Ds. M. Golverdingen - Jona 1 : 13 - 17

Gods recht en het offer van Jona

Jona 1
De afwijzing van dat offer
Het brengen van dat offer
De bewaring na dat offer

Jona 1 : 13 - 17

Jona 1
13
Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.
14
Toen riepen zij tot den HEERE, en zeiden: Och HEERE! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, HEERE! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd.
15
En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid.
16
Dies vreesden de mannen den HEERE met grote vreze; en zij slachtten den HEERE slachtoffer, en beloofden geloften.
17
De HEERE nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 85: 2 en 4
Lezen : Jona 1
Zingen : Psalm 93: 1 en 4
Zingen : Psalm 40: 4
Zingen : Psalm 116: 5

Gemeente, het Bijbelboek 2 Samuel wordt op een sprekende wijze afgesloten met de woorden: Alzo werd de Heere den lande verbeden (2Sam.24:25).

Het volk wordt geteisterd door een ontzettende pestepidemie. De Heere bestraft de zonde van David, die uit pure hoogmoed het volk in vredestijd had laten tellen. De Heere bestraft tegelijkertijd de zonde van het volk zelf. Als David de verderfengel Jeruzalem ziet naderen, mag hij met heel zijn hart voor God bukken en neemt hij alle schuld op zich. Dan roept hij uit: Maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en mijns vaders huis (2Sam.24:17).

Maar beleden schuld is nog geen vergeven schuld. Daarom zendt de Heere in Zijn grote ontferming de profeet Gad tot David. Die geeft David de opdracht om een altaar op te richten voor de Heere, op de dorsvloer van Arauna. Zo’n dorsvloer lag op het hoogste punt van de omgeving. David koopt de aangewezen heuveltop en bouwt daarop een altaar. Op dat altaar worden brandoffers en dankoffers gebracht. En dan houdt de plaag op, want de Heere Zelf wijst die offerande aan als betaling voor de schuld. Door die offerande is God verzoend. In de weg van het offer ziet de Heere David en zijn volk weer in gunst aan. Alzo werd de Heere den lande verbeden.

 

Het offer op de dorsvloer van Arauna wijst heen naar Christus en Zijn verzoenend werk. De Borg Jezus heeft Zich eenmaal op Golgotha als een volkomen offerande overgegeven in de dood. Toen heeft Hij uitgeroepen: Het is volbracht! (Joh.19:30).

Wie door de geest van Christus bearbeid wordt tot de zaligheid, gaat verstaan dat zijn persoonlijke zonden zo groot zijn dat ze alleen kunnen worden weggenomen door een volkomen offer der verzoening. Alleen in het offer en door het offer van Christus is er verzoening voor schuldige ouderen en jongeren.

Hoe duidelijk wordt dit afgebeeld in het Schriftgedeelte waarvoor wij met de hulp des Heeren uw aandacht vragen. U kunt onze tekst vinden in Jona 1, de verzen 13 tot en met 17:

 

13. Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. 14. Toen riepen zij tot den Heere, en zeiden: Och Heere! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, Heere! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd. 15. En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid. 16. Dies vreesden de mannen den Heere met grote vreze; en zij slachtten den Heere slachtoffer, en beloofden geloften. 17. De Heere nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten.

 

Deze geschiedenis spreekt over: Gods recht en het offer van Jona.

 

We staan stil bij drie gedachten:

1. De afwijzing van dat offer.

2. Het brengen van dat offer.

3. De bewaring na dat offer.

 

Onze tekst spreekt dus over Gods recht en het offer van Jona.

We letten allereerst op de afwijzing van dat offer – vers 13: Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet.

In de tweede plaats staan we stil bij het brengen van dat offer – vers 15: En zij namen Jona op, en wierpen hem in de zee. Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid.

Ten slotte letten we op de bewaring na dat offer – vers 17: De Heere nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten.

 

  1. De afwijzing van dat offer

 

Gemeente, de tekst verplaatst ons naar het dek van een Tarsisvaarder, een zeeschip uit de tijd van het Oude Testament. Het is in de Middellandse Zee terechtgekomen in een zeldzame zomerstorm die tegen het schip beukt. Jona, kind en knecht van de levende God, Die de hemel en de aarde heeft gemaakt, is aan boord van deze Tarsisvaarder gegaan. Hij weigerde te horen naar de opdracht van de Heere om naar Ninevé te gaan en aan de bevolking van die wereldstad gerechtigheid en bekering te verkondigen. Jona is de oorzaak van de zomerstorm die God op de Middellandse Zee heeft neergeworpen. Hij heeft zijn schuld tegenover de heidense bemanning beleden.

Maar de ongehoorzame profeet heeft niet alleen zijn schuld bekend; hij heeft ook, na een bange innerlijke worsteling, mogen buigen voor het recht van God, Die de zonde niet ongestraft kan laten. Vers 12 zegt het ons: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

Midden in het oordeel vlamt echter het geloof op in het hart van Jona. Hij wordt opnieuw uit Christus bediend. Jona geeft zich, door de krachtige werking van Gods Geest in zijn hart, over aan Gods gerechtigheid. Hij onderwerpt zich gewillig aan de straf die hij als profeet des Heeren over zichzelf heeft uitgesproken. Tegelijkertijd ontvangt hij een oog voor de grote nood van de bemanning van dit schip, die hij in deze omstandigheden heeft gebracht. Hij wijst hen de weg tot behoudenis: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden.

 

We lezen in het begin van onze tekst dat de zeelui het offer van Jona afwijzen: Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge. Het aanbod van Jona om hem overboord te werpen en de zee zo te kalmeren, heeft de bemanning diep getroffen. Hoe kan iemand zo spreken? Hoe kan iemand zo zijn eigen dood aanvaarden? In de harten van de heidense bemanning is diepe achting ontstaan voor deze dienaar van de levende God. Ze hebben Jona niet over voor de dood.

Gedreven door natuurlijk medelijden doen ze een poging om Jona van de dood te redden. Met het grote zeil van een Tarsisvaarder kun je in een storm niets beginnen, maar het schip heeft nog de nodige roeiriemen om het te kunnen voortbewegen in tijden van windstilte. En hebben ze bij hun tocht door de Middellandse Zee niet steeds de kustlijn in de gaten gehouden? Daarom grijpt de hele bemanning naar de roeiriemen, om door de storm heen de kust te bereiken.

 

Het voor ‘roeien’ gebruikte woord zou je ook kunnen weergeven met: graven, doorbreken, of doorsnijden. Door de geweldige krachtsinspanning van de zeelui ploegen de roeiriemen door de golven. Ze roeien met de moed der wanhoop tegen de wind en de golven in. Doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen. Ze konden niet. Geen wonder! Want ze roeien in tegen het oordeel van God.

Was het dan geen edele daad van die mensen dat ze Jona wilden redden?

In het algemeen is dat zeker waar, gemeente, wanneer we iemand in nood te hulp komen. Maar hier mislukt de poging, omdat de zeelui door hun roeien de wil van God weerstaan, die hen door de profeet zelf is bekendgemaakt: Neemt mij op, en werpt mij in de zee. De roeiers willen het probleem zelf oplossen, met voorbijgaan aan het recht van God. Het offer van verzoening dat Jona hen in liefde heeft aangeboden, wordt door hen geweigerd.

 

Als er een storm neervalt op onze levenszee, dan worden we ernstig – ook de godsdienstige mens. Dan roeien we met het zweet op ons gezicht om ons levensscheepje op het droge te krijgen, maar we weigeren daarbij het recht van God te erkennen. We roeien wat we kunnen, net als de bemanning van de Tarsisvaarder. We kunnen bijvoorbeeld denken dat we dichter bij de zaligheid gekomen zijn dan die persoon in de gemeente die zo slordig leeft. We roeien ons liever voor een eeuwigheid ongelukkig dan dat we met Jona zeggen: ‘Neem mij op en werp mij in de zee.’

 

Hoe is dat bij u, gemeente? Was er een tijd in uw leven dat u helemaal niet betrokken was bij de dingen van het Koninkrijk der hemelen? En is er nu een tijd gekomen waarin u bezig bent om het scheepje van uw leven op het droge te brengen door zelf zo hard mogelijk te roeien met de riemen van de wet? Als dat zo is, dan betuigen wij u in de Naam des Heeren: wij allen, wij allen zijn als een onreine en al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. En wij vallen af als een blad, wij allen. Onze misdaden voeren ons henen weg als de wind.

Verwacht u het ten diepste van uw eigen inzet?

Dan bent u als die rijke jongeling. Dan mist u met al uw godsdienstige activiteiten, met uw krachtsinspanning voor de kerk, voor de vereniging, voor de school, voor de Bijbelkring en voor maatschappelijk goede doelen, het grote levensdoel. Uw roeit wel, maar u geeft God niet de eer, zoals Jona dat deed toen hij mocht buigen onder het vonnis des Heeren, dat hij zelf uitsprak. U probeert uzelf te redden door uw eigen inzet.

Wat houdt dat in?

Het houdt in dat wij in gruwelijk ongeloof het liefdesoffer van de meerdere Jona verachten. Die meerdere Jona roept ons vanmorgen toe: Ik ben het Brood des levens; die tot Mij komt, zal geenszins hongeren, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten (Joh.6:35).

Wat gaat er gebeuren als we doorgaan met het bouwen op onze goede werken, als we volharden in het verachten van de nodiging van het Evangelie?

Dan zal gebeuren wat er in de Dordtse Leerregels wordt beleden: Dan zullen wij verloren gaan door ons ongeloof en onze andere zonden.

Hebben we ooit weleens verstaan dat wij ook met onze vleselijke vroomheid uitgesproken vijanden van het kruis van Christus zijn? Is dat in uw leven nog zo?

Vraag dan om oprechte bekering. Smeek toch of de Heere door Zijn Heilige Geest in u wil werken, of Hij u zaligmakend wil overtuigen van zonden, opdat u een Borg, dé Borg, nodig krijgt voor de betaling van uw schuld.

 

Doch zij konden niet. Denk nu niet dat een kind van God deze zeelui veracht. Gods kinderen stellen zich niet boven kerkgangers die het in blinde ijver zoeken in een vorm van wetticisme – raak niet, en smaak niet en roer niet aan (Kol.2:21). Ze hebben zichzelf immers bij Geesteslicht leren kennen als mensen die na ontvangen genade soms toch weer naar de roeiriemen van de wet grijpen om tot God te gaan.

Wanneer gebeurt dat?

Dat gebeurt als we de Heere uit het oog verliezen, als er onvrede in ons hart komt. Dan gaan we aan het restaureren in ons leven, om de Heere weer te kunnen behagen.

En wat doen we dan?

Dan stellen we werk boven genade en letten er niet op dat er geschreven staat: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven (Rom.1:17). Eigen werk boven genade stellen heeft tot gevolg dat de zee van Gods toorn zich hoe langer hoe onstuimiger tegen ons keert.

Doch zij konden niet. Zo komt er plaats voor Christus, die als de schuldovernemende Borg waarde krijgt voor totaal uitgewerkte zondaren, die overal een streep door hebben moeten zetten, ook door hun inspanningen om God te behagen.

 

Ook geoefende kinderen van God grijpen soms weer naar de roeiriemen van de wet. Dit gebeurt dikwijls in een periode van geestelijke verachtering. Geestelijke verachtering ontstaat wanneer we de Heere Jezus Christus niet meer nodig hebben voor onze dagelijkse bekering. En als het zo gesteld is in het leven der genade, dan gaat een kind van God in dorheid en dodigheid over de wereld, hoeveel weldaden hij of zij ook ontvangen heeft. Voor we er erg in hebben, komen we terecht in de greep van wettische woelingen. We gaan dan bouwen op de geestelijke ervaringen die we gehad hebben. God heeft ons stilgezet op de levensweg; Hij wilde naar ons omzien. We mochten genade ontvangen. Ook al gaan we nu in het donker en in het dorre, we willen eigenlijk wel een gezaghebbend christen blijven, al is er geen persoonlijke ontmoeting meer met de Zaligmaker en al ontbreken de vertroostingen van Gods vriendelijk en Vaderlijk aangezicht. We proberen onszelf te handhaven door allerlei regels te beklemtonen.

Maar die lieve Geest van Christus blijft met Zijn kinderen twisten! Als u in zo’n gang van verachtering terecht bent gekomen, dan blijft Hij met u twisten tot u gaat bukken voor het recht des Heeren, tot u die dierbare Christus opnieuw gaat benodigen. Dan is Hij het Zelf die u van uw doodlopende weg terugbrengt naar de weg des levens wanneer Hij u vermaant: Hoopt volkomenlijk op de genade, die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus (1Petr.1:13).

 

Als de bemanning van de Tarsisvaarder beseft dat de zee zich hoe langer hoe meer tegen hen keert, beginnen deze heidenen te verstaan dat het onbegonnen werk is om zich tegen een vonnis van de levende God te verzetten. Ze zien nu geen andere uitweg meer dan het offeren van het leven van Jona.

De gedachte aan een mensenoffer om de toorn van de goden bij bepaalde gelegenheden te stillen, was deze heidenen niet vreemd. Maar de Heere der Heeren, Die Zich in Zijn macht en majesteit in de storm en in het werpen van het lot en in de schuldbelijdenis van Jona aan hen had geopenbaard, hadden ze voor die tijd nooit gekend. Daarom roepen ze Hem nu aan met diep ontzag – vers 14: Och Heere! laat ons toch niet vergaan om dezes mans ziel, en leg geen onschuldig bloed op ons; want Gij, Heere! hebt gedaan, gelijk als het U heeft behaagd.

 

Gemeente, we moeten in vers 14 niet meer lezen dan er staat. Deze mensen belijden niet dat zij zelf grote zondaren zijn, die de afgoden hebben gediend. Deze mensen roepen niet om eeuwig behoud. De vrachtprijs die Jona betaald heeft om hem naar Tarsis te brengen, brandt niet in hun zakken. Ze smeken de Heere alleen om vergeving voor het geval dat voor het geval dat Jona, tegen al zijn uitspraken in, toch onschuldig is. Eigenlijk zeggen ze: ‘Wij betuigen voor U dat wij hem niet haten. Onze hand is niet tegen hem, maar Uw hand! Het was Uw welbehagen om deze storm naar ons te zenden om Jona. En U hebt Zelf in zijn mond gelegd dat hij overboord moet worden geworpen. Uw wil geschiede.’

 

Daarmee zijn we gekomen bij de tweede gedachte:

 

  1. Het brengen van dat offer

 

Wat moet het een diepingrijpend schouwspel zijn geweest. Daar staat de profeet Jona, bij de reling van het schip, zijn ziel in een algehele overgave aan het recht des Heeren. Terwijl het schip door de storm heen en weer wordt geslingerd, klinkt het bevel van de opperschipper. Enkele matrozen nemen Jona op. Ze zullen hem wel met dezelfde beweging overboord geworpen hebben als een overledene die een zeemansgraf krijgt. We zien hem nog een ogenblik zweven tussen de scheepswand en het woelende water. Dan spat het water op en sluiten de golven zich weer. De profeet zinkt weg in de diepte.

 

Er zitten ongetwijfeld sterke jongens in de kerk die bij zichzelf denken: ik zou me nooit zomaar in de zee laten werpen! Ik zou die man die me greep, geslagen en gestompt hebben waar ik maar raken kon. Ik zou geschreeuwd en voor m’n leven gevochten hebben. Ik zou me aan die matroos vastgeklemd hebben tot het uiterste.

Je bent eerlijk. Je zegt eerlijk wat jij en ik niet willen. Wij willen niet overboord; we willen ons leven niet verliezen! Wij willen niet overboord als we jong zijn en we willen evenmin overboord als we oud zijn. Ons verdorven bestaan wil ons eigen ik handhaven. Dat verdorven bestaan kan Jona in zijn overgave niet begrijpen.

Kun jij Jona niet volgen als hij zich overboord laat werpen? Begrijp jullie het niet, jonge mensen? Zullen jullie dan als je thuiskomt de Heere om zaligmakend geloof vragen? Want zaligmakend geloof leert ons verstaan dat Jona zich overboord liet werpen.

Jona heeft zich niet verzet. Jona heeft niet gezwaaid met zijn vuist en getrapt met zijn voeten: hij heeft zich volkomen gewillig over de reling laten gooien. Toen dat gebeurde, zong dat zaligmakende geloof in zijn hart. Het bezong de deugden van God. ‘k Erken mijn schuld die U tot straf bewoog. Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.

 

Gemeente, geloof in beoefening begeert dat het recht van God zijn loop zal hebben. Geloof in beoefening begeert dat de Heere verheerlijkt zal worden. Dat is het geheim van Jona, die zich gewillig overboord liet werpen. Hoe duidelijk is hij hier een type van Christus. Jona was een man zoals wij, vol schuld. De Heere Jezus kende geen zonde; Hij heeft nooit zonde gekend noch gedaan. Hoe gewillig is die meerdere Jona. Hoe gewillig liet die reine schuldeloze Jezus Zich arresteren in de Hof van Gethsémané. Hoe gewillig heeft Hij Zich van de ene rechtbank naar de andere laten voeren. Hoe gewillig heeft Hij Zich bij het rechthuis van Pontius Pilatus op één lijn laten stellen met Bar-abbas, de moordenaar. Het vloeide alles voort uit die volmaakte eeuwige gewilligheid, waarmee in de stilte van de vrederaad de Zoon Zich aangeboden heeft om Borg te zijn. Daarom heeft Hij Zich op aarde, op de kruisheuvel Golgotha, vrijwillig – uit enkel liefde – aan het hout van de schande laten nagelen, opdat het volle recht van God, dat wij geschonden hebben, Hem zou treffen.

 

Gemeente, meer dan Jona is hier! Zijn er onder ons die het beginnen te verstaan dat de zonde ‘met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam en ziel’ in ons leven moet worden gestraft? Hebt u de ernst van uw zonde gezien in het licht van de eeuwigheid? Ziet u uw openstaande schuld bij God? Weten de muren van uw bidvertrek af van uw zuchten, van uw smeken en van uw bedelen? Moet u het belijden: zo U de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan? Ziet u geen weg tot behoud? Is aan uw kant elke mogelijkheid afgesneden?

Gemeente, er is een Weg! Er is een aanbiddelijke Weg! Die zeer gewillige Borg is de Weg! Hij is de Weg, o gebondenen die daar hoopt. Uw Heilzon is aan het dagen! Want Hij heeft alle aanklachten tegen u op Zich willen nemen. Hij heeft Zich plaatsbekledend voor zulke goddelozen als u in de dood willen overgeven. Hij heeft onder het recht van God willen buigen, opdat doodschuldige zondaren zoals u worden vrijgesproken. Tot wie anders zult gij heengaan dan tot Hem? Hij heeft de woorden van het eeuwige leven.

 

Over die zeer gewillige Borg zingen we eerst met Psalm 40 vers 4:

 

Brandofferen, noch offer voor de schuld,

Voldeden aan Uw eis, noch eer.

Toen zeid' ik: "Zie, ik kom, o Heer’;

De rol des boeks is met mijn naam vervuld.

Mijn ziel, U opgedragen,

Wil U alleen behagen;

Mijn liefd' en ijver brandt;

Ik draag Uw heil'ge wet,

Die Gij den sterv'ling zet,

In 't binnenst' ingewand."

 

In de tweede helft van vers 15 lezen we: Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid. Gemeente, de zee was niet meer verbolgen, omdat God niet meer vertoornd was. De oorzaak van de storm was weggenomen. Door de offerande was aan de eis van het recht des Heeren voldaan. De woedende zee kalmeerde ogenblikkelijk.

Meer dan Jona is hier! Christus is op Golgotha ondergegaan in de zee van Gods oneindige toorn tegen het gehele menselijke geslacht. De golven van die zee hebben zich gesloten boven het hoofd van de Lieveling van de Vader, opdat verloren zondaren door recht zouden worden verlost. In de nood van Zijn ziel en van Zijn lichaam heeft de Borg geroepen, buigend onder het Goddelijk recht: Mijn God, Mijn God! Waarom hebt Gij Mij verlaten? (Mark.16:34). Toen de Borg alles volbracht had, was Gods verbolgenheid gestild. Pas daarna scheurde het voorhangsel in de tempel van boven naar beneden. Nadat de Zoon betaald had, sprak de Vader in dat teken al de Zijnen vrij. Dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal (Jes.54:9).

Dit moet praktijk worden in ons leven: Jona is in z’n algehele overgave ook een type van allen die de Heere vrezen. Jona zonk weg in de golven, met een levende betrekking op Gods Naam en op Gods eer in zijn hart. Hij moest de dood in met al het zijne! En hij wist niet dat achter de dood het leven lag. Een sterven onder de Vaderlijke toorn scheen een hellevaart te zijn. Maar Jona is in de diepte van de zee neergezonken in de armen van een ontfermend en een verzoend Vader, omdat Jezus Christus de zee van Zijn rechtvaardige verbolgenheid aan het vloekhout op Golgotha zou stillen.

 

Gemeente, wat duurt het soms lang voordat een kind van God tot een algehele overgave komt, om alleen gezaligd te worden op grond van de aangebrachte gerechtigheid van die lieve Borg. O, het is zo groot als die Borg Zich in het gewaad van de beloften in onze ziel gaat openbaren. Het is onuitsprekelijk goed en zoet als die Zaligmaker met u onderhandelt in uw bidvertrek. Het is enkel genade als Hij in uw hart werkzaamheden met de beloften van het Evangelie werkt. Het is enkel genade als Hij uw ziel doet uitgaan naar God in Christus. U en ik moeten met ons hele bestaan overboord! Wij moeten de dood in met al het onze, om alleen te leunen en te steunen op de gerechtigheid van Christus, in een algehele overgave des harten.

Dit is een nauwe weg. Die weg is zo nauw dat er van u werkelijk niets overblijft. Maar die nauwe weg is ook een zeer profijtelijke weg, want in die nauwe weg wordt het onderhandelen tot afhandelen. In het begaan van die nauwe weg mag de genade van de verzekering worden ontvangen. Dan beginnen we te spreken met Jesaja 44: Ik ben des Heeren (Jes.44:5). ‘Niets zal mij kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, onze Heere’, zegt de apostel Paulus.

 

Toen stond de zee stil van haar verbolgenheid. Het direct kalmeren van de zee maakt op de zeelui een buitengewone indruk. Een diepe eerbied voor de God van Israël, Die ze niet kennen, vervult hun harten. Onmiddellijk wordt er uit het vee, dat aan boord van het schip was om in de behoefte aan vers vlees te voorzien, een dier gehaald en geofferd. Volgens de heidense gewoonte in de oudheid leggen de zeelui tegelijkertijd een gelofte af om de Heere nog meer offers te brengen als ze behouden zullen aankomen bij het doel van hun reis. Dit is een typisch heidens gebruik.

Bij Domburg zijn een aantal jaar geleden altaren van de Romeinse godin Nehalennia opgegraven. Dit waren allemaal kleine altaren, die gebouwd waren door kooplui. Op die altaren lees je precies dezelfde belofte als hier in het boek Jona: ‘Als ik terug zal komen van mijn reis om zout te kopen in Engeland, dan zal ik u offers brengen.’

Zo geven deze heidenen de Heere der Heeren, de Koning der koningen, op een heidense wijze een plaats in hun systeem van afgoderij. Zeker, hun vreugde en verwondering is groot. De vreugde en verwondering van Nebukadnezar was ook groot. Maar, gemeente, de verwondering en vreugde van Jona is oneindig veel groter en wezenlijk anders.

 

Dan komen we bij het slot van het hoofdstuk: De Heere nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten.

Daarmee komen we bij onze laatste gedachte:

 

  1. De bewaring na dat offer

 

Sinds de Verlichting in de negentiende eeuw is het ongeloof vaak tegen dit Bijbelvers opgekomen. Weloverwogen, want men wilde alleen nog geloven wat redelijk aanvaardbaar en begrijpelijk was. Er is wat gespot met dit vers, omdat het keelgat van een walvis te klein zou zijn om een man door te slikken. Maar deze spotters hebben nooit goed de Schrift gelezen. De Schrift spreekt hier niet over een ‘walvis’, maar over een ‘grote vis’. Dat is ook de betekenis van het woord ‘walvis’ in Mattheüs 12, waar de Heere Jezus deze geschiedenis aanhaalt.

 

Gemeente, hier gebeuren twee wonderen. Het eerste wonder is dat de Heere juist op het moment dat Jona overboord wordt gezet en wegzinkt in de diepte, in Zijn soevereiniteit een vis beschikt en gebruikt als een werktuig in Zijn hand. Hij beschikte ook over de raven bij Elia. Hij beschikte ook over de leeuwen bij Daniël. Hij beschikte ook over de sprinkhanen in Egypte. Hij beschikte ook over de wormen die Herodus hebben gegeten. Al het geschapene staat ter beschikking van de Schepper, ook de vissen.

We weten niet welke grote vis het is geweest die Jona opslokte. De Heere heeft ten minste vier reusachtige vissen geschapen die zonder moeite een mens kunnen doorslikken: de potvis, de orka, de witte en de blauwe haai. Over een van deze vissen beschikte de Heere, even Goddelijk almachtig als Hij over de wind beschikte die Hij als een storm neerwierp op de Middellandse Zee. Dat onnozele dier wist niet wat hij deed, maar slokte instinctmatig Jona als prooi op.

Het tweede wonder dat hier beschreven wordt, is dat Jona drie dagen – of drie gedeelten van dagen, om met de Hebreeuwse telling te spreken – in leven is gebleven in het binnenste van deze grote vis. Hij is niet door het zeemonster verteerd, maar hij is levend uitgespuwd, zoals we even verderop in de profetie kunnen lezen.

 

Gemeente, wij kunnen deze twee wonderen niet begrijpen, maar dat hoeft ook niet. De Heere Zelf getuigt in de Heilige Schrift dat de Bijbel woord voor woord door de Heilige Geest is geïnspireerd. En die Geest getuigt in het hart van een kind van God dat de Heilige Schrift van God is. Als het getuigenis des Geestes wordt ontvangen, dan krijgen we dat Woord zo innig lief. Dan drukken we dat Woord aan ons hart. Dan ontvangen we innerlijk volkomen rust, omdat we door het geloof mogen verstaan en belijden dat de hele Bijbel het waarachtige Woord van God is. Lees Zondag 7 van de Heidelbergse Catechismus er maar eens op na: ‘Wat is een waar geloof?’ Het eerste deel van de belijdenis is dan dat wij het gehele Woord van God voor oprecht, voor waar, en voor waarachtig houden.

 

De Heere nu beschikte een groten vis, om Jona in te slokken; en Jona was in het ingewand van den vis, drie dagen en drie nachten. De Heere Jezus heeft dit hele vers op Zijn verblijf in het graf van Jozef van Arimathea betrokken. Want gelijk Jonas drie dagen en drie nachten was in den buik van den walvis, alzo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten wezen in het hart der aarde, zegt Hij (Matth.12:40). Net zoals Jona in de vis niet verteerd is, heeft het lichaam van de Borg in het graf geen verderving gezien, omdat God Hem bewaarde van ontbinding. Zijn Godheid kon niet gescheiden worden van Zijn mensheid.

Jona viel in de dood en ontving het leven. Wat zal dat een onuitsprekelijke verwondering in zijn ziel hebben gegeven! In de psalm van Jona, die u vindt in het tweede hoofdstuk, kunt u dat van vers tot vers lezen. Christus ging werkelijk de dood in, om het leven te verwerven en het leven te schenken. Wat Jona niet kon, dat kan Hij. En daarom mag een kind des Heeren door de toepassing van de Heilige Geest bij dit vers getuigen: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft, en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Gal.2:20).

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 116: 5

 

Gij hebt, o HEER, in 't dood'lijkst tijdsgewricht

Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen,

Mijn voet geschraagd; dies zal ik, voor Gods ogen,

Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht.