Ds. M. Golverdingen - Jona 1 : 1 - 3

Jona, de onwillige profeet

Jona 1
Zijn persoon
Zijn opdracht
Zijn vlucht

Jona 1 : 1 - 3

Jona 1
1
En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende:
2
Maak u op, ga naar de grote stad Nineve, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.
3
Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 45
Lezen : Jona 1
Zingen : Psalm 139: 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 2: 3
Zingen : Gebed des Heeren: 3

Gemeente,

Het kleine bijbelboek Jona heeft door de eeuwen heen een grote plaats ontvangen in de gemeente des Heeren. Het was in de vroegchristelijke kerk bijzonder geliefd omdat de Heere Jezus in de evangeliën zelf Jona heeft aangewezen als een type van Hem. Stond Jona niet als uit de doden op toen op de derde dag een grote vis hem uitspuwde op het droge? Is Jezus Christus niet door Zijn eigen Goddelijke kracht op de derde dag opgestaan uit het graf? In de Romeinse catacomben, de vergaderplaatsen en de begraafplaatsen van de vroegchristelijke gemeenten, vinden we dan ook talrijke afbeeldingen uit de levensgeschiedenis van de profeet Jona. En ook vandaag is het boekje Jona bijna even bekend en geliefd als de Psalmen.

De geschiedenis van Jona wordt in zijn geheel op school aan onze kinderen verteld. Dat is niet het geval met de andere profeten. Wat luisteren onze kinderen met eerbied en ontzag als Jona zich overboord laat werpen en als de Heere een grote vis beschikt, die hem inslokt zodat hij van de dood wordt gered.

 

Jona is ook zeer bekend bij allen die God vrezen. In de jaren dertig van de vorige eeuw verscheen er een boek over deze profeet onder de titel ‘Jona, gij en ik’. Dat is een treffende titel, want Gods kinderen herkennen Jona in hun eigen leven. Ze komen die ongehoorzame profeet tegen in hun eigen hart. Hoe vaak zijn ze het na ontvangen genade, net als Jona, eigenlijk oneens met de weg die God met hen gaat? En wat is het groot als de Heere ook hen door deze geschiedenis wil onderwijzen, opdat ze opnieuw het allervolmaaktste gebed zouden leren bidden: ‘Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.’

 

Wij willen met Gods hulp bij het begin van dit Bijbelboek stilstaan en vragen uw aandacht voor Jona 1, de verzen 1 tot en met 3:

 

En het woord des Heeren geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren.

 

Gemeente, onze tekst spreekt over: Jona, de onwillige profeet.

Wij noemen u drie gedachten over Jona:

 

1. Zijn persoon.

2. Zijn opdracht.

3. Zijn vlucht.

 

Het gelezen Bijbelgedeelte leidt ons naar Jona, de onwillige profeet. Wij letten allereerst op zijn persoon; hij is de zoon van Amitthai. In de tweede plaats vraagt zijn opdracht, genoemd in vers 2, onze aandacht: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar. En tenslotte overdenken we in het derde vers zijn vlucht: Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren.

 

1. Zijn persoon

 

Het zal u bij het meelezen misschien zijn opgevallen dat deze profetie een geheel eigen inzet heeft: En het woord des Heeren geschiedde tot Jona, de zoon van Amitthai. We lezen over de roeping van de profeet tot zijn ambt en over de tijd waarin hij leefde, maar de Schrift zegt niets over de koningen die in zijn dagen regeerden. Bij andere profeten wordt dat uitvoerig aan ons meegedeeld.

Toch behoeven we ons in geen enkel opzicht te verwonderen over het ontbreken van die gegevens. Want Jona was al tot het ambt geroepen aan het begin van de regeringsperiode van Jerobeam de Tweede, die omstreeks 788 voor Christus de troon van het tienstammenrijk beklom. Dat wordt duidelijk uit 2 Koningen 14 vers 25. Daar lezen we hoe de Schrift spreekt over ‘Jona, de zoon van Amitthai, de profeet die van Gath-héfer was’. De naam Amitthai komt alleen daar en in onze tekst in de Schrift voor. Het gaat in beide Schriftplaatsen zonder enige twijfel over dezelfde persoon.

In 2 Koningen 14 lezen we dat Jona afkomstig is uit het noorden van Israël, dat vooral in het Nieuwe Testament bekend is geworden als Galilea. Gath-héfer lag in het gebergte van Zebulon in de onmiddellijke omgeving van plaatsjes als Naïn, Nazareth en Kapernaüm. De Heere Jezus is later in precies dezelfde omgeving groot geworden als Jona.

 

Over de roeping tot profeet zwijgt hoofdstuk 14 uit 2 Koningen. We weten allen dat de roeping tot profeet onder het oude verbond op een extra-ordinaire wijze, op een buitengewone manier plaatsvond. De profeten werden niet geroepen door het geschreven Woord van God, maar door een rechtstreeks spreken van God de Almachtige. Herinnert u zich maar de roeping van Mozes bij het brandende braambos toen hij de stem van de Heere hoorde, die tot hem zei: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig land (Ex.3:4). En tot de jonge Jeremia sprak God: Ik heb u de volken tot een profeet gesteld (Jer.1:5).

Op die buitengewone wijze roept de Heere vandaag niet meer tot het ambt. De dienaar van het Woord wordt in tegenstelling tot de profeten en de apostelen door middel van de Heilige Schrift afgezonderd tot de evangelieverkondiging. Ook vandaag roept de Heere door Zijn Heilige Geest tot het ambt. Hij grift de roeping tot dat ambt door middel van het geschreven Woord krachtig, wonderlijk en onweerstaanbaar in het hart. De dienaars van het Woord worden met Jona door een bijzondere genade geroepen om als ambassadeur van het hemelse hof het Evangelie te verkondigen: Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; desgenen, die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen (Jes.52:7).

 

De Bijbel zwijgt over de eigenlijke roeping van de profeet Jona, maar zijn eerste optreden wordt echter wel vermeld. Als Jerobeam de Tweede aan de regering komt, heeft Israël telkens opnieuw grote stukken van het grondgebied aan Syrië verloren. De Syriers veroverden de ene grensstreek na de andere. In het gehele Midden-Oosten is de dreiging voelbaar van de opkomende wereldmacht Assyrië. Bij opgravingen in Assyrië is een zwarte obelisk, een spitse pilaar, gevonden. Op die pilaar wordt de belegering van Damaskus afgebeeld door Salmanassar de Derde. Eén van de afbeeldingen op die obelisk laat ons koning Jehu van het Tweestammenrijk zien. Hij ligt letterlijk op handen en voeten voor de Assyrische heerser en is bezig hem de schatting aan te bieden die het Tienstammenrijk aan Assyrië verschuldigd is. Ook dat gegeven uit de ongewijde geschiedenis tekent ons de bedreigde positie van Israël.

Maar Jona ontving van God de heerlijke opdracht om Jerobeam de Tweede te boodschappen dat de Heere het gehele verloren gebied aan Israël zou teruggeven. En dat woord des Heeren, gesproken was door Zijn knecht wordt vervuld. Jerobeam kan één en andermaal de Syriërs verslaan. Door een pestepidemie en andere oorzaken verzwakte de Heere zestig jaar lang de kracht van de Assyriërs. Israël kreeg zelfs de grenzen terug die het bezat toen David op het hoogtepunt van zijn macht was.

Het gezag van Jerobeam de Tweede omvatte een enorm gebied dat zich uitstrekte tot 200 km ten noorden van Damaskus. Een ongekende periode van welvaart en voorspoed brak aan. Jerobeam de Tweede regeerde dus tijdens een periode van hoogconjunctuur. De Gouden Eeuw van het Tienstammenrijk was aangebroken. Zo heeft de Heere het woord, gesproken door Jona, bevestigd. Daarmee is voor elke Israëliet duidelijk geworden dat de Heere hem tot het profetenambt had geroepen. Immers kunnen we in Deuteronomium 18 lezen hoe Mozes het kenmerkende van een echte profeet tekent. Je kunt een echte profeet daaraan herkennen dat de woorden die hij in de Naam des Heeren gesproken heeft ook werkelijk worden vervuld. Dat is bij Jona het geval.

 

Wij zijn gewoon om Jona bij de kleine profeten te rekenen, omdat de omvang van zijn bijbelboekje nu eenmaal klein is. Maar heel Israël kende hem als een gróte profeet des Heeren. Hij draagt in 2 Koningen zelfs een zeldzame eretitel: Zijn knecht Jona. Onder de profeten heeft alleen Mozes – we lezen dat in Numeri 12 – als de middelaar van het Oude Testament ook zo’n naam van de Heere ontvangen. De Bijbel zet Jona dus op één lijn met Mozes. Zo tekent de Schrift ons de persoon van Jona als kind en als knecht. Zo tekent Gods Woord ons deze man als iemand die op een heerlijke wijze heeft mogen ervaren dat God hem wilde gebruiken in Zijn dienst. Zijn roeping van ’s Heeren wegen werd daardoor kennelijk bevestigd. Hij was een man geoefend in het leven der genade.

Maar nu, nu moet Jona opnieuw leren wat het inhoudt als Christus zegt: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen. Zonder Mij kunt u niet gehoorzaam zijn. Zonder Mij kunt u uw vleselijke inzichten en begeerten niet verloochenen. Zonder Mij kunt u geen dag een getrouwe profeet zijn. Zonder Mij kunt u niet één minuut Mijn eer bedoelen. Zonder Mij kunt u geen seconde blijven staan in de voortdurend terugkerende strijd tegen de duivel, de wereld en uw eigen eigen vlees.’

 

Gemeente, Jezus Christus, de hoogste Profeet en Leraar van de kerk, wil dit vandaag allen nog leren die genade mochten ontvangen. Hij leert die les bij herhaling aan degenen die veel oefeningen des geloofs mogen kennen. Want niet de verheerlijkte genade als zodanig, niet de bevestiging van onze geestelijke staat, hoe groot ook, maar de tere vreze des Heeren bewaart ons voor afdwalen en struikelen. Kom, volk des Heeren, zoek dagelijks de bediening uit die dierbare Christus te mogen ontvangen. ‘Zoek dagelijks Zijn aangezicht. Gedenk aan hetgeen Hij heeft verricht.’  Lodenstein, de bekende Utrechtse prediker uit de tijd van de Nadere Reformatie, verwoordde dat treffend:

 

Hoog! Omhoog! Mijn ziel naar boven!

Hier beneden is het niet.

’t Rechte leven, lieven, loven

Is maar daar men Jezus ziet.

 

Ja, zegt iemand, het is waar dat de Heere Jona opnieuw op Zijn school wilde nemen; daarom geschiedde het woord des Heeren tot hem. Maar het betreft hier wel een kind en knecht van God. En daarbij komt nog dat de Heere tot hem gesproken heeft op een buitengewone manier.

Maar, maak uw gedachte eens af. Wat wilde u zeggen? Wilde u misschien naar voren brengen dat de Heere tot een onbekeerde man of vrouw niet spreekt? Is dat de bedoeling van uw opmerking?

Dan vergist u zich. Want in het Nieuwe Testament komt de Heere wereldwijd met Zijn Woord tot allen die het horen. Kom, schrap de naam Jona eens een moment weg uit het eerste vers. Zet uw eigen naam er eens voor in de plaats. Het Woord des Heeren geschiedde tot…

Hoe dikwijls zijn we onder het Woord geweest? Maar terwijl we het Woord hoorden, dachten we aan een ander. We meenden in onze blindheid: Dat is goed voor die en die in de gemeente. En we hadden er geen erg in dat de Heere aan ons eigen hart klopte. Gemeente, let er toch op hoe u het Woord hoort. Met luisteren voor een ander gaan we zelf verloren.

 

Hoevelen zijn er onder ons die hebben ervaren dat de Heere tot hen sprak door Zijn Woord? Ik weet dat ze er zijn. Er was een tijd dat u met een diepe indruk de kerk uitging. U zei misschien: ‘O God, ik ben nog onbekeerd. Er moet aan mij een wonder gebeuren. Ik sta buiten Christus en Zijn gerechtigheid. Ik moet bekeerd worden...’

Wat heeft u met die indrukken, met dat spreken van de Heere in uw leven gedaan? Kwam u er mee voor Gods aangezicht in uw binnenkamer? Smeekte u de Heere of Hij naar u wilde omzien uit enkel genade? Hebt u ook aangehouden in het gebed? Of zijn alle indrukken langzaam maar zeker weggeëbd en is er niets van overgebleven?

Nogmaals, wat hebt u met het gehoorde Woord gedaan? Hebt u het in verachting, in vijandschap, in ongeloof verworpen? Een mens durft in zijn geestelijke doodsstaat zo veel aan…

Maar heden geschiedt nog het Woord des Heeren tot u.

Welk woord?

De tijd is vervuld en het koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en geloof het Evangelie (Mark.1:15). 

Heden geschiedt het Woord Gods tot u.

Welk woord?

De goddeloze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot de Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jes.55:7). Nog komt de nodiging van het Evangelie tot u. Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien (Joh.7:38). 

Zo iemand dorst heeft… Iemand… Wie dan ook. Waar dan ook. Wat hij ook gedaan heeft.  Die kome tot Mij en drinke.

 

En het woord des Heeren geschiedde tot Jona, de zoon van Amitthai, zeggende: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé en predik tegen haar want hunlieder boosheid is opgeklommen voor mijn aangezicht. Deze woorden brengen ons bij de tweede gedachte:

 

2. Jona’s opdracht

 

Jona, we zagen het al, leefde in de welvaartsstaat Israël. Maar het is hem en zijn tijdgenoten Hoséa en Amos niet ontgaan dat de bevolking van het Tienstammenrijk meer en meer de Heere ging verlaten. De rijken verdrukten de armen. Zij persten de weduwen in hun zwakke sociale situatie uit. Zij baadden zich in weelde en luxe en verwaarloosden de dienst van de levende God. De wet des Heeren werd in het dagelijkse leven meer en meer overtreden. En de verering en de aanbidding van de afgoden verslond zijn tienduizenden. De kalverendienst in Bethel en Dan bleef bloeien. Baäl en Astarte, de kanaänitische goden van de vruchtbaarheid, werden door duizenden aangeroepen. En Jona dacht: ‘Zal de Heere dat afvallige volk niet straffen? Moet ik niet met een boodschap tot mijn volk worden gezonden? Zal de Heere, de God van het verbond, Zich opnieuw aan mij openbaren met een opdracht? En hoe zal die opdracht dan zijn?’

In deze benauwde situatie spreekt de Heere tot Jona. Maar de opdracht is totaal anders dan Jona had verwacht. Met twee bevelende woorden doorbreekt de Heere de gedachtegang van Zijn knecht: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé. Jona moet zich gereed maken voor een verre reis naar het centrum van de Assyrische wereld. Hij moet op reis naar het brandpunt van de heidense cultuur van die tijd, naar de wereldstad Ninevé, die eenmaal gesticht was door de bekende jager Nimrod, wiens naam genoemd wordt in Genesis 10.

 

U mag ook lezen in deze tekst: Maak u op, ga naar Ninevé, de zeer grote stad of de grootste stad. Auteurs uit de oudheid meldden dat de omtrek van deze metropool, van deze wereldstad, 480 stadiën is geweest, ongeveer 54 km. Naar schatting woonden er in Ninevé meer dan 2 miljoen mensen. En de stad werd omringd door een stenen muur van 30 meter hoog en zo breed dat je er met 3 strijdwagens met paarden ervoor tegelijkertijd overheen kon rijden.

Als ambassadeur van het hemelse hof moet Jona naar deze stad vertrekken: Maak u op, ga naar de grote stad Ninevé. En welke boodschap moet hij daar brengen? En predik tegen haar, want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht.

Gemeente, de grote stad Ninevé is ook groot in de zonden. Hoe dikwijls zijn grote steden, dat geldt ook voor onze tijd, concentratiepunten van ongerechtigheid. Nee, de plattelandsbevolking is niet minder zondig dan de stadsbevolking. We zijn allen gevallen mensen. We derven allen de heerlijkheid Gods. Maar op het platteland ontbreken als regel de brandhaarden van de zonden. De ongerechtigheid van de grote steden roept ook in ons land tot God met een stem, die het autolawaai en het geluid van de heimachines en van de industriële productieketens verre overtreft.

Gemeente, hebben wij in Nederland niet openlijk de Heere de oorlog verklaard? Godsdienst, zo kun je uit liberale mond voortdurend horen, moet beperkt worden tot het privé-terrein. Op het publieke terrein mag u in dat afschuwelijke verwereldlijkte denken geen woord over de Naam des Heeren spreken. In die moderne waardering der dingen wordt de autonome mens, die zichzelf als maatstaf neemt, verheerlijkt. En die mens vindt dat hij de bevoegdheid heeft om zijn handen uit te strekken naar het begin van het menselijke leven. Het met kille perfectie doden van het leven in de moederschoot wordt gemiddeld 30.000 keer per jaar in Nederland uitgevoerd. Het wordt door liberale geesten aan het volk gepresenteerd als een verantwoorde handeling die gedragen wordt door wetgeving.

 

Het wee van Jesaja is daarom ook van toepassing op onze samenleving. Wee degene die het kwade goed noemen, en het goede kwaad heten. Die het bittere tot zoet stellen, en het zoete tot bitterheid (Jes.5:20).

De zonde wordt in onze samenleving op diverse terreinen, ik wees daar al op, door speciale wetten gerechtvaardigd. Het is alweer een aantal jaren geleden dat de Hoge Raad bepaalde dat gemeentebesturen niet langer een vloekverbod in hun plaatselijke verordening mogen opnemen, want vloeken zou een normale vorm van meningsuiting zijn. En wat zijn we stekeblind als we in Nederland menen dat prostitutie een normaal arbeidsterrein is. En dat prostituees normale werknemers zijn. We zijn werkelijk met geestelijke blindheid geslagen. Wee degenen, die duisternis tot licht stellen en licht tot duisternis (Jes.5:20).  Hetzelfde geldt voor het homohuwelijk, dat geheel ingaat tegen wat de Schrift ons leert over het huwelijk als een verbond tussen één man en één vrouw, gesloten voor de duur van een geheel leven.

Wat een wonder is het dat de Heere ons volk vanwege onze boosheid, vanwege onze nationale zonden, vanwege onze kerkelijke en persoonlijke zonden nog niet met een allesvernietigend oordeel heeft bezocht. Maar Hij spaart ons nog. Hij spaart ons nog op grond van de deugd van Zijn lankmoedigheid. Hij spaart ons nog ‘om der tienen wil’ – tien rechtvaardigen die mogelijk nog in Sodom wonen – en om het volk dat in waarheid God vreest.

Even groot en groter dan de ongerechtigheid van Nederland en van het Tienstammenrijk is die van Ninevé geweest. Want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. De zonden van deze enorme stad met zijn miljoenenbevolking zijn zo veel, zo zwaar en zo openbaar, dat de Heere het niet langer kan verdragen. Het is bekend dat de ongehoorde wreedheid van Assyriërs in oorlogstijd alle volken van de oudheid met schrik en huiver vervulde. Men hakte soldaten die men gevangen genomen had zonder aarzelen armen en benen af. En men spande de huid van gesneuvelde krijgers uit voor de poorten van de belegerde stad. Zo waren de Ninevieten!

De Heere moet hun zonden straffen met een rechtvaardig oordeel als ze zich niet bekeren. De maat is vol. Dat moet Jona prediken. Letterlijk staat er: ‘Roep uit over haar, predik tegen haar’.

 

Gemeente, het is noodzakelijk dat in de prediking de Heere Zich met Zijn Woord tot zondaren richt, opdat die zondaren door het werk van de Heilige Geest hun ellende en ongerechtigheid zouden zien in de spiegel van de heilige wet. Het is noodzakelijk dat het aan u en aan mij verkondigd wordt, dat wij van nature vijanden van God en Christus zijn, en dat wij de Heere vertoornen door onze eigenliefde, door ons egoïsme en door onze wetsovertreding. Het is noodzakelijk dat in de prediking de zonde wordt aangewezen en bestraft. Want het behaagt de Heilige Geest om door de prediking van het Woord zondaren en zondaressen te overtuigen van zonde, zodat zij beginnen te zoeken naar ontkoming. Als de Heere ons overtuigt, zien we wat we voor die tijd niet gezien hebben. U ziet dan dat u buiten Gods gunst en gemeenschap leeft.

Jonge mensen, hebben jullie wel eens op enig moment beseft, als je ergens heen ging op je fiets, of met je auto: ‘Ik heb alles wat mijn hart begeert, maar ik mis God. Ik sta buiten Gods gemeenschap. Ik ben zo diepongelukkig. Ik moet hersteld worden in de gunst van God. Heere, hoe kom ik weer met u verzoend?’ Heb je zó wel eens door de stad of het dorp gelopen, waarin jij woont? Als je zo nog nooit door jouw woonplaats ging, vraag dan toch of je de vernieuwende werking van de Heilige Geest mag ontvangen. Je ogen moeten geopend worden.

Och gemeente, als er zoiets gebeurt in uw leven, zien we de kloof die er is tussen God en ons hart. We zien ook dat die kloof onpeilbaar diep is en onoverbrugbaar breed. Er is geen mens die de kloof tussen God en ons hart kan overbruggen. Maar dan worden we door de Heilige Geest voor Gods aangezicht verootmoedigd. Dan roepen we uit:

 

Vergeef mij al mijn zonden,

die Uwe hoogheid schonden;

Ik ben verzwakt o Heer’,

Genees mij, red mijn leven;

Gij ziet mijn beend’ren beven;

Zo slaat Uw hand mij neer.

 

Gemeente, God heeft geen lust aan de dood en het eeuwige verderf van zondaren. Wat komt dat heerlijk naar voren in de opdracht van Jona om naar Ninevé te gaan. De Heere heeft geen behagen in de ondergang van de Ninevieten. Daarom zendt Hij de profeet naar deze stad, om de bevolking door de prediking van de gerechtigheid van God te waarschuwen, en de noodzakelijkheid van de bekering te prediken. In de kanttekeningen lezen we dat de Heere Zijn knecht ten diepste naar Ninevé gestuurd heeft, om door de bekering van de inwoners van die stad Zijn eigen volk Israël te beschamen en te overtuigen van zonde.

Maar, Jona verstaat het niet. Hij slaat op de vlucht. Voordat we nu bij de derde gedachte stilstaan zingen we eerst uit de tweede psalm het derde vers:

 

Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht?

Zal nietig stof Mij ‘t hoog gezag ontwringen,

Of weerstand biên aan Mijn geduchte macht?

Ontziet Mijn toorn, verdoolde stervelingen.

Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven.

Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid;

Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven,

Heerst op den berg van Mijne heiligheid.

 

Tenslotte vraagt onze laatste gedachte de aandacht:

 

3. Jona’s vlucht

 

Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis van het aangezicht des Heeren...

Maar… Het is het maar van het gruwelijke ongeloof. Het is het maar van de ambtelijke ongehoorzaamheid en van de persoonlijke ongehoorzaamheid. Jona kon allerlei redenen aanvoeren waarom hij zich aan die ambtelijke opdracht wilde onttrekken. Het ongeloof heeft altijd alle mogelijke argumenten bij de hand om zich van de eis des Heeren te ontdoen. Het voornaamste argument noemt hij zelf in het vierde hoofdstuk, in de tweede helft van het tweede vers: Daarom kwam ik het voor, vluchtende naar Tarsis, want ik wist dat Gij een genadig en een barmhartig God zijn, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.

 

Al bij het eerste spreken van de Heere, vreest Jona dat God in Zijn grote barmhartigheid aan de Ninevieten genade zal bewijzen als zij zich op zijn gerichtsprediking zullen bekeren. En dat betekent voor Israël dat het te maken krijgt met een nieuw en sterk Assyrië.

Waarom zendt de Heere hem eigenlijk niet tot zijn eigen volk? Daar stapelt de zonde zich toch ook op en de ongerechtigheid? En nu deze opdracht. Betekent deze opdracht eigenlijk niet dat God Zich gereed maakt om Zijn eigen volk met de roede van Assyrië te tuchtigen?

Dit alles is voor Jona onaanvaardbaar. Hij gunt de Ninevieten niet dat ze tot bekering zullen komen. Hij komt terecht in een kluwen van vleselijke overleggingen. Hij brengt zichzelf in een totale geestelijke ongestalte. Want deze man, dit kind van God, deze geoefende christen, gunt zijn naaste de zaligheid niet! Ons vlees blijft God en de naaste haten. Dat goddeloze vlees van u en mij wordt nooit bekeerd. Dat is de smartelijke les die de Heere Zijn volk gaat leren in een weg van nadere ontdekking aan de verdorvenheid van hun natuurlijk bestaan.

 

Gemeente, we weten dat door Gods goedheid het in elke gemeente wel eens voorkomt dat de Heere één van Zijn kinderen apart neemt. Het behaagt Hem die man of vrouw nader te onderwijzen, een nadere weldaad te schenken uit het verbond der genade. En als zo iemand heel schuchter daarover iets zegt tegenover een ander kind van God kan het gebeuren dat je de jaloezie kunt proeven. Het landt niet. Men is eigenlijk boos op degene die de Heere wilde verblijden door Zijn onderwijs en die Hij verder wilde leiden. Men is jaloers omdat de Heere aan een ander kind van God schenkt wat Hij aan ons onthoudt.

Genade in beoefening echter, maakt altijd gunnend. Maar als het vlees de boventoon gaat voeren in het leven van Gods volk, dan worden ze misgunnend. Zo was het met Jona. Hij gunde Ninevé de prediking der bekering niet. Hij gunde Ninevé de mogelijkheid van de bekering niet eens.

 

Jona draagt een schitterende naam. Die naam betekent duif. Van de duif zegt de Bijbel vele treffende dingen. Zo wordt de duif in de Bijbel liefelijk en oprecht genoemd. Het zijn beelden van eigenschappen van het leven der genade zoals we die bij Gods kinderen herkennen.

Jona heeft zo’n duivenhart. Jona heeft duivenogen. Jona heeft werkelijk de eigenschappen van een duif. Maar nu wordt smartelijk duidelijk dat Jona totaal van de weg af is. Nu komt openbaar dat hij in ongeloof en in een geestelijke wangestalte gehoor geeft aan zijn eigen vlees. Jona komt nu niet als een duif, maar als een havik openbaar, die slechts de dood en het verderf van zijn naaste beoogt. Hij zegt: ‘Laat dat Ninevé maar ondergaan. Ik zal er geen hand naar uitstrekken. Ik zal daar geen woord spreken. Laat die Ninevieten maar verloren gaan.’

Jona verstaat in zijn ongeloof en vleselijkheid niet dat de bekering van Ninevé enerzijds Israël zal beschermen en het anderzijds diep zal beschamen vanwege zijn onbekeerlijkheid. Hij onttrekt zich door zijn vlucht aan het aangezicht des Heeren. Gemeente, dit is een veelzeggende uitdrukking. U ziet in uw Bijbel dat daar de allergrootste naam van God staat, geschreven met hoofdletters. Het is de naam van de God des Verbonds die in Christus gevallen zondaren aanziet. En wat doet Jona nu? Hij vlucht weg van Gods aangezicht dat in Christus vrolijkheid en licht geeft, aan alle oprechte harten. Van dat vriendelijke aangezicht wegvluchten, betekent dat wij de Heere diep bedroeven omdat wij de zonde plaats geven in ons hart. Van dat vriendelijke aangezicht wegvluchten maakt de zonde van Jona zo bitter, want hij zondigt tegen de liefde van God, die in zijn hart is uitgestort toen hij wedergeboren werd.

 

Dan valt er nog iets op. De uitdrukking ‘van het aangezicht des Heeren’ komt twee keer voor in deze tekst. Daarmee wil de Heere de dwaasheid van Jona nog eens onderstrepen. Twee keer staat er dat hij wegvluchtte van het aangezicht van God.

Maar wie kan zich voor de Heere verbergen? Als de Heere Jona de opdracht geeft om naar het centrum van Assyrië te gaan, rekent hij onmiddellijk uit waar hij wel heen wil. Naar een plaats zover mogelijk bij Ninevé vandaan. Hij wil naar Tarsis, een stad in het zuidwesten van Spanje, in de monding van de rivier de Quadalqivir. Voor de Joden van die tijd was dat zo ongeveer het einde van de wereld. Voor hen kwam het woordje Tarsis in betekenis overeen met de betekenis die voor ons de Noordpool of de Zuidpool heeft, of Nieuw-Zeeland of Tasmanië: de andere kant van de wereld!  Daarom staat het woordje Tarsis drie keer in de tekst. Daarmee wordt aangegeven: verder weggaan is in de wereld van die tijd onmogelijk. Jona wil naar het andere eind van de wereld en hij denkt in zijn dwaasheid: ‘Daar in Tarsis, daar ben ik veilig. Veilig voor God. Dan hoef ik geen woord tot de Ninevieten te spreken.’ En zo slaat hij op de vlucht.

De haast die hij heeft om te vluchten, klinkt als het ware door de woorden van de tekst heen. En hij kwam af te Jafo en vond een schip gaande naar Tarsis en hij gaf de vracht daarvan en ging weder in hetzelve om met henlieden te gaan naar Tarsis van het aangezicht des Heeren.

 

En hij kwam af te Jafo… U ziet hem van het gebergte van Galilea afkomen. Hij loopt op een draf naar beneden, naar Jafo de havenstad, het Joppe uit het Nieuwe Testament en het Jaffa van vandaag. Het is allemaal snel gegaan. Op de kade aangekomen weet hij wat hij wil. Hij zoekt een ‘Tarsisvaarder’ uit: hét grote zeeschip van die tijd. De kapitein is een Foeniciëer, die met zijn schip de verbinding met Tarsis onderhoudt. De taal vormt geen probleem want de Fenicische taal is verwant aan het noordelijke Hebreeuws.

Jona heeft haast. Afdingen op de prijs is er dit keer niet bij. Het ongeloof heeft altijd haast. Het ongeloof handelt dwaas. Het ongeloof wil geborgen zijn in een eigengemaakte schuilplaats.

Hij daalt de trap af naar het scheepsruim: En hij ging neder in hetzelve. Dat woord is als het ware transparant. Je kunt erdoorheen kijken. Het heeft twee betekenissen: Het zegt in de eerste plaats dat Jona het diepste punt van het schip bereikte. En tegelijk zegt het dat Jona op het dieptepunt van zijn geestelijk leven belandde. Van de geestelijke warmte en blijdschap die kenmerkend is voor de gemeenschap met de Heere die de profeet mocht kennen, daalt hij nu af naar de geestelijke koude. Nog nooit was het na ontvangen genade in het hart van Jona zo koud, zo stil, en zo indrukkeloos dan toen Jona op de bodem van de Tarsisvaarder was aangekomen.

 

Jona, de ongehoorzame profeet! Bent u hem al tegengekomen in uw eigen leven? Van nature vluchten we immers allemaal van God af. We hebben er geen erg in. We denken dat we netjes leven. Maar we zijn met onze keurige kerkelijkheid op de vlucht voor God. Zo deed Adam in het paradijs tot God hem in Zijn genade een halt toeriep: ‘Adam, waar zijt gij?’

Heeft u het al mogen horen? Waar bent u?

Vanmorgen zijn er ongetwijfeld ouderen en jongeren in de kerk die op de vlucht zijn voor God. U wilt doen als Jona. U wilt een enkele reis Tarsis. U denkt er niet over om terug te keren. U vlucht naar Tarsis. U zit wel in de kerk, maar uw vlees hunkert naar de zonde waarin u zich eigenlijk van week tot week overgeeft. U vlucht in uw werk. U bent een moderne ‘work-aholic’, een echte slaaf van uw werk, die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat maar één ding in gedachten heeft: werken, geld verdienen, werken, geld verdienen… U geeft zich over aan geldzucht. ’s Ochtends komt u uit bed met de euro in uw hoofd en ’s avonds gaat u naar bed met de euro voor ogen. Of u bent in de ban van de seksverslaving geraakt. Of in de greep van de moderne muziek. Of u behoort tot de aanbidders van koning voetbal.

 

Jonge mensen, jullie denken misschien wel, en zeggen het soms ook eerlijk: ‘Als ik nou maar eens achttien ben, als ik maar eens eenentwintig ben, dan vlucht ik ook naar Tarsis. Ik ga weg. Ik ga weg bij mijn vader en moeder vandaan. Alles is daar zo godsdienstig. Alles is daar zo bekrompen. Alles is zo strak.’ Maar vergeet niet: toen Jona in Jafo aankwam, was God daar. Vergeet niet: jij ziet God niet, maar God ziet jou wel...

Mag ik je een raad geven?

Vraag toch aan de Heere of je naar Hem toe mag vluchten. Want voor vluchtelingen die neervallen aan de troon der genade met belijdenis van hun zonden mag het zo meevallen. O, ouderen en jongeren, nog nooit heb ik in het Evangelie gelezen, dat er een zondaar die tot Christus vluchtte, door Hem werd afgewezen. En u hebt dat ook niet gelezen. De psalmdichter bezingt het tegenovergestelde:

 

Hij is nabij de ziel, die tot Hem vlucht.

Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht,

Dat ongeveinsd, in ‘t midden der ellenden,

Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden.

 

Dan is er nog iets. De tekst bevat ook bijzonder onderwijs voor Gods knechten. Want de Heere zendt hen meestal niet naar de plaats die zij graag willen. Hij vraagt van Zijn knechten geloofsgehoorzaamheid. Als een dienaar van het Woord naar het oosten wordt gezonden en hij gaat naar het westen, dan komt de Heere hem tegen. Evenmin mag hij de plaats die God hem gaf, verwisselen voor een gemeente die zijn vlees aanzienlijk aantrekkelijker voorkomt. Dan wijkt de vrede uit het hart.

Het ongeloof heeft altijd dit kenmerk: het wil op de vlucht. Het ongeloof zegt: Niet op de knieën, niet bij de Heere schuilen, maar op de vlucht. Maar het geloof handelt anders. Het geloof zegt: Gij zult mij leiden naar Uw raad; en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen (Ps.73:24).

 

De tekst bevat ook onderwijs voor mannen onder ons die gekozen worden tot ouderling of diaken, maar die willen bedanken omdat ze niet gewillig zijn om hun verkiezing van Godswege te aanvaarden. Wat is het groot als de Heere dan in uw leven komt en Hij laat uit deze geschiedenis licht vallen over de ongehoorzaamheid van Jona. Wat begint u zich dan te schamen over uw eigen ongehoorzaamheid.  Dan komt u bij Heere terecht en zegt u: ‘Och Heere, ik wilde bedanken voor het ambt. Ik wilde mijn eigen weg gaan, maar wilt Gij mij leiden naar Uw raad.’

Gemeente, oneindig meer dan Jona is hier op deze bladzijde van het Oude Testament. Jona en Christus gingen ieder hun weg in opdracht van God. Maar deze dierbare Borg is Zijn weg van kribbe naar kruis zonder morren gegaan, in een volkomen gehoorzaamheid. Die dierbare Borg droeg de zwaarte van het recht Gods met zich mee dat Hem op Golgotha heeft getroffen in zijn volle kracht. En Hij heeft de wil van Zijn Vader volkomen gedaan. Ik heb U verheerlijkt op de aarde; Ik heb voleindigd het werk, dat Gij Mij gegeven hebt om te doen (Joh.17:4).

 

Gemeente, omdat de Borg in volkomen gehoorzaamheid aan Zijn Vader, in volkomen liefde tot de Vader en tot Zijn volk, die weg naar het kruis van vloek en schande is gegaan, daarom is er vergeving voor weglopers, die door hun zonden de dood verdienen. Daarom is er vergeving voor deserteurs zoals Jona, de zoon van Amitthai, die zichzelf leerde kennen als dwaas, goddeloos, onwillig en ongehoorzaam. Zulke mensen menen wel in Tarsis aan te komen, maar ze krijgen te maken met het genadige welbehagen Gods. Ze krijgen te maken met de diepte van Gods ontferming. Ze komen niet in Tarsis terecht. Tot hun onuitsprekelijke verwondering komen ze terecht in de armen van de Vader, die hen terugbrengt aan de troon der genade. Al moet het ook, zoals in deze geschiedenis, door de diepten van de zee heen. Dan worden ze opnieuw de school van Christus binnen geleid om geloofsgehoorzaamheid te leren. Dan wordt de psalm verstaan:

 

Leer mij naar Uw wil te hand’len,

‘k Zal dan in Uw waarheid wand’len;

Neig mijn hart en voeg het saam,

Tot de vrees van Uwe Naam.

 

Gemeente, dan worden we gewillig gemaakt om afstand te doen van onze eigen inzichten, omdat die in het licht van Woord en Geest dwaasheid blijken te zijn. Wat krijgen we dan die dierbare Middelaar nodig om ons egoïsme en onze zondige begeerten te kruisigen. Dan mogen we ons zelf verloochenen. Dan wordt de derde bede verstaan: ‘Uw wil geschiedde, gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde.’ Dat is: Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn’.

 

Amen.

 

De slotzang is het Gebed des Heeren vers 3:

 

Uw koninkrijk koom' toch, o Heer!

Ai, werp den troon des satans neer;

Regeer ons door Uw Geest en Woord;

Uw lof word' eens alom gehoord,

En d' aarde met Uw vrees vervuld,

Totdat G' Uw rijk volmaken zult.