Ds. M. Golverdingen - Jona 3 : 1 - 3

Het ambtsherstel van Jona

Jona 3
Het spreken door de HEERE
De opdracht van de HEERE
De gehoorzaamheid aan de HEERE

Jona 3 : 1 - 3

Jona 3
1
En het woord des HEEREN geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende:
2
Maak u op, ga naar de grote stad Nineve; en predik tegen haar de prediking, die Ik tot u spreek.
3
Toen maakte zich Jona op, en ging naar Nineve, naar het woord des HEEREN. Nineve nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 6
Lezen : Jona 3
Zingen : Psalm 33: 5 en 6
Zingen : Psalm 119: 6 en 9
Zingen : Psalm 72: 9

Gemeente, de hoofdlijnen van de geschiedenis van de profeet Jona, de zoon van Amitthai, staan ons allen wel voor de geest. Jona, dienaar van God, heeft geweigerd om naar Ninevé, het culturele en godsdienstige centrum van de grootmacht Assyrië, te gaan. Dat wrede volk achtte hij een bedreiging voor het nationale voortbestaan van Israël. Hij gunde de Ninevieten eenvoudig niet dat ze door de prediking van het Woord van de levende God tot bekering zouden komen.

De profeet beoogde eigenlijk hun ondergang. Daarom is hij weggevlucht, in de tegengestelde richting van Ninevé. In de haven van Jafo is hij aan boord gegaan van een ‘Tarsisvaarder’, die richting Spanje zou varen.

Maar de Heere heeft met Zijn storm de vluchtende profeet ingehaald, midden op de Middellandse Zee. En toen heeft Jona, nadat hij door het lot was aangewezen, aan de heidense bemanning zijn zonde beleden. Hij heeft zich overgekregen voor de straf die hij zich waardig had gemaakt. Want we lezen in Jona 1: En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

 

Geheel vrijwillig heeft hij zich vervolgens in het kolkende water laten werpen, opdat de toorn des Heeren gestild zou worden, en de zee zou kalmeren. In dat diepe water, midden in zijn stervensnood, werd hij opgeslokt door een grote vis, die daar zwom door het beleid des Heeren.

In de ingewanden van dat zeemonster heeft Jona toen God aangeroepen. Opnieuw heeft de profeet toen Gods vriendelijk aangezicht in Christus over hem zien lichten. In de diepte van de zee heeft hij toen mogen geloven dat hij door een wonder van de almacht en de liefde van God, het leven ervan af zou brengen en dat hij de tempel weer zou betreden. In algehele geloofsovergave heeft hij beleden dat hij naar ziel en lichaam voor Gods rekening lag. Het heil – de zaligheid, het behoud, de redding – is des Heeren, zo zingt Jona in zijn danklied. En na drie dagen heeft de vis Jona uitgespuwd op het strand van Kanaän.

Met hoeveel verbrokenheid en ootmoed, met hoeveel verwondering en blijdschap, zal de profeet Jona daar op het strand hebben gestaan. Wat zal hij zijn innerlijke vreugde in God hebben uitgezongen met de woorden van de oudtestamentische psalm: Want de Heere is goed, Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht (Ps.100:5).

 

Gemeente, we zien dus dat Jona door de opzoekende liefde van de Heere in zijn kindschap werd hersteld. Maar daarmee was hij nog niet hersteld in het ambt van profeet, waartoe de Heere hem geroepen had. Want in het danklied van hoofdstuk 2 vinden we wel diverse aanwijzingen dat de Heere Zich over Zijn kind heeft ontfermd, maar lezen geen woord over het herstel in zijn ambt. Het ambt dat hij zich door zijn ongehoorzaamheid en zonde totaal onwaardig heeft gemaakt. Jona heeft zich moeten afkeuren voor alle diensten in het Koninkrijk der hemelen. Maar de Heere Zelf geeft de ongehoorzame Jona zijn ambt terug, net als hij later bij Petrus zou doen die Hem verloochend had.

Met Gods hulp staan wij nader stil bij dit ambtsherstel van Jona; en wel naar aanleiding van de tekst die u kunt vinden in Jona 3, de verzen 1 tot en met 3:

 

En het woord des Heeren geschiedde ten anderen male tot Jona, zeggende: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé; en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek. Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het woord des Heeren. Ninevé nu was een grote stad Gods, van drie dagreizen.       

 

Gemeente, deze tekstwoorden spreken over: Het ambtsherstel van Jona.

 

We letten op drie gedachten:

1. Het spreken door de Heere.

2. De opdracht van de Heere.

3. De gehoorzaamheid aan de Heere.

 

Het gaat dus over het ambtsherstel van Jona:

Eerst over het spreken door de Heere. Want in het eerste vers lezen we: En het woord des Heeren geschiedde ten anderen male.

Vervolgens over de opdracht van de Heere. In het tweede vers staat namelijk: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé; en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek.

En in de derde plaats over de gehoorzaamheid aan de Heere. Want er staat: Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het woord des Heeren.

 

1. Het spreken door de Heere

 

Gemeente, in vers 1 lezen wij: En het woord des Heeren geschiedde ten anderen male tot Jona. Er is een opvallende overeenkomst in stijl en inhoud tussen dit vers en het eerste vers van het eerste hoofdstuk, waar staat: En het woord des Heeren geschiedde tot Jona.

Het verschil is, dat in deze tekst de woorden ‘ten anderen male’ voorkomen. Daarmee wil de Heere vooral onderstrepen dat Hij Zijn Goddelijk doel niet opgeeft, ook al heeft Zijn kind en knecht zich tegenover Hem als een echte rebel gedragen. De Heere laat Zich nooit weerhouden door ons, nietige geringe mensjes. Hij doet nooit iets af van Zijn opdracht. Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen (Jes.46:10).

 

Gods raad gaat over alle mensen en over alle omstandigheden. Het was Zijn bedoeling om Jona naar Ninevé te zenden en de bevolking tot boetvaardigheid te brengen. Dat voornemen voert de Heere uit, dwars door de vleselijkheid, de eigenwijsheid en de ongehoorzaamheid van Jona heen. Daartoe heeft de Heere een grote vis gebruikt om hem te redden uit de diepte van de zee, en daarom spreekt de Heere opnieuw tot hem.

U en ik hadden het vast anders gedaan! Wij zouden gezegd hebben: ‘Als die man zijn opdracht niet uitvoert, dan krijgt hij zijn ontslag. Zo eenvoudig ligt het. Voor hem een ander.’

Maar zo handelt de Heere niet met Zijn knecht. Wie een opdracht van Hem ontvangt, moet die uitvoeren; ondanks al onze tegenwerpingen en onze weigerachtigheid. Want Hij is de Heere, Die onwilligen gewillig maakt. De Heere wist immers, gemeente, de Heere wist wie Jona was, voordat Hij hem riep om naar Assyrië te gaan.

 

Gods kinderen vallen anderen in het gewone leven dikwijls tegen. Hoewel ze zichzelf het allermeeste tegenvallen, en wel omdat ze in de worsteling tussen vlees en geest elke dag opnieuw struikelen en vallen. Maar ze vallen de Heere nooit tegen! God komt met Zijn volk niet bedrogen uit.

Wat een troost is dat voor zondaren en zondaressen, die zichzelf meer en meer leren kennen als albedervers. Dat geeft zulke mensen als ze het weer totaal verzondigd hebben, vrijmoedigheid om al hun ongerechtigheid, hun dwaasheid en hun ongeloof aan de troon der genade te belijden, en te smeken of de Heere naar zo’n albederver, die het totaal verzondigd heeft, opnieuw zou willen omzien.

Bent u zo krachteloos, zo onbekwaam van uzelf? Moet u dikwijls met Paulus instemmen: Wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde (Rom.7:14). Onze oude mens bekeert zich nooit! Dat maakt de blijvende strijd en de diepe smart uit die het leven der genade vergezelt.

Maar wat is het dan een troost dat de Heere weet wie u bent. De Heere weet wie u blijft in uzelf. Dat wist Hij al voordat Hij u riep uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht. Toen was het Hem al volkomen bekend hoe volstrekt onbekwaam u bent om in Zijn wegen te wandelen. En Hij wil u voortdurend leren om te leven uit de woorden: Mijn kracht wordt in uw zwakheid volbracht (2Kor.12:9), en uit de woorden: Uw vrucht is uit Mij gevonden (Hos.14:9).

 

Gemeente, de ongehoorzaamheid van Jona heeft de Heere, om het zo eens te mogen zeggen, niet overvallen. Maar God werkt de zonde niet. Hij kan geen gemeenschap hebben met het kwade. Jona was en is ten volle verantwoordelijk voor zijn hele doen en laten.

Die dwaze en weerspannige profeet heeft echter wel een plaats in Gods raad. Straks zal Jona in Ninevé immers niet kunnen verzwijgen wie hij is. Hij zal niet kunnen zwijgen over zijn onwilligheid om naar Ninevé te gaan, ook niet over Gods rechtvaardigheid en over zijn wonderlijke redding door middel van de grote vis. Het zal in een bijzondere mate de belangstelling opwekken van de Ninevieten voor de prediking van het Woord Gods. Alles zal meewerken om naar Gods bedoeling die prediking te laten klinken bij de heidenen in deze wereldstad. Daarom moest Jóna naar Ninevé, en niemand anders dan Jona. Zoals het staat in de berijmde psalm:

 

Maar d’altoos wijze raad des Heeren,
Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht;

Niets kan Zijn hoog besluit ooit keren;

’t Blijft van geslachte tot geslacht.                 

 

Vers 1 van ons teksthoofdstuk spreekt door de overeenkomst met het eerste vers van hoofdstuk 1 niet alléén van Gods onveranderlijk voornemen om Zijn raadsplan in de tijd uit te voeren. Het eerste vers bevat ook een klein, maar zeer opvallend verschil. In de oorspronkelijke taal staat één woord meer; ze worden in onze Statenvertaling weergegeven met drie kleine woordjes: ten anderen male.

En het woord des Heeren geschiedde ten anderen male tot Jona. Met deze uitdrukking geeft de Schrift de goedertierenheid des Heeren weer, die de Heere Jona persoonlijk en ambtelijk bewijst.

Ten anderen male. De profeet had immers botweg geweigerd om naar Ninevé te vertrekken en daar te zeggen: ‘Alzo zegt de Heere.’

Wat doet de Nederlandse regering met ambtsdragers die hun taken verwaarlozen of weigeren uit te voeren? Ze zijn in ieder geval niet op hun post te handhaven. In een aantal gevallen zal men de aanwijzing krijgen om de eer aan zichzelf te houden. En in sommige andere gevallen zal men radicaal van zijn post ontheven worden.

Maar wat doet nu de Koning van de Kerk? Hij spreekt voor de tweede maal tot Jona, zodat hij mag weten dat de Heere hem opnieuw als profeet wil gebruiken. Dat is enkel genade; ja, een bijzondere genade. God wil het opnieuw met deze weigerachtige knecht proberen.

Wat zal dat spreken van de Heere Jona diep hebben aangegrepen. Hij mag weer ambtsdrager zijn van het hemelse Hof. Hij mag de boodschap van vrije genade opnieuw gaan verkondigen. Hij moet die zelfs gaan brengen aan de heidenen van Ninevé, die gevreesd werden om hun ontzettende sadisme bij de oorlogvoering. Men deinsde er zelfs niet voor terug om gevangengenomen vijanden aan houten staken te spietsen. Aan dát volk moet hij de prediking van vrije genade brengen.

 

Ten anderen male. In dit woord beginnen alle klokken van het Evangelie te luiden!

Hoort u ze? Die klanken van de blijde boodschap? Hoort u ze?

Ten anderen male. Hoe is dat ambtsherstel mogelijk? Hoe is dat mogelijk voor een man die de Ninevieten hun bekering nog niet eens gunde?

Gemeente, dit ambtsherstel is mogelijk omdat de Heere Jona heeft aangezien in de Heere Jezus Christus, de enige volkomen en getrouwe Ambtsdrager.

Hoe volkomen heeft de Heere Jezus op deze aarde niet al Zijn ambten uitgeoefend: als Profeet, als Priester en als Koning. Hij heeft nooit in Zijn ambtsbediening gefaald. Hij kon zeggen: ‘Het is Mijn spijze om de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is, te doen.’

Hoe heeft Hij Zich, om maar iets daarover te zeggen, voor Kajafas laten bespotten in Zijn profetisch ambt. Toen kwamen de raadsheren en de soldaten, ze sloegen Hem met vuisten, ze spuwden in Zijn gezicht, en ze riepen tegen Hem: Profeteer ons, Christus, wie is het die U geslagen heeft? (Matth.26:68). Maar Hij zweeg. Hij wilde zwijgen.

 

Gemeente, Christus zweeg als Borg. Maar dat zwijgen bevat zoveel onderwijs! Hij wilde Zich als Borg laten slaan. Hij wilde Zich als Borg laten honen in Zijn ambten. Om voor ellendige zondaren ambtsherstel te verwerven. Om in het leven van ellendige zondaren steeds opnieuw te kunnen beginnen.

Door die bediening uit de volheid van die dierbare Jezus mogen Gods kinderen nu met Jona bij tijden en ogenblikken de zoete genadesmaak proeven van de woorden: ten anderen male. Dat geldt niet alleen voor mensen die zich in de Kerk des Heeren buiten een ambt gezondigd hebben. Hier is een woord voor allen die de Heere vrezen. Wat kan een mens het immers verzondigd hebben na ontvangen genade.

Gemeente, wat is het een verschrikkelijke zonde om met Petrus de Heere al vloekend en zwerend te verloochenen: Ik ken die Mens niet! (Matth.26:72); het is ook verschrikkelijk om je met Simson te laten verleiden door Delíla, en daarna maandenlang dwangarbeid te moeten verrichten in de gevangenismolen. Als we dan op de grootte van onze zonden letten, wat gaat er dan een bange vrees door ons heen: Zou God nog wel ooit naar mij willen omzien? Zou Hij Zich nog wel over iemand die zo diep gevallen is, willen ontfermen?

Hoe kunnen Gods kinderen als ze in diepe moedeloosheid en ongeloof neerliggen onder de jeneverboom, de Heere net als Elia bedroeven. Het kan zijn, hoewel God naar u heeft omgezien, het nog nooit zo donker in uw leven is geweest. U gaat door een stikdonkere nacht, maar u heeft er geen oog voor dat geestelijke duisternis niet door iedereen kan worden waargenomen. Zij kan alleen worden opgemerkt door mensen die eerst door Gods genade in het licht hebben gewandeld. Dan worden de woorden van Asaf in onze zielsbenauwdheid de onze:

 

‘k Schatte mij geheel verloren;

‘k Mocht van geen vertroosting horen;

Als mijn ziel aan God gedacht,

Loosd’ ik niet dan klacht op klacht.

 

Welnu, gemeente, hier is het Woord des Heeren voor u: Ten anderen male. Hij wil met zo’n albederver, met zo’n ontrouwe als u bent, opnieuw beginnen. U ziet Hem wel niet, maar Hij verliest u niet uit het oog; geen moment.

Hij houdt Zich aan Zijn Woord. Hij is de getrouwe God van het verbond. Hij bezoekt u niet alleen met de roe en bittere tegenspoed, maar om Jezus’ wil trekt Hij u opnieuw met de koorden van Zijn liefde en goedertierenheid. Uw weerstand verbreekt dan en u komt vol verwondering bij vernieuwing aan Zijn voeten terecht.

 

Ten anderen male. Dat is het Evangelie voor mensen die alles verzondigd hebben. De verkondiging van het nieuwe begin. Hier predikt de Heere dat Hij uit Zijn volheid aan Zijn volk de ene genade na de andere wil schenken. Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn (1Kon.19:7).

Ten anderen male. Christus Jezus werd in Gethsémané en aan het kruis op Golgotha door God verlaten, opdat de Heere telkens weer met u, als iemand die alles bedorven heeft, opnieuw zou kunnen beginnen, en u in uw verlatenheid zou kunnen bezoeken. Zeg dan met de psalmdichter:

 

O mijn ziel, wat buigt g’ u neder?

Waartoe zijt g’ in mij ontrust?

Voed het oud vertrouwen weder;

Zoek in ’s Hoogsten lof uw lust.

 

Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. De opdracht van de Heere    

 

In het tweede vers van hoofdstuk 3 ligt opnieuw een treffende overeenkomst met het tweede vers van het eerste hoofdstuk. In onze tekst lezen we: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé; en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek. En in het tweede vers van het eerste hoofdstuk staat: En predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.

Bij de eerste roeping was het alleen: Predik tegen haar. En nu Jona in zijn ambt hersteld is, zegt de Heere tegen hem: Predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek. Proclameer de boodschap die u uit Mijn mond zult horen. Ook nu moet Jona de bevolking van de wereldstad toeroepen dat de boosheid van de Ninevieten voor het aangezicht van de Heere is opgeklommen. Maar in hoofdstuk 3 vers 2 valt de nadruk op de opdracht om alléén te zeggen, wat Zijn Zender hem zeggen zal: Predik de prediking die Ik tot u spreek.

Wat wordt het nu duidelijk dat ambt en prediking rusten op een bevel van God. Dat ze teruggaan op een persoonlijke en innerlijke roeping.

Uit Jeremia 23 blijkt overduidelijk dat er onder het Oude Testament tal van mensen optraden als profeet zonder ooit door God geroepen te zijn. De Heere zegt van die mensen: Ik heb die profeten niet gezonden, nochtans hebben zij gelopen; Ik heb tot hen niet gesproken, nochtans hebben zij geprofeteerd (Jer.23:21). Dan spreekt de Heere onomwonden Zijn oordeel uit over mannen die Zijn woorden stelen, zoals Hij zegt in Jeremia 23.

 

Het ambt van profeet in oudtestamentische betekenis is er vandaag niet meer. Elke dienaar van het Evangelie draagt het profetische ambt. Maar het betekent wel, dat elke dienaar van het Evangelie ook persoonlijk een strikt inwendige roeping tot het ambt nodig heeft. Die roeping geeft de Heere altijd door Zijn Woord en Geest. De Hebreeënbrief spreekt daar duidelijk over: En niemand neemt zichzelven die eer aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aäron (Hebr.5:4).

Wie zonder opdracht van de Heere het Evangelie gaat verkondigen, richt alleen maar grote schade aan. Hoeveel predikers hebben niet in Nederland de kansel beklommen zonder een roeping en een zending van Hogerhand? En hoezeer heeft dat de opmars van de dwaling en het verval van Sion in ons land niet bevorderd? Daarom mag het onderzoek naar bekering en roeping, overeenkomstig de traditie van de kerken van de Afscheiding, in de kring van onze gemeenten niet ontbreken.

 

Predik de prediking die Ik tot u spreek. Die woorden moeten blijven wegen. Ze blijven wegen op het hart van iedere geroepen Evangeliedienaar. Hij heeft de opdracht om niet minder dan het Woord van God te prediken. Hij mag geen mensen behagen door een wijze van prediken die de oren streelt of de hoorder opbouwt in allerlei gevoelens en gemoedelijkheden. En het gaat helemaal mis met de prediking als de hoorders met behulp van allerlei verhaaltjes opgebouwd worden buiten het Woord om. Want in het Woord ligt de toestand van ieder van ons verklaard. U kunt in het Woord vinden hoe het er met u voorstaat op weg naar de eeuwigheid. Dat Woord zegt wat onbekeerd-zijn inhoudt; dat Woord onderwijst een christen wanneer hij bekommerd is of hij deel heeft aan Christus; dat Woord zegt ook wie een bevestigd kind van God is.

En als de Heere in ons leven komt, dan is er maar één verlangen dat het oprechte hart vervult: de werkzaamheden die wij innerlijk ervaren terug te mogen vinden in het Woord, en die vanuit datzelfde Woord in de prediking te horen verklaren.             

Predik de prediking die Ik tot u spreek. Een dienaar van het Evangelie is geheel afhankelijk van de bediening en de leiding van de Heilige Geest. Want alleen de leiding van Gods Geest maakt ons echt vrij van mensen.

Als de opdracht des Heeren weegt, dan gaat alle mensenvrees op de vlucht. Als de opdracht des Heeren weegt, dan verliezen alle negatieve opmerkingen over preken en predikers, die iedere predikant wel te horen krijgt, hun gewicht. Dan weet de prediker zich als in de tegenwoordigheid van God gesteld. Dan weet hij zich geroepen om het Woord te verkondigen zonder aanzien van wie dan ook in de gemeente, omdat de Heere het bloed van de hoorders van zijn hand zal eisen.    

 

Die Ík tot u spreek. Hebt u weleens iets verstaan van de afhankelijkheid van de Evangeliedienaar? ‘Kan dat dan’, zegt u? ‘Kan ik als kerkganger iets verstaan van de afhankelijkheid van de predikant?’

Jazeker, gemeente! Want het handvat van de deur van het Woord bevindt zich aan Gods zijde; niet aan onze zijde. Een prediker is én in de studeerkamer én op de kansel geheel afhankelijk van de verlichtende bediening van Gods Geest. Als die prediker op zichzelf ziet, dan blijft er maar één verzuchting over: Wie is tot deze dingen bekwaam? (2Kor.2:16). Vlees en bloed kunnen hier niets uitrichten. Al onze bekwaamheid is uit God. (2Kor.3:5).

Daarom klinkt in de brieven van Paulus – let u daarop bij het Bijbellezen – steeds weer: Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus (Kol.4:3).

 

Biddende meteen ook voor ons, om de werking van de Heilige Geest. Wij zingen daarover uit psalm 119, het zesde en het negende vers:

   

‘k Heb in mijn hart Uw rede weggelegd,

Opdat ik mij mocht wachten voor de zonden.

Gij zijt, o Heer’, gezegend; leer Uw knecht

Door ’t Godd’lijk woord, een helder licht bevonden,

En door Uw Geest, al d’ eisen van Uw recht;

Zo wordt Uw eer nooit stout door mij geschonden.

 

Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer’,

Opdat ik leev’, Uw woorden moog’ bewaren,

En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer’,

Mijn oog verlicht’, de nevels op doe klaren;

Dat mijne ziel de wond’ren zie en eer’,

Die in Uw wet alom zich openbaren.  

 

Gemeente, aan het slot van de brieven van de apostel Paulus wordt steeds weer die afhankelijkheid van de Evangeliedienaar benadrukt. Ook bijvoorbeeld in die bekende korte tekst: Broeders, bidt voor ons (1Thess.5:25;2Thess.3:1). Dit is een gebed dat de Heilige Geest verleent aan allen die de Heere kinderlijk vrezen. Dat zijn immers mensen die iets geleerd hebben van hun machteloosheid om in eigen kracht één stap vooruit te zetten op de weg naar Sion. Het zijn mensen die hun eigen krachteloosheid en zwakheid voortdurend inleven. Maar juist daarom verstaan ze ook iets van de volstrekte afhankelijkheid van de prediker, die elke zondag wordt geroepen om het Woord te ontvouwen. Daarom krijgt zo’n prediker vaak een plaats in hun gebeden.

Soms is het verstaan van de afhankelijkheid van de prediker bij Gods kinderen zo sterk, dat hun gebeden en hun verzuchtingen zelfs nog opgaan tot God, terwijl de ouderling van dienst de dienaar naar de kansel leidt.

Wie zou dan de blijdschap kunnen verwoorden van zulke bidders en zuchters, als de Heere het gebed hoort en Zijn knechten in het midden van de gemeente stelt tot goede uitdelers van de menigerlei genade Gods. Dan worden Gods kinderen door het onderwijs uit de Schriften dieper ingeleid in de geheimen van het Evangelie. Door de prediking wordt dan – zoals Paulus dat noemt – de vertroosting der Schriften ontvangen (Rom.15:4). Dat is een vertroosting die een vaste hoop in onze ziel werkt; een vertroosting die uitzicht geeft voor de tijd en voor de eeuwigheid.

Mochten wij reeds onder de bediening van het Woord hier of elders die vertroosting der Schriften ontvangen?

 

Gemeente, we lezen in onze tekst: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé; en predik tegen haar de prediking die Ik tot u spreek.

Jona ging niet alléén naar Ninevé. Als hij die grote stad bereikt heeft, maakt de Heere Zelf hem de inhoud van de prediking nader bekend. De Heere zal hem, daar in Ninevé, stap voor stap leiden.

U hoort het: het vlees van Jona ligt hier onder. De Heere heeft hem alles uit de hand geslagen. Wat Jona niet wilde verkondigen, dat moet, dat mag en dat wil hij nu in Ninevé gaan prediken. Waarheen hij niet wilde gaan, daarheen reist hij nu gewillig.

Hoe vaak is dat niet Gods weg in het leven der genade? Dan stemmen we met Jona in met de woorden van de dichter van psalm 119:

 

‘k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in;

Maar nu, geleerd, houd ik Uw woord en wegen.

 

Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het woord des Heeren. Ninevé nu was een grote stad Gods van drie dagreizen. Dit derde vers van ons teksthoofdstuk brengt ons bij onze derde gedachte:

 

3. De gehoorzaamheid aan de Heere

 

Er is in vers drie opnieuw sprake van een opvallend verschil met het derde vers van het eerste hoofdstuk. Hier blijkt een tegenstelling. Immers in het derde vers van het eerste hoofdstuk lezen we over niets anders dan Jona’s ongehoorzaamheid. Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan en ging neder in hetzelve om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren.

Maar in onze tekst lezen we het tegengestelde: Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het woord des Heeren. Hier valt alle nadruk op de gehoorzaamheid en de gewilligheid van de profeet. En hierin ligt de oorzaak dat elke bijzonderheid over Jona’s reis naar Ninevé, een reis van duizend kilometer – zo ongeveer van Amsterdam naar Moskou – in dit derde hoofdstuk ontbreekt.

In het derde vers wordt alleen maar gesproken over de schitterende vruchten van het geloof. Die vruchten zijn hier: gehoorzaamheid en gewilligheid. De Heere kan nu – om het zo maar eens te zeggen – met Jona doen wat Hij wil. Jona denkt er niet over om de tegengestelde richting in te gaan, en naar Tarsis te vluchten. Hij denkt er niet over om de Heere, zijn grote Opdrachtgever, tegen te spreken. Hij wil nu graag de opdracht uitvoeren.

 

Toen maakte Jona zich op en gíng naar Ninevé. Jona maakte zich op… Proeft u in deze woorden zijn gewilligheid?

De Heere maakt Zijn kinderen gewillig, ook vandaag, om de weg te gaan die door Hem wordt bepaald. En Hij doet dat als regel op twee of drie manieren. Wellicht weet u daar door genade ook van?

Sommige mensen worden gewillig gemaakt voor Gods weg in hun leven door de uitlatingen van Zijn goedertierenheid aan het hart. Dan krijgen we er oog voor dat Hij het zo waard is geëerd, gediend en kinderlijk gevreesd te worden. Meestal wordt ons hart dan door het spreken van het Woord ingewonnen om achter de Heere aan te komen. Dan schrompelt alle weerstand van mijn vlees ineen. Wat is dat een gelukkige zaak! Door het ervaren van Gods goedertierenheden één van wil met de Heere te worden, en achter Hem aan te gaan.

Maar meestal gebruikt de Heere een tweede manier. Dan vergaat het ons als Jona. Dan worden we pas gewillig nadat er een tijd is geweest waarin Hij ons net als de profeet heeft gekastijd. Dat strekt niet tot uw en mijn eer. Integendeel!

Wat gaan we ons dan na ontvangen genade schamen voor onze dwaasheid, onze dwarsheid en onze eigenwijsheid. En wat mogen we ons dan tenslotte verwonderen over de Vaderlijke wijze van kastijden, die de Heere in het leven van Zijn kinderen gebruikt. Zodat we gaan belijden met de psalmdichter:

 

’t Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest,

Opdat ik dus Uw Godd’lijk recht zou leren;

Sinds heeft mijn hart voor hovaardij – voor hoogmoed – gevreesd.

 

Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé. Geen woord, gemeente, geen woord staat er geschreven over die lange reis van zes weken! Die reis ging bovendien door onherbergzame gebieden en zandwoestijnen. Jona had daar heel gemakkelijk in gevaar kunnen geraken. Maar daarover lezen we niets. Want de Heere ging met hem. Wat een groot verschil of we onze levensweg mét of zónder de Heere gaan.

 

Voor jonge mensen valt het niet altijd gemakkelijk om werk te vinden. Dat kan een zware beproeving zijn. Je diploma gehaald, je stages afgerond, en dan geen werk…

Het zou kunnen dat op een gegeven moment zich een perspectief opent. Er is een mogelijkheid om aan de slag te gaan. Maar ja… hoe zit het bij dat werk met de handhaving van de dag van de Heere? Moet ik het met mijn geweten op dat punt dan maar op een akkoordje gooien, om maar aan werk te komen? Wat zou jouw keuze zijn?

Sommigen van jullie studeren nog of volgen een beroepsopleiding of een andere opleiding. Wat kan de verzoeking je overvallen om in het bedrijf waar je gaat stagelopen, of op de school die je bezoekt, het gebed bij het eten maar achterwege te laten. Wat is jouw keuze dan?

Jongelui, wees altijd trouw aan de opvoeding en de belijdenis die je ouders je hebben meegegeven vanuit het Woord van God. Een moeilijke weg met God is echter duizend keer lichter dan een makkelijke weg met de duivel.

Jona ging met de Heere. Daarom was die lange reis naar Ninevé voor hem een gemakkelijke reis. Hij droeg de goedkeuring Gods met zich mee in zijn hart. Het is dan niet belangrijk meer of er veel of weinig zandwoestijnen zijn.

 

Tenslotte ziet Jona op een dag vanaf een heuvel die enorme stad Ninevé, zijn reisdoel, voor zich. Een enorme stad; je hebt drie dagen nodig om de belangrijkste plekken van Ninevé te kunnen bereiken.

Het is heel opvallend dat de tekst spreekt over een grote stad Gods. De kanttekening zegt dat dit een typisch Hebreeuwse manier van spreken is om de geweldige grootte van Ninevé aan te duiden.

Op zich is dat juist. Toch denk ik dat je dit vers niet los mag maken van het allerlaatste vers van deze profetie. Daarin grondt de Heere immers Zijn barmhartigheid mede op het feit dat Ninevé alleen al honderdtwintigduizend kinderen telt; waaronder baby’s en zuigelingen die geen onderscheid weten tussen hun rechter en linkerhand.

Waarom staat dat er?

Wel, Ninevé is een stad Gods. God liet die stad zo groot worden. Ninevé heeft een betekenis in het raadsplan van God. De Heere der heren bemoeit Zich met deze stad. Hij laat de inwoners door de prediking van het Woord tot bekering roepen!

Er was geen Israëliet die erover heeft gedacht om Ninevé als arbeidsveld te kiezen om het Woord te brengen. Niemand dacht daaraan. Maar de Heere dacht aan Ninevé, waarin niemand woonde die Hem vreesde. Hij zendt Jona. Hij moet die mensen gaan waarschuwen voor het komende oordeel. Dat wordt het wonder, dat wordt het grote wonder voor Ninevé.

 

Een stad Gods. Amsterdam. Rotterdam. Den Haag. Utrecht. Groningen. Arnhem. Wat is er veel goddeloosheid te vinden in onze grote steden. Waar zich veel zondaren   concentreren, vinden we ook de concentratie van de zonde. Wat is de ontkerstening in onze grote steden aangrijpend, al gaat ze ook zeker aan het platteland niet voorbij.

Wij leven in een samenleving waarin men alles los van God wil organiseren. Dat noem je ‘seculier denken’; alles organiseren zonder God erin te kennen. Hoeveel jongeren, ook uit de kring van onze gemeenten, zijn de wereld ingegaan en, om het zo eens te zeggen, ondergedoken in de grote stad.

Maar toch, die grote stad Ninevé wordt hier ‘een stad van God’ genoemd; een stad waarin God ondanks alles Zijn voetstappen zetten wil. Het is toch een stad waarin Wet en Evangelie verkondigd mogen worden. Het is toch een stad, waarin de Naam des Heeren wordt genoemd.

 

Gemeente, zijn wij weleens bewogen geweest over de grote stad? Of lijken we op de farizeeën, en zeggen we vol verachting, als het over Amsterdam of Rotterdam gaat: ‘Dat is de schare die de wet niet kent, en die is vervloekt’?

De Heere Jezus weende over de grote stad Jeruzalem. Jeruzalem, Jeruzalem (…) hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens onder de vleugelen vergadert, en gijlieden hebt niet gewild (Luk.13:34). En op een andere plaats zegt Hij: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk.19:42).

Als de Heere Jezus geweend heeft over de grote stad, hoe vaak heeft de geestelijke nood van de grote steden in ons land ons dan aangegrepen? Of zijn we nog nooit bewogen geweest over de massale afval van de Heere en Zijn Woord in ons volksleven?

Als dat ons nog nooit getroffen heeft, dan is het zeer de vraag of u de nood van uw eigen zielenleven wel hebt leren kennen. Stond u weleens in zo’n grote stad, tijdens het spitsuur, toen duizenden en duizenden mensen in korte tijd aan u voorbijgingen? Vroeg u zich toen wel eens af: Wat zal de eeuwigheidsbestemming van deze mensen zijn? Als wij nooit bewogenheid kennen met onze ontkerstende naaste, dan is het de vraag of wij zelf de Heere wel zoeken.

 

Gemeente, wij hebben met Jona het ambt verspeeld. Wij zijn in het paradijs geschapen als Gods beelddragers. Daar hebben we allemaal het ambt ontvangen van profeet, priester en koning. Die drie ambten corresponderen met de drie trekken van het beeld van God: oprechte en ware kennis, gerechtigheid en heiligheid. Maar dat beeld dat hebben we in het paradijs verloren.

En nu?

Mijn ziele, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?

Als je zestien bent?

Hoe zullen we rechtvaardig verschijnen voor God?

Als u zes en tachtig jaar oud bent?

Mijn ziele, doorziet gij uw lot?

 

Kom, als u nog nooit bewogen was over het zielenheil van uw naaste, als u zo makkelijk onbekeerd voortleeft, laat u heden van Godswege waarschuwen.

Zo kunt u niet sterven! Zo kunt u niet voor God verschijnen.

Ambtsherstel is nodig, voor ons allen!  

Er is nog zo’n ruime mogelijkheid voor ambtsherstel in die enige Borg en Zaligmaker Jezus Christus. Hij heeft het betuigd, en Hij betuigt het u: De Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven (Luk.9:56).

 

Hoor! Hij nodigt u: Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

Hoor! Hij laat de nodiging van de genade aan uw hart leggen: Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes.45:22).

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 72: 9

 

De stedelingen zullen bloeien,

Gelijk het malse kruid.

Zijn naam en roem zal eeuwig groeien;

Ook zal, eeuw in, eeuw uit,

Het nageslacht Zijn grootheid zingen,

Zolang het zonlicht schijn',

Hun zal een schat van zegeningen,

In Hem, ten erfdeel zijn.