonderlijk! Die mens was rechtvaardig en Godvrezend, en hij verwachtte de vertroosting van Israël. Na zoveel eeuwen is er een mens te Jeruzalem, die ondanks alles – daar hebt u nu de kracht van de genade Gods – de Vertroosting van Israël verwachtte.

U ziet hier de kracht van de genade Gods. In een tijd waarin niets anders te zien is dan vorm, dode rechtzinnigheid, vrijzinnigheid en wat al niet meer, is daar opeens een mens te Jeruzalem die met een groot verlangen uitziet naar de komst van de Messias.

Deze Simeon verwacht de vervulling van de belofte. Dat wil zeggen dat hij een biddende man is. Want je kunt niet verlangend wachten zonder het gebed. Simeon heeft evenwel niet staan bidden op de hoeken der straten zoals de farizeeën, maar hij is wel een man geweest die heeft gezucht en verlangd naar de komst van de Heere Jezus Christus in het vlees. Deze Simeon, wiens naam betekent: ‘Jehovah heeft verhoord’, zal de verhoring van zijn gebed verkrijgen.

 

Van die wachters als Simeon waren er meer. Anna behoorde bij hen. Zij kende ook allen in Jeruzalem die de verlossing te Jeruzalem verwachtten. Ze kende de adressen van al die mensen die verlangend uitzagen naar de komst van de Messias; straks zal ze hen opzoeken. Ook al is de kerk, net als in de dagen van Achab, diep ingezonken, er zullen toch altijd mensen zijn die hun knieën voor Baäl niet gebogen hebben en wier monden die afgod niet gekust hebben.

Verwachten wij de Heere ook zo, telkens opnieuw? Want de Heere Jezus komt straks voor de tweede maal, op de wolken des hemels. Hij komt aanstonds weer. Zien wij met een groot verlangen uit naar Zijn komst, om dan ten volle te genieten van de vervulling van de belofte Gods in Christus Jezus? Of verdringen we heimelijk de gedachte aan Zijn wederkomst? Hebben we eigenlijk wel belang bij Zijn spoedige komst?

Hoe ligt dat in uw leven? Bent u zo’n Simeon of zo’n Anna, die zegt: ‘Kom Heere Jezus, ja, kom haastig? Of ligt het zó in uw leven, dat uw blik op de aarde gericht is, heeft u uw plaats op deze aarde gevonden, en wilt u daarom die tweede komst – zo dat mogelijk zou zijn – uitstellen?

De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? (Luk.18:7).

Jazeker, Hij zal geloof vinden! Er zullen mensen zijn die met opgericht hoofd de Heere Jezus uit de hemel verwachten, om dan ten volle de belofte Gods te genieten. Maar de Heere zegt wel dat hun getal klein zal zijn. De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? Simeon was er. Anna ook. En met hen ook al degenen die de vertroosting te Jeruzalem verwachtten.

 

Het vierde wat van Simeon wordt gezegd is, dat de Heilige Geest op hem was. Dat verwijst naar de werking van de Heilige Geest in Simeon. De Pinksterdag is nog niet aangebroken, want dan gaat Hij wónen in het hart van de kinderen van God. Nu werkt Hij als de Geest der profetie in op het hart van Simeon. Het was de Geest die op de bijzondere ambten in Israël rustte.

Tot drie keer toe wordt er in deze geschiedenis gesproken over de Geest. In de eerste plaats wordt er in vers 25 gezegd: De Heilige Geest was op hem. In de tweede plaats staat er in vers 26 dat de Geest een Goddelijke openbaring gedaan had aan Simeon en in de derde plaats staat er dat Simeon door de Geest in de tempel kwam. Dus het hele leven van Simeon wordt beheerst door de Geest van God.

Wat is het toch een geweldige grote genade als wij door de Geest van God geleid worden. Want de apostel zegt: Zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom.8:14). Het allergrootste voorrecht dat je kunt ontvangen is om een kind van God te zijn.

Het is groot een profeet te zijn, maar hij blijft een knecht. Een kind heeft echter een Vader, en een kind heeft een huis. Gemeente, het is een groot voorrecht om in dienst te zijn van de Koning. Maar het allergrootste voorrecht is om kind te zijn; om God als Vader te hebben en een hemels thuis te hebben. Om een woning te hebben bij God. Zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods (Rom.8:14).

 

Simeon was dus een kind van God. Hij had door de Heilige Geest, Die hem leidde, een Goddelijke openbaring gehad; een rechtstreekse belofte van God dat hij zou niet sterven, eer hij de Christus des Heeren zou zien. De belofte van het Oude Testament zou vervuld worden, eer hij zou sterven. Simeon als laatste Oudtestamentische profeet mag de vervulling van deze belofte zien. Velen hebben over de belofte van Christus gesproken, maar ze hebben Hem niet gezien. In het Oude Testament komt u ze allen tegen.

Maar Simeon krijgt door een Goddelijke openbaring van de Heilige Geest de belofte: ‘U zult niet sterven eer dat de belofte van het Oude Testament is vervuld.’ Simeon heeft die belofte geloofd en de vervulling ervan gezien.

 

Gemeente, Simeon kon niet sterven zonder Christus. Hij was wel rechtvaardig en godvrezend, een profeet van de Heere God – dat is een groot voorrecht – maar hij kon met al die dingen niet sterven. Simeon kon niet sterven met zijn eigen rechtvaardigheid, maar alleen met de genoegdoening van de allerhoogste Profeet, Priester en Koning. Hij kon alleen maar sterven met Jezus, met niemand anders. Simeon heeft verlangend uitgezien om Hem te ontmoeten, Die zijn gerechtigheid voor God was. Alleen door de gegeven Zaligmaker en Zijn verzoenende werk kon hij God ontmoeten.

Zalig bent u wanneer u dat door de Heilige Geest geleerd hebt. De Heilige Geest leert dat nog steeds, hoor. Hij leert ook vandaag nog de les dat u buiten Jezus niet anders dan de dood kunt verwachten.

Buiten Jezus heeft u geen leven! Als u dat gaat zien gaat al uw eigen werk zijn waarde verliezen. Dan kunnen we voor God niet meer bestaan. 

 

Ook Simeon heeft zich niet beroemd op zijn godvrezendheid of op zijn rechtvaardigheid, hoewel de Heilige Geest er wel getuigenis van geeft. Nee, hij is iemand die in zichzelf alleen maar tekorten ziet. Als u hem zou gevraagd hebben: ‘Ja maar, Simeon, moet je luisteren, je bent toch godvruchtig, je bent toch rechtvaardig en je bent toch een profeet van God? Kijk toch eens in je leven wat je allemaal ontvangen hebt.’ Simeon zelf zou het u niet eens verteld hebben, hij zou gezegd hebben: ‘Och, u moest eens weten, hoe het er in mijn hart uitziet.’

Ja, hij zou best wel verteld hebben, wat er in zijn hart zoal omging, welke tekorten er in zijn leven lagen, waar hij in de fout gegaan was, en hoe dikwijls hij struikelde…  Maar dan zou hij ook gesproken hebben van de verwachting die hij had op de belofte Gods; dat hij de Christus des Heeren zou zien, eer dat hij ging sterven.

Wat zijn wij gelukkig wanneer we erachter komen dat wij voor God niet kunnen bestaan. Niet met ons ambt, niet met onze godsvreze, niet met ons doen of laten. Gelukkig zijn we als Jezus ons zo noodzakelijk wordt, dat wij zeggen: ‘Heere, geef mij Jezus, of ik sterf.’ Gelukkig zijn we als de Naam van Jezus ons zó dierbaar wordt dat er niets in de wereld ons hart vervullen kan, en niets ons zo veel blijdschap kan geven dan alleen maar die ene Naam.

 

Hij kwam door den Geest in den tempel… De Geest Die op Simeon was en Die hem een openbaring heeft gegeven, diezelfde Geest leidt hem ook tot het Kind Jezus. Simeon werd gedreven door de Heilige Geest om naar de tempel te gaan. Hij kon onmogelijk thuisblijven. Hij moest naar de kerk, hij moest naar het huis des Heeren.

Dat doet de Geest vandaag nóg; Hij drijft mensen uit naar de kerk. Jongeren, het is niet best met jullie gesteld als je zo gemakkelijk thuis kunt blijven, als je zo gemakkelijk je Bijbeltje dicht kunt laten, en zo gemakkelijk kunt zeggen: ‘Nou ja, het regent zo hard’, of: ‘Ik ben verkouden, of wat dan ook, ik blijf maar thuis.’  

Gemeente, als uw ziel weet dat Jezus alles is, en er buiten Jezus niets is, dan gaat u graag naar de kerk, dan luistert u graag naar het Woord van God. Want dan wil je over Hem horen, dan wil je van Hem iets ontvangen. Er zijn mensen die naar de kerk toe komen, om daar iets te horen over die Naam van Jezus. Zij gaan luisteren naar de stem van de Herder. Zij gaan luisteren of Hij iets tegen hen zeggen wil. Het gaat hen immers om die Naam van Jezus!

Dan leidt die Geest mensen naar de kerk. Hij brengt ze naar de tempel zoals Hij dat met Simeon deed. Hij drijft mensen uit naar het huis des Heeren. Hij wekt de begeerte, Hij schenkt het verlangen, Hij schenkt het uitzien. Hij leidt tot het Kindeke Jezus.

Als de Geest u uitdrijft naar de tempel, als de Geest u naar het huis des Heeren leidt, dan zal die ontmoeting ook plaatsvinden. Want gemeente, de Geest des Heeren doet zoiets niet voor niets. Als Hij ze bij dat Kindeke Jezus gebracht heeft, dan heeft Hij Zijn taak vervuld. Hij zal zulke mensen brengen bij Jezus en hun ziel verzadigen met Jezus. Wij gaan dat zien in onze tweede gedachte:

 

2. Simeon en het Kind

 

Simeon zal de Christus des Heeren zien eer hij sterft. Als de Geest des Heeren Simeon naar de tempel drijft, dan is dat precies op het ogenblik dat Jezus daar ook is. Waar de Geest de leiding heeft kan het niet misgaan. Zowel Simeon als Jezus komen naar het huis des Heeren; naar het huis des Vaders. Naar dat huis komt een aangenomen kind; hij heet Simeon, en ook de eeuwige, natuurlijke Zoon – Zijn Naam is Jezus. Het aangenomen kind wordt geleid door de Geest der aanneming tot kinderen; en de eeuwige, natuurlijke Zoon van God wordt als een arm mensenkind gedragen in de armen van Zijn moeder.

We zien nu in de tempel Simeon staan, een aangenomen kind, en Jezus, in de armen van zijn moeder. Wij zien als het ware het beeld dat de apostel Paulus in Galaten 4 beschrijft: Maar als de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, Opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. En overmits gij kinderen zijt, zo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader (Gal.4:4-6). Simeon, de aangenomen zoon, en Jezus, de natuurlijke Zoon. Zij staan daar, op dat tempelplein! 

 

Geworden uit een vrouw. Maria draagt haar Kind het huis van de Vader in. Hier hebt u het wonder van het kerstfeest. Maria draagt het Kindeke Jezus in haar armen. Gods eniggeboren Zoon nam onze menselijke natuur aan. Geworden uit een vrouw. Mens onder de mensen. De mensen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde.

Hij is gekomen is onder de wet, want Hij komt als Zaligmaker, als Verlosser. Hij komt onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet zijn, verlossen zou, en opdat zij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden. Hij verlost van de wet, Hij verlost van de vloek van de wet. Daarom kwam Hij op deze aarde. Hij verlost van de straf. Hij verlost ten diepste van de eis van de wet. Hij stelt Zijn kinderen in de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods, omdat zij geleid worden door de Geest.

 

Dan wordt het Kindeke Jezus door Maria de tempel in gedragen. Om met Hem te doen naar de gewoonte der wet (Luk.2:27). Het Kind Jezus is nu in Zijn eigen huis; waar alles van Hem spreekt.

Alles in de tempel sprak van Hem Die komen zou. Het brandoffer sprak van Hem. Het wasvat sprak van Hem. Het Heilige met de toonbroden, het wierookaltaar, de kandelaar; dat alles sprak van Hem. De ark in het binnenste heiligdom van de eerste tempel, het verzoendeksel, het bloed; alles sprak van Hem en de verlossing door Hem.

Zo zien wij veertig dagen na de geboorte van Jezus Jozef en Maria met het Kind naar de tempel komen, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen. Er wordt dan voor Hem een offer gebracht. Maar straks als Hij drie en dertig jaar oud geworden zal zijn, dan zal er door Hem een offer worden gebracht.

Dat offer zal alle ceremoniën van de wet tenietdoen. Jezus zal dan Zichzelf offeren. Door dat offer alleen kan nu Simeon zalig worden. Door dat volmaakte offer alleen kan nu die godvrezende en rechtvaardige Simeon, op wie de Geest des Heeren was, zalig worden. Zalig worden, alleen door het bloed van het Lam!

Gemeente, dat is de enige grond voor u en voor mij om zalig te kunnen worden. Een andere grond is er niet. Wend of keer het zoals u wilt, maar er is maar één fundament wat gelegd is, en een ander kan niet gelegd worden. Het is het fundament van het bloed van Jezus. Alleen dat strekt tot zaligheid!

 

Gemeente, wij spreken over een fundament waarop uw ziel rusten mag, waardoor u vrede mag vinden met God. O, de tempel spreekt over allerlei offers die gebracht werden, maar dat Kind, dat daar gedragen wordt door Maria, en voor Wie een offer gebracht wordt, dat is het ware Offerlam, dat God Zelf geeft. Het Lam dat Zichzelf offerde. Door dat Lam kunnen we alleen zalig worden. Dat is nu de prediking van deze dag: Hij verlost van de wet, omdat Hij de wet vervult, en omdat Hij de straf der wet gedragen heeft.

Hij, het Kindeke Jezus, komt in de tempel in de gestalte van een arm mensenkind. Want als Maria en Jozef op het tempelplein komen om hun reinigingsoffer te brengen, dan brengen ze niets meer mee dan het offer der armen: twee tortelduiven of twee jonge duiven. Zo arm was het Kind! Wat een prediking gaat daarvan uit! Hij is gekomen in deze diepe armoede, opdat Hij mensen eeuwig rijk zou maken.

 

Gemeente, wij zijn nameloos arm. De armoede van ons leven is zo ontzettend groot. We zijn alles kwijt, en we missen wat onmisbaar voor ons is. Wij zijn zo nameloos arm dat onze armoede alleen maar getekend kan worden in het woord ‘verlorenheid’.

Maar nu daalt Jezus in die armoede af. Jozef en Maria hadden niet meer dan twee jonge duiven of twee tortelduiven. De Zoon van God, die de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, is de mensen in alles gelijk geworden. Arm! Opdat Hij hen door Zijn armoede rijk zou maken. Want Hij verwerft niet alleen de vergeving van schuld en van zonden, nee, Hij is ook neergedaald op deze wereld opdat zondaren de Geest der aanneming tot kinderen zouden ontvangen. Opdat zij tot kinderen Gods zouden worden aangenomen... Dat wil zeggen dat ze erfgenamen van God en mede-erfgenamen van Christus zullen worden. Zij zullen de eeuwige gemeenschap met God beërven, en de eeuwige zaligheid in de hemel nabij God. Voor eeuwig zullen zij dit ontvangen! Daarom komt dat Kindeke zo arm, opdat Hij de rijkdom van de Kerk zou zijn.

 

Om naar de gewoonte der wet met Hem te doen. Met twee duiven staan Maria en Jozef met het Kindeke in de Voorhof. Ook staat daar – geleid door de Geest – Simeon. Die beide ontmoeten elkaar: het Kindeke Jezus, de natuurlijke Zoon, en Simeon, de aangenomen zoon.

God de Vader ziet nu met welgevallen neer op die ontmoeting tussen deze twee. Want Hij heeft er een welbehagen in, dat de gezonden eniggeboren Zoon van God de aangenomen zoon Simeon ontmoet. Hij gaf het Kind voor zondaren opdat zij tot kinderen aangenomen zouden worden. Hij brengt ze daartoe door de Geest bij elkaar.

Gemeente, bent u nu ook bij Hem gebracht door diezelfde Geest? Door die Geest geleid in de tempel en daar Jezus ontmoet? Want de opdracht van de Heilige Geest is om Christus te verheerlijken. Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen (Joh.16:14). Daarover gaat het nu in onze tekst!

De Geest leert Christus kennen. En als we Christus leren kennen, wordt uw ziel met een wonderlijke vreugde vervuld. Dat is zo’n wonderlijke vreugde, zo’n wonderlijke vrede, als we Christus in het Woord mogen ontmoeten in het huis des Heeren. Als een arm mensenkind, arm in onszelf, verloren in onszelf, dat buiten Jezus niet meer kan leven! Dan vervult blijdschap onze ziel, net als bij de herders, net als bij Anna, net als bij Simeon.

 

Gemeente, we komen vandaag de dag veel mensen tegen die bang zijn. Bang hiervoor, bang daarvoor. Bang voor deze stroming, bang voor gene stroming… Maar ik vraag me wel eens af: Bent u zelf dan nooit blij geweest? Bent u weleens blij geweest, met die blijdschap in God, vanwege dat Kindeke Jezus? Want de Geest brengt arme zondaren bij die Wetsvervuller, bij die Zaligmaker, bij de Zoon van God, Die ook de Zoon des mensen is. Dan gaat het niet meer om rechtzinnige termen, dan gaat het niet meer om een rechtzinnige levenshouding, maar om dat levende Kind. Dan gaat het om de hartelijke beleving van het ‘ook voor mij’, om de hartelijke beleving ‘ook voor mij hebt G’Uw rijkdom ontzegd’. Want er staat: Zo nam hij Hetzelve in zijn armen. In dat arme Kind ziet Simeon de Zaligmaker, de Christus des Heeren, de Gezalfde van de Vader.

Dit is nu het grote werk van de Heilige Geest. Want Simeon kan tevoren van alles gedacht hebben over die Messias, over Zijn heerlijkheid, over de glorie waarmee Hij komt, over de grootheid die Hij heeft… Maar als Simeon Hem ontmoet, dan staat er een arme moeder uit Galilea tegenover hem met een klein Kind op de arm, dan is er geen heerlijkheid aan Hem te zien, dan wordt het offer der armen voor Hem gebracht.

Maar het geloof ziet door Maria en door de armoede en het armenoffer heen, het ziet door het alledaagse heen, ja, het geloof ziet in dat gewone Kind de Zaligmaker. De priesters hebben er geen acht op geslagen; want ze hadden het te druk. De Levieten kwamen ook niet nieuwsgierig toegelopen; ze waren met andere dingen bezig. Ze hebben hun neus voor dat Kind opgetrokken; dat kon niets wezen. Als Simeon straks gaat zingen, zullen ze denken dat die man wat overspannen is.

 

Gemeente, je kunt aan weinig mensen dat geheim van deze Zaligmaker kwijt; er staat maar een klein koppeltje om Hem heen. Er staan hooguit vier mensen: Anna en Simeon, Jozef en Maria. Meer niet. De omstanders hebben gedacht: Het zijn allemaal dwazen. Het is te gewoon, te alledaags… Zo eenvoudig gaat dat niet!

Maar hebt u in dat alledaagse tafereel het wonder gezien? Of zou het kunnen dat die Naam van Jezus voor u alledaags is geworden? Is de Christus des Heeren misschien te gewoon voor u geworden? Al talloze malen over Hem gehoord, al zovele malen kerstfeest gevierd; al zo vaak het Evangelie gehoord. Het spreekt ons niet meer aan; duizenden gaan zo aan het Kind voorbij.

Maar als wij nu door het geloof en door de verlichting van de Heilige Geest in het Woord over dat Kind lezen, dan gaan we in dat alledaagse en dat gewone, het wonder zien. Dan leest en hoort u voor het eerst over de Naam Jezus. Dan gaat u voor het eerst Zijn heerlijkheid zien. Dan krijgt u voor het eerst oog krijgen voor die peilloze diepten van Gods genade en van Gods eeuwige liefde. Dan gaat u in dat alledaagse, in dat heel gewone, het nieuwe zien, het wonder, het Godsgeheim. Het Kindeke Jezus – arm, klein; gewoon mens. Maar dat wordt dan juist het wonder. Gods Zoon in mijn plaats gekomen, om mij zalig te maken.

 

Simeon neemt het Kindeke Jezus in zijn armen. Dat wil zeggen: hij eigent Het zich toe. Hij zegt: ‘Dat is nu mijn Jezus!’ Ja, hij neemt het Kind in zíjn armen en eigent Het zich toe.

Maar u vraagt: ‘Mag dat dan? Mag hij Het zich zomaar toe-eigenen?’

Gemeente, het geloof vraagt niet of het mag. Er wordt namelijk iets gegeven; en dat neemt het geloof aan. Het geloof is toe-eigenend van aard. Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven (Jes.9:5). Het geloof omhelst dat Kindeke, want Het is een Godsgeschenk, Het is Gods Gave. Het is niet geoorloofd, om Het niet aan te nemen!

Zo nam hij Hetzelve in zijn armen. Het geloof ontvangt wat gegeven wordt. Het zegt: Mijn Heere en mijn God (Joh.20:28). God legt dit Kind op de aarde.

Zalig is hij of zij die dit Kind vindt in dat heel ‘gewone’ Woord; wie dit Kind in de Bijbel mag vinden, Het in zijn armen zal nemen, en dan zeggen mag: ‘Mijn Zaligmaker!’ Maria heeft al gezongen voordat dat Kind geboren werd:

 

Mijn ziel verheft Gods eer;

Mijn geest mag blij den Heer’

Mijn Zaligmaker noemen.

 

Simeon zingt het nu ook. En daar ligt dat Kindeke Jezus, Dat alle dingen draagt door het Woord van Zijn kracht, om Wie en door Wie alle dingen zijn. Dat Kind ligt nu in de armen van een mensenkind. Van een mens, genaamd Simeon.

 

Gemeente, het is voor Simeon de dag der zaligheid. Wat heeft deze man daarnaar uitgekeken. Wat heeft deze man toen het wonder van de genade van God mogen ervaren; een wonder, zo groot, een wonder zo diep, dat hij het met zijn kleine mensenhart niet heeft kunnen bevatten. Hij heeft slechts kunnen stamelen van de grootheid en de goedheid Gods. Hij kon het misschien alleen maar verwoorden zoals de dichter van Psalm 52 vers 7 heeft gedaan. Wij zingen deze psalm:

 

Mijn God, U zal ik eeuwig loven,

Omdat Gij het hebt gedaan;

‘k Verwacht Uw trouwe hulp van boven;

Uw waarheid zal bestaan;

Uw Naam is voor ’t oprecht gemoed

Van al Uw gunstvolk goed.                     

                                                                                                                             

Tenslotte ons derde punt:

 

3. Simeon en Gods eer

 

Gemeente, het gaat bij het kerstfeest om Gods eer. De engelen hebben de aanzet daartoe gegeven met hun engelenzang: Ere zij God in de hoogste hemelen (Luk.2:14). Want in het paradijs was Gods eer geschonden. Toen is de nacht over deze wereld gedaald en is het op deze aarde stil geworden. Gods lof werd niet meer bezongen. Niemand vroeg meer naar zijn Maker, Die de psalmen geeft in de nacht (Job35:10). De mens beoogde en zocht Gods eer niet meer. Maar God zal nu Zelf zorgen voor Zijn eer.

Want: Hij heeft Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw. Opdat deze Zoon Zijn eer zou herstellen. Want Hij zal van mensenkinderen die niet meer Gods eer bedoelen, mensen maken die Zijn lof gaan vertellen. Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes.43:21). Mensenmonden zullen weer gewagen van de grote daden des Heeren en van de heerlijkheid des Heeren. Vernieuwde mensen, die het niet meer gaat om eigen eer, maar om Gods eer.

De vrucht van dit alles ziet u op het kerstfeest. De engelen hebben hun lied ingezet; de herders namen het over. Zij verheerlijkten God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was (Luk.2:20). Simeon doet het nu ook. Hij neemt het Kindeke in zijn armen, en hij looft God.

 

Simeon is niet begonnen met over Hem te spreken tot anderen. Maar hij zal dit wel doen; want dat is nodig. Als wij dat Kindeke hebben leren kennen, dan zullen wij over dat Kind gaan spreken. Dan zal het waar zijn:

 

‘k Heb and’ren al de rechten van Uw mond

met lust verteld, hen vlijtig onderwezen. 

 

Het is onmogelijk dat degenen die Jezus omhelzen, niet van Hem zouden getuigen. De stenen zouden eerder gaan spreken. Ieder die Hem kent, zal van Hem gaan gewagen, zal over Hem gaan vertellen. Ik geloof niet dat we kunnen zwijgen, als we die enige Naam in ons leven hebben leren kennen. Van de apostelen staat in de Handelingen dat zij niet konden zwijgen, en het niet konden laten om over die ene Naam te spreken. Nee, het is geen goed teken als wij zwijgen.

Maar het allereerste wat Simeon gaat doen, is toch niet tot anderen spreken. Er staat namelijk: En hij loofde God. Dat is betekent: de Naam des Heeren prijzen. Dat betekent: Hem de eer toebrengen, vanwege Zijn gave. Dat betekent: Van ganser harte Hem de eer toebrengen, Zijn Naam dank bewijzen. Want het gaat dan niet om mij – ons eigen ik gaat er tussenuit – het gaat om God.

En hij loofde God. Dat komt op de eerste plaats. Dat is de vrucht van het Kind; de vrucht van het Kind uit Bethlehem. Gods eer klimt op uit het stof. Dit is wat op het kerstfeest het hart verbreekt. De psalmdichter heft dan aan:

 

Zij juichen, elk op zijne wijze;

Uw eer klimt uit het stof;

Zij zingen, Uwen naam ten prijze,

Uw goedheid en Uw lof.

 

Wat op de kerstdag verkondigd wordt is eigenlijk een voorspel; een vooruitgrijpen op de heerlijkheid die aanstaande is, in de hemel. Daar zullen Gods kinderen eeuwig God groot maken op volmaakte wijze. De hemel zal dan druisen voor Israëls grote Opperheer. De oorzaak daarvan ligt in het gebeuren tijdens de kerstnacht in Bethlehem. Geworden uit een vrouw. Geboren uit de maagd Maria; daarin ligt de oorzaak.

Zullen wij dan straks meezingen, zullen wij in dat koor ons paren aan al die stemmen die Gode lofzingen?

Dan moeten wij dit geboren Kerstkind leren kennen. Hier, in dit leven, door het geloof. Dan moeten we naast Simeon hebben gestaan.

 

En hij loofde God. U zult dan misschien denken: Ja, maar heeft Simeon dat dan altijd gedaan? Was hij altijd zo gesteld?

Ach, gemeente, in de hemel loven wij de Heere eindeloos, maar hier nog niet. Hoewel we ons niet achter dat ‘nog niet’ mogen verschuilen. Het gaat erom of u met Simeon Gods lof weleens hebt bezongen. Of u met dat Kindeke Jezus in Uw armen, God verheerlijkt hebt in uw ziel. Dan hoeft u geen duizend mensen om u heen te hebben, maar dan kunt u alleen zijn, dan mag u God groot maken vanwege dat Kind. Heeft u dat ooit gedaan in uw leven? God de lof toegebracht? Hem gezegend vanwege Zijn onuitsprekelijke Gave? Hebben we gezongen:

 

Gezegend zij de grote Koning,

Die tot ons komt in ’s Heeren Naam!

Wij zeeg’nen U uit ’s Heeren woning;

Wij zegenen U altezaam.

 

Gemeente, als we dat Kind hebben gezien, en als we daar met Simeon hebben gestaan, dan zijn de dagen van zwijgen niet onze beste dagen. Dat zijn dan dagen van duisternis, dagen van donkerheid, dagen waarin we geen vermaak kunnen hebben, dagen waarin we geen vreugde kunnen hebben. Wel zal er in onze ziel het verlangen, en het heimwee naar de volmaaktheid liggen. Een heimwee en verlangen om wéér met dat Kind van Bethlehem de Naam des Heeren groot te maken. Dan zal het in uw hart zingen, zoals de dichter dat zong:

 

Hoe zag ik daar Uw alvermogen;

Hoe blonk Uw Godd’lijk’ eer alom! 

          Want beter dan dit tijd’lijk leven

          Is Uwe goedertierenheid.

 

Zo heeft Simeon daar gestaan. En misschien heeft hij later gezongen: Och, wierd ik derwaarts weer geleid, dán – met dat Kindeke alleen – dán zou mijn mond U de ere geven. Dan prijzen wij God en brengen Hem alle lof toe vanwege het wonder van Zijn genade, vanwege de leiding van Zijn Heilige Geest, vanwege de Gave van Zijn eniggeboren Zoon. Dan zal het kerstfeest zijn. En in de hemel wordt dit voortgezet, ongestoord en voor eeuwig. Omdat daar de Koning wordt gezien in Zijn schoonheid, omdat Gods kinderen daar altijd op Jezus zien. Om Hem dan voor eeuwig de eer en de lof toe te brengen! Want Gij hebt het gedaan.

 

Amen.

 

Psalm 63 vers 2:

 

‘k Heb U voorwaar in ’t heiligdom

Voorheen beschouwd met vrolijk’ ogen;

Hoe zag ik daar Uw alvermogen;

Hoe blonk Uw Godd’lijk’ eer alom! 

          Want beter dan dit tijd’lijk leven

          Is Uwe goedertierenheid;

Och, wierd ik derwaarts weer geleid,

Dan zou mijn mond U d’ ere geven.