Ds. J.M. Kleppe - Jesaja 46 : 3 - 4

Gods onveranderlijke trouw

Jesaja 46
In het heden
In het verleden
In de toekomst

Jesaja 46 : 3 - 4

Jesaja 46
3
Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israels! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.
4
En tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 138: 1 en 4
Lezen : Zondag 9
Lezen : Jesaja 46
Zingen : Psalm 89: 3, 10 en 14
Zingen : Psalm 74: 12
Zingen : Psalm 48: 6

Het Schriftgedeelte dat wij met de hulp des Heeren willen overdenken kunt u vinden in de verzen 3 en 4 van Jesaja 46. We lezen daar Gods Woord aldus:

 

Hoort naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. En tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.

 

Wij luisteren in deze tekstwoorden naar Gods onveranderlijke trouw in het heden, het verleden en de toekomst.

 

Geliefde gemeente, door ’s Heeren sparende goedheid en Zijn wondergrote trouw staan we weer samen op de drempel van een geheel nieuw jaar. Een jaar met een voor ons onbekend en onzeker verloop. Dat nieuwe jaar ligt voor ons – ook voor jullie, jongens en meisjes – als een onbeschreven blad.

Wat zal er zoal op dat blad geschreven worden? Wat denkt u, wat denken jullie? Zullen het blijde dingen zijn, of zal het gaan over dagen, die vol zijn van intens verdriet? Dagen vol zorg en rouw?

We weten het niet.

Of zullen het dagen zijn vol strijd, moeite en kruis in ons persoonlijke leven?

Jongens en meisjes, dat is ook mogelijk in jullie jonge leven. En broeders, ook in ons ambt dat we mogen bekleden.

Zou de Heere ons leven nog sparen en mest rondom onze levensboom willen leggen? Of zal Hij zeggen: Hou hen nu af? Ons leven en onze tijden zijn immers in Gods hand. De eeuwige God heeft een bepaling gemaakt die niemand overschrijden kan. En het is zeker dat ons aardse huis van deze tabernakel, ons lichaam en ons leven, eens zal worden afgebroken. Wacht ons dan ook het gebouw van God? Een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen? Dat zal immers het welgelukzalige deel zijn van allen die de Heere vrezen. Zij weten én beleven: Deze God is onze God eeuwiglijk en altoos; Hij zal ons geleiden tot den dood toe (Ps.48:15).

 

Gemeente, Gods kinderen zullen door veel verdrukkingen ingaan. Dat is naar het Woord van God. Maar ze zullen ook de kroon des levens beërven; die kroon heeft de Heere weggelegd voor allen die Hem liefhebben. Daarom zegt Hij: Maar die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

Moge Hij ons allen geven – ook onze jonge mensen – de inhoud te mogen ervaren van de woorden die Hij in onze tekst spreekt: Hoor naar Mij o huis van Jacob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af. En tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.

 

De profeet Jesaja spreekt in dit hoofdstuk bemoedigende woorden. Hij spreekt deze tot het huis van Jacob, dat hij met een andere naam ook ‘het ganse overblijfsel van het huis van Israël’ noemt.

Als Jesaja dit profetische vergezicht beschrijft, verkeert Israël in de Babylonische ballingschap. Maar er waren nog zogenaamde ‘Godvrezenden’ onder Israël; zij worden ook wel ‘het overblijfsel’ genoemd. Zij leefden te midden van een volk dat zich voor talloze afgodsbeelden neerboog. Ze waren gewend aan een lege tempel, terwijl die van de Babyloniërs vol stonden met afgodsbeelden.

De belangrijkste goden werden Bel en Nebo genoemd. De namen Beltsazar en Nebukadnezar zijn ervan afgeleid. Bel en Nebo treden in dit hoofdstuk dus op als vertegenwoordigers van de gehele Babylonische afgodenwereld.

 

Nu voorspelt de profeet dat de tijd zal aanbreken dat het geweldige Babel, dat Israël gevankelijk uit Kanaän had weggevoerd, zélf door de Perzische machten zou overweldigd worden. Jesaja beschrijft dat Perzische rijk als een grote roofvogel die met een geweldige wiekslag uit het Oosten komt aanvliegen en neerstrijkt op het trotse rijk van Babel. Het gevolg daarvan is dat Babels eigen goden worden weggevoerd.

 

Jesaja vereenzelvigt nu die afgoden met hun beelden; hij drijft de spot ermee. De profeet zegt: Bel is gekromd. Nebo is neder gebogen.

U begrijpt dat de rollen nu zijn omgedraaid. Vroeger bogen zich de mensen diep ter aarde als zij neerknielden om de afgoden Bel en Nebo te aanbidden, maar nu laten de Perzen deze goden zelf buigen. Ze worden van hun voetstuk gelicht en meegenomen, want ze waren versierd met kostbaarheden. Goud, zilver en edelstenen worden als een welkome oorlogsbuit op lastdieren geladen en meegevoerd. Die lastdieren, zo zegt de profeet, bezwijken bijna onder de zware en onmogelijke last van die machteloze afgoden. Want het zijn geen echte goden, maar stomme goden, machteloze afgoden.

Tegenover die smadelijke vernedering van het geweldige Babel dat zijn goden op kamelen en lastdieren ziet afvoeren, stelt de Heere nu Zichzelf door de mond van de profeet voor als de enige en ware God. Een God die Zijn volk niet verlaat, zoals die ijdele afgoden deden, maar een God die Zijn kinderen vaderlijk verzorgt en bijstaat.

 

Wat een rijk en vertroostend, maar tegelijk een diep beschamend woord voor het trouweloze en goddeloze Israël. We lezen dat de Heere zegt: Hoor naar Mij, o huis van Jacob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls! Die van Mij gedragen zijt.

Voelt u die ontzaglijke tegenstelling aan? Goden die zich laten dragen tegenover een God die Zelf draagt? Goden die in hun machteloosheid weggevoerd worden, tegenover de ware God die altijd en overal Dezelfde onveranderlijke God is en blijft.

Hoe werd dat volk dan gedragen?

Door Gods onbezweken trouw. Denk er maar eens aan hoe Hij Zijn volk had gedragen als op arendsvleugelen; zoals een moeder haar kind draagt en aan haar hart drukt, en het in liefde kust. De Heere had hen gedragen uit Egypte. Hij had hen gedragen door de gevaren van de Schelfzee. Gedragen dwars door de wildernis van de woestijn, tot in een land vloeiende van melk en honing. Altijd bleef die zorgende God bij hen.

Gisteren en heden bleef Hij dezelfde. Het verleden was voor hen een waarborg voor de toekomst. ‘Want’, zegt de Heere: ‘Ik heb het gedaan. Ik zal het doen. Ik zal dragen en redden.’

 

Gemeente, denk hierover op deze Nieuwjaarsdag eens na. Want de Heere blijft diezelfde God. Hij heeft ons tot hiertoe gedragen in alles. Hij heeft ons gedragen in ons werk. Gedragen in ons gezin, moeders. Gedragen in ons ambt, ambtsdragers. Hij heeft ons gedragen en doorgedragen in al onze zorgen. En breidt u dit alles maar uit.

Maar boven alles heeft Hij ons verdragen. Zoals het volk Israël, waarover de Heere klagen moest door de mond van de profeet Jesaja: Een os kent zijn bezitter en een ezel de kribbe van zijn heer. Maar Israël heeft geen kennis. Mijn volk verstaat niet. Ook ons geldt Zijn klacht. Vergeet toch een jonkvrouw haar versierselen of een bruid haar bindselen? Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal (Jer.2:32).

 

Gemeente, we staan weer voor een geheel onbekende en een nieuwe toekomst. Een bange toekomst. Een benauwde toekomst. Een donkere toekomst. Een goddeloze toekomst. Of denkt u daar anders over?

Als we kennisnemen van alle berichten die ons dagelijks bereiken, zien we dat we in een wereld leven die knielt voor de afgoden van deze tijd. Een wereld die de enige en ware God heeft verlaten. Een wereld vol van oorlogsgeweld, vol ook van dreigende armoede. Een wereld waarin zoveel stemmen tot ons spreken.

Jonge mensen, we horen in de eerste plaats de verleidende stem van de satan. Hij zegt: ‘Luister naar mij!’ Er klinken nog veel meer stemmen buiten die ene stem van het Woord van God. Maar aan het begin van dit pas begonnen jaar komt ook Gods stem tot ons. En die stem zegt: Hoor naar Mij!

 

Hoor naar Mij, o huis van Jacob, en het ganse overblijfsel van het huis van Israël. Gemeente, laten we daar dagelijks aan denken. Het ganse overblijfsel, naar de verkiezing van Zijn genade. Dat overblijfsel is een volk dat als gast en vreemdeling op reis is naar een eeuwige toekomst, naar een eeuwig huis.

Maar, jonge mensen, horen wij die stem nu ook? Denk er eens ernstig over na. Luisteren wij naar Zijn stem? Want ook voor ons is dit woord een aansporing om niet mee te buigen voor de afgoden van deze tijd. In welke vorm we dat ook zouden kunnen doen, we komen er eeuwig bedrogen mee uit.

Wat is er vaak meer mensenvrees dan ware Godsvrees. Wat is er met het oog op de toekomst vaak meer een steunen op menselijk vermogen dan op de enige ware God. Wat kunnen de angsten, wat kunnen de zorgen ons hart vervullen als we niets anders zien dan de omstandigheden, en als we dagelijks niemand anders zien dan de mens der zonde die onze ogen verblindt en ons hart inpalmt. Wat een moedeloosheid kan ons overvallen als we te rade gaan bij vlees en bloed en als we steunen op de afgoden die in ons teksthoofdstuk genoemd worden. Dan stapelen zich niet alleen de vragen zich op, maar ook de teleurstellingen.

 

Ook het hoofd van Gods kinderen, hier genoemd het ‘overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade’, kan zo gebogen zijn. Als David zijn inwonende zonden beweent, zegt hij: ‘Gun leven aan mijn ziel’ en ‘als een schaap heb ik gedwaald in ’t rond dat onbedacht zijn Herder heeft verloren.’ O wat wordt het bang en donker als we voorwaarts gaan, of achterwaarts, zonder dat we Hem zien en zonder dat we Hem in het oog krijgen. Als er geen teken van Zijn gunst is overgebleven en we zuchten in Babels’ gevangenis. Als er geen lied des Heeren meer gezongen kan worden. Als de harp aan de wilgen hangt en wij vrezen om te komen in de hopeloze strijd tegen de zonden, omdat we maar niet kunnen leven tot eer van God.

En wat is het een benauwende gedachte dat we ons zondige bestaan altijd met ons meedragen, ook het nieuwe jaar in. Zodat we nu al op onze knieën moeten zeggen en moeten zuchten: Ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn (Ps.143:2).

Maar dan komt de Heere. Hij gaat dat overblijfsel uit vrije genade bemoedigen! Hij trekt het met koorden van eeuwige liefde naar Zich toe, en spreekt het zo vriendelijk toe als een vader die tot zijn kinderen spreekt.

Hoort naar mij!

Gemeente, denk daar toch elke dag aan. Hoort naar Mij! U kunt die last niet dragen! Evenmin als die afgoden u kunnen helpen. Luister toch niet naar hen. Wend uw oor af van alle stemmen en luister naar Mij.

Hoort naar Mij! Alleen naar Mij. Alle andere steunsels zijn toonbeelden van zwakheid. Daar is niets van te verwachten.

 

Hoort naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls. Hoe diep daalt de Heere af. Wat buigt Hij zich laag neer, in de diepte, waar het overblijfsel zich bevindt.

Het is tot vernedering en tot diepe ootmoed dat de Heere de aanduiding ‘overblijfsel’ gebruikt. Want wat houdt dat in? Jongens en meisjes, wat is dat, een overblijfsel?

Wel, het volk Israël is niet meer dan het eerst was. Het is niet meer groot, het is niet meer geweldig. Het is niet meer machtig. Israëls schoonheid is vergaan, haar kroon is van het hoofd gevallen.

Maar er is nog een rest, zegt de Heere. Er is nog een overschot, een overblijfsel. Nietig en gering, waard om weggeworpen te worden. De Heere doet deze rest echter niet weg. Integendeel. Hij vraagt ernaar, Hij zoekt Israël op! Hij roept het volk, Hij raapt het op! Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des Heeren betrouwen (Zef.3:12). Hij zoekt hen op, die geen weg meer weten. Hij roept: Hoor naar mij! Bewaar deze woorden in uw hart, elke dag van het nieuw begonnen jaar. Hoor naar mij!

 

Gemeente, nu heb ik een vraag. Zit er hier in de kerk nog zo’n overblijfsel? Misschien een doodbrakende Heman? Iemand die zijn ziel bij het leven niet meer kan behouden? Iemand die zonder hulp niet meer verder kan, niet meer verder durft? Iemand die schreeuwt en schreit, en zich zo diep buigt dat hij zegt: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken (Ex.33:15).

Of is er misschien iemand, die net als die jongeling te Naïn op een doodsbaar de stad uitgedragen wordt? Iemand voor wie het een wonder is dat de Heere nog geen voleinding met hem heeft gemaakt?

Voor zulke mensen heeft de Heere een boodschap aan het begin van dit nieuwe jaar. Voor hen allen. Er staat immers: Het ganse overblijfsel.

Hoort u het?

Het ganse overblijfsel! Dat wil zeggen dat de Heere niemand vergeten is. Niet één!

Luister naar wat Hij zegt: Gij, die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.

O, hoe heerlijker is de Heere dan de afgoden, dan Bel en Nebo.

Want hoe ligt dat in uw leven? Kijk eens om u heen? Bel en Nebo kunnen niemand dragen; zij kunnen u niet opnemen. Maar de Heere draagt Zijn kinderen. Hij neemt hen in Zijn armen en draagt hen elke dag, en onder alle omstandigheden. Hij draagt hen in al hun ongeluk. Hij is met hen in al hun gemis. In al hun strijd. In al hun groot verdriet. In al hun verlangen. Ondanks hun zonden!

We lezen zelfs dat Hij hen al van de buik en van de baarmoeder af droeg. Hij was de eerste. Maar Hij is ook de laatste. En Hij zal niet en nooit het werk laten varen dat Zijn hand begon. Al hebben zij Hem verlaten, Hij zal zijn kinderen niet begeven. Hij zal Zijn volk nooit verlaten.

 

O gemeente, overdenkt dit alles eens. Ellendigen worden gedragen. Maar u denkt misschien: hoe is dat eigenlijk mogelijk?

Wel, zij worden opgenomen. Hij heeft ze op Zijn schouders gelegd. Op reis door dit leven draagt Hij ze tot de dag dat ze tot in eeuwigheid gaan gloriëren.

Hij heeft de Zijnen in Zijn liefdehart gesloten, gedragen en verdragen. Opgenomen in Zijn verkiezende liefde en onbezweken trouw. Daar alleen zijn we veilig. Het is de enige zekere plaats die ik u kan wijzen, die ik u kan toewensen voor de tijd en voor de eeuwigheid.

Hij heeft de Zijnen liefgehad, Hij heeft hen lief met een eeuwige liefde, ondanks hun afmakingen en ondanks hun ontrouw.

Ondanks!

Hij is van de baarmoeder af, ja, van eeuwigheid af met hen begaan. Door de innerlijke beweging van Zijn barmhartigheid.

Laten we daarvan zingen uit psalm 74, het twaalfde vers.

 

            Gij, evenwel, Gij blijft dezelfd', o Heer’;

Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning,

Die uitkomst gaaft, en, uit Uw hemelwoning,

Voor ieders oog Uw haat'ren gingt te keer.

           

Gemeente, de Heere heeft Zijn kinderen onuitsprekelijk lief. Hij heeft voor hen Zijn enig geliefde Zoon gegeven. Hij heeft hen van de Vader ontvangen en heeft hen ook met alle gewilligheid van Zijn hart aanvaard zoals zij waren: zo vuil, zo onrein, zo zwart als de raven. Zo zwart als de tenten van Kedar; zó heeft Hij hen opgeraapt. Zo heeft Hij hen gedragen. Hij heeft ze aanvaard met al hun stinkende etterbuilen, met al hun stinkende wonden. Want zij zijn liefelijk in Zijn oog. Hij heeft hen op Zich genomen met al hun zonden en met al hun schuld.

O, welk een last heeft onze gezegende Heere Jezus gedragen. Hij heeft het niet halverwege opgegeven, nee! Hij is ook voor de toekomst onze enige en onze sterke God.

 

Luister dan naar Mij, ellendige zondaar, zo zegt de Heere op de eerste dag van het nieuwe jaar: ‘Gij overblijfsel, gij ongetrooste, die door Mij gedragen wordt, Ik heb u opgenomen en Ik zal dat blijven doen. In al uw benauwdheid ben Ik mede benauwd. Al uw krankheden heb Ik gedragen. Ik voor u! Om uw overtredingen ben Ik verwond. Om uw ongerechtigheden ben Ik verbrijzeld. Ik heb Mij vrijwillig laten binden. Ik ben voor u de dood ingegaan. Ik heb al uw ongerechtigheden verzoend. Ik heb u niet losgelaten en Ik zal u ook nooit loslaten. Want wie Ik heb liefgehad, heb Ik liefgehad tot het einde. Een einde zonder einde.’

Ik, de Heere, zal hen nooit loslaten! Want, zo lezen wij: Tot den ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn, ja, tot de grijsheid toe zal Ik ulieden dragen; Ik heb het gedaan, en Ik zal u opnemen, en Ik zal dragen en redden.

O, luister dan toch naar het Woord van die getrouwe Heere en God, gij huis van Jacob en het ganse overblijfsel van Israël, en laat uw ogen dan staren op Hem alleen! Want God de Heere blijft eeuwig Dezelfde! Bij Hem is geen verandering, noch schaduw van omkering. Hij is de Rotssteen der eeuwen, wiens werk volkomen is. Hij is tot in hoge ouderdom Dezelfde. In Zijn grote ontfermende liefde, met een vaderlijke trouw, met een moederlijke tederheid zal Hij Zijn kinderen blijven dragen, blijven redden, blijven opnemen. Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. Hij is altijd even barmhartig, even geduldig, even neerbuigend, even begrijpend. Maar ook altijd even rechtvaardig en heilig in het straffen van de zonde.

En als straks de dood komt als de koning van de verschrikking, als dat overblijfsel door de schaduwen van de dood moet gaan, dan zal Hij hen ten laatste opnemen en dragen. Dragen op de borgtochtelijke schouders van Zijn eeuwige liefde, opdat zij dan altijd met de Heere zullen zijn.

 

Gemeente, wat zou u nog meer willen bezitten? Wij hebben hier toch geen blijvende stad? Mag dit uw toekomstverwachting zijn? Of heeft u het nog zo naar uw zin in het Babel van deze wereld? In de zonde van deze eeuw? Of buigt u voor de afgoden Bel en Nebo?

Jongens en meisjes, ga het eens na in je leven. Zoeken jullie nog steeds je heil in het genot van deze wereld? Dan vind je misschien wel veel aards geluk en aards genot, maar o, straks zal de stem klinken: Ziet de bruidegom komt, gaat uit Hem tegemoet (Matth.25:6). Hij klopt ook in deze morgen aan de deur van je jonge hart.

En u die in de kracht van het leven bent, Hij klopt ook aan de deur van uw hart. Hij laat Zijn stem horen: Zoek Mij toch en leef! Want eens is de genadetijd voorbij. Voor eeuwig voorbij. Hij blijft niet eindeloos kloppen. O, val die grote God en die eeuwige Christus dan toch te voet. Hij laat geen bidder staan. Want tot wie van het huis van Jacob heeft Hij ooit gezegd: Zoek mij tevergeefs? (Jes.45:19). Zoek toch die goedertieren God tot uw deel te verkrijgen. Want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk. Maar de dingen die men niet ziet, zijn eeuwig (2Kor.4:18).

Ach, jongens en meisjes, als je de Heere tot je deel hebt… Dan heb je alles! Iemand zong daar eens over: ‘Ik heb alles verloren, maar Jezus verkoren, Wiens eigen ik ben.’

Ezau sprak eens: ‘Ik heb veel, mijn broeder!’ Maar Jacob mocht antwoorden: Ik heb alles!  De psalmdichter zegt: ‘Des Heeren vrees’ is rein; zij opent een fontein. Van heil dat nooit vergaat.’ Zowel in voorspoed als in tegenspoed. En Paulus zegt: Want ik houd het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordigen tijds niet is te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Rom.8:18). ‘Na de dood is ’t leven mij bereid, God neemt mij op in Zijne heerlijkheid.’

 

Het is waar: Gods liefste kinderen moeten dan soms de zwaarste beproevingen doorstaan en het zwaarste kruis dragen. Men zegt weleens: ‘Gods hartekinderen zijn Zijn smartekinderen.’ Maar Zijn weg is altijd heilig. Op die weg wordt ondervonden: Wat Ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan (Joh.13:7). Ook al is het een weg van smaad en vervolging, een weg vol verachting; de uitkomst is Gode verheerlijkend en tot blijdschap van de ziel. En straks, aan het eind van hun leven, dan wacht hen een eeuwige blijdschap. Zij zullen huppelen van zielevreugd, daar zij hun wens verkrijgen. Aldaar zal geen nacht zijn, maar Hij die op de troon zit, zal dan eeuwig het licht van Zijn aangezicht verheffen in Zijn gunst en in Zijn eeuwige vaderlijke liefde. En God zal elke traan, álle tranen, van hun ogen afwissen. Daarom mag de tijd waarin wij leven donker zijn, bang en heel goddeloos.

 

Jongens en meisjes, denk er in alle verleidingen aan: De Heere regeert door Zijn lieve Zoon, die gegeven is alle macht in de hemel en op de aarde. Hij houdt de zeven sterren in Zijn rechterhand en wandelt tussen de zeven gouden kandelaren. Met de Heere kunnen we gaan door zeeën van beproeving en over bergen van strijd, moeite en verdriet. Als dat Goddelijke licht ons levenspad bestraalt, dan reizen we getroost en veilig. Zeg dan maar, hoe ellendig en bevreesd u ook bent: ‘Heere, tenzij Uw aangezicht met ons gaat, laat ons van hier niet optrekken. Als U onder ons dak wilt wonen, dan wonen we veilig.’

Als de Heere in ons hart wil wonen, kunnen we als Henoch met God wandelen. Dan draagt Hij u met al uw lasten; van uw persoonlijke leven en van uw huiselijke leven. En, broeders, Hij draagt u dan ook in uw ambtelijke dienst. Dan vervult Hij ook: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten.

 

Gemeente, jongens, meisjes, wat kunnen wij u meer toewensen? Hiermee hebben we álles! Zelfs voor ons stervensuur. Want dan geldt wat David eens sprak: Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion (Ps.84:8). Als dat Goddelijke licht van Zijn aangezicht ons levenspad bestraalt, kunnen we zelfs zingen in alle moeite en in alle verdriet, in alle druk: ‘Uw goedheid straalt hun toe, Uw macht schraagt hen in het lijden. Uw onbezweken trouw zal nooit hun val gedogen, maar Uw gerechtigheid hen naar Uw Woord verhogen.’

 

Tenslotte: Het einde zal vrede zijn. Gaat uw hart uit naar deze dingen, jonge mensen, ouden van dagen, vaders en moeders? Dan zal het einde vrede zijn! Zoals de dichter zong: Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o Heere! alleen zult mij doen zeker wonen (Ps.4:9).

 

Gemeente, ik eindig met een oud kerklied:

 

            Snelt nu, jaren, snelt nu henen

            Met uw blijdschap en verdriet

            Welk een ramp ik moog’ bewenen

            God mijn God verandert niet

            Blijft mij alles hier begeven

            Voorgeleid door Zijne hand

            Schouw ik uit dit nietig leven

            In het eeuwig Vaderland.

 

Amen.

 

Psalm 48 vers 6:

 

Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot,

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden:

Ter dood toe zal Hij ons geleiden.