Ds. M. Golverdingen - Jona 1 : 11 - 12

Jona en het stillen van Gods toorn

Jona 1
De vraag naar de verzoening
De weg tot de verzoening
De verkondiging van de verzoening

Jona 1 : 11 - 12

Jona 1
11
Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.
12
En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil over komt.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 4
Lezen : 2 Samuël 24: 1 - 18
Zingen : Psalm 50: 2, 3 en 6
Zingen : Psalm 38: 15
Zingen : Psalm 27: 5 en 7

Gemeente,

Zojuist is  ons voorgelezen dat David, de man naar Gods hart, in een grote zonde is gevallen. Hij laat door legeraanvoerder Joab en zijn helpers negen maanden achtereen alle mannen van het volk van Israël tellen. Alleen maar omdat zijn hoogmoedige hart wil weten over hoeveel soldaten hij kan beschikken in tijden van oorlog.

Nu is zo’n telling bij oorlogsdreiging zeker geoorloofd. Maar hier houdt David die telling ten tijde van volle vrede en met de bedoeling om zijn eigen hart te strelen: ‘Ik kan over zoveel manschappen beschikken.’ Ondanks dat Joab, een onbekeerde man, hem waarschuwt, gaat de telling toch door. Na afloop van de telling voltrekt de Heere dan een rechtvaardige straf. Het volk werd gestraft om de zonde die het vólk had gedaan; en David werd gestraft om de overtreding die hijzelf begaan had.

De bejaarde koning is evenwel in die weg voor God in de schuld gekomen. We hebben gehoord hoe hij de welverdiende straf mocht aanvaarden: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des Heeren vallen (…) maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.  (2Sam.24:14).

 

Vervolgens zien we de verderfengel door Israël gaan. In korte tijd overlijden zeventigduizend mannen aan de pest. Alleen de mannen, de gezinshoofden, worden genoemd. Hoeveel vrouwen en kinderen zullen ook door die pest zijn getroffen?

Op een gegeven ogenblik – David zal waarschijnlijk op het dak van het paleis zijn geweest om te bidden – ziet hij, hoe de verderfengel Jeruzalem nadert. We lezen dan dat David ziet hoe die verderfengel zijn hand uitstrekt over de stad. En dan roept de koning de Heere aan: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.

 

Gemeente, wat een heerlijke woorden! De koning vergeet al de grove zonden van het volk. Hij vergeet dat ze bij duizenden, ja bij tienduizenden, achter Absalom aan gegaan zijn. Hij vergeet dat alle stammen van Israël, behalve Juda, de kant van de oproerling Seba hebben gekozen. Aan dat alles denkt David niet. Hij denkt alleen aan zijn eigen zonde. Hij klaagt zichzelf in een herhaald ‘ik’ bij de Heere aan, opdat het volk van de pest zal worden gered. Daarom zegt hij: Wat hebben deze schapen gedaan?

Als we werkelijk eens mogen verstaan wie we zijn voor God vanwege onze persoonlijke zonden, geven we een ander niet van alles de schuld, maar onszelf. Dan wordt met het oog op de schapen om ons heen ons hart door de genade van Christus vervuld met een innig medelijden en met barmhartigheid. Dan nemen we door de werking van de Heilige Geest gaarne de straf op ons, zoals we hier bij David zien.

 

We staan nu stil bij Jona, de profeet, bij wie we iets dergelijks zien. Ik noem u als de tekst voor deze preek Jona 1 vers 11 en vers 12. Daar luidt het Woord des Heeren, dat we samen willen overdenken, als volgt:

 

Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

 

Deze verzen bepalen ons bij:  Jona en het stillen van Gods toorn.

 

Wij overdenken drie gedachten:

1. De vraag naar de verzoening. Dit naar aanleiding van vers 11, waar staat: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons?

2. De weg tot de verzoening. Dat zien we in vers 12: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden.

3. De verkondiging van de verzoening. We lezen daartoe vers 12 nog een keer, maar dan in het licht van het Nieuwe Testament.

 

1. De vraag naar de verzoening

 

Gemeente, aan boord van een ‘Tarsisvaarder’ op weg naar Spanje, wordt tijdens een vliegende storm, midden in het zomerseizoen, het lot geworpen. De heidense bemanning vermoedt dat die zeldzame storm veroorzaakt wordt door de wraak van de goden, die één van de opvarenden willen straffen voor een bijzondere zonde. Daarom hebben ze het lot geworpen om de schuldige aan te wijzen.

En het lot viel op Jona, Gods profeet. Hij is gevlucht van het aangezicht des Heeren, omdat hij weigert de machtige wereldstad Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische Rijk, de boodschap van bekering en gericht te verkondigen. Hij heeft de inwoners van Ninevé over voor de ondergang en is op de vlucht geslagen voor Gods opdracht. Het spreken van God door de zomerstorm en het spreken van de Heere door middel van het lot brengt hem echter tot een hartelijke schuldbelijdenis, die tegelijkertijd een geloofsbelijdenis is.

 

Als de zeelui horen dat Jona de Heere, de God des hemels, Die de zee en het droge heeft gemaakt, vreest, worden ze buitengewoon angstig. Want deze heidenen gaan uit van de gedachte dat een afgod alleen macht heeft in de plaats waar hij wordt vereerd. Een plaatselijke afgod kan men dus altijd ontvluchten. Zijn machtsgebied is nooit groter dan de plaats of de provincie waar hij wordt gediend.

Maar Jona spreekt over een almachtige, alomtegenwoordige God. De zeelieden beseffen dat de God, Die Jona dient, heerst over de hele aarde. En daarom kan niemand Hem ontvluchten. Ze begrijpen in hun slaafse vrees dat de God van Israël een rechtvaardig en een almachtig Rechter is, Die Jona met Zijn storm aan boord van hun schip achtervolgt. In opperste verbazing en ontsteltenis roepen ze daarom uit: Wat hebt gij dit gedaan? Hoe hebt u dat ooit kunnen doen?

 

We lezen niet dat Jona op de vraag van de zeelieden is ingegaan; wél dat er een bepaald tijdsverloop is geweest. Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger. Dat kun je niet van het ene moment op het andere moment waarnemen. Er moeten minstens enkele minuten zijn voorbijgegaan.

Maar Jona zwijgt. Dat wordt duidelijk in vers 11: Voorts zeiden zij tot hem – ze beginnen hem aan te spreken, omdat hij niets zegt – wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.

Misschien zegt iemand: ‘Hoe kan dat nu, want de profeet heeft toch zijn schuld beleden? Er staat toch in vers 10, dat hij van des Heeren aangezicht vlood? Dat had hij immers de zeelieden laten weten. Hoe kan in het geweld van de wind en de golven de toorn van God dan nog woeden? Hoe kan de zee dan steeds heviger, feller en onstuimiger worden?

 

Gemeente, de Heere vergeeft ons nooit onze zonde zonder berouw, zonder persoonlijke verootmoediging, zonder wederkeer tot Hem. Dat is de weg die Hij met elke zondaar gaat. Maar het is niet de voorwaarde, waarop de Heere de zonde vergeeft. Wij kunnen de vergeving van God in Christus niet kopen met de prijs van een oprechte schuldbelijdenis. Wij kunnen de vergeving niet ontvangen op grond van het feit dat een hartelijke droefheid in onze ziel naar God is ontstaan. Zó gaat het niet toe in het Koninkrijk der hemelen.

Zeker, in de droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt, ligt bij ogenblikken een zoetheid die de wereld niet kent of verstaat! In die droefheid naar God komen momenten voor waarin uw ziel van binnenuit wordt verruimd, zodat u een ogenblik mag ademhalen. In de droefheid naar God is ruimte voor het uitgieten van onze ziel voor ’s Heeren aangezicht met belijdenis van onze zonde en ongerechtigheid.

Jazeker, die zaken zíjn er. Maar ze zijn in geen enkele mate en in geen enkel opzicht de grond waarop de Heere u en mij de zonde kan vergeven. Want wij kunnen onmogelijk aan de eis van Gods gerechtigheid voldoen. Niet met ons bidden noch met onze tranen en ons berouw. Alles is met zonde bevlekt en bedekt.

 

Het is goed om eens hierbij stil te staan. O, houdt toch op met uw krampachtige pogingen om God tevreden te stellen met úw inspanningen, met úw bidden, úw tranen, en úw berouw. Want daarom laat de Heere de storm voortduren in uw leven, waardoor Hij u eenmaal heeft doen ontwaken. U wilt de rust zoeken en ontvangen in uw aangename zielsgestalten.

Dergelijke gestalten zijn er wanneer de Heere ons bemoedigt uit het Woord. Ze zijn er als Hij onze toestand in Zijn huis laat vanuit de Schrift laat verklaren. Maar uw aangename geestelijke gesteldheid kan de grond van de zaligheid niet zijn. O, die stormwind van de Geest van Christus, blaast al uw gronden buiten die enige Zaligmaker, Jezus Christus, ondersteboven. Dáárom komt er een moment dat u nergens meer rust in kunt vinden en de rust en de grond verliest uit al die aangename werkzaamheden. Er komt een moment dat u niets overhoudt om voor God te kunnen bestaan.

 

Gemeente, dat is nu genade. Enkel genade. Want de Heilige Geest geeft ons nooit een geloofsoog op de Heere Jezus buiten het recht van God om. In de orkaan van Gods toorn, door de windstoten heen, roept de dierbare Borg, Die zich vrijwillig liet hechten aan het kruis: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Matth.11:28).

Uitgewerkte, uitgeputte, moegestreden tobbers en zuchters, deze nodiging wordt door de Heere Zelf aan u geadresseerd. HIj wil ú ontvangen: Komt allen tot Mij. Hij zál u ontvangen. De profeet Jesaja zegt het ook: Tot Hem zal men komen (Jes.45:24). Tot Hem zal men komen, tot die volkomen Middelaar, Die aan al de eisen van Gods recht heeft voldaan.

‘Och’, zegt u misschien, ‘Ik honger en ik dorst naar Hem. Maar er is voor de waarneming van mijn hart nog zo’n afstand tussen Hem en mijn ziel. Hoe kan ik ooit bij Hem komen? Wanneer zal ik Hem als de mijne mogen omhelzen?’

Wel, een zondaar moet leren loslaten, om Christus alleen te gewinnen.

Dat doet nu het zaligmakende geloof dat de Heilige Geest in het hart werkt. Want dat is een geloof dat zich onvoorwaardelijk aan Hem opdraagt, aanbeveelt en overgeeft. Christus Zelf heeft immers gezegd: Zo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen; en zo wie het(zelve) zal verliezen, die zal het in het leven behouden (Luk.17:33). Daarvan biedt de geschiedenis van Jona ons wel een buitengewoon voorbeeld.

 

Wij lezen verder: Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? De zeelieden gaan spreken omdat Jona alsmaar blijft zwijgen na zijn schuldbelijdenis. Want in het hart van de profeet voltrekt zich een grote worsteling. Hij heeft zijn zonde en zijn schuld wel beleden, maar hij kan innerlijk niet ten volle onder God komen. Hij verstaat van binnenuit dat de Heere Zijn grove zonde, begaan als kind en als knecht, moet straffen.

Gods rechtvaardige toorn moet worden gestild. De Heere heeft immers gesproken; het lot is op Jona gevallen. Hij is de oorzaak van de storm, en niemand anders. En die oorzaak moet worden weggenomen.

Maar Jona kan de straf nog niet geheel aanvaarden. Daarom zwijgt hij terwijl de storm aanhoudt en het onweer voort blijft gaan. De golven worden steeds groter en krachtiger; straks zal het scheepje tot wrakhout vergaan.

 

Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons?

Gemeente, deze scheepslieden zijn instrumenten in de hand van de Heere Jona op zijn plaats te brengen. Want zij begrijpen goed dat ze alleen aan de verdrinkingsdood en aan de schipbreuk kunnen ontkomen wanneer zij de straf van de God van Jona aan de profeet voltrekken. In hun harten is een diep ontzag gekomen voor de hoogste Koning van de hemel en de aarde. Ze wagen het niet om zelf te beslissen welke straf moet worden toegepast. Ze stellen de vraag aan Jona, de profeet van die God, Die hem midden op de Middellandse Zee heeft opgezocht om hem tegen te houden door een storm.

Zou de profeet Jona niet zelf het beste weten hoe de toorn van de Heere, Die de zee en de hemel en het droge heeft gemaakt, kan worden gestild? Hij is toch Zijn profeet?

De zeelui vragen daarom in vers 11: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? De kanttekening geeft ook als mogelijke vertaling: Opdat de zee stil worde van tegen ons, en van ons aflaat.

Wat zullen wij u doen? Gemeente, dit is niet alleen een vraag van deze zeelieden om lijfsbehoud, maar ook een vraag naar verzoening. Het is een vraag, waarin, door middel van die zeelui, God Zelf tot Jona komt met de Vaderlijke eis van Zijn gerechtigheid en Zijn heiligheid. Zijt heilig, want Ik ben heilig (1Petr.1:16).

 

Jona heeft door zijn zwijgen nog geprobeerd zichzelf te behouden. Hij weet geen raad met zichzelf nu hij door het lot is aangewezen, en hij zijn schuld heeft uitgesproken. Daarom zwijgt hij verder.

Maar God weet raad met Jona en daarom spreken de zeelieden hier. O, Gods gericht voltrekt zich onweerstaanbaar over Jona. De Heere verbreekt door voortgaande ontdekking het laatste restje zelfhandhaving in zijn hart. Jona geeft zich gewonnen.

Hoe geeft hij zich nu gewonnen? Wel, hij kreeg de eer van God liever dan zijn eigen leven. Hij kreeg de volmaakte deugden van de rechtvaardigheid en de heiligheid van God liever dan zichzelf.

Gemeente, soms wordt dit zo gemakkelijk gezegd in een godsdienstig gesprek. Soms wordt het ook zo gemakkelijk door mensen besproken. Maar de bevinding van Gods volk, dat zij Gods eer en Gods recht liever krijgen dan hun eigen leven, is allerminst vanzelfsprekend. Daarvoor moeten wij, door Gods genade, worden ingewonnen. Dat kan alleen door genade worden beleefd. Zo ligt het bij Jona. Want ik lees in vers 12: En hij zeide tot hen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

 

Dat brengt ons bij de tweede gedachte:

 

2. De weg tot de verzoening 

 

Als we vers 12 aandachtig lezen worden we twee keer getroffen door een bijzonder woord: het woordje ‘ulieden’. Zo zal de zee stil worden van ulieden, en, ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

Hier gebeurt iets wonderlijks: de vruchten van genade worden zichtbaar. Jona, de man die niet naar Ninevé wilde, krijgt nu oog voor zijn naaste. Hier blijkt wat geloof uit een rein hart vermag. De schuld die nog steeds op de bemanning van de ‘Tarsisvaarder’ drukte, neemt hij helemaal voor eigen rekening. Het is zijn schuld! Zo voldoet hij aan de eis der liefde. Zo doet hij boete voor wat hij deze schepelingen door zijn ongehoorzaamheid, zijn onwil en ongeloof om naar Ninevé te gaan, heeft aangedaan. Hij heeft dit schip met zijn bemanning in gevaar gebracht. Zijn ogen gaan open en hij ziet de nood van de zeelieden.

We zien nu iets van de bediening van Christus in het leven van Jona. Hij ziet van zichzelf af. Hij wordt met innerlijke ontferming over deze heidenen bewogen. En hij wil dat al die mensen, die door zijn schuld in zo’n grote nood zijn gebracht, van de dood zullen worden verlost. Maar hij weet dat dat alleen maar kan door zichzelf daartoe over te geven.

 

Gemeente, wat een helder bewijs hebben we hier dat Jona zijn eigen doodvonnis met zijn hart onderschrijft en aanvaardt. Want laten we eerlijk zijn: zo lang u en ik niet leren walgen van onszelf vanwege onze eigen zonden, gaan we verder met de schuld op een ander te leggen. Zo lang we niet leren walgen van ons eigen verdorven bestaan, zo lang laten we een ander rustig delen in de smartelijke gevolgen van onze zonden.

Als mensen zijn wij namelijk niet als pure individuen geschapen, maar God heeft ons geschapen in samenlevingsverbanden; in het verband van het gezin, in het verband van het huwelijk, in het verband van het bedrijf waar we werken. En omdat wij zondigen in een samenlevingsverband worden anderen ook altijd door de gevolgen van onze zonden getroffen. In deze geschiedenis bevindt Jona zich in het verband van de schepelingen van de ‘Tarsisvaarders’. Jona heeft gezondigd, maar de bemanning wordt mede door de gevolgen van zijn zonde getroffen.

Als schuld u tot schuld wordt, en zonde tot zonde, en u voor God mag invallen, dan ervaart u zichzelf als de schuld van alles. Als u in eigen oog de grootste van de zondaren wordt, dan kan het niet anders of u wordt ook hartelijk bewogen en vervuld met barmhartigheid tegenover uw naaste, die lijdt onder de gevolgen van uw zonde. Dan zeggen we met David: ‘Wat hebben deze schapen gedaan? Ik, ja, ik heb tegen U gezondigd. Uw hand zij toch tegen mij.’

 

En dan horen we Jona zeggen: Neemt mij op, en werpt mij in de zee…

Nee, hier beluisteren we niet de taal van een man, die in de wanhoop terecht is gekomen, en daarom aan de ‘Tarsisvaarders’ de opdracht geeft om hem overboord te gooien. Het gaat hier niet om iemand die door toedoen van anderen een verkapte zelfmoordpoging doet, om zo aan Gods almachtige hand te ontkomen. Dit is geen man die in een fundamentele moedeloosheid zegt: ‘Dan ben ik maar liever dood; dan hebben anderen nog een kans om behouden te worden.’ Wat is het een volstrekte dwaze en geesteloze uitleg als we denken dat deze tekst zó moet worden verklaard. Toch gebeurt dat soms!

Nee, het gaat hier om heel andere dingen. Want elk kind des Heeren heeft weet van kortere of langere perioden in zijn of haar leven, waarin de Heere doortrok met Zijn Goddelijk recht. Dat is voor het eerst in het begin van de bekering het geval wanneer de Heere ons te sterk wordt, en we het van Hem verliezen. Dan breekt het ogenblik aan dat we voor God mogen bukken en buigen. Maar die momenten kunnen later in het leven van de Kerk weer terugkeren; met name wanneer we in een zonde gevallen zijn en daarin blijven liggen, zoals bij Jona het geval is.

 

Gemeente,  hoe leren we bukken voor God? Wel, dat leren we alleen door de krachtige en innerlijke overtuiging van de Geest van Christus. Als die overtuiging ons deel mag zijn kan de Heere ons geen kwaad meer doen. Dan doet Hij ons geen onrecht als Hij voor eeuwig aan ons zou voorbijgaan. Dan wordt vervuld wat we lezen in Leviticus 26; namelijk dat we een welgevallen krijgen aan de straffen van onze ongerechtigheid. Dan wordt, om met de psalmdichter te spreken, de roede gekust. Dan stemt ons hart in met de dichter:

 

Gij zijt volmaakt, Gij zijt rechtvaardig, Heer’;

Uw oordeel rust op d’ allerbeste wetten;

Uw loon, Uw straf beantwoordt aan Uw eer.

Gij eist van ons, dat w’ op Uw waarheid letten.

 

Neemt mij op en werpt mij in de zee…

Jona is onder God gekomen. En nu wijst hij als de mond van God, als Gods profeet, vonnis in zijn eigen zaak. Nu laat hij zonder enige aarzeling en overduidelijk het onherroepelijke eindvonnis horen. Hij spoort als het ware de zeelieden krachtig aan tot de uitvoering van het vonnis. Hij spreekt in de gebiedende wijs: Neemt mij op en werpt mij in de zee.

 

Jona is er ten volle van overtuigd dat hij zijn leven verbeurd heeft door zijn gruwelijke zonde; zonde tegen God en tegen zijn naaste. Hij gunde de Ninevieten immers de zaligheid niet? Hij bracht de schepelingen aan boord van de ‘Tarsisvaarder’ in levensgevaar. Hij heeft gezondigd, en hij heeft beleden: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom.6:23). Want Jona weet natuurlijk heel goed dat hij in die woedende zee zal verdrinken.

U mag niet tegen deze geschiedenis aankijken vanuit de gedachte dat God hem later wel verlossen zal. Jona weet op dat moment niets af van die grote vis die hem op zal slokken, waarna hij na drie dagen op het droge zal uitgespuwd worden.

Integendeel! Jona ziet nergens ook maar één lichtpuntje. Hij ziet nergens ook maar iets van een mogelijkheid om zij leven te behouden. Hij ziet nergens een mogelijkheid tot behoud. Alleen de dood. De dood. En nog eens: alleen de dood heeft hij voor ogen. En dan geen dood die hem overkomt in de gunst Gods, maar in Vaderlijke toorn. Dat maakt het sterven in de golven voor Jona zo bitter. Neemt mij op en werpt mij in de zee; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

Gemeente, uit die besliste opdracht blijkt nog meer. Uit die gebiedende toon blijkt dat Jona in de donkerste nacht van zijn leven op de Heere heeft mogen vertrouwen. Hij geeft hier immers God de eer van Zijn gerechtigheid. Hij onderwerpt zich hier gewillig aan de straf die hij verdiend heeft. Er is geen moment meer van morren of opstand te bespeuren. Hij is gewillig gemaakt.

 

De aanvechting van de vorst der duisternis zal groot zijn geweest. De duivel zal hebben gebruld: ‘Waar is God, op Wien gij bouwdet?’ En: ‘U hebt geen heil bij God. Loopt het nu zo af met iemand die zegt God te dienen?’

Luther geeft, in een treffende verklaring van het boek Jona, bij dit vers het volgende commentaar: ‘Zijn ziel moet hebben gehangen aan een zijden draad, boven de hel en boven het eeuwige verderf.’

Dit is niet te veel gezegd, maar Jona is er niet in gevallen. In dit alles heeft de profeet zich mogen vastklemmen door het beoefende geloof in zijn ziel dat zich vastklampt aan de God des Verbonds. Het is met hem gegaan zoals het de oude Eli verging. Het oordeel trof die hogepriester. Maar wat horen we hem zeggen? HIj is de Heere; Hij doe wat goed is in Zijn ogen (1Sam.3:18).

Zo heeft Jona ook gesproken. ‘Hij is Dezelfde, Die mij eens heeft begiftigd met wedergeboorte en geloof. Hij is Dezelfde, Die mij het leven der genade schonk. Hij is Dezelfde, Die mij eens riep tot het ambt. Hij is de Heere, de God Die ik verlaten heb, en Die mij opnieuw staande heeft gehouden in Zijn barmhartigheid. Hij is die getrouwe God des Verbonds. O, laat ik van Hem in dit dodelijk tijdsgewricht geloof en moed begeren. Laat ik Hem, als Zijn golven en baren mij zullen bedekken en ik zal wegzinken in het water, aanroepen in geloof.’

Eigenlijk spreekt Jona Job na: Zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? (Job13:15). Wij zingen daarvan met Psalm 38 vers 15: 

 

Want, o trouw en eeuwig Wezen,

In mijn vrezen

Staat mijn hoop op U alleen;

Gij, mijn God, zult in ellenden

Bijstand zenden,

En verhoren mijn gebeên.   

 

Gemeente, we gaan naar onze derde gedachte:

 

3. De verkondiging van de verzoening

 

Alleen als Jona overboord wordt geworpen zullen de ‘Tarsisvaarders’ worden behouden. De weg tot de verzoening is de weg van het offer. Dat profeteert Jona: Neemt mij op, en werpt mij in de zee, zo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

Ik weet, zegt hij. Dat is een weten door de verlichting van de Heilige Geest. Zijn dood is een afdoend zoenoffer om Gods toorn te stillen en de storm tot bedaren te brengen. Hier valt enig licht in de volle duisternis die de profeet omringt. Zijn profetie wordt vervuld. Want, zegt hij: ‘Ik weet het!’ Dat is het kenmerk van de ware profeet; zijn profetieën worden vervuld, zo lezen we in Deuteronomium.

Hier schittert de trouw van God, Die Jona zijn profetische bediening niet helemaal ontneemt. Hij plaatst Zijn trouw tegenover de ontrouw van Zijn knecht. Hier kondigt zich het reddende geduld aan dat de Heere beoefent ten aanzien van ongelovige en ongehoorzame kinderen, die Zijn Geest hebben bedroefd omdat ze het met de weg die God met hen gaat niet eens zijn. Of omdat ze, net als Jona, van Hem weggelopen zijn.

 

Er kunnen in het leven van Gods volk van die diepe dalen voorkomen. Het dal van de verachtering in de genade is een donker en diep dal. Bent u in dat dal terechtgekomen? Slaapt u met Jona de slaap van de geestelijke ongevoeligheid? En bent u nu wakker geschud door het Woord? Kreeg u door de bediening van het Woord uw schuldbrief thuis?

Het eerste teken van verlevendiging van een ziel die zich in zo’n diep dal van verachtering bevindt, is, dat hij een helder zicht krijgt op de oorzaak: waar en wanneer is zij in die geesteloze toestand geraakt?

Het tweede teken van verlevendiging is, dat er een begeerte begint te ontstaan in uw ziel. Een begeerte om tot God weer te keren; een begeerte om Hem te zoeken met smeking en geween, gepaard aan een algehele veroordeling van uzelf.

Misschien zijn hier dergelijke mensen. Maar wie zich in zo’n diep dal van verachtering bevindt, zal daar meestal tegenover een ander weinig  zeggen. Maar het is wel waar: het geestelijke leven is weggeëbd; hij of zij is aan Jona gelijk geworden.

Bevindt u zich in zo’n situatie? Heb dan goede moed. Want die getrouwe God van het Verbond zal aan u vervullen wat Hij ook eenmaal aan Jona schonk. Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken (Ezech.34:16).

 

Het weggedrevene zal Ik wederbrengen. Een kind des Heeren kan niet zo ver bij God vandaan raken, of de Heere brengt het terug. Niet om dat kind van God, maar om Zijn eer.

Nee, uw geestelijk herstel ligt niet in het verlangen naar herstel en het ligt zelfs niet in uw begeerte naar het bloed van Christus. Want wat u zou willen bezitten, bezit u nog niet daadwerkelijk. Uw geweten moet eerst van dode werken gereinigd worden. Uw schuld moet worden verzoend. Volkomen herstel is er pas als het u bij vernieuwing ten deel valt om tot die gekruiste Christus te vluchten, en Hem met al Zijn verdiensten door het geloof aan te nemen. Want naar de gekruiste Christus wijst onze tekst heen! Dat blijkt wanneer wij de tekst nog eenmaal lezen in het licht van het Nieuwe Testament. De verkondiging van de verzoening. Neemt mij op, en werpt Mij in de zee.

 

Gemeente, Jona wordt hier getekend als een type van de Heere Jezus. Jona, die ongehoorzame profeet, had een grote schuld tegenover God en mensen. De Heere Jezus, de Hoogste Profeet en Leraar, had geen enkele schuld. HIj, de Schuldeloze, wilde een Schuldenaar zijn voor anderen. Hij heeft de schuld van Jona op Zich genomen. De schuld van Simson en de schuld van Petrus. De schuld van Paulus, de schuld van Ruth en van Maria Magdalena. De schuld van alle zondaren en zondaressen die de Vader Hem gegeven heeft.

We zien dat Jona vol ontferming is ten aanzien van de zeelieden. Maar Christus was en is vol ontferming ten aanzien van Zijn volk. Hij sprak in de Hof van Gethsémané: Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan (Joh.18:8). Zo heeft Hij Zich in de plaats gesteld van mannen en vrouwen, van jongens en meisjes, die de eeuwige dood verdiend hebben. Hij heeft in een onzegbare liefde tot de Vader en tot Zijn volk, zich willen buigen onder de vloek en de toorn, onder de schuld, de zonde en de dood, die wij ons hebben waardig gemaakt.

 

Kom, volk des Heeren, sta eens stil bij de meerdere Jona. O, wat hebben u en ik het nodig om telkens weer naar die Fontein geleid te worden. Want hoe dichter bij de bron, hoe frisser het water. En als u bij die Fontein wordt gebracht, dan begint u zich bij vernieuwing te verwonderen over deze zeer gewillige Borg. Dan mag u door het geloof leunen en steunen op Hem. Dan blijft er niets anders over dan met Jesaja te mogen belijden: Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden (Jes.53:5).

Door Zijn striemen. O, welk een Zaligmaker heeft de Kerk. Welk een zaligheid heeft Hij aangebracht.  Hoe onzegbaar groot is de zondaarsliefde van Christus. De straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem.

 

Zitten er hier nu jonge of oude mensen die gekweld worden door de angsten van de hel en alle troost moeten missen? Mensen die denken niet zalig te kunnen worden, die nergens een weg ter ontkoming zien? Slaat de stormwind van Gods rechtvaardige toorn tegen u aan? Hebt u uw hele leven verknoeid en kunt u niet betalen?

Jonge mensen, heb je de frisse kracht van je jeugd verslingerd in het zondeplezier van het moderne uitgaansleven en in de alcohol? Heb je zó tegen je Schepper gezondigd, Die jou roept om Hem te dienen? En weet je nu niet meer hoe het ooit weer goed moet komen tussen God en jou?

Meer dan Jona is hier!

Hij heeft genade verworven voor oude én jonge zondaren. Hij heeft genade verworven voor onverschillige en brute zondaren. Maar ook voor ernstige zondaren, die denken dat ze met hun godsdienst van eigen maaksel de Heere kunnen behagen. Hij heeft genade aangebracht voor de meest schuldigen. Hij heeft als Borg gezegd: Neemt Mij op, en werpt Mij in de zee.

Dat heeft de Vader op Golgotha gedaan, toen Hij Christus verliet tijdens de drie-urige duisternis. Toen heeft die lieve Borg in Zijn grenzeloze barmhartigheid voor Zijn Kerk in een onuitsprekelijke liefde al de angsten van de hel toegelaten in Zijn reine bestaan. Toen heeft Hij een volkomen gerechtigheid aangebracht.

 

Gemeente, door het geloof in Hem is er voor een ellendige als u bent nog een volkomen vrijspraak van elke straf en alle schuld. Door het geloof in Hem is er voor rechtelozen zelfs een recht op het eeuwige leven. Want in Hem is de goddeloze rechtvaardig voor God. En wel zo, zoals het Avondmaalsformulier zegt: ’Zo volkomen, alsof hij zelf in eigen persoon, voor al zijn zonden had betaald.’  

Kom, zeg het dan maar, zeg het dan maar tussen de Heere en uw hart, of die dierbare Jezus, die Meerdere Jona, niet een gepaste Zaligmaker voor u is. Zeg het dan maar, of deze Zaligmaker niet al uw liefde waardig is. Zeg het dan maar tussen Hem en uw hart, of u buiten Hem kunt leven en of u Hem kunt missen.

O, Hij zegt ook vandaag nog tot schuldige zondaren: Ik, Ik ben het, Die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet meer (Jes.43:25).

 

Neemt mij op, en werpt mij in de zee. Dat woord is aan Jezus Christus vervuld. Daarom is er genade! Daarom is er nog genade voor de hardste en de ongevoeligste zondaar, die de stormwind van Gods toorn niet eens opmerkt.

‘Wat’, zegt u, ‘is er voor zulke keiharde mensen, die de storm van Gods toorn niet horen, genade?’

‘Ja’, zegt de Schrift. Hoor het Woord: Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven (Ezech.36:26).

Staat dat in de Schrift?

Ja, dat staat in het onfeilbare Woord van God.

O, onbekeerden onder ons, lees toch in dat Woord! Lees biddend wat in Ezechiël 36 vers 26 staat; de tekst die ik zojuist noemde.

Ga dan eens op uw knieën, en smeek: ‘Heere, doe gelijk Gij gesproken hebt!’

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 27: 5 en7

 

Mijn hart zegt mij, o HEER ,van Uwentwegen:

"Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht",

Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen

Alleen bij U, o bron, van troost en licht!

Verberg toch niet Uw oog van mij, o HEER!

Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neer.

Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet.

O God mijns heils, begeef, verlaat mij niet.

 

Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed, gebleven?

Ik was vergaan in al mijn smart en rouw.

Wacht op den HEER, godvruchte schaar, houd moed:

Hij is getrouw, de bron van alle goed;

Zo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neer;

Wacht dan, ja wacht, verlaat u op den HEER.