Ds. W. Harinck - Lukas 2 : 4

Tot de stad Davids

Lukas 2
We beginnen in Rome
We dalen af tot Bethlehem
We eindigen in de kribbe

Lukas 2 : 4

Lukas 2
4
En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was);

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Lofz. van Zacharias: 1
Lezen : Lukas 2: 1 - 12
Zingen : Psalm 132: 9, 10, 11 en 12
Zingen : Psalm 98: 1
Zingen : Psalm 70: 3

Gemeente, het Kerstevangelie spreekt van een grote verborgenheid: God is geopenbaard in het vlees (1Tim.3:16). De Geloofsbelijdenis van Nicéa zegt: En dat ‘om ons mensen en om onze zaligheid’. Kerst is een feit, een heilsfeit, een feit van zaligheid.

Naar dat Kerstevangelie luisteren we uit Lukas 2, de verzen 1 tot en met 7. We lezen nu vers 4:

 

En Jozef ging ook op, van Galiléa uit de stad Nazareth, naar Judéa, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt (omdat hij uit het huis en geslacht Davids was).

 

We gaan in de prediking Tot de stad Davids.

1. We beginnen in Rome;

2. we dalen af tot Bethlehem;

3. en we eindigen bij de kribbe.

 

1. Beginnen in Rome

Lukas 2 is een Schriftgedeelte vol tegenstellingen. Een keizer in het paleis in Rome staat tegenover de Koning in een beestenstal. Een troon tegenover een kribbe. Een hermelijnen koningsmantel tegenover eenvoudige doeken.

Lukas 2 begint bij keizer Augustus en eindigt bij Jezus, in de kribbe. Bij die keizer in Rome hoort een opgejaagd en een onrustig volk. Bij die Koning, bij Jezus in de kribbe, hoort een welgelukzalig volk. Dat is een grote tegenstelling.

Het gaat er vanmorgen om – en wil zo luisteren naar het Kerstevangelie! – aan welke kant je staat. Bij wie je hoort en van wie je bent.

De oude, vertrouwde Kerstgeschiedenis begint niet zo vredig, niet zo stil. Die eerste verzen van Lukas 2 hebben niet de sfeer van: ‘Stille nacht, heilige nacht’. Noch die van: ‘Davids Zoon, lang verwacht’. Laten we niet opgaan in dat sfeertje van Kerst! Natuurlijk mag er gezelligheid zijn, ontmoeting en tijd voor elkaar. Maar bij ‘Kerst’ gaat het om het Christuskind, hoe Híj kwam. De Bijbel laat ons zien, hier in Lukas 2: het was allemaal zo gezellig niet, zo stil en heilig niet.

Er was grote onrust. De mensen waren jachtig op weg. De één hierheen, de ander daarheen. De wegen waren overvol. De herbergen waren overvol. Je moest een grote mond hebben en met je ellenbogen werken en voor jezelf opkomen; anders kwam je nergens. Een complete volksverhuizing vond er plaats. Ze trokken van noord naar zuid, van de ene kant naar de andere kant.

Ja, rondom de geboorte van de Heere Jezus ontmoeten we een wereld die voor ons herkenbaar is: een wereld vol van onrust. Wat een haast! Zo was het tóen, en zo is het nóg.

 

Wie zit daar toch achter, achter al die onrust? Wat zit daar toch achter, achter al die haast? Levenspatronen worden omgekeerd. Mensenmoeten huis en haard verlaten en gaan op reis. Wat zit daar achter?

We horen zijn naam. Daar zit keizer Augustus achter, een machtige wereldheerser in die dagen. En het geschiedde in diezelve dagen, dat er een gebod uitging van den keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.

Het woord van de keizer is wet in het grote Romeinse keizerrijk. Dat keizerrijk was zeer uitgestrekt. Het omvatte Europa, Azië en een groot deel van Afrika. De Romeinse keizer werd als een god vereerd. Hij werd ‘de verhevene’ genoemd, de ‘goddelijke Augustus’. Hij regeerde de wereld en had grote invloed onder de volken.

Dat Romeinse Rijk was gebouwd op de zogenaamde ‘pax Romana’, de ‘Romeinse vrede’. Dat was een vrede die afgedwongen werd door geweld! En deze ‘pax Romana’ had zich ook uitgestrekt tot het volk van Israël. Een gebod van keizer Augustus brengt de nakomelingen van Abraham, Izak en Jakob in rep en roer. Ze moeten beschreven worden.

Het gaat waarschijnlijk om een soort volkstelling, een registratie. Rome wil weten: ‘Wie, wat en waar?’ Dat alles moet beschreven worden. Zou het te maken hebben met de Romeinse belastingen? Zou het te maken hebben met de hoogmoed van de keizer en van zijn keizerrijk, dat hij weten wil hoe machtig hij is?

 

De keizer vaardigt een gebod uit. Tot in de verste uithoeken van het keizerrijk heeft het consequenties. Het gebod van de keizer moet worden opgevolgd. Ook in Nazareth, ook in dat kleine plaatsje in Galiléa. Dat stadje, weet je wel, jongens en meisjes, van Jozef en van Maria. Nakomelingen zijn ze van de grote koning David, maar van de glorie van dat koningshuis van David is helemaal niets meer over.

Nu is Israël ook bezet gebied en onder de macht van Rome gekomen. Israël is ingelijfd en  onderdeel geworden van dat immens grote keizerrijk van Augustus. Israël was zo’n klein staatje. Rome heeft Israël bij Syrië gevoegd. Israël is een wingewest van Syrië geworden en de weinig bekende Cyrénius is hun stadhouder.

Om het volk van Israël nog een beetje tegemoet te komen, heeft de stadhouder – dus eigenlijk Rome zelf – het goed gedacht om een halve Israëliet op de troon van David te laten zitten in Jeruzalem. Dat is Herodes de Grote. Hij was een Edomiet, een nakomeling van Ezau. Hij zit nu op de troon van David in Jeruzalem. Dat is het beeld van Lukas 2.

Het tekent ons de tragedie en het verval. Geldt het dan ook van Gods verkoren volk, van Israël en van het huis van David, wat van de koninkrijken van de wereld geldt? Daar is het: opgaan, blinken en verzinken. Geldt dat ook voor Gods Koninkrijk dat Hij met Israël begonnen was?

 

Weet je wat Lukas 2 aan het begin van het hoofdstuk laat zien, als je daar je gedachten over laat gaan? Alle heerlijkheid des mensen is als een bloem van het gras (1Petr.1:24). De heerlijkheid van Rome en die van Israël: alle heerlijkheid van mensen is als het gras. Maar het Woord onzes Gods bestaat in der eeuwigheid (Jes.40:8).

Keizer Augustus in Rome is immers maar een klein schakeltje, een klein radertje in de grote raad van God. Keizer Augustus vaardigt het gebod uit dat heel de wereld beschreven wordt, maar God staat er heilig boven. Want zó worden Jozef en Maria in beweging gebracht om, op de tijd door God bepaald, in Bethlehem te komen. Dáár zal Gods belofte heerlijk worden vervuld.

Want, gemeente, Gods beloften falen niet! God staan alle middelen ter beschikking. Met onfeilbare zekerheid brengt God de dingen en de mensen op hun plaats. Zo brengt de Heere nu Jozef en Maria tot de stad van David. Hoe groot het verval in het koningshuis van David ook is, hoe onbegrijpelijk de weg van God ook gaat, de Heere bereikt Zijn doel!

 

En het geschiedde – het eerste vers. Dan ben je in Rome. Je ziet daar de pennenstreek van de machtige keizer Augustus. Zijn besluit wordt ondertekend. Heel de wereld komt in beweging. In vers 4 zie je Jozef en Maria gaan. Ze gaan tot de stad Davids. Davids stad. We weten: dat is Bethlehem.

We denken aan wat de profeet Micha gezegd heeft: En gij Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u, Bethlehem, zal Mij voortkomen Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der eeuwigheid (Micha5:1).

Tot de stad Davids. Daar moesten Jozef en Maria naar toe. Daar moeten wij in de prediking ook naar toe!

Blijf niet staren op de macht van Rome, op de invloed en de heerlijkheid van die grote, Romeinse keizer. Want het gebeurt niet in Rome, maar het gebeurt in Davids stad, in Bethlehem. Dáár wordt geschiedenis geschreven. De Almachtige heeft het huis van David uitverkoren. En dáár, uit David, zal Hij voortkomen.

Daarom: de machtigen, Rome, keizer Augustus, ze beraadslagen tezamen. Maar de Heere regeert. Ze moeten allemaal meehelpen het grote plan van God uit te voeren. Daar weten ze in Rome helemaal niets van. Daar begrijpen ze ook helemaal niets van. Maar alles moet meewerken.

We zijn begonnen in Rome. Nu dalen we af naar Bethlehem – onze tweede gedachte.

 

2. Afdalen tot Bethlehem

En Jozef ging ook op, van Galiléa, uit de stad Nazareth, naar Judéa, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt.

Hij móest wel! Er zat niet anders op! Want Jozef en Maria in dat stadje Nazareth in Galiléa  tellen voor Rome en voor de keizer Augustus helemaal niet mee! In Rome weten ze van het bestaan van Nazareth en van Jozef en Maria totaal niet af. Ook houden ze in het geheel geen rekening met de omstandigheden van dit jonge echtpaar.

 Ook Jozef en Maria moeten op reis. Ze moeten naar Bethlehem, ongeveer honderd-zeventig, honderdtachtig kilometer over stoffige wegen. Van het noorden helemaal naar het zuiden … Ze moeten zich laten opschrijven in Bethlehem. Want dat is het stadje van hun voorgeslacht. ‘Wie, wat en waar?’ wil Rome weten. Daarom moeten zij naar Bethlehem.

Voor Jozef is de reis geen al te groot bezwaar, maar voor Maria wel. Ze is immers zwanger? De zwangerschap van Maria is al ver gevorderd. Ze is bijna uitgerekend. Het Kindje zal bijna geboren worden. De geboorte is aanstaande.

 

Gemeente, zie ze gaan, Jozef en Maria, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd werd. Dagenlang duurt de reis. Of Maria op een ezeltje gezeten heeft, weten we niet. De wegen zullen vol geweest zijn. Nergens een stil plekje. Jozef en Maria waren mensen, net als u, jij en ik. Wat zullen ze zich veel zorgen gemaakt hebben. ‘O, als het Kindje nu, nú zou komen, hoe moet dat dan?’

Ze hadden hoog bezoek gehad. Jozef en Maria hadden bezoek van de hemel gehad, van de engel Gabriël. Ze hebben bijzondere ontmoetingen gehad. Ze hebben lofzangen gezongen en lofzangen horen zingen. Maar wat is het daarna stil geworden … En wat is Gods weg voor hen onbegrijpelijk geweest.

Jozef en Maria zullen wel geprobeerd hebben elkaar moed in te spreken. Jozef zal Maria – hij hield veel van haar – Jozef zal Maria, zijn vrouw, ondersteund hebben. ‘Kom, nog even volhouden! We zijn er bijna.’ Je vraagt je af: ‘Zijn dát nu Gods kinderen in de wereld? Is dat nu, gemeente, Gods Kerk in de wereld?’

Ja, net als Jozef en Maria gaan Gods kinderen als pelgrims hun weg door de wereld van de groten en van de machtigen. Ze gaan de weg van kruis en smaad. Ze gaan de weg van verdrukking. De weg waarop de pelgrims zingen: ‘Duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart.’ Maar er is er Eén Die weet, hoe ze zwerven moeten op deze aarde.

Zó gaan Jozef en Maria hun weg naar Bethlehem, naar de stad Davids. Een weg die ze niet begrepen zullen hebben. Een weg waarop ze zich dikwijls hebben afgevraagd: ‘Hoe is het nu toch, en hoe moet het nu toch?’

 

Toen de Heere door de engel Gabriël tot hen sprak, toen die hemelse boodschapper de woorden Gods tot hen sprak, toen was het: ‘En de Heere zal het voor mij - voor ons - voleinden (Psalm138:8). Maar nu moeten ze die moeilijke weg gaan, van Nazareth naar Bethlehem.

Dat is herkenbaar in het leven van Gods kinderen. Soms geven de beloften van God hoop en verwachting in onze ziel. Maar wat kan daar in je leven later veel op afkomen! Het gaat vaak zo anders dan we denken en  dachten. Dan ervaren we dat de weg waarin de Heere leidt, een weg is van beproeving en strijd.

De Puriteinen zeggen: ‘Dan is het soms alsof de Heere de lamp van Zijn Woord uitdraait.’ Het Woord gaf licht in je ziel, het gaf je hoop en verwachting. Maar daarna kwam de beproeving en de strijd. Die volgen er zo vaak op, en dan lijkt het alsof de lamp van het Woord is uitgeblust.

 

Waarom handelt de Heere dikwijls zo in het leven van degenen die Hem vrezen? Opdat we de les van Abraham zouden leren: Op hoop tegen hoop. We mogen aan Gods beloften niet twijfelen. Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft … En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld (Rom. 4:18, 20). Zo trekt God Zijn volk op Zijn weg achter Zich aan. Het moet naar de stad van David, naar de kribbe toe. Dáár wordt Gods belofte heerlijk vervuld.

Want in Bethlehem zal de Zaligmaker geboren worden. Alles moet daarom meewerken ten goede degenen die Hem liefhebben (Rom.8:28). Zo maakt God het waar: ‘Hij wrocht heil na leed’.

Zó komen ze in Bethlehem.

 

We gaan zingen van Psalm 98, het eerste vers:

 

Zingt, zingt een nieuw gezang den Heere,

Dien groten God, Die wond’ren deed;

Zijn rechterhand, vol sterkt’ en ere,

Zijn heilig’ arm wrocht heil na leed.

Dat heil heeft God nu doen verkonden;

Nu heeft Hij Zijn gerechtigheid,

Zo vlekkeloos en ongeschonden,

Voor ’t heidendom tentoongespreid. 

 

We zijn begonnen in Rome, we daalden af naar Bethlehem. En nu eindigen we bij de kribbe.

 

3. Eindigen bij de kribbe

En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zou. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg (Luk.2:6,7).

 Wat Augustus laat geschieden vanuit Rome, is wereldgeschiedenis. Maar wat God laat geschieden in Bethlehem, in de beestenstal en in de kribbe – dat is heilsgeschiedenis. Heilsgeschiedenis voltrekt zich niet op de grote tonelen van de wereld, maar in Bethlehem, in de armoede en de duisternis van een beestenstal.

Daar baarde Maria haar eerstgeboren Zoon en ze wond Hem in doeken. Dáár is de Zaligmaker, de Heere Jezus Christus, geboren. Maria legde Hem neer in de kribbe, de voerbak voor de beesten, want er was voor hen geen plaats in de herberg.

Hier is geen paleis, maar een stal. Hier is geen troon, maar een kribbe. Hier is geen heerser, maar een Kind. Hier is geen zelfverheffing, maar vernedering.

Het begint in Rome bij een machtige keizer, en het eindigt bij hét Kind in de kribbe.

 

Weet u, wat we hier zien gebeuren, gemeente? De vervulling van Daniël 2.

Daar staat dat kolossale beeld van Nebukadnezars droom. Voeten van ijzer en van leem, buik en dijen van koper, borst en armen van zilver, het hoofd van goud. Dat kolossale beeld wordt vermorzeld, wordt omver gestoten en vermalen door een steen. Een steen, die zonder handen is afgehouwen.

Hier, in Lukas 2, wordt dat Steentje door de hand van God afgehouwen. Christus, de geboren Zaligmaker, Hij is die Steen. Vanuit Bethlehem begint Hij te rollen. Hij wordt al groter en groter en Hij stoot het beeld omver.

Zo komt het Koninkrijk van God door deze geboren Zaligmaker, de Heere Jezus Christus. Straks blijft er maar één Koninkrijk over: het Koninkrijk van dit Kind.

Hij zal voor Zichzelf ruimte maken, ook al is er bij Zijn geboorte voor Hem geen plaats. Maar Hij máákt ruimte voor Zichzelf. Dat lees je al tussen de regels door in Lukas 2. Want al heeft keizer Augustus het voor het zeggen, al is de wereld in rep en roer, al is er voor Jezus geen plaats in de herberg, Hij creëert ruimte voor Zichzelf.

Al is de weg voor Jozef en Maria, en vooral voor Maria, een zware, een moeilijke weg geweest, ze zijn gekomen waar God hen wilde hebben. Tot de stad Davids. Want als Gods kinderen geen kracht meer hebben om te dragen, dan draagt de Heere hén!

‘Hij schraagt me, als ik wankel, Hij draagt me, als ik viel.’ Zo eindigt de weg bij de kribbe.

 

Wat zien we in de kribbe? Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem (1 Joh.4:9).

Bij de kribbe schittert Gods onuitsprekelijke liefde. De ontferming van God, de genade van God, komt hier openbaar in het geven van Zijn eniggeboren Zoon. En dat, om ons mensen en om onze zaligheid. Opdat wij zouden leven door Hem.

Het gaat erom dat we uitkomen bij de kribbe en het Christuskind. Het gaat erom dat we daar leren buigen onder de almacht van Gods liefde. Ja gemeente, het gaat erom dáár te buigen onder de almacht van Gods grondeloze barmhartigheid.

Met Kerst bij de kribbe uitkomen … Dat is de overgave van het geloof. En geloof is altijd een zaak van levensverlies. Want geloven doet een mens nooit ‘met zijn neus in de lucht’. Zó geloven we niet! Je gelooft ook niet met behoud van je eigen gedachten, of met behoud van je eigen gunstige omstandigheden.

Geloven betekent een streep door alles wat van een mens is. Een streep door de optelsom van je eigen denken en doen. Een streep door de som van je verbeteringen, je ernst en je vroomheid. Ook een streep door onze keuzes. Want, ja, wij kiezen altijd verkeerd. Altijd!

 

Als God je mee terugneemt naar het verloren paradijs, zien we hoe verkeerd onze keuzes zijn. Waar de Heilige Geest het geloof werkt, is altijd de verlegenheid en de diepte van onze ellende. Dat is afdalen naar Bethlehem. Dat is eindigen bij de kribbe.

In Bethlehem, in de armoede, in de leegte van de beestenstal. Dáár brengt God Zijn Zoon in de wereld. Er zullen momenten geweest zijn bij Jozef en Maria, dat ze tegen elkaar gezegd hebben: ‘Als er dan nérgens plaats is, dan moet het híer maar gebeuren.’

Dat is het wonder, dat de Heere Jezus ermee tevreden is: met Bethlehem, met de beestenstal, met de kribbe. Dáár wil Hij geboren worden: in die hopeloze duisternis en armoede van een verloren zondaarsbestaan.

Calvijn zegt: ‘Een Kerstpreek moet kaal zijn, moet zo kaal zijn als de kribbe.’ Want dat is de waarheid van het Evangelie. Dat is het wonder van Gods genade. In de kaalheid van ons verloren bestaan, zonder opsmuk, zonder franje, dáár wordt de Zaligmaker geboren. Dáár schenkt de Vader Zijn lieve Zoon. In de beestenstal, in een verloren zondaarshart.

Eindigen bij de kribbe, begrijpt u, dat is de kern van het Kerstevangelie.

 

Dat kale Kerstevangelie houdt ons een spiegel voor. Want velen, velen zoeken een geschikte plaats voor Jezus in hun hart te maken. Ze zoeken met hun tranen en met hun gebeden, met hun goede gestalte. Ze zoeken met hun levensverbeteringen en met hun levensveranderingen. Zo proberen ze als het ware in hun hart een bedje, een wiegje voor Jezus te maken. Een geschikt plekje voor Jezus in je hart.

Maar die geschikte plaats is er niet en die komt er niet. Want hier in Lukas 2, in het Kerstevangelie, eindigt de weg naar de stad van David, de weg naar de Zoon van David, bij de kribbe. Het is de weg van de vernedering: arm en ellendig worden. Niets overhouden in jezelf. Zelfs geen bedje voor Jezus overhouden in je eigen hart, maar schande en schuld.

Maar, o wonder, daar in die kaalheid van mijn verloren zondaarsbestaan, waar niemand het had verwacht, waar niemand het had gedacht, dáár wordt Jezus geboren. Dat is Kerst. Dáár is het geschied. En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.

 

Beginnen in Rome. Afdalen naar Bethlehem. Eindigen bij de kribbe. Lukas zet ze tegenover elkaar: Augustus en Jezus. Rome en Davids stad. Onrust en vrede. Een troon en een kribbe.

Aan welke kant staat u? Aan welke kant van het Kerstevangelie sta jij? Horen we bij die keizer op zijn troon in Rome? Of bij de Koning in de kribbe van Bethlehem? Nee, je kunt geen twee heren dienen. Er zal duidelijkheid moeten zijn, van wie u bent en wie u dient. Kiest dan heden, wie gij dienen zult.

Het Kerstevangelie legt vanmorgen een vraag aan het hart van ouderen en van jongeren. Een vraag voor u, een vraag voor jou: ‘Bent u, ben jij uitgekeken op de wereld? Zoek je het echte leven? De ware vreugde? Een diepe vervulling voor het lege hart?’

O, kom, kom dan, en zie! Want daar, in de kribbe in de doeken, daar ligt de Vervulling voor je lege hart. Daar ligt de Vrede en de Vreugde voor een verloren zondaar.

Christus is het Bijzondere van het Kerstevangelie. Kom, en zie.

Kijk toch eens in de kribbe vanmorgen. Het Kind, Dat daar in doeken in de kribbe ligt, Hij was thuis bij God. De hemel was niet vreemd voor Hem. Al die glorie, al die heerlijkheid, heeft Hij willen opgeven. Hij is de weg van Adam gegaan. Vergeet dat op deze Kerstdag niet!

 

Van Adam wordt gezegd, gemeente, dat God hem wegzond uit de hof van Eden. Adam ging niet vrijwillig, want er was opstand, er was verzet. Van Adam staat er: Híj drééf de mens uit (Gen.3:24). De mens, van God weggezonden. Verdreven, verbannen uit Gods gunst en gemeenschap. Dat geldt u en jou en mij. Daar komt al die leegte, al die onrust, al die haast vandaan. Daar komt al de vloek en dood uit voort.

God zou geen onrecht gedaan hebben als Hij daar een punt had gezet. Maar God zette geen punt, maar een komma.

Maar wanneer de volheid des tijd gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden. God heeft Zijn Zoon uitgezónden (Gal.4:4). Wij, uitgedréven, Zijn Zoon uitgezónden.

Het Kerstevangelie verkondigt de tegenstelling. Onze weg, een doodlopende weg. Maar dan Gods weg. Die eindigt in Davids stad. Die eindigt bij de kribbe. Dat is de heilsweg. De weg van volkomen zaligheid. Omdat God Zijn Zoon heeft uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet waren, verlossen zou (Gal.4: 4,5).

Zalig, eeuwig zalig om als een gebroken zondaar, als één die voor het gericht van God niet kan bestaan, bij deze kribbe te eindigen. Om op de vleugels van het Kerstevangelie, om door dat Kerstevangelie gedragen, op de adem van Gods Geest, te eindigen bij de kribbe, en het wonder te aanschouwen. Een blik in die kribbe te slaan. Kom, en zie!

Het geloof komt. Het geloof aanschouwt. Wat ziet dan het geloof?

 

Zíjn groot gebrek, Zíjn arm bestaan,

Brengt míj de grootste rijkdom aan.

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 70 vers 3:

 

Ik ben nooddruftig, arm en naakt;

O God, mijn Helper uit ellenden,

Haast U tot mij; wil bijstand zenden;

Uw komst is ‘t, die mijn heil volmaakt.