Ds. A.T. Vergunst - Jesaja 64 : 1

Een gebed om Gods aanwezigheid

Jesaja 64
Waarom dit gebed?
Hoe bid je dit gebed?
Gods antwoord op dit gebed

Jesaja 64 : 1

Jesaja 64
1
Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten;

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 27: 5 en 7
Lezen : Jesaja 64
Zingen : Psalm 20: 1, 3 en 5
Zingen : Psalm 81: 11, 12 en 14
Zingen : Gebed des Heeren: 7, 9 en 10

Kinderen, het woord ‘advent’ is misschien een woord dat je niet zo snel gebruikt. We zijn gewend om de tijd vóór de viering van kerst ‘adventstijd’ te noemen. ‘Advent’ is een Latijns woord dat ‘komst’ betekent. De adventsweken zijn de weken waarin we uitkijken naar de komst van Christus.

Sinds de val van Adam is er geen tijdsperiode geweest waarin er geen sprake was van advent. De hele oudtestamentische kerk was uitkijkend naar de komst van de Heere Jezus Christus. Vele eeuwen passeerden voordat Hij uiteindelijk kwam, maar het verlangen naar Zijn komst was er al die tijd. Je ziet dat in heel veel Bijbelgedeelten tot uiting komen.

De nieuwtestamentische kerk is ook een adventskerk. Wij kijken nu uit naar de tweede komst van de Heere Jezus. Hoewel … Laten we onszelf eens toetsen, kinderen van God: hoe geestelijk zijn we nu eigenlijk? Kijken wij uit naar de komst van Jezus Christus? Aan het eind van het boek Openbaring wordt dit verlangen uitgedrukt: Ja, kom, Heere Jezus! (Openb. 22:20).

Dat is beter te begrijpen als je vervolgd wordt. Dan ga je dit bidden. Mensen die vervolgd worden om het geloof, bidden dat veel hartstochtelijker dan wij, mensen die leven in welvaart en zich sterk voelen. Maar het is niet goed als wij er niet naar uitkijken. Misschien zijn er wel onder ons die binnenkort gaan trouwen. Dan kijk je naar die dag uit. Daar verlang je naar. Dat is advent. En zo behoren Gods kinderen in adventstijd uit te kijken naar de huwelijksdag, de dag waarop de Heere Jezus Zich als Persoon gaat openbaren aan heel de wereld.

 

We willen in deze dienst stilstaan bij een paar gedeelten uit Jesaja. In Babylon zit ook een kerk in de adventstijd. Met Gods hulp willen we nadenken over een speciaal gebed van een gelovige in Babylon. Niet iedere jood in Babylon bad dit gebed; het was maar een overblijfsel dat dit deed. Jesaja schildert ons hier een gebed voor dat nooit aan waarde verliest. Dat gebed moet ook nu, eind 20----, door ons gebeden worden. Ik hoop dat de Heilige Geest bij de overdenking van deze verzen onze harten biddende maakt met de essentie van deze woorden.

De tekst voor vanmorgen is Jesaja 64 vers 1:

 

Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt, dat de bergen van Uw aangezicht vervloten.

 

Het thema van de preek is: een gebed om Gods aanwezigheid.

Drie aandachtspunten:

 

  1. Waarom dit gebed?
  2. Hoe bid je dit gebed?
  3. Gods antwoord op dit gebed.

 

  1. Waarom dit gebed?

Waarom moeten wij dit gebed – een vers dat duizenden jaren geleden is opgeschreven – nu, in 20----, bidden? De context van dit vers vertelt ons dat Israël ervaart wat het ergste is om te ervaren. En wat is dat? Wat is het ergste om te ervaren? Dat God Zich terugtrekt. God verbergt Zich voor hen!

Kinderen, het beeld dat de profeet schetst, is dat God een gordijn om Zich heen heeft getrokken. Hij verbergt Zichzelf. Hij verbergt Zich als het ware achter een dik gordijn. Hij trekt Zich terug van Zijn eigen mensen. Hij verbergt Zich. Hij stapt naar achteren.

Dat is heel erg. Och, dat Gij de hemelen scheurdet. Er is geen hoop voor een volk als God Zich terugtrekt achter het gordijn van de verberging. Dan worden de harpen aan de wilgen gehangen en wordt er niet meer gezongen. Dan kruipen we in de duisternis. Dan vechten we tegen de kracht van de zonden en kunnen we ze niet overwinnen.

Dat is ernstig, gemeente. Ook nu doen mensen dit. En daarom bidt de profeet: ‘We hebben Uw aanwezigheid nodig. Uw aangezicht moet gezien worden. Uw aangezicht moet zo aanwezig zijn dat bergen wegvluchten. Dan gebeurt er wat!’

 

God verbergt Zich. Hij trekt Zich terug. Dat is het ergste wat ons kan overkomen. Laten we in vers 10 van Jesaja 63 eens lezen wat God doet als Hij zich terugtrekt: Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijn Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd, Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.

Ik kan me geen ernstiger oordeel voorstellen dan dat God begint te vechten tegen Zijn volk. De belofte is toch dat Hij juist vóór hen vecht, dat Hij met hen is? Maar nee, nu is Hij hun vijand geworden en vecht Hij tégen hen.

Als God vecht tegen Zijn eigen volk, moet u niet denken dat Hij een gevechtshouding aanneemt. Nee, dan trekt Hij zich terug. Dan laat Hij Zijn volk gaan. Hij laat hen alleen. Hij stapt terug, geeft de overwinning aan de vijanden en houdt Zijn troost en sterkte in.

Dat gebeurt er met Jeruzalem. Die prachtige stad wordt verwoest. Waarom is dat? Omdat God Zijn hand terugtrekt. Eerst hield Hij Zijn hand om Jeruzalem heen. Niemand kon de stad aanvallen in de tijd van Hizkía en Rabsaké, de Assyriërs. De enige plaats die Rabsaké en zijn generaals niet konden innemen, was de stad Jeruzalem in het kleine Juda. Het hele Assyrische koninkrijk, van Egypte tot het huidige Irak, was van hen, maar dat éne klein plekje konden ze niet aanraken. En waarom was dat? Omdat God Zijn hand erom hield. Maar nu komt de Babylonische macht en gaat de stad ten gronde. Waarom is dat? Omdat God tégen hen vecht.

 

Gemeente, wat gebeurt er met de kerk vandaag de dag? Groeit de kerk? Nee, God trekt Zich terug. De kracht is er niet; de overwinning is er niet. De zaak van Gods Kerk neemt niet toe in dit land.

 

De profeet Jesaja lijdt eronder. En dan doet hij een beroep op Gods hart, in hoofdstuk 63 vers 15. Zie van den hemel af en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.

‘Waar is Uw ijver? Waar is Uw mogendheid?’ Hebt u ooit zo gebeden? Hebt u zo weleens gesproken tot God? In onze tijd zouden we zeggen: ‘Hebt U geen hart meer voor ons? Waarom bent U zo koud? Waarom bent U zo hard?’

Is dat niet brutaal? U ervaart het als wat vrijpostig, maar dit is de taal van de man van God in Babylon: ‘O God, waar is Uw ijver? Waar is Uw jaloezie op Uw Naam? Waar is Uw kracht? Waar zijn Uw liefde en warme gevoelens voor ons? Worden ze achtergehouden?’

 

Waarom doet God dit richting Zijn eigen volk Israël? Waarom doet God dit met die prachtige stad Jeruzalem? Dat is een goede vraag. De profetie van Jesaja geeft daar op verschillende plaatsen antwoord op. Lees maar mee in Jesaja 58 vers 1: Roep uit de keel, houdt niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jakobs hun zonden. En wat is die zonde? Dat is hun godsdienst.

Er is een groot verschil tussen godsdienst en godvruchtig zijn. De farizeeën waren godsdienstige mensen, maar ze waren niet godvruchtig. Ze haarkloofden over details van de wet, maar genade, medelijden en liefde waren er niet. God wil zulke godsdienst niet. Dat is alleen maar vorm. God zoekt godzaligheid en godsvrucht. Maar Hij vindt die niet. Hij ziet zonden. Lees maar verder in hoofdstuk 59 vers 12: Want onze overtredingen zijn vele voor U, en onze zonden getuigen tegen ons; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden kennen wij. Die ongerechtigheden worden benoemd in vers 13: Het overtreden en het liegen tegen den Heere, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart. Is dit het dienen van God óf voor jezelf leven?

 

Al deze zaken, gemeente, beschrijven die niet ónze dagen? Je hoeft geen profeet te zijn om dit te zien. Overal is afgoderij – onze hele land is verziekt door zonde. Het is geen wonder dat God terugtreedt en dat Hij zegt: ‘U weerstaat Mijn Heilige Geest. Ik zal gaan vechten tegen u.’ Niet alleen tegen de wereld, die immers niet naar Gods Woord leeft, maar ook tegen de christenen.

Deze zonden van het volk Israël zijn niet alleen verleden tijd. Ze zijn er ook vandaag. Hoe is het bij u? Voelt u persoonlijk dat God Zich verbergt voor u? Misschien ervaart u dat uw godsdienst is opgedroogd of dat uw verhouding met God zo vormelijk, zo koel is. U leest de Bijbel wel, maar u voelt niet de aanwezigheid van God. U leest misschien wel dezelfde gedeeltes die u vroeger met veel vreugde las, en nu doen ze u niets meer. U kunt zich misschien wel tijden herinneren hier in de kerk dat het Woord van God zo tot u sprak, en nu: niets meer. 

Dat kan de schuld van de prediking zijn, maar het kan ook úw schuld zijn.

Waar is God in dit alles? Misschien is dat wel de vraag waarmee u worstelt. God is zo stil en op zo’n grote afstand. Er is niets moeilijker voor dan om gescheiden van Hem te leven.  Ervaar je dat ook zo?  Gescheiden leven van God is de dood.

Dat is dus de situatie waarin het volk van Israël leefde, de situatie waarin ons land leeft en de situatie waarin u misschien zelf verkeert. Wat kunnen we nu leren van dit Schriftgedeelte? Wel, het geeft ons onderwijs hoe we moeten bidden in deze situatie.

 

  1. Hoe bid je dit gebed?

Elke keer weer vind ik grote troost in het onderzoeken van de gebeden die in de Bijbel staan. Het helpt mij te leren hoe ik bidden moet. Bidden is natuurlijk veel meer dan een gebed doen. Bidden is de zielsadem.  Daar hebben we de Heilige Geest voor nodig.  Hoe rijk zijn de gebeden die je in de Bijbel vindt.  Het zijn door de Heilige Geest geïnspireerde voorbeelden, modellen. En daarom stel ik u deze vraag: bidden wij zoals de profeet, ‘O Heere, waar is Uw ijver? Waar is Uw gevoel voor Uw volk? Waar is het?’ Dus, gemeente, hoe moeten wij bidden in deze adventstijd?

Laten we de Heere smeken om zijn genadig ingrijpen: ‘Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt in de situatie waarin wij ons bevinden.’ Lees dit gebed. Herlees meerdere malen vandaag hoe deze profeet de troon van genade bestormt, biddend of God toch naar beneden wil komen. Ik bid dat kerst in 20---- voor ons volk en voor uzelf eens een kerst mag worden zoals nooit eerder. Dat God wil neerdalen en dat de bergen van problemen en zonde van Zijn aangezicht vluchten.  Dat alles weer zou beginnen te leven door de Geest van God – dat is waar de profeet om bidt. Meer dan ooit is dit gebed nodig.  Het is echt tijd voor ons om te worstelen.

 

Luister naar de aanklacht in vers 7: En er is niemand, die Uw Naam aanroept, die zich opwekt, dat hij U aangrijpe. Hebt u ooit zo God aangegrepen? Want Gij verbergt Uw aangezicht voor ons, en Gij doet ons smelten, door middel van onze ongerechtigheden.

Er is niemand die U aanroept …! Laten we God toch smeken om Zijn ingrijpen. Neem dit gebed mee in deze eerste adventsweek. Open de Bijbel als je je knieën buigt en bid: ‘Och, dat Gij de hemelen scheurdet, o God. Kom uit Uw verberging. Laat de ijver van Uw heerlijkheid zien. Laat ons de kracht van uw aanwezigheid voelen.’

Gemeente, smeek God op basis van Zijn eigen woorden. Daar is geen kracht bij God totdat u op Zijn eigen woorden mag pleiten. Wij hebben zelf helemaal niets om op te pleiten. We staan schuldig. Hoor deze profeet (vers 8 en 9): Doch nu, Heere! Gij zijt onze Vader. Zet daar maar een dikke streep onder. Hij alleen is het antwoord op al onze nood.  Wij zijn leem, en Gij zijt onze pottenbakker, en wij allen zijn Uwer handen werk. Heere! wees niet zo zeer verbolgen, en gedenk niet eeuwiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn Uw volk.

Hij pleit op de heilige steden waar Gods naam mee verbonden was (vers 10): Uw heilige steden zijn een woestijn geworden, Sion is een woestijn geworden, Jeruzalem een verwoesting. ‘Dit zijn Uw steden, God. Dit gaat over Uw Naam.’

Vers 11 en 12: Ons heilig en ons heerlijk huis, waarin onze vaders U loofden – de tempel – is met vuur verbrand; en al onze gewenste dingen zijn tot woestheid geworden. Heere! zoudt Gij u over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?

 

De profeet benoemt de verderfelijke gevolgen van het terugtrekken van God. Kinderen van God, dat voelt u. De profeet zegt: ‘Niemand roept Uw naam aan.’ Hij zegt dat niemand een beroep op God doet. Hij zegt dat niemand Hem aangrijpt. Niemand nadert tot God met vrijmoedigheid. Niemand!? En hoewel er niemand was die bad, inspireerde de Heilige Geest Jesaja om te vertellen – ook aan ons vandaag – wat en hoe men zou moeten bidden. Als u de verberging van God voelt, als u zwakheid ervaart, als u ervaart dat God Zijn aangezicht verbergt en u zich zo verlegen voelt, wat doet u dan? Grijp dan Gods Woord en leg Zijn eigen Woord aan Hem voor. Dat is God aangrijpen: door Zijn eigen Woord te nemen, de Bijbel open te doen, Zijn beloften op te zoeken en met ernst uw vinger erbij te leggen. Dat is Zijn Naam aangrijpen.  O, zijn er zulke bidders vandaag?

Hoor wat deze worstelende ziel zegt in vers 16 van hoofdstuk 63: ‘Gij zijt toch onze Vader, onze Verlosser, o Heere!’ Maar hij was toch zondig? Hij was toch in Babylon? Hij was toch totaal schuldig? Hoe kan hij dan zeggen: Gij zijt onze Vader, onze Verlosser van ouds af is Uw Naam? Waarop is deze man aan het pleiten? Hij pleit op Gods verbond dat Hij met Zijn volk heeft. Zij zijn bij Zijn Naam genoemd zijn; lees maar in vers 19. Daar zien we een voorbeeld van pleiten op de verbondsrelatie met God: ‘Wij dragen Uw Naam, Jehova. We zijn gemerkt met Uw Naam.’ In de oudtestemantische kerk betrof dit het volk van Israël. Vandaag de dag zijn wij dat die gedoopt zijn: genoemd naar Zijn Naam.

 

Als deze worstelaar op zichzelf kijkt, voelt hij zich onrein als een melaatse: Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed. Dat is ook waar het boek Jesaja mee begint. Jesaja 1 vers 18: Komt dan, en laat ons samen rechten.

Hier, in ons teksthoofdstuk, hebt u een voorbeeld van een man die met God aan het rechten is. Hebt u weleens met God gerecht? Dat is wat anders dan argumenten aan God voorleggen – dat is niet ‘rechten’. God Zelf zegt: ‘Kom dan, en laten we rechten.’

‘Rechten’ is pleiten, is God op Zijn woord aangrijpen en zeggen: ‘O God, U zegt het toch? U hebt het toch beloofd? U houdt toch Uw Woord?’ De profeet recht met God als hij zegt dat God moet ingrijpen omdat het om Zijn eigen koninkrijk gaat.

 

Gemeente, zelden lees je zo’n openhartig gebed in de Bijbel als in ons teksthoofdstuk. En zelden zie je zo’n nederigheid samen met zoveel vrijmoedigheid: Och, dat Gij de hemelen scheurdet. Laten we nooit vergeten dat God verlangt om zó gebeden te worden. Heeft God daar echt een heilige vreugde in? Matthew Henry zegt van wel. In zijn verklaring van Lukas 24, waarin de twee Emmaüsgangers de Heere Jezus dwongen om bij hen te blijven, schrijft hij dat het woord ‘dwingen’ in het Grieks letterlijk ‘de schouders van iemand vastgrijpen’ betekent. ‘Blijf met ons.’ Matthew Henry zegt dan dat de Heere Jezus niets liever heeft dan dat Hij wordt gedwongen om te blijven. Hebben wij God ooit gedwongen om bij ons te blijven? Hij is inderdaad gewillig en verlangt gedwongen te worden om te blijven. Was is dat een intensief adventsgebed!

Ik bid dat God u die worstelingen wil geven in deze adventstijd, voor uzelf, maar ook voor de kerk. Laten we niet vergeten dat Hij ons aanmoedigt om zó te bidden zoals we nu samen gaan zingen uit Psalm 81, de verzen 11, 12 en 4.

 

Ik, Ik ben de Heer’;

‘k Ben uw God, die heilig

IJv’re voor Mijn eer;

Die u door Mijn hand

Uit Egypteland

Leidde, vrij en veilig.

 

Opent uwen mond;

Eist van Mij vrijmoedig,

Op Mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij ‘t smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Want dit is ‘t bevel

Van den Heer’ der heren

Aan Zijn Israël;

Dit is ‘t hoog gebod,

‘t Recht van Jakobs God,

Dat wij billijk eren.

 

‘Eist van Mij vrijmoedig’ – wat een bemoedigende uitnodiging!

Eist van Mij vrijmoedig wanneer u Mijn woorden neemt en er aanspraak op maakt, zoals de profeet hier doet. En waar bidt hij voor, gemeente? Hij bidt of God naar beneden komt: Dat Gij nederkwaamt. ‘Dat Uw aangezicht tot ons worde gewend en dat Uw kracht en grootheid bekend worde gemaakt.’

Het is nodig dat we de aanwezigheid van God, Zijn tegenwoordigheid, afsmeken in deze adventstijd: ‘Toon Uzelf en Uw kracht.’ Kijk eens naar vers 3. Heel vaak verwijzen de oudtestamentische profeten terug naar de verschijning op de berg Sinaï: Toen Gij vreselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; Gij kwaamt neder, van Uw aangezicht vervloten de bergen.

Dus waar bidden we dan voor? Dat God opnieuw Zijn kracht bekendmaakt in de wereld waarin we leven. Waarom hebben we dat nodig vandaag? Allereerst voor ons persoonlijk leven. Wanneer ik worstel met mijn ongeloof, met mijn wereldsgezindheid, met mijn zondigheid, dan is dit gebed nodig: ‘O God, scheur de hemel opnieuw en daal neer in mijn hart. Laat mij Uw aanwezigheid en kracht ervaren.’ Want dit ongeloof kan niet gebroken worden dan door God. Deze zelfliefde kan niet gedood worden dan alleen door God. We hebben God nodig om dit te overwinnen, om de kracht van de zonde te breken. En daarom is het zo vreselijk als God terugtreedt. Dan zijn en blijven we verloren in onze problemen.

Kijk daarom hier hoe je moet bidden als je worstelt in je persoonlijk leven, in je familieleven, in het kerkelijk leven. Dan hebben we het zo hard nodig dat God in ons midden komt met Zijn aanwezigheid. Kom, o Heere! Kom, o Heere Jezus, voor het eerst, voor de tweede keer, voor de honderdste keer, maar kom opnieuw.

 

En hoe beantwoordt God dit gebed?

 

  1. Gods antwoord op dit gebed

Het antwoord is verrassend. Reeds in Jesaja 42 spreekt de Heere in profetische woorden: En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten (Jes. 42:16).

Kinderen, denk je eens in hoe de Israëlieten in Babylon zitten. De weg is gesloten. De stad Jeruzalem is verwoest. De vijand is sterk. Ze zijn als een kleine muis in de klauwen van een leeuw. En dan bidden ze dit gebed. God staat ver van hen af. Ze hebben werkelijk geen enkel idee hoe ze ooit uit Babylon moeten worden verlost, hoe ze terug moeten keren naar Jeruzalem en de stad moeten herbouwen. Wij staan achter de feiten en weten hoe het gegaan is, maar dat wisten zij toen nog niet. Ze weten maar één ding: God heeft beloofd hen terug te zullen brengen.

Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben. Wat deed God toen? Hij gaf koning Kores een ingeving. Het werd een enorme verrassing. Kores vaardigde een bevel uit.  Het kwam als een bliksem aan een blauwe lucht. – iets wat niemand ooit verwacht had. Ik lees het u voor uit Ezra 1:1. In het eerste jaar nu van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht wierd het woord des Heeren, uit den mond van Jeremía, verwekte de Heere den geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrift, zeggende:

2. Zo zegt Kores, koning van Perzië: De Heere, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is.

 

Wat een verrademing! Kwam dit bij Kores vandaan? Nee, dit was een opdracht van God. Hij droeg Kores op om een huis te bouwen. In vers 3 van Ezra 1 lezen we: Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis des Heeren, des Gods van Israël.

Niemand verwachtte dit. Maar God had toch beloofd, Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben. Daarom lezen we in Psalm 126 dat de mensen dachten dat ze droomde: Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.

‘Echt? Kores, meent u dit echt? Kunnen wij echt terug?’

‘Jazeker, en ik zal de weg terug voor u verzorgen en ik zal alles betalen uit mijn eigen schatten om Jeruzalem weer op te bouwen.’

Wij waren als dromende ... Ziet u hoe God dit gebed toen beantwoordde?

 

Zo is het ook geestelijk. Wanneer wij de noodzaak van zaligmaken gaan zien, wanneer onze zonden zo groot worden als een berg en we ons van alle kanten verdoemd zien; wanneer alle wegen worden afgesloten; wanneer we de ruïne van onze vervallen staat zien en de schuld van ons zondenvolle bestaan gaan inzien, wanneer we al deze dingen als bergen rondom ons zien ... waar moet onze redding dan vandaan komen? Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt.

Hebben we ooit dat dikke gordijn van Gods heiligheid gevoeld? Hebben we ooit voor Hem gestaan met onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed? En wanneer we de grote heiligheid van God invoelen – voor Wie wij echt niets kunnen inbrengen, want het beste wat we aanbrengen is onrein – waar moet dan onze redding vandaan komen? Och, dat Gij de hemelen scheurdet.

 

Gods antwoord was wat we straks met kerst gaan horen: er is een Verlosser geboren in Bethlehem. Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen (1Kor. 2:9), heeft God bereid in het komen van Zijn Kind in Bethlehem. Dat is nog veel meer verrassend dan wat Kores ooit heeft gezegd. Het is verbazingwekkend!

Gemeente, wat Jesaja zegt over ‘het oog niet heeft gezien...’ dat is het kleine Kind dat Simeon in zijn handen hield en van Wie hij uitriep: Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien (Luk. 2:30). De mensen stonden achter deze oude man en keken naar hem, terwijl hij daar stond met de baby van de arme Jozef en Maria, en ze dachten: wat is er mis met hem? Hij hield dat kleine Kind in zijn armen en hij dankte God en zei: ‘Ik dank u voor Uw zaligheid.’ Wat kon dit Kind dan doen? Zie, dat is Gods weg. Simeon ziet de vervulling van de woorden uit vers 4 van Jesaja 64: Ja, van ouds heeft men het niet gehoord, noch met oren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve Gij, o God! wat Hij doen zal dien, die op Hem wacht.

Wanneer Paulus deze verzen in 1 Korinthe 2 aanhaalt, zegt hij dat de oversten van de wereld deze wijsheid niet gekend hebben. De wijzen van deze wereld begrijpen het niet, anders hadden ze Hem nooit gekruisigd. Dit Kind, deze Man van smarten, deze Jezus betekende niets voor hen dan ergernis. Het wáre van Hem was voor hen verborgen. Dat is het verborgen geheim van het antwoord van God op het onmogelijke van Zijn heilig wezen en ons onheilige zijn.

Gemeente, wat is de heerlijkheid van Gods antwoord in de geboorte van Zijn Zoon? Het is de grootste scheuring van de hemel toen God neerkwam naar deze aarde om redding te brengen in Zijn eigen Zoon. Er is geen grotere scheuring van de hemel dan dat moment.

Hier is de Vader Die Zijn Zoon geeft om voor zondaren een weg terug te bereiden tot God. Dat is het antwoord op de vraag uit hoofdstuk 63 vers 15: Zie van den hemel af, en aanschouw van Uw heilige en Uw heerlijke woning; waar zijn Uw ijver en Uw mogendheden, het gerommel Uws ingewands en Uwer barmhartigheden? Zij houden zich tegen mij in.

Misschien vraagt u dit vanmorgen ook?  Misschien is het uw bede die naar Boven klimt uit uw bedrukte hart. Zie dan naar de kribbe in Bethlehem. Daar zien we het kloppend hart van God. Zie daar de genade van God openbaar. Dit Kind van Bethlehem, zoveel groter dan ogen hebben gezien, oren hebben gehoord of ooit in gedachten is opgekomen, brengt bevrijding. De Joden denken aan bevrijding in tijdelijke zin, in aardse zin. Maar Jezus kwam niet voor een politieke maar een geestelijke bevrijding van zonde, zondigheid, schuld, onkunde, ongeloof. O, hoe heerlijk is Zijn komst! Er is hoop voor ons zondaren!

 

Kijk eens hoe het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 65, begint: Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik. Dat gaat over u en mij. Wij zijn immers niet genoemd naar Zijn Naam. Wij waren buiten het volk van Israël als heidenen. Maar nu worden we toch persoonlijk geroepen. En wat roept God dan? ‘Zie op Mij!’ Zie op dat Kind, die Zaligmaker.

 

Zie op Mij – maar wat is er dan te zien in Christus? Hij is het Die onze ongerechtigheden op Zich nam. Hij nam de vloek op Zich, ja, Hij wérd de vloek om op die manier de weg naar het hemelse Jeruzalem weer te openen. Wat wij hebben gebroken, heeft Hij weer hersteld. Zijn werk is niet zomaar de verbrande tempelgebouwen in Jeruzalem herbouwen. Nee, deze Christus maakt de ziel van zondaren tot een geestelijke tempel. En daarom is het een grote en goede tijding die uit de mond van de engelen kwam: Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere (Luk. 2:11). Hij is machtig om u en mij weer te herstellen, om de verhouding tussen God en ons te herstellen. Wat ogen nooit hebben gezien en oren nooit hebben gehoord en wat nooit in het hart van een mens is opgeklommen, heeft God nu bereid voor zondaren in de Messias die kwam.

 

Daarom, gemeente, laten we de troon van God bestormen in deze adventstijd. Laten we dit woord van de profeet lezen en herlezen en overdenken.  Bestorm toch de troon van God, opdat God dat dikke gordijn zou scheuren waarachter Hij Zich schuilhoudt. Laten we bidden: ‘God, openbaar Uzelf. Kom in het hart van zondaren. Doorbreek Uw stilte. Kom uit Uw Verberging.’ Laten we, hoewel we allen als een onreine zijn en al onze gerechtigheden als een wegwerpelijk kleed en alles aan onze kant verkeerd is, toch de Naam van God aangrijpen. Laten we niet tevreden zijn met het verbergen van Zijn aangezicht. Zoek de openbaring van de kracht van deze genadige God aan de zielen van velen.

 

Amen.

 

We zingen tot slot uit het Gebed des Heeren de verzen 7, 9 en 10.

 

Leid ons in geen verzoeking ooit;

Verberg voor ons Uw aanzicht nooit;

Gij weet het, onze kracht is klein,

De driften veel, en ’t hart onrein;

Wat wordt er van ons in dien staat,

O Vader, zo Gij ons verlaat?

 

Want Uw is ’t koninkrijk, o Heer’,

Uw is de kracht, Uw is al d’eer.

U, die ons helpen wilt en kunt,

Die, in Uw Zoon, verhoring gunt,

Die door Uw Geest ons troost en leidt,

U zij de lof in eeuwigheid.

 

Ja, amen, trouwe Vader, ja;

Wij maken staat op Uw genâ.

Ons hart, o God, die alles ziet,

Veroordeelt ons in ’t naad’ren niet;

Het zegt, daar G’ op ons bidden let,

Gelovig amen op ’t gebed.