Ds. R. Boogaard - Genesis 7 : 16b

De ark als het door God geschonken redmiddel

Noach en zijn gezin werden in de ark gespaard
De ark werd door Noachs tijdgenoten veracht

Genesis 7 : 16b

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 102: 5
Lezen : Genesis 7
Zingen : Psalm 5: 4, 7 en 12
Zingen : Psalm 125: 2
Zingen : Psalm 89: 19

Gemeente, wij mochten dit jaar met elkaar beginnen en we hopen het straks ook met elkaar af te sluiten. Elke minuut, ja, elke seconde is enkel genade die ons geschonken wordt.

In het bijzonder op een avond als deze denken we aan degenen die ons ontvallen zijn, die wel het jaar met ons begonnen zijn, maar het niet hebben voleindigd. We hopen daar straks nader bij stil te staan.

Wat zijn wij dan bevoorrecht dat wij het jaar niet alleen mochten beginnen, maar nu ook weer mogen beëindigen. Welk onderscheid er ook is, algemeen geldt dat dit jaar voorbij is gevlogen. Dat is naar Gods Woord. Alleen zegt Gods Woord niet dat de tíjd vliegt, zoals wij zeggen, maar dat wíj vliegen: wij vliegen daarheen (Ps.90:10). Waarheen? Naar het einde. En waar zal dat einde dan zijn?

Wij reizen naar onze eeuwige bestemming. En we weten allemaal dat er dan maar twee mogelijkheden zijn: eeuwig zalig, of eeuwig rampzalig. Wat een onderscheid – sta daar eens even bij stil, gemeente. Wat een groot onderscheid is dat. Een van beide zal ons deel zijn.

 

Ook dit voorbijgegane jaar predikt ons: wij vliegen daarheen. De laatste uren van zo’n haast vervlogen jaar hebben dan ook altijd iets weemoedigs in zich. We nemen afscheid van een jaar waarin lief en leed doorleefd moesten worden en dan gaan onze gedachten terug. Waren er blijde dagen in dit jaar? Waren er droeve dagen? Spannende dagen misschien? Dagen van zorg, van ziekte, van rouw? Er zijn zaken die we van het ene jaar meedragen het andere jaar in. Sommige dingen slijten, andere worden zwaarder.

Dit uur predikt ons ook dat er weer een jaar van onze leeftijd is afgeschreven. Wij zijn allen een jaar dichter bij de dood en de eeuwigheid gekomen. En we zijn eveneens dichter bij de oudejaarsavond van deze wereld gekomen, bij de wederkomst van Christus op de wolken, om te oordelen de levenden en de doden.

Hoe zal dat zijn, gemeente?

 

Een treffend beeld daarvan vinden we in de woorden van onze tekst, die u kunt vinden in het u voorgelezen Schriftgedeelte, Genesis 7, en daarvan het zestiende vers, het laatste gedeelte. Daar lezen we:

 

En de Heere sloot achter hem toe.

Gemeente, we willen u in deze laatste dienst van dit bijna vervlogen jaar een ogenblik bepalen bij de ark als het door God geschonken redmiddel. En dan overwegen we twee gedachten:

 

  1. Noach en zijn gezin werden in de ark gespaard.
  2. De ark werd door Noachs tijdgenoten veracht.

 

De ark als het God door geschonken redmiddel, waarin Noach en zijn gezin werden gespaard en die door Noachs tijdgenoten werd veracht.

 

  1. Noach en zijn gezin werden in de ark gespaard

En het geschiedde, lezen we in Genesis 6 vers 1. Met deze woorden wordt het tijdperk van de geschiedenis van de mensheid ingeleid. Het was een tijd waarin de mensheid in aantal toenam; het menselijk geslacht breidde zich uit. Dat was ook de Goddelijke opdracht. De Heere had gezegd: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, en onderwerpt haar (Gen.1:28). Dat is gebeurd. Maar wat blijkt dan?

Gemeente, dan blijkt dat de grenzen tussen kerk en wereld zijn weggevallen.

Kun je dat zo wel zeggen? Jawel, want wat is er gebeurd? Bij de vermenigvuldiging van dat aantal mensen zijn er twee verschillende soorten volk openbaar gekomen.

Er was een volk dat God vreesde, kinderen van God. Dat zullen niet allemaal tot God bekeerde mensen zijn geweest, maar wel mensen die – zoals we dat nu weten met de kerk – overeenkomstig het Woord van God leefden. Maar er was ook een volk dat de wereld diende zoals die zich toen openbaarde. Het ene volk was het geslacht van Seth; daarin woonde de vreze Gods. Het andere volk was het geslacht van Kaïn.

 

Twee soorten volk op deze wereld – bleven die nu maar gescheiden van elkaar, maar dat gebeurde niet: er kwam een vermenging tot stand. De zonen uit het geslacht van Seth, dat God diende en de Heere vreesde, keken naar de dochters van het geslacht van Kaïn. Ze trouwden met elkaar en zo ontstond er een vermenging.

Een volgend geslacht groeide op. En het is nog altijd hetzelfde; we zien het tot op de dag van vandaag: als de kerk met de wereld samengaat, dan wint de wereld. Dat was toen zo en het is nóg zo.

 

Zo is het begonnen. De wereld nam de overhand. Het menselijk geslacht breidde uit, maar de vreze Gods werd bijna niet meer gevonden; dát geslacht leek wel uitgestorven.

Nee, er was nog één gezin waar de Heere werd gediend: het gezin van … Ja, van wie? Het gezin van Noach. Daar werd de Heere nog gediend. Noach wandelde in de vreze des Heeren.

Wat is het een voorrecht dat er dan nog een Kerk is. Dat is de pilaar van de samenleving, gemeente. Als de Heere Zijn Kerk naar Huis haalt, dan staan er bange tijden voor de wereld te wachten. Zo was het ook in de dagen van Noach.

 

Noach krijgt van de Heere de opdracht om een ark te gaan bouwen. De Heere maakt aan Noach bekend wat Hij zal gaan doen.

We lezen in Genesis 6 vers 9 dat Noach wandelt met God. Mensen die met elkaar wandelen, vertellen in vertrouwen weleens iets uit het eigen hart aan elkaar, meer dan aan een ander. Noach wandelt met God en de Heere maakt aan Noach bekend wat Hij gaat doen. Wat gaat de Heere dan doen? Hij gaat heel het menselijk geslacht dat dan op de aarde leeft, verdelgen.

Is dat rechtvaardig? Ja, gemeente. De Heere is recht in al Zijn weg en werk. Er is in God nooit onrecht gevonden. Hij doet wat Hem behaagt, maar dat is altijd naar recht.

De vijanden van God en Zijn dienst breidden steeds uit. Hun getal werd steeds groter.

 

Wij leven dan wel niet in de tijd van Noach, maar we kunnen vandaag de dag ook wel vragen hoelang het nog zal duren dat de kerk ongestoord haar diensten mag beleggen. We kunnen er luchthartig aan voorbijgaan en zeggen: ‘Ach, het zal zo’n vaart niet lopen’ en: ‘Er is altijd wel wat geweest.’ Jawel, gemeente, maar de vijandschap tegen God en Zijn dienst komt meer en meer openbaar. Dat ervaart u ook weleens, denk ik.

Ons volk is weggezonken in het moderne heidendom. Dat is vaak nog erger dan het antieke heidendom. Niets is meer te heilig om de spot mee te drijven. Men doet het zelfs tot in de reclame toe! Wat maakt de duivel zich daar vrolijk om.

En waarom? Wat heeft de Almachtige gedaan? Heeft Hij die dodelijke haat verdiend?

Als we zo die ontwikkeling zien, dan zijn we geneigd om te zeggen: ‘Arm Nederland. Waar moet dat heen?’

 

Waar we heen gaan? We gaan naar het einde van de wereld.

Tijdens de eerste wereld zag God de aarde, en ziet, zij was verdorven (Gen.6:12). Was alles verdorven? Nee, dat is onmogelijk. Er zal op deze aarde altijd een overblijfsel zijn naar de verkiezing der genade; dat is er en dat blijft er. Dat overblijfsel is de kurk waar de wereld op drijft. Als er tien van zulke mensen in Sodom geweest waren, dan was Sodom nooit omgekeerd.

Gelukkig, gemeente, is er nu nog een overblijfsel. Als dat niet zo zou zijn, dan zou God ook aan deze wereld een einde maken.

In de eerste wereld was dat overblijfsel der genade er ook, maar het was klein. We lezen van Noach. Hij wandelde met God en God maakte aan Noach Zijn besluit bekend om dat tergende geslacht van voor Zijn aangezicht weg te doen. De Heere kon het niet langer dulden. Hij sprak: Ik zal den mens, dien Ik geschapen heb, verdelgen van den aardbodem, van den mens tot het vee, tot het kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het berouwt Mij dat Ik hen gemaakt heb (Gen.6:7).

Aanstonds? Nee, dat niet. De Heere gaf nog uitstel. En niet zomaar een week, of een maand, of een jaar. Nee, Hij gaf nog honderdtwintig jaar uitstel. Hij gaf nog tijd tot bekering.

 

Dat hebben wij ook gekregen, gemeente. Het achterliggende jaar was ook zo’n jaar dat de Heere gebruikt heeft om mest rond onze levensboom te leggen en om ons toe te roepen: Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven? (Ezech.33:11).

 

Jonge mensen, hoelang zijn jullie al op de wereld? Sta je er weleens bij stil? De tijd gaat zo snel! Mozes zegt in Psalm 90: Wij vliegen daarheen, en dat is zo. Waar vliegen we dan heen? Wel, naar de eeuwigheid. Dat is niet tegen te houden.

 

Het achterliggende, voorbijgegane jaar was genadetijd die de Heere ons gaf, tijd waarin we het Woord van God hebben mogen horen, tijd waarin de Heere arbeid der liefde aan ons ten koste gelegd heeft en waarin Hij ons toeriep: Dit is de weg, wandelt in denzelven (Jes.30:21). Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jes.45:22). En Hij verzekert met een eed dat Hij geen lust heeft in de dood van de zondaar, maar daarin dat de zondaar zich bekere van zijn weg en leve.

De Heere vergelijkt Zijn gemeente met een wijngaard en zegt: Wat is er meer te doen aan Mijn wijngaard, hetwelk Ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb Ik verwacht, dat hij goede druiven voortbrengen zou, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht? (Jes.5:4)

 

Noach krijgt de opdracht om een ark te bouwen. De Heere geeft in Zijn Woord een schoon getuigenis van hem: Noach was een rechtvaardig, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God (Gen.6:9). Aan hem geeft God de opdracht om een ark te bouwen.

Kan Noach dat? Hij kan toch geen schip bouwen? Nee, hij moet ook geen schip bouwen, maar een ark, een grote vierkante bak, want er zal veel water komen, zoveel dat die ark noodzakelijk zal zijn om te overleven.

Maar dan zijn er toch altijd nog de bergen waarin je de toevlucht kunt zoeken? Nee, want dat water zal ook boven de hoogste berg uit komen.

 

Ja, als je verstandelijk gaat redeneren, denk je dat je het wel kunt overleven. Want dan zul je dit doen, of dat doen … Nietwaar, jongens en meisjes? Dan zeggen we: ‘Dat moet toch mogelijk zijn? Er is toch altijd wel een oplossing te vinden?’

O ja?

We laten de Heere praten. Daar komt het op neer.

 

Maar dat deed Noach niet. Hij geloofde het Woord des Heeren. Dat bleek uit zijn daden, want Noach handelde naar het Woord des Heeren. Hij zei niet alleen dat hij het geloofde, maar het was ook te zien in de arbeid die hij eraan besteedde.

Noach moet de ark bouwen volgens Goddelijk voorschrift; de Heere geeft hem de maten erbij. En bij het uitwerken van die opdracht mag Noach zich verzekerd weten van de hulp des Heeren. In geloofsgehoorzaamheid is Noach dan ook begonnen. En welke moeilijkheden zich ook hebben voorgedaan bij de bouw van de ark, hij is niet beschaamd geworden.

 

Voor zijn tijdgenoten was het bouwen van die ark een prediking zonder woorden. Wat zullen ze ermee gespot hebben: ‘Noach, wat moet je met dat ding?’ Zou Noach dan gezwegen hebben over wat hij wist? Zou Noach zijn tijdgenoten niet gewaarschuwd hebben?

We gaan naar onze tweede gedachte:

 

  1. De ark werd door Noachs tijdgenoten veracht

Noach heeft zijn tijdgenoten zeker gewaarschuwd voor het gericht dat aanstaande was. Dat hoorde bij Noach, want hij wandelde met God, en wie God liefheeft, die heeft ook zijn naaste lief. Uit liefde tot de naaste heeft Noach gearbeid aan het heil van hun ziel.

Maar daar is de Heere niet in meegekomen; het heeft niet geholpen.

De tijdgenoten hebben spottend gezegd: ‘Die Noach is niet goed wijs. Hij zegt dat er zoveel water komt en dat je dan in zo’n ark moet kruipen om te overleven. Nou, als er veel water komt, dan zijn de bergen er nog waarop we naar boven kunnen klimmen. We hebben nog nooit zoveel water gezien dat dat niet zou kunnen.’

 

Er wordt weleens gezegd: ‘De wereld wil bedrogen worden’, en dat is ook zo, gemeente. De waarheid wordt door de wereld bespot en de leugen wordt geloofd. In zo’n tijd leven jullie ook, jonge mensen!

Hoor maar wat de Heere Jezus gezegd heeft: En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen: Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen (Luk.17:26-27).

De wereld is zo diep gezonken dat ze dat niet eens meer gelooft. Geloven, daar spot de wereld mee.

Welnu, dat gebeurde ook in de dagen van Noach – precies hetzelfde. En God? ‘Och, waar praat je over …’ Er zijn zelfs predikanten die niet meer in God geloven. Hellenbroek zegt: ‘Het is meer een wensen dan een dadelijk geloven dat er geen God is.’

 

Onder de toelating van God kan de satan ver gaan, gemeente. Hij kan veel aanvallen doen op het geloof; daar weten Gods kinderen wel iets van. Onder zijn leiding stelt de wereld alles in het werk om de dienst van God bespottelijk te maken.

Moeten we de leugen van de satan en de onzin van de wereld geloven ten aanzien van de schepping en de verlossing? Die zeggen: ‘Als je dát gelooft, ben je echt niet goed wijs!’

Zeker, we lopen vaak met veel vragen, vooral als we jong zijn. Dat is begrijpelijk, want er wordt tegenwoordig flink geschud aan het historisch geloof. Maar bedenk toch wat een voorrecht het is dat je opgevoed mag worden onder het Woord van God. Dat is Gods goedheid. Jullie mogen de boodschap van heil en genade horen, waarin de Heere ook jullie nodigt om Hem te leren kennen. Wat heeft de Heere Jezus daarvan gezegd? Wel, dit: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (Joh.17:3).

 

Waar zoeken jullie antwoord op je vragen, jongens en meisjes? Toch niet bij de vijanden van God en Zijn dienst? Die bedriegen je hoor; echt waar! Leg je vragen maar aan de Heere voor.

Krijg je dan antwoord? Ja, want de Heere zegt: Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet (Jer.33:3).

Hoe krijg je dan antwoord? Laat dat maar aan de Heere over. Maar één ding moet je goed onthouden: de Heere werkt door de middelen. Hij heeft beloofd in Zijn kerk te werken en Zijn bediening door middel van de ambten te verheerlijken. Daar heeft Hij een belofte aan verbonden: Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten (Jes.42:16). Geloof dat toch! Leg je vragen dan maar biddend aan de Heere voor en merk dan op welk antwoord God je geeft.

 

Er zijn veel mensen die in deze wereld leiding willen geven. Dat is ook zo in uw woonplaats. Maar Jezus zegt in Mattheüs 15 vers 14: Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in den gracht vallen.

 

Denk ook aan de schuld die we gemaakt hebben in het voorbijgegane jaar. Het was weer een jaar van zonden, van overtredingen van Gods geboden. Laten we daar toch niet aan voorbijgaan; daar zijn we zo toe geneigd. Het liefst willen we dat maar zo veel mogelijk vergeten, want het maakt onrustig en daar houden we niet van. Maar de Heere zegt in Zijn Woord: Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere, uw God, hebt overtreden (Jer.3:13). Ken uw ongerechtigheid – wat een wonder dat de Heere Zelf daartoe opwekt.

Wat ís zonde eigenlijk? Wel, zonde is de overtreding van Gods geboden, God de gehoorzaamheid opzeggen. Het wil eigenlijk zeggen: ‘Ja, Heere, dat hebt U wel verboden en dat mag ik niet doen, maar ik kan het zo moeilijk laten. Ik doe het toch maar.’ Nietwaar, zo is dat toch? Zo was het ook in de dagen van Noach.

Is het niet een wonder dat we de zonde overleven? Want op het overtreden van Gods geboden heeft God de doodstraf gezet: Ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven (Gen.2:17). Moeten we dan niet belijden dat het de goedertierenheden des Heeren zijn dat wij niet vernield zijn en dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben?

 

De Heere Jezus heeft gezegd: En gelijk het geschied is in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen (Luk.17:26). En hoe was het in de dagen van Noach? Wat lezen we daarvan? Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven (Luk.17:27).

Nou, daar is toch niets mis mee, gemeente? Allemaal geoorloofde zaken. We zijn toch blij als alles nog zo zijn normale loop mag hebben? Ja, dat wel. Dus wat was er dan verkeerd aan? Wel, meer dan dat was er niet; hogere begeerten had men niet. De mensen gingen op in eten, drinken en feestvieren. En de dienst van God? Ach, mogelijk heeft die er bij deze en gene nog wat bij gehangen. De zonen van God wisten in ieder geval van de dienst van God.

 

Hoe is dat bij ons? Was er bij ons in het achterliggende jaar nog tijd om meerdere keren per dag Gods Woord ter hand te nemen? Was er nog tijd om een goed boek te lezen waarin gewezen wordt op de weg der zaligheid? Hebben we er nog bij stilgestaan dat we niet alleen een lichaam hebben, maar ook een ziel? Hebben we overdacht dat we verzoening nodig hebben voor ons hart, dat we wedergeboren, bekeerd, met God verzoend moeten worden? Of zijn de dingen van de tijd het voornaamste geweest?

 

Wat heeft de Heere ook in het afgelopen jaar vaak genodigd tot de zaligheid, op allerlei manieren. Ook medebroeders hebben u de weg der zaligheid in Christus gepredikt. Was u in de kerk als er doordeweeks een dienst gehouden werd? Of zijn we zo bezet met de dingen van de tijd dat er ’s avonds geen uur meer af kan voor de dienst van God? Dan ben ik bang dat u er thuis ook niet veel tijd voor over hebt gehad om een goed boek te lezen.

U zegt: ‘Maar ik heb het zo druk; echt waar!’ Is er geen tijd voor de Heere, geen tijd om Hem te zoeken Die zo vriendelijk nodigt: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer (Jes.45:22)?

 

Inmiddels is de ark gereed en krijgt Noach de opdracht: Ga gij, en uw ganse huis in de ark; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor Mijn aangezicht in dit geslacht. (…) Want over nog zeven dagen zal Ik doen regenen op de aarde veertig dagen, en veertig nachten; en Ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat, dat Ik gemaakt heb (Gen.7:1,4). De tijd der genade is nu wel heel kort geworden: nog zeven dagen.

Weet u dat ook, gemeente? Nog zeven dagen. Nee, wij weten niet of we nog zeven dagen zullen leven, u niet en ik niet. We weten wel dat de tijd kort is, want ons leven is een damp en de dood wenkt ieder uur.

In die zeven dagen gaan ook de dieren de ark in, zonder elkaar kwaad te doen. Zal die laatste roepstem nog enkelen tot inkeer brengen, zodat ze toch de ark van Noach binnengaan?

Nee. Niemand.

Hoeveel roepstemmen hebben wij gehoord in het jaar dat voorbijgegaan is, door middel van Gods Woord, of misschien door middel van een ziekte of een ongeluk, of door sterfgevallen in de familie- of vriendenkring? Geldt dan ook van ons: en [zij] bekenden het niet (Matth.24:39)?

 

Dan breekt de zevende dag aan, de dag dat Gods lankmoedigheid ten einde is. Noach heeft zijn laatste preek gehouden, de laatste waarschuwing laten horen, voor de laatste keer genodigd om in de ark te schuilen. En dan sluit de Heere achter hem toe.

De tijd der genade is voorbij, onherroepelijk. De deur is gesloten. De dag van afrekening is nu gekomen en het vonnis wordt uitgevoerd. De sluizen van de hemel worden geopend en de fonteinen van de aarde eveneens. Er is alleen maar water te zien. Alles wordt overweldigd door de vloed.

En nu blijkt iedereen belang te hebben bij de ark waar ze mee gespot hebben. Maar dat kan niet meer. Nu is het te laat. De tijd der genade is voorbij. De deur is gesloten en niemand kan er meer in.

De spot verandert in vreselijke jammerklachten, en in wanhoop en vertwijfeling zinken ze weg in het water. De eeuwige nacht is voor hen aangevangen. Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte; en gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt (Spr.1:24-26).

 

Gemeente, dit jaar ligt op een paar uur na achter ons. Zo staan we straks ook aan het einde van ons leven, maar ook aan het einde van de tijd.

Bij Noach was het ‘over zeven dagen’. Hoeveel dagen hebben wij nog? We weten het niet. Bid dan maar: ‘Heere, leer mij mijn dagen tellen, opdat ik een wijs hart mag bekomen tot zaligheid.’ Breek nog vandaag met de wereld en de zonde en val de Heere te voet. Het is zo nodig om onze Rechter om genade te leren bidden, nu we nog in het heden der genade zijn.

 

Hoe dringend zullen de mensen zijn gaan roepen toen ze zagen dat het werkelijkheid werd en dat het water al hoger ging stijgen. In de laatste zeven dagen hebben ze het gezien: Noach in de ark en zij erbuiten. Met de ark voor ogen verdrinken ze in de vloed van Gods toorn.

Wat is dat ontzettend, gemeente: het middel tot behoud zien en erbuiten te zijn en te blijven. Wat zei de Zaligmaker daarover? Hij zei: ‘Breng ze hier die niet gewild hebben dat Ik Koning over hen zou zijn, en sla ze voor Mijn voeten dood.’

Paulus schrijft: Zo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen (2Kor.5:20).

In die gesloten deur is tevens het behoud van Gods Kerk gewaarborgd. Noach heeft de ark toebereid. Dat houdt in dat hij het oordeel aanvaard heeft; hij is ervoor ingewonnen. Noach is op Gods bevel in die ark gegaan en die ark wijst naar Christus.

 

Er is een volk op de aarde, ook onder ons nog, dat betrekking krijgt op die geestelijke Ark, de Heere Jezus Christus. Met minder kunnen ze niet. Alles waarbij ze voorheen nog leven konden, gaat hen meer en meer ontvallen. Ze gaan zichzelf zien als buiten de Ark. Ze vrezen dat de ‘zeven dagen’ voorbij zullen zijn voordat ze binnen zijn.

O, uitziende zielen, houd dan een weinig moed! Is Noach beschaamd? En leert Gods Woord ons niet: Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden (Ps.25:3)? Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven (Hab.2:3). Als het in waarheid om Hem te doen is, blijft de Heere niet achter. Dan zal het u vergaan zoals Noach: hij werd met zijn gezin door de Heere ingesloten, verschoond in het oordeel, uit vrije genade. En dat op grond van recht, want Christus zou voor Noach het oordeel ondergaan. Al was Noach een man die met God wandelde, hij was niet zonder zonden, en om zijn eigen gerechtigheid kon hij niet behouden worden. Maar God heeft hem aangezien in de Zoon van Zijn welbehagen.

Mozes beschrijft het uitvoerig, in verwondering over de liefde en de zorg van de Heere. Want Wie sloot achter Noach toe? Was het God Elohim, als Schepper en Gebieder van de wereld, Die de dieren in de ark deed gaan? Nee, gemeente, dat staat er niet! Er staat ‘de Heere’, met vijf hoofdletters. En u weet dat dit betekent: de Ik zal zijn, Die Ik zijn zal! (Ex.3:14), de God des verbonds, de Bewaarder Israëls, Die gisteren en heden Dezelfde is en in der eeuwigheid.

 

Hij sluit, en niemand opent (Openb.3:7). Geen water kon de ark binnendringen. Niemand kon erin, niemand kon eruit. God zorgt voor Zijn eigen werk. De Heere Christus heeft tijdens Zijn omwandeling op de aarde gezegd: Niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders (Joh.10:28-29).

En daarom: Hij is de enige Ark der behoudenis. Hij heeft voor Zijn Kerk gebeden: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (Joh.17:3).

 

Wat wilde Christus lang nodigen; hoe laag wilde Hij buigen. O, daartoe wilde Hij, de eigen Zoon van God, aan mensen gelijk worden. En daarom schreef Paulus: En buiten alle twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot; God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid (1Tim.3:16).

Honderdtwintig jaar duurde het gericht eer de wereld onderging. God vertoefde nog.

En zo is het ook nu, gemeente: de Heere vertoeft nog met Zijn gerichten. Maar bedenk: Hij komt op Zijn tijd. Dat zal zijn in ons sterfuur en in het eindgericht.

Wat zal het dan beangstigend zijn om te moeten vallen in de handen van de levende God, Die we hier niet hebben leren kennen, maar Die we dan zullen ontmoeten als een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij Wie niemand wonen kan.

Maar de hele levende Kerk zal in Christus, de levende Ark, in vrijheid zijn. En dan zal Hij Die Zich voor hen heeft laten insluiten, Koning zijn over Zijn Kerk en het Koninkrijk aan God en Zijn Vader overgeven.

Hij staat boven de dreigende onweerswolken van vandaag. En Hij roept ook heden: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer (Jes.45:22).

 

Gemeente, we gaan eindigen. Dit jaar ligt achter ons; het is bijna afgesloten. Mogen wij nu ook ingesloten zijn in die Ark? We weten dat de Ark een symbool van Christus is. Gods Woord zegt ons dat weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water (1Petr.3:20).

God werkt in de lijn der geslachten. Nee, genade is geen erfgoed. In de ark was ook Cham. Ook hij werd gespaard, net als Noach en de anderen, maar hij is niet behouden geworden voor het eindgericht; daar had Cham geen deel aan.

 

Wat heeft de Heere ook dit jaar weer veel aan ons gearbeid. Zijn we nu ook in Christus geborgen? Hij heeft gezegd: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt (Joh.17:3).

Dan zult u ook erkennen dat het alleen soeverein welbehagen is als Hij áchter u en niet vóór u sluit. O, dat wonder: ingesloten te worden in de Ark der behoudenis. Dat is voor eeuwig en dat doet soms zingen:

‘k Zal Zijn lof zelfs in den nacht

zingen, daar ik Hem verwacht,

En mijn hart, wat mij moog’ treffen,

Tot den God mijns levens heffen.

Dat doet de Heere verwachten, ook in de weg van Zijn gerichten, zoals te lezen is in Jesaja 26 vers 8: Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o Heere! verwacht.

Maar daar staat tegenover: En [zij] bekenden het niet (Matth.24:39).

Zo was het in de tijd van Noach. Zo is het in deze tijd. Zo zal het ook zijn als de jongste dag zal zijn aangebroken. Zullen we dan binnen zijn of buiten?

Iemand zal misschien zeggen: ‘Ik vrees ‘buiten’. En dat is eeuwig recht, want dat heb ik mij duizendmaal waardig gemaakt.’

Maar voor zulken staat de deur nog wijd open. Alleen: we weten niet hoelang nog.

Amen.

In het achterliggende jaar zijn overleden:

 

[Namen overledenen]

 

Psalm 90: 9-17:

9. Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

10. Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

11. Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

12. Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

13. Keer weder, Heere! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.

14. Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.

15. Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

16. Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.

17. En de liefelijkheid des Heeren, onzes Gods, zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

 

Gemeente, wij zingen nu staande Psalm 89 vers 19:

 

Gedenk, o Heer’,. hoe zwak ik ben, hoe kort van duur!

Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur.

Zou ’t mensdom dan vergeefs op aarde zijn geschapen?

Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen,

Wie redt zijn ziel van ’t graf? Ai, help ons als tevoren,

Gelijk Gij bij Uw trouw aan David hebt gezworen!