Ds. M. Golverdingen - Jona 3 : 10

Gods ontferming over Ninevé

Jona 3
De aanleiding tot deze ontferming
De inhoud van deze ontferming
De bekendmaking van deze ontferming

Jona 3 : 10

Jona 3
10
En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad, dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 79: 4
Lezen : Exodus 32: 1 - 14 of Jona 3
Zingen : Psalm 33: 8 en 11
Zingen : Psalm 77: 6 en 8
Zingen : Psalm 145: 3

Gemeente,

In Exodus 32 kunnen wij lezen hoe Mozes in de tegenwoordigheid van God wordt verheerlijkt op de berg Sinaï. Daar spreekt de Almachtige met Zijn knecht. Het is aangrijpend dat Israël juist in deze tijd in een verschrikkelijke zonde valt, want korte tijd nadat God Zelf de Tien Woorden voor de oren van het volk heeft uitgesproken, overtreden ze op een grove wijze het tweede gebod. Ze willen God, Die een Geest is, dienen in de zichtbare gestalte van een gouden kalf. Ze zijn dan zo gegrepen door hun zondige obsessies, dat ze zich letterlijk de ringen uit de oren trekken om dat plan te verwerkelijken. Zelfs Aäron, een kind en knecht van de Heere, verleent uit mensenvrees medewerking aan deze eigenwillige godsdienst. En spoedig buigt een grote meerderheid van het volk zich voor het gouden kalf. De roep gaat door het tentenkamp: Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben (Ex.32:4).

Zo tergt Israël de Heere als Mozes op de Sinaï in Gods tegenwoordigheid is. Zo stapelt Israël ongerechtigheid op ongerechtigheid. En dan zegt de Heere tegen Mozes: Ik heb dit volk gezien en zie, het is een hardnekkig volk! (Ex.32:9).

Hoe ontzagwekkend toont de Heere vervolgens de deugd van Zijn goddelijke rechtvaardigheid. Op grond van die rechtvaardigheid moet Zijn toorn ontsteken tegen de zonde van het verbondsvolk Israël. Daarom legt Hij aan Mozes de vraag voor of Hij het volk Israël niet van de aarde zou moeten verdelgen en hem, Mozes, tot een groot volk zou moeten maken. Immers, Gods gerechtigheid moet haar loop hebben. Want de Heere is volmaakt in al Zijn deugden.

 

Maar dan treedt Mozes als de middelaar van het oude verbond tussenbeide voor het onverbeterlijke volk van Israël. Hij wijst de Heere op Zijn grote daden die Hij verricht heeft in de geschiedenis van het volk. Heeft Hij Israël niet met een machtige arm uit Egypte, uit het slavenbestaan, uitgeleid?

Vervolgens wijst Mozes de Heere op Zijn grote, heerlijke en heilige Naam. Wat zou die Naam door de heidenen gehoond worden als het volk van de God des verbonds in de woestijn ten onder zou gaan. En tenslotte pleit Mozes op de trouw van de God van het verbond, Die in Christus ellendige zondaren en zondaressen aanziet. Dat pleiten op Gods trouw eindigt in het gebed: Laat het U over het kwaad Uws volks berouwen (Ex.32:12).

Dan begint in deze geschiedenis de deugd van Gods barmhartigheid te schitteren. Die barmhartigheid – u weet dat wel – is grondeloos. Om het met het Doopformulier te zeggen: ‘Toen berouwde het de Heere over het kwaad dat Hij gesproken had, dit volk te zullen doen.’ Die barmhartigheid, dat berouw, heeft God niet alleen getoond aan het verbondsvolk, maar ook aan de heidenen. Bij deze grondeloze barmhartigheid staan wij nu met Gods hulp nader stil naar aanleiding van Jona 3 vers 10:

 

En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg; en het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen, en Hij deed het niet.

 

Wij overdenken nu samen: Gods ontferming over Ninevé.

 

Wij noemen u drie gedachten:

1. De aanleiding tot deze ontferming.

2. De inhoud van deze ontferming.

3. De bekendmaking van deze ontferming.

 

In de eerste plaats zien we dus de aanleiding tot deze ontferming: En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg. In de tweede plaats de inhoud ervan: En het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te doen. En tenslotte de bekendmaking van deze ontferming: En Hij deed het niet.

 

1. Gods ontferming over Ninevé

 

Gemeente, het verband van onze tekst, althans in  grote lijnen, is ieder wel bekend. Jona, de zoon van Amitthaï, een profeet van de levende God, heeft de opdracht van de Heere ontvangen om naar de wereldstad Ninevé te reizen om daar het oordeel van de Heere aan te kondigen over haar ongerechtigheid. Tweemaal heeft Jona die opdracht ontvangen. Eenmaal voordat hij vanwege zijn zonden en ongerechtigheid tijdens die hevige storm op de Middellandse Zee overboord werd geworpen, en vervolgens nadat hij uit de zee was gered.

We lezen in het tweede vers van ons teksthoofdstuk hoe die herhaalde opdracht luidt: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé, en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek. Deze opdracht staat niet los van het tweede vers van het eerste hoofdstuk: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. En dus is Jona de stad Ninevé binnengegaan en één dag lang heeft zijn prediking geklonken op de kruispunten, de pleinen en de straten: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd (Jona3:4).

 

Gemeente, de Ninevieten hebben God en Zijn Woord voor waarachtig gehouden. Ze hebben geloofd dat Hij Ninevé zou kunnen verdelgen. Ze hebben ook geloofd dat de God Die Jona gered had uit de diepte van de zee – want daar heeft die man niet over kunnen zwijgen – Zich ook over hen zou kunnen ontfermen.

Toen is er een spontane volksbekering tot stand gekomen. De koning zelf heeft de prediking van Jona ter harte genomen, want vooraanstaande Ninevieten, ambtenaren en bewindslieden hebben hem op de hoogte gesteld van de inhoud van de preek. Gehuld in een rouwkleed, een stuk ruwe stof, van geitenhaar geweven, zit hij in zak en as om daarmee zijn nietswaardigheid tegenover de Allerhoogste en zijn droefheid over de zonde van het volk, tot uitdrukking te brengen. Overal in de stad verschijnen herauten om het jongste edict van de koning en van de ministerraad te proclameren. Iedereen wordt in dat edict opgeroepen tot vasten, iedereen ontvangt de opdracht om een rouwkleed aan te doen. Zelfs de dieren worden bij het rouwen en bij het vasten betrokken. Zij mogen niet in de weide gelaten worden en ze mogen niet te drinken krijgen. Alle voedsel moet aan de dieren worden onthouden. Wat zullen die beesten in die grote stad geroepen hebben tot God.

Tot iedere inwoner komt het bevel om in een aanhoudend gebed om ontferming tot God te roepen. Nog veertig dagen, en Ninevé zal worden omgekeerd zoals je een blokkendoos omkeert. En tenslotte ontving iedereen de opdracht om zich te bekeren van hun leven in de zonde. De proclamatie eindigde met de woorden: Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen! (Jona3:9).

 

Ninevé heeft zich bekeerd. Daarvan getuigt om te beginnen het vijfde vers: En de lieden van Ninevé geloofden aan God. Daarover spreekt ook het begin van onze tekst: En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg; en het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen.

De alwetende God heeft dit alles gezien. Let op het woordje ‘zag’ in de tekst: En God zag hun werken. Voor Zijn alziend oog is niets verborgen. David zegt dit in Psalm 139: Heere, Gij doorgrondt en kent mij; Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat van verre mijn gedachten. En we hebben zojuist samen zingend beleden:

 

’t Is God, aan tijd noch plaats gebonden,

Wiens toezicht over alles gaat,

Die ’t harte vormt en kan doorgronden,

Die aller werken gadeslaat’.

 

De Heere ziet al het kwaad van zondaren, maar Hij ziet ook – dit wordt gewerkt door Zijn lieve Geest – de boetvaardigheid van een mensenhart. Hij ziet die boetvaardigheid aan met een goddelijke aandacht: En God zag hun werken.

Soms denken wij wel eens dat God ons niet ziet en niet hoort, maar dat is een fundamentele vergissing van ons vleselijk bestaan. De psalmist zegt in psalm 33 vers 14: Hij ziet uit van Zijn vaste woonplaats op alle inwoners der aarde. Hij heeft alle leden van de gemeente  vanmorgen of vanmiddag op het oog. En die niet alleen; Zijn ogen zijn gevestigd op iedere inwoner van deze plaats, op elke Nederlander en op alle inwoners van deze wereld. Er is niemand die Gods heilige aandacht ontgaat.

 

Misschien zijn er nog gezinnen die de vroeger zo bekende plaat van de brede en de smalle weg in huis hebben. Jongens en meisjes, vraag maar eens aan je vader en moeder of ze die plaat hebben. Vraag dan of je hem mag bekijken, want op die plaat komt een  een teken voor, een driehoek, als symbool van het alziend oog van God. Kijk eens of je die plaat vinden kunt, want die driehoek betekent dat God alle dingen ziet en weet, die van jou en die van mij.

De wetenschap dat God alles ziet is voor de goddelozen een oorzaak van bange verschrikking, maar voor een arme en schuldige zondaar die het om God te doen is, is het weleens tot grote bemoediging. Want zo iemand mag zeggen: ‘Heere, U weet alle dingen, U weet waarom het mij te doen is, om U alleen, om Uw gunst en gemeenschap.’

 

En God zag hun werken. Hebt u in het verborgen uw nood en godsgemis voor Hem mogen uitschreien? Hij heeft het gezien!

Bent u helemaal vastgelopen, staat u voor de muur van de onmogelijkheid en stortte u uw hart uit voor Zijn aangezicht? Hij heeft het gezien!

Hebt u de zaak van uw zaligheid al biddende aan Hem mogen overgeven? Hij heeft het gezien en Hij heeft het gehoord!

De Heere is nabij allen die Hem aanroepen, allen die Hem aanroepen in der waarheid. O tobbers en zuchters, aangevochten en bestreden van hart, Hij heeft het gezien, Hij heeft het gehoord. Er is aandacht in de hemel voor u.

 

Die aandacht is er hier voor de Ninevieten: En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun boze weg. Zij bekeerden zich. Hun persoonlijke bekering wordt beklemtoond. De inwoners van Ninevé beginnen zichzelf te veroordelen. Ze beginnen zichzelf met hun zondige praktijken te verfoeien. Dat was niet gering, want de Ninevieten stonden bekend als het meest sadistische volk van de oudheid. Ze stonden bekend als een volk dat zich uitleefde in allerlei ontuchtige praktijken en dat dikwijls in de greep van de alcohol verkeerde. Maar ze bekeren zich van hun boze werken. Ze breken met hun zonden en ze keren zich om tot God.

Die uiterlijke tekenen van boetvaardigheid gaan gepaard met een kennelijke verandering van hun hele levenspatroon gedurende de periode van veertig dagen. Hun werken, hun doen en laten veranderen; het zijn duidelijk vruchten van een andere gezindheid.

 

Gemeente, we laten de vraag naar de bekering van de Ninevieten nu voor een deel rusten. Het is duidelijk dat er in Ninevé sprake is geweest van een krachtige volksbekering als uitdrukking van de algemene overtuiging van de Heilige Geest in de harten. Maar er moet wel iets bij gezegd worden, want in het Nieuwe Testament, in Mattheüs 12 vers 41, brengt de Heere Jezus deze Ninevieten ter sprake in verband met het eindgericht. Dan spreekt Hij degenen aan die Hem in ongeloof verwerpen, en zegt Hij dat de ongelovigen die Zijn Woord verachten, eenmaal de Ninevieten in het oordeel zullen ontmoeten, en dat die Ninevieten hen met Christus zullen veroordelen.

Dat met Christus oordelen wordt alleen van Gods kinderen gezegd en komt vijf keer in onze Bijbel voor. Daarmee is duidelijk dat er niet alléén sprake was van een algemene overtuiging van zonde, maar dat er ook inwoners zijn geweest die een zaligmakend geloof in God hebben leren kennen door de prediking van Jona, die toegepast werd aan hun harten.

 

En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg. God zag hun werken!

Gemeente, als wij genade hebben ontvangen, komt onze bekering dan ook openbaar in het breken met de zonde? Komt onze bekering dan ook openbaar in een nieuw christelijk leven? Komt onze bekering ook openbaar in onze werken? Want voor dat nieuwe christelijke leven geldt immers, zo lezen we in de eerste zendbrief van Johannes: En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft die reinigt zichzelven gelijk Hij rein is (1Joh.3:3). Rechtvaardiging en heiliging hangen zo nauw samen. We mogen ze onderscheiden, maar ze kunnen niet van elkaar gescheiden worden.

Sommige mensen zeggen dat zij geloof mogen oefenen, maar hun leven verandert niet. Ze waren geldgierig en ze blijven tot op de dag van vandaag inhalig als het over geldzaken gaat. Ze waren oneerlijk in het zakendoen, en ze zijn het nog. Ze waren onbetrouwbaar op zedelijk gebied, en ze blijken nog even onbetrouwbaar te zijn. Ze leefden als de wereld, en ze leven vandaag nog steeds zo. In hun kleding en in hun levenswijze is niets veranderd, al zeggen ze dat ze het zaligmakend geloof hebben ontvangen. Ze zeggen het eigendom van Christus te zijn, maar ze dwingen bij andere gemeenteleden geen enkel respect af omdat ze de geur van Christus niet verspreiden. Gemeente, wie zo leeft, heeft een geloof zonder bekering. Wie zo leeft, wie met zijn zondige levenspraktijken niet voor God in de schuld komt, die bedriegt zichzelf. Die scheidt rechtvaardiging en heiliging.

 

Wee onzer, als we met die scheiding door het leven durven gaan! Wee onzer, als we godsdienstig en vroom spreken over de ontdekking aan onze zonde en over de verbrokenheid van ons hart en de kracht van het bloed van Christus, terwijl we tegelijkertijd niet de heiliging najagen. Dan missen we de belangrijkste aspecten van de ware bekering, welke woorden we ook bezigen. Want het zaligmakende werk van de Heilige Geest beperkt zich niet tot boetvaardigheid over de zonde, maar de opstanding van de nieuwe mens is er onlosmakelijk aan verbonden. En die nieuwe mens kent een begeerte, een hartelijke begeerte om naar al Gods geboden voor Zijn aangezicht te mogen leven, en onze gaven en talenten in Zijn dienst te mogen besteden. Dat is kenmerkend voor het werk der genade.

Ook de pas beginnende – om dat woord eens te gebruiken – die zich helemaal niet bij Gods volk durft te rekenen, en die van verre staat, kent een innerlijke begeerte om heilig voor de Heere te leven. Jongelui van zestien, zeventien jaar die over hun binnenste niets durven zeggen, kunnen toch voor Gods heilig aangezicht niet ontkennen dat er in hun harten een begeerte is geboren om heilig voor de Heere te leven. De bekering is daar altijd mee verbonden. Anders is het geen bekering.

 

Wie tot bekering komt, gaat de strijd in. Hij of zij begint te strijden tegen zijn boezemzonde of die zonde die zij zo lang gekoesterd en gestreeld hebben, waarmee ze de Heere zo dikwijls in het aangezicht hebben geslagen, waarmee ze Hem zo getergd hebben.

Maar die strijd gaat niet alleen over onze boezemzonde. We krijgen door de verlichting van de Heilige Geest ook oog voor de zogenaamde ‘kleine zonden’ van elke dag, zoals onze ijdelheid, onze hoogmoed en ons keurig verpakte egoïsme.

Gemeente, staat u in die strijd? Weet u van die strijd af of bent u een christen zonder strijd? Als u van die strijd afweet dan hebt u wat geleerd; dan hebt u geleerd dat u niet één ogenblik staande kunt blijven in uw eigen kracht. Dan hebt u uzelf als een machteloze, krachteloze zondaar leren kennen, als iemand die voortdurend struikelt. Maar wat wordt Christus dán dierbaar. Wat krijgt Hij dán een waarde, niet alleen tot vergeving van onze schuld, maar ook tot afwassing van onze onreinheid van het dagelijkse zondevuil. Dan krijgt u Hem nodig tot heiligmaking en gaat u telkens weer tot die dierbare Jezus vluchten om van Hem genade te begeren, om door Zijn kracht de zonde in u te mogen kruisigen. Dan vlucht u tot Hem om door Zijn genade in alle goede werken te mogen wandelen.

Zeker, het is alles met zonde bevlekt en bedekt. Het willen is er wel, maar u kunt het niet volbrengen zoals u het graag zou willen. Maar dit kleine beginsel van nieuwe gehoorzaamheid is wel uit de bediening van de Heere Jezus. Hij heeft het gezegd: En Ik heilige Mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid (Joh.17:19). Die dierbare Borg zal eenmaal Zijn eigen werk in uw leven kronen, want van allen die in de Heere sterven geldt het woord van Openbaring: En ik hoorde een stem uit den hemel die tot mij zeide: Schrijf, zalig zijn de doden die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hun arbeid; en hun werken volgen met hen (Openb.14:13). De werken gaan nooit voorop; de genade gaat triomferend voorop. Maar de vruchten worden wel zichtbaar.

 

En God zag hun werken, dat zij zich bekeerden van hun bozen weg. Nu worden de goede werken geprezen. Gods eigen werk wordt zichtbaar in Ninevé. Zonder een algemene of zaligmakende werking van Gods Geest zou er geen enkele inwoner van Ninevé tot bekering zijn gekomen.

Hun werken worden vermeld als een aanleiding tot Gods ontferming, want de Bijbel leert ons dat onze werken vrucht zijn van geloof en bekering. En nooit, nooit kunnen zij de grond vormen waarop de zondaar genade wordt bewezen. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave. Niet uit de werken, opdat niemand roeme (Ef.2:8,9).

Gemeente, zo hangen de rechtvaardiging en heiliging samen. Ook het werk van de Ninevieten kan niet dienen als betaling voor de schuld van hun verzondigde leven. Elke gunst die de Heere aan mensen schenkt, is genade. Onze verootmoediging, ons berouw, onze tranen, ons hartelijke bidden, onze bekering, onze aangename gesprekken met een kind des Heeren kunnen nooit enig gewicht in Gods schaal leggen.

De Heere wil niet dat wij misbruik zouden maken van Zijn goedertierenheid, Zijn genade en Zijn zondaarsliefde. Daarom eist Hij boetvaardigheid en bekering, daarom schenkt Hij wat Hij vraagt. Alleen als wij onszelf voor God leren afkeuren en verfoeien krijgt de genade waarde. Dan gaat genade schitteren in uw ogen; dan wordt één ding duidelijk: die genade moet de mijne worden, zal het wel zijn voor de eeuwigheid. Wat komt er dan in ons hart een begeerte naar de genade die Christus heeft aangebracht.

 

Gemeente, dat brengt ons bij de oorzaak van Gods barmhartigheid over Ninevé die in de tekst wordt verwoord: En het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen. Wij letten daarop in onze tweede gedachte:

 

2. De inhoud van deze ontferming

 

Misschien zit u al klaar om storm te lopen tegen dit stuk van deze tekst. Misschien hebt u uw pijlkoker al helemaal gevuld met pijlen van de logica om op deze tekst af te schieten: God is toch onveranderlijk? Staat er niet in de Schrift: Want Hij is geen mens dat Hem iets berouwen zou? (1Sam.15:29). Maar in onze tekst en op andere plaatsen lezen we in de Bijbel dat het God berouwd heeft. Is de Schrift dan met zichzelf in tegenspraak? Hoe kan dit berouw overeenstemmen met het onveranderlijke raadsplan van God?

Gemeente, hou toch op met naar uw pijlkoker te grijpen. Hou toch op met het afschieten van de pijlen van uw logica op dit Bijbelwoord, maar onderzoek liever onder leiding van de Heilige Geest, binnen het geheel van de Schrift, wat deze zegswijze betekent. Dan gaat u verstaan dat het hier niet gaat over berouw in puur menselijke zin. De onveranderlijkheid van God is er, en zij is een onzegbaar grote troost voor Gods Kerk. Hoeveel kinderen van God zijn er niet in volle vrede afgereisd, door het geloof steunend op de onveranderlijke belofte van de onveranderlijke God? God is groot en wij begrijpen Hem niet. Bij de Heere is nooit sprake van spijt. Bij de Heere is nooit sprake van berouw in menselijke zin. Bij Hem is nooit sprake van misrekening of dwaling. Wat Hij zegt, doet Hij. Zijn wezen, Zijn wil, Zijn raadsbesluit is onveranderlijk. Hetgeen uit mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen, zegt Psalm 89 vers 35. Nee, de alwetende God is niet verrast geweest door de bekering van de inwoners van Ninevé. Integendeel; Hij wist dat hun bekering zou plaatsvinden.

 

De uitdrukking in onze tekst ‘en het berouwde God’ heeft dus geen betrekking op het wezen van God, op de wil van God en op het besluit van God. Die woorden hebben alleen betrekking op Zijn werk, zoals Hellenbroek in zijn vragenboekje aangeeft. In Zijn werken verandert Hij. Denk aan Psalm 77 vers 11: Maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.

Met uw rechterhand doet u allerlei belangrijke dingen. De positie van uw rechterhand verandert voortdurend als u met uw werk bezig bent. Dit beeld ligt aan die gedachte ten grondslag. De rechterhand des Allerhoogsten verandert; God verandert in Zijn werken, maar niet in Zijn wil en wezen. Wij zingen daar eerst van uit de 77e Psalm het zesde en het achtste vers:

 

“Zou God Zijn genâ vergeten?

Nooit meer van ontferming weten?

Heeft Hij Zijn barmhartigheên

door Zijn gramschap afgesneên?

‘k Zei daarna: “Dit krenkt mij ’t leven;

Maar God zal verand’ring geven;

D’Allerhoogste maakt het goed;

Na het zure geeft Hij ’t zoet.”

 

Heilig zijn, o God, Uw wegen;

Niemand spreek’ Uw hoogheid tegen;

Wie, wie is een God als Gij,

Groot van macht en heerschappij?

Ja, Gij zijt die God, die d’oren

wond’ren doet op wond’ren horen;

Gij hebt Uwen roem alom

groot gemaakt bij ’t heidendom.

 

Maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert. Toen de Heere de bekering van Ninevé zag, veranderde Hij Zijn bedreiging in een zegen.

Gemeente, zo is Hij nog. Zo maakt Hij zich nog aan gevallen zondaren en zondaressen bekend als een rechtvaardig Rechter. En aan ieder die Zich tot Hem bekeert maakt Hij zich bekend als een God van ontferming. Dat is Zijn ‘berouw’; dan geeft Hij in plaats van toorn onverdiende gunst en genade. En het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen. Op welk een heerlijke manier wordt hier gesproken over de macht van Gods liefde, over de grootte van Zijn genade, over de grootte van Zijn goedheid en Zijn barmhartigheid.

 

Het berouwde God. Gods berouw is een en al heenwijzing naar Zijn onuitsprekelijke ontferming in Christus. De Heere is in Zichzelf bewogen ten aanzien van verloren zonen en dochters van Adam. Heeft de priester Zacharias er niet van gezongen in zijn loflied: Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft Opgang uit de hoogte; om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes? (Luk.1:78,79).

Door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid was God in Zichzelf bewogen. Hij heeft Zijn eigen lieve Zoon in deze vervloekte wereld gezonden om aan al de eisen van Zijn recht te voldoen. Groter liefde is niet denkbaar. Aan Zijn eigen lieve Zoon, die gezegende Borg, de Heere Jezus, heeft Hij de zonden van Zijn Kerk gestraft. De straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijn weg, doch de Heere heeft al onze ongerechtigheid op Hem doen aanlopen (Jes.53:5,6).

Van die onbegrijpelijke barmhartigheid van God in Christus heeft de dichter in het zevende vers van de wat minder bekende Psalm 57 gezongen:

 

Uw goedheid, Heer, is groot en hemelhoog;

Uw waarheid reikt tot aan den wolkenboog;

Verhef U dan ver boven 's hemels kringen;

Uw eer versprei' haar luister in elks oog;

Laat ieder die door heel de wereld zingen.

 

Gemeente, hoe is het nu? Bent u nog steeds bezig met pijlen uit uw pijlkoker te halen? Redeneert u nog steeds over Gods onveranderlijkheid en Zijn berouw? Maar hoe kunt u, gevallen nietig mensenkind, genomen uit het stof, met uw verdorven verstand God bevragen? De tekst predikt u dat de Heere niet is zoals u Hem zelf in uw blindheid en dwaasheid had voorgesteld.

De duivel tekent wat karikaturen van God in ons hart. Hij doet niet anders dan God afschilderen als een vreselijk hard Wezen, Die meedogenloos handelt, Die in Zijn rechtvaardigheid geen ontferming kent. En wij bieden de vorst der duisternis een luisterend oor, we redeneren met hem mee, we richten onze pijlen en proberen ze af te schieten op teksten als deze.

Waarom proberen we dat? Waarom bieden we de duivel een luisterend oor?

Dat doen we omdat we ten diepste de zonde in ons leven zo liefhebben. Het is als iets zoets op de tong; we blijven er maar op zuigen. Het is omdat we zo vast zitten aan de zonde; daarom hebben we zulke harde gedachten van de levende God Die volkomen rechtvaardig is, maar ook volkomen barmhartig.

O, wat heeft Hij op een heerlijke wijze over Zijn barmhartigheid gesproken. Zou Ik enigszins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere Heere; is het niet, als hij zich bekeert van zijn wegen, dat hij leve? (Ezech.18:23).

 

En het berouwde God over het kwaad dat Hij gesproken had hun te zullen doen. Gemeente, let toch op die neerbuigende goedheid van God in Christus. Zou Ik enigszins lust hebben aan den dood des goddelozen, spreekt de Heere Heere? De Heere let nog op het kleinste teken van verootmoediging of de minste aanzet tot bekering. Hij wacht nog, om het met Jesaja te zeggen, om genadig te zijn.

O, Gods rechtvaardig oordeel rust op ons vanwege onze val in Adam en vanwege ons verzondigde leven. De toorn van God blijft op ons rusten.

Die de Zoon ongehoorzaam is die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem (Joh.3:36). Want dat betekent onbekeerd door het leven gaan; het betekent onder de toorn Gods liggen. Als u de Heere nog niet kent, haast en spoed u zich dan toch om Hem te zoeken, en om het leven te vinden. Zoek toch het oordeel vóór te komen, zouden de oude schrijvers zeggen. Bekeer u tot de Heere. Hij roept u ook in deze geschiedenis toe: Zoek Mij en leef! Zoek het niet te Bethel en te Bethfage, waar de gouden kalveren werden gediend, maar zoek het bij Mij, dan zal het meevallen.(Vgl. Amos 5:4-15).

 

Jonge mensen, als je voor God mag neervallen – heb je dat al eens gedaan? De Heere zegt: Zoek Mij terwijl Ik te vinden ben, roep Mij aan terwijl Ik nabij ben (Jes.55:6). Met de Heere zoeken heb je niks te verliezen hoor, je ligt al geheel verloren. Er is aan jou en mij niks meer op te knappen, helemaal niets. Maar met de Heere te zoeken kun je alleen maar winnen. Als je bukken mag voor die hoge en heilige God, zul je ook mogen ervaren dat de Heere de zonde geen twee keer straft. Hij heeft die immers gestraft aan Zijn eigen, lieve Zoon.

 

En het berouwde God, en Hij deed het niet. Dat brengt ons bij de laatste gedachte:

 

3. De bekendmaking van deze ontferming

 

Nog veertig dagen en Ninevé zal worden omgekeerd. Ninevé heeft die veertigste dag in zak en as tegemoetgezien, met een voortdurend gebed de dagen aftellend. Soms met bange aanvechtingen, dan weer in de gelovige verwachting van de woorden aan het slot van de proclamatie: Wie weet, God mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen. Zo gaan die veertig dagen voorbij...

Dag na dag wordt geteld: nog twintig, nog tien, nog vijf dagen…

Dan breekt de veertigste dag aan. De ochtend verstrijkt; de uren gaan voorbij, de middag breekt aan, de avond begint te dalen, de zon gaat onder, de nacht zet in…

En Hij deed het niet… Wat is het een groot wonder geweest dat aan het eind van de dag het oordeel uitbleef. En Hij deed het niet! Wat zal er een blij ‘halleluja’ uit de mond van de inwoners van Ninevé hebben geklonken. Hij deed het niet! De Heere stelde de straf van Ninevé uit. Hij gaf het volk van die wereldstad nog de tijd om zich verder te reformeren en geheel en al met de zonde te breken.

 

Gemeente, de eerste generaties van de Ninevieten hebben nog met hun kinderen en kleinkinderen gesproken over die onvergetelijke bekendmaking van Gods ontferming aan het einde van die veertigste dag. En Hij deed het niet.

Later heeft Ninevé die weg der bekering weer verlaten. Ongeveer 150 jaar later treedt Nahum op als profeet in Israël. Hij profeteert dan dat het oordeel Gods over Ninevé ten volle is besloten. Hij spreekt over de onherroepelijke ondergang van de wereldstad en omstreeks 610 voor Christus gaat Assyrië, met Ninevé als hoofdstad, onder in de strijd tegen het nieuwe Babylonië. Op de plaats waar het trotse Ninevé eens was, liggen nu twee reusachtige puinheuvels waar de islamitische bevolking om gestreden heeft. Eén van deze puinheuvels is van een naam voorzien: Meliunis – de profeet Jona.

 

En Hij deed het niet… Een woord vol genade en een woord vol verwondering. Heeft u ook wel eens in verwondering mogen zeggen: En Hij deed het niet? Want dat wordt echt werkelijkheid voor arme zondaren die door de Heilige Geest tot zaligheid worden bearbeid. Want als God u bekend gaat maken met uw persoonlijke schuld tegenover Hem dan wordt er altijd iets ingeleefd van de belijdenis: Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig. Heere, Uw oordeel rust op de allerbeste wetten. Dan wordt u zomaar de hele week door schuldig gesteld. U wordt dan schuldig gesteld onder de preek in de kerk, u wordt schuldig gesteld onder het Bijbellezen aan tafel of als u voor uzelf de Schrift onderzoekt. U wordt schuldig gesteld als er een hevig onweer over de stad of over de polder trekt en u beseft: ik kan voor de levende God niet bestaan. Gemeente, dan breken er tijden aan in uw leven dat u de koeien in het veld gelukkiger acht dan uzelf, omdat die beesten geen ziel hebben voor de eeuwigheid, en u wel. Dan komt Gods rechtvaardigheid in al zijn scherpte op u aan. Dan leeft u het in dat de Heere u rechtvaardig voorbij kan gaan. Dan stemt u met de Dordtse Leerregels in en gaat u belijden dat God u zou kunnen laten liggen in uw zonde en vervloeking, en dat Hij u daarmee geen onrecht zou doen. Dan wordt de slag in uw leven verwacht. En als we dan buigen mogen voor de Heere om ons vonnis te aanvaarden, dan klinkt het in onze oren en in onze harten: En Hij deed het niet.

 

Gemeente, Hij deed het niet! Waarom voltrekt God het vonnis niet aan Zijn kinderen?

Wel, dat doet Hij niet omdat Hij het eenmaal voltrokken heeft aan Zijn eigen lieve Zoon. De Vader heeft Hem overgegeven aan de volle uitgieting van de zonde of de angst der hel. . Toen Hij in de Hof van Gethsémané op de aarde neerviel en Zijn zweet veranderde in grote druppels bloed, toen klonk het door die hof: en Hij deed het wél, en Hij deed het wél! Toen Hij Zich op het vloekhout van Golgotha liet nagelen predikte elke hamerslag: EN HIJ DEED HET WEL.

Op Golgotha werd het recht van God verheerlijkt in Christus, daar gaf die gezegende Borg Zich vrijwillig over om de schuld en de straf van Zijn volk te dragen. Daar heeft Hij alles gedaan. Daarom heeft Hij geroepen: Het is volbracht (Joh.19:30). En omdat de Vader neerziet op de gerechtigheid die de Borg heeft aangebracht, ziet Hij geen zonde meer in Zijn Jakob, geen overtreding meer in Zijn Israël. Zo wordt Sion door recht verlost.

 

En Hij deed het niet. O, volk des Heeren, hoe groot is het, hoe onzegbaar groot om genade te mogen ontvangen, om te mogen horen: En Hij deed het niet. Dat is zo’n groot wonder; en dat wonder blijft groot en zal eeuwig groot zijn, omdat u en ik het zo waard zijn dat Hij het vonnis wél aan ons zou voltrekken. Dan mag u met de apostel zeggen: Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus (Rom.5:1).

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 145: 3

 

Zij zullen, uit de volheid van 't gemoed,

Gedachtig aan den milden overvloed

Van Uwe gunst, die roemen bij elkeen,

En juichen van al Uw gerechtigheên.

De HEER is goed en vriend'lijk en weldadig,

Barmhartig, mild, lankmoedig en genadig;

Hij doet Zijn gunst aan allen klaar bemerken;

Zijn goedheid is verspreid op al Zijn werken.