Ds. M. Golverdingen - Jona 2 : 7 - 9

De geloofsovergave van Jona

Jona 2
Jona's geloofsovergave in zijn gebed
Jona's geloofsovergave in zijn dankbaarheid
Jona's geloofsovergave in zijn verwachting

Jona 2 : 7 - 9

Jona 2
7
Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den HEERE, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.
8
Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid.
9
Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 3
Lezen : Exodus 14
Zingen : Psalm 77: 1, 2 en 8
Zingen : Psalm 45: 1
Zingen : Psalm 35: 1

Gemeente,

De Israëlieten zijn na de uittocht uit Egypte bij de Schelfzee aangekomen. Daar grijpt een grote, onverwachte benauwdheid hen aan. Achter hen, in de verte, rijzen enorme stofwolken omhoog. Zij worden opgeworpen door zeshonderd gevechtswagens van de Farao van Egypte en mogelijk ook door andere strijdwagens waarover hij op dat moment kon beschikken.

Wat moet het volk nu toch beginnen? Links en rechts rijzen de bergen omhoog, voor hen ligt het water van de zee en achter hen wordt de weg afgesloten door de troepen van de Farao. In grote angst beginnen ze alle mogelijke verwijten aan het adres van Mozes te adresseren. ‘Waarom hebt u ons dit aangedaan? Waarom hebt u ons uit Egypte gevoerd?’ Ze verkiezen in hun moedeloosheid en in hun ongeloof de slavernij daar boven de dood in de woestijn.

Had het volk van Israël dan de wonderen des Heeren in Egypte niet gezien? Waren ze geen getuige geweest van Gods uitgestrekte hand, waarmee Hij in Zijn almacht al de eerstgeboren van de Egyptenaren had gedood?

Jazeker, zij waren er getuige van geweest. Maar zelfs Gods kinderen onder hen vielen nog zo dikwijls in de kuil van ongeloof en ondankbaarheid.

Is het vandaag anders? De Heere voert Zijn kinderen tot de volle zaligheid, maar zij hebben op de weg door de woestijn van dit leven bij herhaling genadebewijzen nodig. Door die genadebewijzen wil de Heere telkens weer hun traagheid, hun moedeloosheid en hun ongelovig geredeneer doorbreken en hen heenleiden, steeds weer opnieuw, naar het bloed van Christus dat van alle zonden reinigt.

 

Hoe heerlijk schittert in het u voorgelezen hoofdstuk 14 van het boek Exodus dan het geloof van Mozes. Hij vertrouwt onvoorwaardelijk op de belofte dat God Zich zal verheerlijken in de ondergang van Farao en al de zijnen. Israël zal behouden worden, dat staat door het geloof voor Mozes vast. We hebben in het dertiende vers gehoord hoe Mozes het volk bemoedigde: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des Heeren, dat Hij heden aan ulieden doen zal. De redding komt alleen van Gods kant! Hij is de getrouwe God van het verbond, Die woord houdt tot in eeuwigheid. Hij ziet dat onwillige, dat morrende en zondige volk in Christus aan, en Mozes heeft door het geloof op de Heere Jezus mogen zien.

Mozes is niet de enige geweest die daar bij de Schelfzee het heil des Heeren heeft gezien. Alle Israëlieten die door het geloof het pad door de Rode Zee zijn ingeslagen hebben het gezien. Ook Simson zag het heil des Heeren, daar bij de rotsspleten van Lech. David bezingt het op tal van plaatsen in de psalmen. En ieder die uit genade zalig wordt, leert het heil des Heeren verwachten.

 

Jona heeft ook iets van die verwachting geleerd. Hij spreekt erover als hij in de buik van de vis is. We staan daar nader bij stil naar aanleiding van de tekst die u kunt vinden in de dankpsalm van Jona. Wij lezen dat danklied in Jona 2 vers 7 tot en met 9:

 

Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere, en mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid. Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid. Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des Heeren.

 

Naar aanleiding van onze tekst staan we stil bij: De geloofsovergave van Jona.

 

Wij overdenken:

 

1. Jona’s geloofsovergave in zijn gebed. We lezen dit in vers 7: Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere, en mijn gebed kwam tot U.

2. Jona’s geloofsovergave in zijn dankbaarheid. Want we lezen in vers 8 en 9a: Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid. Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging.

3. Jona’s geloofsovergave in zijn verwachting. Het slot van de tekst, waar staat: Het heil is des Heeren.

 

Onze eerste gedachte is dus:

 

1. Jona’s geloofsovergave in zijn gebed

 

Onze tekst vormt het slot van het danklied van Jona. Dat lied heeft de profeet geschreven nadat een grote vis hem uitgebraakt heeft op het strand van Kanaän. In dit danklied heeft hij al zijn noden en aanvechtingen uitgedrukt die hem geteisterd hebben in de buik van het zeemonster. Maar in datzelfde lied vat hij ook al de gebeden samen, die hij daar in het stikdonker heeft uitgegoten voor het gezicht des Heeren. Tenslotte vertolkt hij in dit danklied alle geloofsversterkingen die hij mocht ontvangen. In de laatste strofe, die de verzen 7 tot en met 9 omvat, komt hij op dit alles nog eenmaal terug.

Jona kán niet genoeg beklemtonen uit hoe grote nood en dood hij wel gered is. Vandaar dat hij in het begin van vers 7 opnieuw zijn ontzettende benauwdheid tekent: Als mijn ziel in mij overstelpt was.

 

Het woord ziel is hier zoals vaak in de Bijbel de aanduiding van ziel en lichaam samen. De aanduiding van de hele mens. Hij voelt als gehele mens hoe de levenskracht uit hem wegvloeit. Daarom is hij werkelijk overstelpt, overdekt met zorg en bekommernis, doortrokken van angst en nood.

Waarom doortrekt die angst en de nood Jona?

Omdat hij beseft dat het moment van sterven nu heel dichtbij is. Dat moment van het moeten sterven wordt ten diepste in de tekst aangegeven met die woorden: Als mijn ziel in mij overstelpt is. Jona, een kind en een knecht van God moet sterven, terwijl de Heere Zijn Vaderlijk aangezicht voor Hem verbergt.

 

Jona ervaart eerst in die grote vis niets anders dan de Vaderlijke toorn van God, daarom is zijn ziel overstelpt. Zijn ziel is vol ellende, vol zondeschuld. Hij, Jona, is immers weggelopen van voor Gods aangezicht. Hij, Jona heeft geweigerd om het Woord van God in Ninevé, de wereldstad van het Assyrische rijk, te prediken. Hij, Jona, misgunt de inwoners van Ninevé hun bekering, Hij is in zijn onverschilligheid en onbetrokkenheid het ruim binnengegaan van de Tarsisvaarder in Jafo, en omdat Gods storm hem achtervolgde op de Middellandse Zee, heeft hij de hele bemanning in gevaar gebracht.

Maar diezelfde Jona heeft daar zijn straf mogen aanvaarden, waarna de bemanning hem overboord wierp. In al zijn benauwdheid lag op de bodem van zijn hart: Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd (Micha7:9).

 

Gemeente, zulke ervaringen kunnen ook vandaag in het leven van een kind van God voorkomen als zij het werkelijk naar alle kanten verzondigd hebben. Dan kan er een situatie in het geestelijke leven ontstaan waarbij we onszelf met de naam Magôr-missabib kunnen typeren: schrik van rondom.

Dan herkennen we onze overstelpte ziel in psalm 77:

 

Ik schatte mij geheel verloren,

ik mocht van geen vertroosting horen.

Als mijn ziel aan God gedacht,

loosd ’ik niets dan klacht op klacht.

 

Het kan zijn, dat er een periode in uw leven aanbreekt, dat u aan geen enkel teken van genade meer houvast hebt. U zegt: ‘Maar blijft er dan helemaal niets over? Kan het leven der genade dan helemaal ten ondergaan?’

Nee, gemeente, dat kan niet! Want het zaad der wedergeboorte, door de Heilige Geest in het hart geplant, is onuitroeibaar. De Heere laat Zijn werk niet varen, dat laat Zijn eer en glorie niet toe. Hij laat Zijn werk niet varen in ons leven, al hebben wij in ongehoorzaamheid, in ongeloof en in eigen wijsheid nog erger gezondigd dan Jona. Nooit, nóóit zal de zonde het beginsel van het nieuwe leven, dat in ons hart werd geplant, kunnen overwinnen.

 

Wanneer in de voortgang van onze bekeringsweg onze algehele verdorvenheid dieper wordt gekend, dan komt er opnieuw plaats voor die gezegende Zaligmaker. Hij zocht het verlorene en Hij zoekt het verlorene. Hij zocht Jona op en in de grootste nood heeft God hem nog iets van genade laten ervaren, zodat hij daar in het binnenste van de vis, in die uiterst benauwde situatie, innerlijk wordt aangemoedigd om Hem te zoeken in het gebed.

Wat zijn het kenmerkende woorden die in het midden van vers 7 staan: Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere. Zodra Jona in die vis enigszins tot Zichzelf gekomen is, denkt hij aan God. Hij beseft: dat ik hier ben, dat ik hier zit, dat ik hier lig in deze glibberige slijmmassa, is geen toeval of noodlot, maar een wijze beschikking van de almachtige God, Die Zich over mij, de ongehoorzame knecht, heeft ontfermd. Ik heb Hem verlaten, maar Hij heeft mij niet laten verdrinken in het diepe water van de Middellandse Zee. Maar Hij geeft mij nog een plaats in het ingewand van een vis.

 

Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere. Wat gebeurt er eigenlijk op dat moment van inkeer dat Jona ontvangt?

Hij stelt zich de Heere voor ogen. Het denken aan wat God gedaan heeft in zijn leven ontsteekt in zijn hart een gebed tot zijn Heere en Koning. En met een hartelijke schuldbelijdenis neemt Jona de toevlucht tot God om te smeken om behoud.

Jonge mensen, jongens en meisjes, er staat zo opvallend: Jona dacht aan God. Doen jullie dat ook? Denk je ook aan God? Hoe vaak vergeten wij Hem helemaal. We vergeten Hem, omdat onze studie of ons werk ons in beslag neemt. We vergeten Hem bij het ouder worden, omdat we vol zijn van onze verkering, van onze vakantieplannen en onze hobby’s. Ze houden ons van de vroege morgen tot de late avond bezig en er is geen plaats voor God in ons leven.

 

Jongelui, kinderen, heeft de Heere wel een plaats in jouw denken? Kwam Hij deze week nog in je denken voor? Hij is je Schepper. Hij heeft je op een wonderlijke manier gemaakt in de schoot van je moeder. Daarna heeft Hij je door de doop afgezonderd, opdat je Hem zou zoeken! Hij heeft én als je Schepper én als de God van het verbond recht op je hart. Hij heeft recht op al je gaven en talenten, op de bruisende energie van je jonge leven. Kortom, Hij heeft recht op je hele persoon, op je hele hart. Hij roept je toe: En gedenk aan uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve (Pred.12:1).

Kom, zoek Hem terwijl Hij te vinden is. Gedenk aan je Schepper door het persoonlijk lezen van het Woord van God, richt je leven in naar Zijn heilige geboden, want dat zet een rem op de zonde. Gedenk aan je Schepper door te vragen om licht over het Woord dat je leest, opdat je het Woord van God mag verstaan tot zaligheid.

Dit gebeurde ook bij de dichter van Psalm 119, deze zegt: Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad (Ps.119:105). Wat ben je gelukkig als je dat zeggen mag, als je ervaren mag dat er licht vanuit het Woord over je levensweg valt. Dan zie je langs welke weg de Heere je wil leiden. Dan breken de banden van de zonde, dan vervult de liefde tot God je hart.

Gedenk aan je Schepper, door je trouw te zetten onder het Woord. Het kan nog in Nederland, het mag nog, de deuren van de kerken staan nog wijd open. Het Evangelie mag nog worden uitgedragen. Het geloof is uit het gehoor en Hij opent nog jonge harten: Het zaad zal Hem dienen. Jongelui: Het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten, staat er in psalm 22. Vraag jij weleens aan de Heere of je bij dat ‘zaad’ horen mag?

 

Als mijn ziel in mij overstelpt was, dacht ik aan de Heere. Aan de Heere denken is kenmerkend voor het ontstaan en voor de voortgang van het genadeleven. Ouderen onder ons, kent u er iets van? Als God werkt in ons leven, gaat dat gepaard met denken aan de Heere. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken (Hebr.11:6).

Tot God komen… dat betekent: denken aan de Heere. Denken aan Hem houdt in dat u uzelf voor de Heere veroordeelt en aanklaagt. Aan de Heere denken houdt in dat u Hem prijst en goed van Hem spreekt.

Bij dat denken aan de Heere gaat het niet alleen over Zijn rechtvaardigheid en over Zijn heiligheid, maar u krijgt midden in uw ellende ook oog voor Zijn goedertierenheid en Zijn eeuwige barmhartigheden in Christus. In het Woord worden dan grondeloze barmhartigheden voor u ontsloten. Het Evangelie wordt voor uw hart geopend: De Zoon des mensen is niet gekomen om der mensen zielen te verderven, maar om te behouden (Luk.7:56).

Wat krijgen we dan goede, grote, heilige, en aangename gedachten van de Heere in ons hart en in ons denken. Dan zeggen we met David in één van de psalmen: Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn (Ps.104:34). Dan mag u de kracht van het bloed van Christus tot verzoening van zo iemand als u overdenken. Dan mag u de liefde van God in het zenden van Zijn Zoon in deze vervloekte wereld overpeinzen. Dan krijgt u bij dat denken een onbeperkt krediet tot God in uw hart. Dan gaat u op de Heere leunen en steunen; en op Hem vertrouwen. U geeft uzelf bij dat denken aan de Heere over. U neemt met Jona de toevlucht tot God, zoals we dat lezen in onze tekst: En mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid.

 

Die tempel komt twee keer voor in Jona’s danklied. De eerste keer in vers 4; daar wordt heel duidelijk gezinspeeld op de tempel in Jeruzalem. Die tempel is eigenlijk het beeld van het binnenste, van het hemelse heiligdom zoals we dat lezen in Psalm 11: De Heere is in het paleis Zijner heiligheid, des Heeren troon is in den hemel (Ps.11:4).

De Heere heeft de stem van Jona in de hemel gehoord. Hij heeft het gebed om het behoud van de profeet gehoord en verhoord. De onmiddellijke doodsdreiging, die zo dichtbij gekomen was in het binnenste van de vis, is door de Heere afgewend. Jona heeft mogen geloven dat hij, hoe en wanneer dan ook, het droge zal bereiken. U hoort de verwondering van de profeet door de tekst heen klinken: En mijn gebed kwam tot U, in den tempel Uwer heiligheid. Mijn zuchten uit de diepten van de Middellandse Zee, uit de buik van het zeemonster, zijn tot God opgeklommen.

Hoe was dat mogelijk?

Wel, de Heere heeft Jona aangezien in Christus. In de stilte der eeuwigheid heeft Hij die ongehoorzame en afwijkende profeet in Christus bemind. Daarom heeft Hij zijn gebed gehoord. Dat gebed werd gedragen door de voorbede van die dierbare Immanuël, van Wie Paulus getuigt: Christus is het, Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom.8:34).

Wat een troostrijke gedachte: Christus, de verhoogde Zaligmaker zit aan de rechterhand van de Vader en Hij bedient daar voortdurend het gouden reukaltaar der gebeden. Hij heiligt daar al onze onvolmaakte, zondige gebeden. Hij heiligt en volmaakt daar alle verzuchtingen, hoewel met zonden bevlekt, van een volk in nood. Het gebed van Jona is verhoord omdat God hem aan wilde zien in Christus.

 

Gemeente, herkennen we onszelf eigenlijk in onze tekst? Denkt u ook aan de Heere? Is dat heilige denkproces in uw leven begonnen? Is het al biddende en zuchtende op gang gekomen? Anders gezegd: is het uw levensgang geworden? Want zo gaat dat in de bekering.

Ach, zegt u: ‘Ik kan mijn vragen en mijn zuchten zo dikwijls niet voor bidden houden.’

Wel, uw met zonden bedekte en bevlekte gebeden, worden door die enige Hogepriester in de hemel als een liefelijke reuk aan de Vader voorgesteld. Daarom, daarom alleen ontvangt u antwoord op uw gebed. Daarom alleen schrijft de Heilige Geest de woorden van de Schrift in de wanden van uw hart zodat ze er niet meer uitkunnen. Daarom alleen ontvangt u antwoord onder de prediking van het Evangelie op de vragen van uw hart, en is het soms alsof van de daken gepredikt wordt wat in de binnenkamer wordt beleefd. Daarom alleen opent de Heere in de weg van Zijn voorzienigheid, in allerlei omstandigheden, wegen die u niet voor mogelijk gehouden hebt, en wegen die u dacht te moeten gaan, worden door Hem afgesloten.

U denkt aan de Heere, u blijft door genade aan de Heere denken, omdat Hij in Zijn onzegbaar grote zondaarsliefde aan u heeft gedacht. Dat baart zoveel verwondering, dat baart zoveel dankbaarheid.

Het brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. De geloofsovergave van Jona in zijn dankbaarheid

 

We lezen in vers in vers 8 en 9: Die de valse ijdelheden onderhouden, verlaten hunlieder weldadigheid. Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging, wat ik beloofd heb zal ik betalen.

Wie gesmaakt en geproefd heeft hoe goed de Heere is, verstaat ook hoe nutteloos het is om een afgod te vereren. Dat kwaad kwam niet alleen voor bij de heidenen, maar het kwam ook onder Israël veel voor; breng uzelf maar de dienst van Baäl en Astarthe in herinnering.

Een afgod, zegt Jona, is niets anders dan een valse ijdelheid, een nutteloze nietigheid, een voos waandenkbeeld. Zulke beeldendienaars verlaten de weldadigheid. Ze verlaten de goedertierenheid.

Want Wie bewijst hen die weldadigheid? Wie schenkt hen die goedertierenheid?

De Heere!

Maar die afgodendienaars schrijven de zegeningen aan hun afgoden toe. Dat is een verlaten van de ware weldadigheid; een verlaten van de enige ware God. Zij blijven de valse ijdelheden onderhouden, zij blijven weigeren om de Heere te dienen.

 

Gemeente, afgoden zijn lang niet altijd van goud of van hout. Wat een afgoderij kunnen wij als kerkelijke mensen niet bedrijven met ons eigen ik, dat we centraal hebben geplaatst in de tempel van ons hart. Wat een afgoderij kunnen we er niet op na houden ten aanzien van ons bedrijf en ons bezit. Wat laten we ons toch soms meenemen door de afgodendienst van de sport, zelfs tot op de dag des Heeren toe. Ik denk ook aan de afgodendienst van de mode, waarbij eigenlijk maar één vraag centraal staat: word ik wel gezien? Als we die afgoden eer bewijzen dan is dat niet anders dan het verlaten van God en zijn weldadigheid. Dan hebben we de Heere niet nodig.

 

Waarom spreekt Jona opeens over afgoden en valse ijdelheden?

Omdat hij zo scherp gezien heeft wat hij gedaan heeft! Op zijn vlucht naar Jafo en naar Tarsis heeft hij voortdurend die valse ijdelheden onderhouden. Hij heeft steeds zichzelf gezocht. Hij is voortdurend bij zijn eigen ik te rade gegaan. Zijn eigen ik had liever dat de mensen van Ninevé verloren gingen dan dat ze behouden zouden worden. Zo is Jona bezig geweest met het verlaten van de weldadigheid. Hij heeft niet anders gedaan dan de Heere en Zijn weldadigheid te verlaten.

Maar nu, in die grote vis, nu is Jona innerlijk verbroken. Nu is hij innerlijk verwonderd en verblijd dat de Heere hem niet alleen tegen is gekomen op zijn vlucht en aan zijn dwaasheid heeft ontdekt, maar dat Hij hem ook tot nu toe heeft behouden. Nu is zijn leven weer op God gericht. Het is het werk van de Geest van Christus in de biddende Jona.

Nee, Jona wil het voorbeeld van de afgodendienaren, die de Heere niet eren om Zijn zegeningen, niet volgen. De Heere alleen moet de eer ontvangen en daarom zegt hij in vers 9: ‘Ik zal niet doen zoals de afgodendienaars doen, maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen.’

 

Is dit eigenlijk niet hoogmoedig, is dit niet een al te onbescheiden taal van de profeet? Lijkt dat niet op eigengerechtigheid als hij zegt: Ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen?

Jona heeft onmiskenbaar aan de aardse tempel gedacht, want hij spreekt eigenlijk over het zogenaamde ‘slachtoffer tot lofverheffing’ – het lofoffer, het dankoffer – dat beschreven wordt in Leviticus 7 van vers 13 tot 15. Voor dat offer werd een dier geslacht. Dat hield voor de gelovige belijder van toen en voor Gods kind van vandaag in: ‘Heere ik kán niet tot U naderen met wat van mij is, ik kan niet tot U naderen met mijn gewilligheid, mijn goede bedoelingen, mijn bekering, met mijn gestalte en noem maar op. Dat alles kan U niet behagen, want het is met zonden bevlekt en bedekt. Maar ik kom tot U met een offer, een offer dat heen wijst naar Christus. Ik kom tot U door het geloof in Zijn offerande. Dat Offer waarin alleen mijn heil ligt, is alleen uit U! Uw Christus met Zijn gerechtigheid, Uw Christus met Zijn volkomen heiligheid, Uw Christus met Zijn volkomen verzoening is alleen mijn vrede, mijn vreugde en mijn leven. Gij hebt mij niet laten wegzinken in de dood en in de hel. Maar u hebt mij om Christus wil aangezien en mijn ziel lieflijk willen omhelzen. Het heeft u behaagd die dierbare Jezus te verbrijzelen. Door Zijn offer heb ik de vrede ontvangen: Ik voor u, daar gij anders de eeuwige dood had moeten sterven.’

 

O, als Jezus Zichzelf zo in uw ziel openbaart, wat krijgt Hij dan een waarde. Wat begint Hij dan te schitteren voor onze ogen. Wat krijgt Hij dan al de liefde van ons hart. Ik zal Hem al mijn liefde waardig schatten, omdat Hij mijn rechterhand wilde vatten. Over die Zaligmaker, over die Bruidegom van de Kerk zingen wij nu eerst psalm 45 vers 1:

 

Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen,

Zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;

Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft;

Is z' als de pen van een, die vaardig schrijft.

Beminlijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven,

Gaat al het schoon der mensen ver te boven;

Genâ is op uw lippen uitgestort,

Dies G' eeuwiglijk van God gezegend wordt.

 

Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging… Dit is de taal van het gebroken hart en de verslagen geest, waarbij de Heere zo hartelijk mag worden erkend. Het is de begeerte van elke ware offeraar, die zijn eigen vloekwaardigheid belijdt en zijn hand op het offerdier mag leggen. Want het geloof is een genade die het offer van Christus op de hoogste prijs stelt. Daarom kan en mag Jona niet zwijgen over die enige Naam die tot zaligheid onder de hemel gegeven is. De ervaring van Gods ontferming, van Gods barmhartigheid in ons leven, gaat altijd gepaard met een ootmoedige dankbaarheid.

Door het geloof ziet Jona zichzelf al op het tempelplein staan om een dankoffer te brengen. Hij ziet zichzelf zingend tot het altaar naderen. Hij hoort zich reeds de lofprijzing met de woorden van de oudtestamentische psalmen aanheffen: De Heere is goed; en Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid, en Zijn getrouwheid van geslacht tot geslacht (Ps.100:5).

 

Wat is het toch een aangename gestalte van de ziel als zij vol mag zijn van de goedertierenheid Gods. Wat liggen de dingen dan ruim in het hart. Heeft u al eens ervaren in uw leven dat u goed van God mocht denken, dat u mocht geloven dat Hij goedertieren is? Want dat is de ware dienst des Heeren; daarin wordt beleden dat God goedertieren is tot in eeuwigheid. Dit gaat ook altijd gepaard met een innerlijke drang om die dienst van de Koning aan anderen te mogen aanprijzen. Dan kunnen we niet nalaten om tegenover de man waarmee we getrouwd zijn of de vrouw die God aan onze zijde heeft geschonken, de goedheid van God aan te prijzen. Of tegenover onze kinderen en iedereen die de Heere op onze weg brengt.

 

Gemeente, er staat in onze tekst dat het een offerande met de stem der dankzegging is. Het is dus geen offer, geen dankzegging, dat luidruchtig gebracht wordt. Het is niet de dankzegging waarmee de Farizeeër voor in de tempel stond en hoogmoedig uitroept: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar (Luk.18:11). Nee, maar het is een dankzegging in diepe ootmoed, want wie de Heere prijzen mag, die ervaart hoe klein en nietig hijzelf is en hoe groot en goed God is voor een schuldig mens.

Was er een moment in uw leven dat u die goedertierenheid Gods hebt mogen opmerken? Hield Hij u stil, leidde Hij u op de weg als een arme zondaar, openbaarde Hij iets van die dierbare Christus aan uw hart?

Maar hoe is het nu? Na ontvangen genade, soms zoveel jaren erna? Gaat u nu met een gesloten mond over de wereld?

Als u eerlijk bent tussen God en uw hart dan weet u wel hoe het komt; er liggen zonden die scheiding maken tussen de Heere en u. Dan zijn er niet-beleden zonden die het geestelijke leven helemaal verflauwen. Gaat u daarom met een gesloten mond over de wereld? Ligt het niet vlak tussen u en de Heere? Houdt u de zonden aan de hand?

Smeek dan de Heere of Hij Zijn ontdekkende Geest in uw leven wil schenken en vraag of u daartoe op het Altaar zien mag. Bidt of u als een onwaardige zondaar, als een afwijker en een wegloper bij vernieuwing op Christus zien mag. Vraag of u als een vloekwaardige bij Hem mag schuilen. Want Christus heeft ons verlost van de vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons (Gal.3:13).

 

Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen.

Jona heeft Gods grote barmhartigheid gezien over zijn verzondigde leven en dát heeft zijn hart in vuur en vlam gezet. Het zijn vlammen van zuivere liefde, vlammen van een heilige begeerte om voor de Heere te mogen leven.

Wat heeft Jona eigenlijk beloofd op het moment dat hij deze psalm uitspreekt? Heeft hij toen beloofd dat hij alsnog naar Ninevé zou gaan om daar het Woord Gods te spreken?

Dat zou kunnen zijn, maar het is ook zeer aannemelijk dat hij hier de Heere opnieuw zijn gehele leven wijdt in gehoorzaamheid en onderwerping. Dat sluit de gang naar Ninevé in, want als Gods barmhartigheid in ons leven wordt ervaren, dan komt de Heere alles toe. Dan willen we Hem alles geven; ons hele leven, al onze gaven en talenten. Want dat is de Heere dan zo waardig omdat Hij in gunst op ons neer wilde zien. Dan wordt de keuze, die we eenmaal mochten maken voor de Heere en Zijn dienst, vernieuwd. Dan kunnen de uiterlijke omstandigheden nog dezelfde zijn, maar dan mag u instemmen met Psalm 42:

 

Maar de Heer’ zal uitkomst geven,

Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt;

'k Zal in dit vertrouwen leven,

En dat melden in mijn lied;

 

De Heere zal uitkomst geven. Dat brengt ons bij de laatste gedachte:

 

3. De geloofsovergave van Jona in zijn verwachting

 

Misschien heeft zojuist iemand gedacht: Hoe durft die Jona? Hoe durft die man in het ingewand van de vis deze belofte te doen? Ik zal U offeren met de stem der dankzegging; ik zal U dat dankoffer, dat slachtoffer van de lofverheffing, brengen in Jeruzalem? Hij weet toch niet of hij die gelofte zal kunnen houden. Hij weet niet eens wat er met hem zal gebeuren.

Toch durft de profeet het aan! Want hij heeft deze belofte niet afgelegd in eigen kracht. Want dan was er helemaal niets van terecht gekomen! Hoe vaak doen mensen niet een gelofte in een tijd van ernstige ziekte? Dan zeggen ze: ‘Heere, als ik beter zal mogen worden, dan zal ik U dienen met heel mijn hart.’ We zien ze dan opknappen, maar de belofte blijft ziek op bed liggen; er komt helemaal niets van terecht.

Maar zo ligt het bij Jona niet, want hij weet wat de grond is waarop het geloof dat gelooft, rust. Hij heeft zich door het geloof geheel aan de Heere mogen overgeven, om de belofte in Góds kracht alleen te kunnen volbrengen. Daarom roept hij tenslotte uit: Het heil is des Heeren, het heil is van de Heere.

 

Gemeente, dit is nu het gehele Evangelie samengevat in een enkel woord. De Heere is de God van het verbond Die Zich ontfermt over zondaren. Het heil, de verlossing, de redding, het behoud is van de Heere! Hij is niet alleen machtig, maar ook gewillig om Jona te redden.

We mogen volgens de kanttekening ook lezen: ‘Al het heil, alle verlossing naar lichaam en ziel komt alleen van Hem.’ Redden, dat is alleen Gods monopolie; van eeuwigheid ligt het heil vast in het Vaderhart van God.

De Middellandse Zee waarin Jona wegzonk was diep, maar oneindig veel dieper is de diepzee van Gods zondaarsliefde in de Zoon van Zijn eeuwig welbehagen. Het heil ligt buiten ons, het heil ligt in de Heiland. Het heil is des Heeren. Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh.3:16).

Wie met Jona heeft geleerd dat het heil van de Heere is, schrijft de dood op alles wat van zichzelf is. Hij of zij belijdt dat hij alles, álles van God verwacht en geeft zich in het geloof in de belofte onvoorwaardelijk aan de Heere over.

 

Er wordt veel over het geloof geredeneerd. Maar het ware geloof vindt een zalige rust in het volbrachte werk van Christus, hetzij dat u al zuchtende, al bevende, al smekende tot Hem de toevlucht neemt, hetzij dat u komt met veel verzekerdheid. Maar het betekent altijd: ophouden met werken, een streep erdoor, jezelf láten zaligen. Het betekent altijd zakken en zinken op het enige Fundament ter behoudenis, Jezus Christus en Dien gekruisigd. Wat is het toch een veelbetekenend woord dat we lezen in Romeinen 4: Doch dengene, die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid (Rom.4:5).

 

Wie gelooft er nu op deze wijze? Wie werpt zich zo met al zijn schuld en al zijn ellende op Christus en Zijn gerechtigheid? Wie doet zoiets?

Niemand doet dat van nature! Er is immers voor u en mij niets moeilijker dan onvoorwaardelijk in Christus te geloven.

Waarom is dat zo moeilijk?

Omdat we door onze zondeval zo in en in hoogmoedig zijn! Wij willen zelf God tevredenstellen. Maar dit is het wonder: Als de Heere bekering en geloof eist, schenkt Hij wat Hij eist. Het heil is des Heeren! Dit is het enige dat een verloren mens hoop kan geven.

Kom, als u Hem niet kent, vraag de Heere dan of Hij door de Heilige Geest in u het geloof wil werken. Al het heil is van de Heere. Bij Hem is er gebed voor biddeloze kerkgangers. Al het heil is van de Heere. Bij Hem is geloof voor mannen en vrouwen, jongens en meisjes, die niet geloven kunnen. Bij Hem is bekering voor onbekeerden. Bij Hem is een vlesen hart voor mensen met een hart van beton. Bij Hem is schuldbesef en hartelijke droefheid voor mensen die klagen over hun totale gevoelloosheid. Bij Hem is armmakende genade voor rijke jongelingen die zich heimelijk op de borst slaan dat ze het in het kerkelijke leven zo aardig hebben gedaan.

Als de Geest van Christus, Die plaatsmaakt voor het heil des Heeren, komt, dan ziet u wat de werkelijkheid is: ik ben één brok blinkende zonden. Dan zien we wat door de profeet gezegd wordt van onze beste werken, zelfs van ons hartelijkste gebed geldt: Wij allen zijn als een onreine en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed (Jes.1:64). Hoe groot is het als de Heilige Geest u leidt tot die volkomen Zaligmaker. Niets geeft een arme, veroordeelde zondaar meer blijdschap dan de belijdenis: Het heil is van den Heere.

 

Gemeente, laten we ons toch niet laten meeslepen door die vloedgolf van praktisch remonstrantisme, hetzij in gereformeerd, hetzij in een evangelisch gewaad. Dan zegt men: ‘Als u maar wilt, dan kunt u geloven en als u niet wilt, dan kan God helemaal niets voor u doen.’

Wat is die leer van een machtige zondaar, die zelf Jezus kan aangrijpen, toch een harde en troosteloze leer! Het is de leer van een onmachtig God, Die wachten moet tot de zondaar tot een geloofsbeslissing komt.

Redt de Heere mensen die in eigen kracht zo goed geloven kunnen?

Nee! Zo werkt Hij niet, zegt de Schrift.

Redt de Heere mensen die door hun eigen inzet zo heilig kunnen leven?

Zo werkt Hij niet, zegt de Schrift. Hij behoudt onwaardige, onmachtigen, rechtelozen, en onwillige zondaren.

Hij rechtvaardigt goddelozen. Daarom kan de grootste van de zondaren, de hardste, de koudste en de oudste van de zondaren, nog tot God bekeerd worden. Want: Het heil is des Heeren! Alleen daarin ligt alles voor arme en ellendige mensen die niet weten hoe ze behouden moeten worden.

Houdt u daarom maar aan in het gebed, Hij heeft niets van u nodig, maar Hij wil gebeden zijn. Hij behoudt uit enkel genade. Het heil is des Heeren. Als er licht vallen mag op de weg ter ontkoming in Christus, het heil is des Heeren. Als Hij in de belofte tot u komt en u de schoonste der Mensenkinderen mag aanschouwen: het heil is des Heeren. Als u tot die zeer gewillige Zaligmaker mag vluchten en uzelf Hem mag opdragen en overgeven: Het heil is des Heeren. Als u op het kruis van Golgotha mag zien en het pak der zonde van uw schouders afvalt: Het heil is des Heeren. Als u door de verzekerende bediening van de Heilige Geest mag getuigen: Noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere (Rom. 8:39), het heil is des Heeren.

Als u na lange tijd van verachtering in het genadeleven tot de Heere mag wederkeren, en opnieuw mag geloven dat God weglopers en wegkijkers behoudt, als het water van de Jordaan van de dood uw voeten zal aanraken, dan zult u mogen heengaan met dat gelovig benodigen van die dierbare Jezus, dan zal uw ziel opnieuw belijden: Het heil is des Heeren.

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 35 vers 1:

Twist met mijn twisters, Hemelheer;

Ga mijn bestrijd’ren toch tekeer;

Wil spies, rondas en schild gebruiken,

Om hun gevreesd geweld te fnuiken;

Belet hun d’ optocht; treed vooruit;

Zo worden z’ in hun loop gestuit;

Vertroost mijn ziel in haar geween,

En zeg haar: “’k Ben uw heil alleen.”