Ds. L. Huisman - Hebreeën 10 : 19 - 22

De ingang in Gods heiligdom

De vrijmoedigheid hiertoe
De grond waarop deze rust
De gestalte die deze ingang vereist
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

Hebreeën 10 : 19 - 22

Hebreeën 10
19
Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,
20
Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;
21
En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods;
22
Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 84: 3 en 4
Lezen : Hebreeën 10: 19 - 39
Zingen : Psalm 42: 3, 4 en 5
Zingen : Psalm 132: 9 en 10
Zingen : Psalm 85: 1

Geliefden, het Woord van God dat wij in dit uur van voorbereiding op het Heilig Avondmaal aan u willen bedienen, vindt u in Hebreeën 10 de verzen 19 tot en met 22:

 

Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

Op een versen en levenden weg, welken Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is, door Zijn vlees;

En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods,

Zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade consciëntie, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.

 

Deze tekst spreekt ons van:

 

De ingang in Gods heiligdom

 

1e        de vrijmoedigheid hiertoe

2e        de grond waarop deze rust

3e        de gestalte die deze ingang vereist

 

Geliefden, de tabernakel en later de tempel onder Israël was de zichtbare openbaring van scheiding en van gemeenschap. Door die tempel leerde God hoe ver Hij van de mens af was. Er hing voor het binnenste heiligdom een voorhang, een scheiding, een absolute scheiding tussen God en de mens. En wee de mens die het waagde dat gordijn op te lichten. Die mens werd gedood.

 

Maar die tempel sprak ook van gemeenschap. Want God had gezegd: ‘Eén keer per jaar mag een mensenkind, een zondig mensenkind, wanneer hij een schaal met bloed bij zich draagt en wanneer hij omgeven is door een wolk van rook Mijn aangezicht zien en leven.’ Dat was het teken van de gemeenschap.

Die gemeenschap was zonder dat bloed absoluut onmogelijk want wie zal bij de Heilige verkeren en leven? Als de heilige engelen hun gezicht neerbuigen voor de glans van Gods majesteit, hoe zal dan een mensenkind het binnenste heiligdom betreden waar God woont? God had gezegd: ‘Ik wijs u de weg en u zult voor Mijn aangezicht komen en leven.’ Zo werd de weg van de gemeenschap in dat heiligdom aan het schuldig volk gewezen.

 

Nu zijn dat dingen die een hogere beduiding hebben, zegt Paulus op een andere plaats. Wij weten vooral ook uit de brief aan de Hebreeën dat die dienst der schaduwen vóórbeeldig was. Dat wil zeggen, dat alles wat toen gebeurde een diepere, een veel wijdere strekking had. Daarvan onderwijst Paulus in het bijzonder de christenen van het Nieuwe Testament, de christenen uit de Joden die opgevoed waren bij de tempel, bij dat eerste en dat tweede heiligdom, bij die voorhang.

 

Maar Paulus onderwijst hen ook van de hogepriester die inging voor Gods aangezicht. En dan spreekt Paulus ook onder het Nieuwe Testament tot de Joden die zo lange tijd die dienst der schaduwen hadden meegemaakt, maar die nu geroepen waren om de vervulling daarvan door het geloof in Hem te aanvaarden.

 

Het geloof in Hem Die ontzaglijk veel meer is dan altaar en priester, dan offer en bloed, ja, Die het Lam Gods Zelf is Wiens bloed alleen en waarlijk reinigt van alle zonden. Door Hem is de toegang tot God geopend.  Paulus wijst deze wankele christenen naar dat veel betere Verbond, naar die veel heerlijker tabernakel, naar die altijd verse en levende weg, naar het binnenste heiligdom.

 

Hij zegt: ‘Zondaren, wilt u gemeenschap hebben met God? Wilt u vrede hebben, innerlijke, hartelijke, blijvende vrede? Kom dan door het gescheurde voorhangsel tot God.’

Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft, zegt de apostel aan het eind van dit hoofdstuk (Rom.10: 35).  Wat we wegwerpen, daar stellen we geen prijs meer op. Dat heeft geen betekenis meer voor ons. ‘Doe gij zo toch niet’ zegt Paulus. ‘Werp toch uw vrijmoedigheid niet weg. Want juist die heeft een grote vergelding des loons.’ Juist door die vrijmoedigheid - bedoelt hij -  krijgen we genade voor genade en worden we gesterkt om achter Hem aan het pad des levens te gaan.

 

Paulus heeft in het vorige hoofdstuk daar nadrukkelijk van gesproken, toen hij daar schreef over die eerste tabernakel waarin de priesters te allen tijde ingingen om de godsdiensten te volbrengen. In die eerste tabernakel mocht niet het gewone volk maar mochten alleen de priesters des Heeren binnengaan. Met de eerste tabernakel bedoelt hij dan ‘het heilige’.

 

Paulus vervolgt dan met: ‘Maar in de tweede tabernakel (het heiligdom, het ‘heilige der heiligen’) daarin ging alleen de hogepriester, eenmaal per jaar, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelf en voor de misdaden van het volk.’ (Rom. 9: 7).

 

En dan gaat hij in onze tekst spreken van die vrijmoedigheid die we hebben om in te gaan in dat heiligdom door het bloed van Jezus. Dus onder het Oude Testament mocht het volk niet in het heiligdom ingaan. In het eerste heiligdom alleen de priesters en in het tweede heiligdom alleen de hogepriester, en dat laatste slechts eenmaal in het jaar.

Maar nu zegt hij: ‘Christenen, Hebreeën, nu heeft God aan u allen dat voorrecht geschonken, aan u allen die gelooft, namelijk in de Heere Jezus Christus als Borg en Zaligmaker. Nu heeft Hij aan u allen de vrijmoedigheid gegeven om, net als de hogepriester, in het binnenste heiligdom te mogen binnen gaan.’

 

Wat belette de hogepriester om alle dagen binnen te gaan? Het Woord van God! De heiligheid en de gerechtigheid van God. De toegang tot God was toegesloten. God was nog niet verzoend. De schuld van het volks had een voorhang gemaakt, een dikke, onverbrekelijke voorhang tussen God en het volk. Maar ook de gelovigen van het Oude Testament hebben al door de beloften heen de vervulling mogen zien en hebben zich daarop neergelegd, vol vertrouwen, dat Hij komen zou om de schuld Zijns volks uit Zijn boek te doen.

 

En nu zegt Paulus tegen de Hebreeën: “God heeft u nu allen dat voorrecht gegeven.” En vervolgt dan: ‘Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan. Anderen hebben dit woord vrijmoedigheid vertaald met vergunning. Dewijl wij dan, broeders, vergunning hebben om in te gaan. Begrijpt u? Dan wordt dat woord vrijmoedigheid meer verlegd vanuit ons hart naar de kant van God.

 

Dan gaat het er niet in de eerste plaats om: Durf ik of durf ik niet? Voel ik me vrijmoedig of voel ik me niet vrijmoedig? Maar dan gaat het er in de eerste plaats om: Mag het of mag het niet? Kan het of kan het niet? Heb ik vergunning of kom ik op verboden terrein, als ik in Gods heiligdom inga, als ik Avondmaal vier, als ik voor Gods aangezicht nader?

En nu zegt Paulus: “Broeders” -  hij spreekt ze hier andermaal aan met dat woord dat de gemeenschap aan Christus aanduidt en waar de zusters der gemeente in begrepen zijn - “dewijl wij dan: gelijk het zo is, broeders, dat we vergunning hebben.” Wij komen daar niet steelsgewijs. We komen daar niet als een nachtdiscipel, die door niemand gezien mag worden. Als we die weg betreden, dan komen we daar, omdat we vergunning hebben. En die vergunning openbaart zich in de vrijmoedigheid, die de Heilige Geest ons geeft.

 

O, we zullen het straks zien: Die vrijmoedigheid steunt niet op onze prestaties. Dan zouden we nooit meer aan het Avondmaal komen en nooit meer de toegang tot God durven zoeken. Die vrijmoedigheid steunt op het Offer van Christus. Maar daarom is het een wezenlijke vrijmoedigheid, een wezenlijke vergunning. Ik weet het, het schrift is soms moeilijk te lezen, onze ogen kunnen soms zo wazig zijn, dat we de vergunning niet meer kunnen ontcijferen en dat we Gods handtekening niet meer kunnen lezen. Maar doet dat de vergunning toch niet teniet?

 

Ik las één dezer dagen van de grote Rutherford, dat hij zegt: ‘Er zijn vele gelovigen in de kerk van Christus, die doen als jonge matrozen. Als ze de eerste keer hun voet op het dek van het schip zetten en ze kijken naar de wal wanneer het schip enigszins uit de kust gaat, dan denken ze dat de wal beweegt. Maar ze beseffen niet dat het schip dobbert.

En zo is het ook met ons,’ zegt Rutherford, ‘in vele omstandigheden. Dan zijn we als die jonge matrozen. Dan denken we dat God beweegt. Dat Zijn beloftenissen ‘ja’ en ‘nee’ zijn. Dat Hij vandaag de deur openzet en morgen de deur weer toesluit. Dat Hij ons vandaag liefheeft en morgen verstoot. Nee,’ zegt hij, ‘die kust, die is eeuwig vast, maar wij, die jonge matrozen, wij, de zwakgelovigen, wij bewegen. Wij schudden. Er zit een floers voor onze ogen omdat we Gods getuigenis niet bewaard hebben. Omdat we onze vrijmoedigheid hebben weggeworpen. Zo van: Zou het wel waar zijn? Heb ik me niet bedrogen? Hoe kan ik het weten? Het is allemaal zo donker in mijn leven.’

 

Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben omdat God een vergunning gegeven heeft, door Hemzelf ondertekend, om in te gaan in het heiligdom. Want dat is toch noodzakelijk, hoor. Want ik spits het vanmorgen toe op het gaan aan de bediening van het Heilig Avondmaal, maar u begrijpt wel, dat de apostel daar niet in de eerste plaats en alleen over spreekt. Wanneer hij het heeft over het gaan in het heiligdom, dan sluit dat in, de gemeenschap met God, die dan wel in het bijzonder beoefend wordt aan het Avondmaal maar die toch ook dagelijks in beoefening is in het leven van Gods kerk. Dus u moet dit betrekken op uw ganse leven. Want het binnengaan in Gods heiligdom is een zaak van levensbelang. Niet in Gods heiligdom ingaan, betekent buitenstaan. Maar hier buitenstaan dat betekent ook daar buitenstaan. In de dag van het gericht, in het uur van ons sterven. Denk daar goed aan. Maak geen scheiding van hetgeen God samengevoegd heeft.

 

En dan moet u niet aankomen met een voorbeeld van een kind van God, dat zijn leven lang niet aan het Avondmaal geweest is en toch zingende de hemel is binnengegaan. Dat is een bewijs van Gods onbegrijpelijke barmhartigheid, maar dat mag nimmer de regel van uw geloof zijn. Want dan zegt de Heere: ‘Die ver van Mij de weelde zoekt - die andere wegen zoekt, als Ik voorgeschreven heb - die vergaat eerlang en wordt vervloekt.’

O, veracht toch de heilige Sacramenten niet. Zoek liever in het heiligdom in te gaan. Zoek liever de noodzakelijkheid te zien van voor Gods aangezicht te verschijnen. Want dat heeft u nodig.

 

En dat is ook het verlangen van al degenen in wier ziel de Heilige Geest werkt. Want wat is groter vreugde, waar verlangen we meer naar dan voor Gods aangezicht te verschijnen? De dichter zong: Ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen dan lang te wonen in de tenten der goddelozen (Ps. 84:11). En: Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God (Ps. 42:1). En in Psalm 27:3 (ber.)  ‘Och mocht ik in die heilige gebouwen, de vrije gunst die eeuwig Hem bewoog, Zijn liefelijkheid en schone dienst aanschouwen! Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog.’

 Ja, dat is het. Daar gaat het om. Daar gaat het alle oprechten om. Dat ik Hem vond. Dat ik in Zijn heiligdom mocht ingaan.

 

Welnu, Paulus zegt: ‘Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom’ en hij wijst op de grond daarvan: door het bloed van Jezus. Die vrijmoedigheid komt dus niet voort uit hetgeen wij God kunnen aanbieden na de maanden die verlopen zijn sinds de bediening van het vorige Avondmaal. Die vrijmoedigheid ontspruit niet uit hetgeen we in het verleden van God hebben mogen ervaren, al is dat heerlijk en al mogen we daaraan terugdenken. Maar het zou kunnen zijn dat er door tussenkomende zonden zo’n waas lag over hetgeen God u in vroeger dagen gaf dat u daar op dit moment geen enkele kracht uit putten kan. Maar daarmee is de toegang niet afgesloten. Daarmee zijn onze geloofsoefeningen wel verduisterd en verminderd maar daarmee is de vergunning niet ongeldig geworden!

 

Het is een groot verschil of die vergunning van ons afgenomen is of dat we hem niet meer kunnen lezen. We kunnen een duidelijk getekende vergunning in onze zak hebben maar doordat het een en ander aan onze ogen mankeert, kan het zijn dat we hem niet kunnen lezen. Dat is mogelijk. Dat is in het geestelijk leven ook zo. Maar hier wordt de grond aangewezen. En die grond ligt niet in het min of meer helder die vergunning te kunnen zien. Daar ligt wel de troost in. Naarmate onze ogen helder zijn en we duidelijker die vergunning om in te gaan in het heiligdom, kunnen lezen, hebben we ook meer vrijmoedigheid; maar daar ligt niet de grond.

 

‘Die grond’ zegt Paulus, ‘ligt in het bloed van Christus’.  Wij hebben door onze tranen de hemel niet geopend en wij hebben door onze schuldbelijdenissen Gods liefde niet opgewekt. Onze tranen en onze schuldbelijdenissen waren de vrucht van het openen van de hemel. Ze waren het gevolg van de uitstorting van Gods barmhartigheid in Christus Jezus. Dat moet u goed onderscheiden. Anders beginnen we altijd van de verkeerde kant. Dan beginnen we: ‘Ja, had ik nou nog eens en was ik nou eens en kon ik nou maar eens…’ Nee, hier moeten we beginnen: ‘Heere, is er een toegang? En is er een geopende toegang? En is die geopende toegang ook voor mij, Heere? Ach, zeg het nog eens. Zeg het nog eens opnieuw. Neem de nevelen eens weg en klaar de duisternis eens op dat ik mijn pas weer lezen kan en dat ik de vergunning weer zien kan en dat ik Gods handtekening weer ontcijferen kan.’ Daar gaat het om. Door het bloed van Jezus.

 

En dan schrijft de apostel Paulus in vers 20: Op een verse en levende weg, welken Hij ons ingewijd heeft door Zijn gescheurde vlees, door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees.

Hier gaat het dus over de grond van die vrijmoedigheid. En dan zegt Paulus in de tekst dat het bloed van Christus de weg is tot het heiligdom. En dan zegt hij van die weg dat het is een verse weg, dat het is een levende weg en dat die weg is ingewijd.

 

Nu, u weet wat inwijden is. Naarmate iets belangrijk is, wordt het met meer pracht en praal en luister ingewijd. Als er ergens een onbelangrijk stukje weg opengesteld wordt voor het verkeer dan komt er geen burgemeester aan te pas. En er komt zeker geen koningin aan te pas maar op een gegeven dag zie je dat er een stukje weg bijgekomen is. Maar als er een belangrijke tunnel aangelegd is, dan komen er allerlei autoriteiten en dan komt zelfs onze koningin om die weg in te wijden. Omdat de opening van die tunnel een belangrijke gebeurtenis is voor de bewoners die aan weerskanten van die tunnel wonen.

 

Naarmate dus een weg belangrijk is, gaat die inwijding gepaard met allerlei ceremonieel. Nu is er geen belangrijker weg dan de opening naar het heiligdom in het bloed van de Heere Jezus. En daarom is de plechtigheid die gepaard gaat met de inwijding van deze weg nog niet afgelopen. Nog altijd door wordt deze weg gepredikt. Nog altijd door komt God Zelf om deze weg te wijzen. Nog altijd zendt Hij Zijn herauten die zeggen: ‘Dit is de weg, de weg naar het eeuwig, zalig leven.’ En dat is met plechtigheden gepaard gegaan.

 

Toen het voorhangsel scheurde - dat is, toen Zijn vlees aan het kruis vaneengereten werd - toen donderde de hemel en beefde de aarde. En toen op de Pinksterdag de heerlijkheid Gods geopenbaard werd - dankzij dat gescheurde voorhangsel! - toen kwam de Geest Gods in het geluid van een geweldige gedreven wind. En in het beeld van tongen die verdeeld waren, vurige tongen. Plechtig. Majestueus.

 

Onder het Oude Testament hebben de heiligen gebeefd wanneer de weg naar God gewezen werd. Wat heeft Abraham zich verootmoedigd toen hij uitriep: Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel ik stof en as ben (Gen. 18:27). Hoe heeft Elia zijn aangezicht omwonden met zijn mantel toen hij de Heere hoorde komen in het suizen van een zachte stilte. Hoe heeft Mozes’ aangezicht de glans van Gods nabijheid afgestraald onder het trouweloos volk. Wat een heerlijkheid en wat een luister toen die weg nog maar even werd aangewezen! Maar nu, onder het Nieuwe Testament, is die weg ingewijd, opengesteld door God. En wie kan dan de toegang sluiten?

 

En dan staat er verder dat het is een verse weg. Er staat in de grondtekst een woord dat betekent: vers geslacht. Nu past dat natuurlijk niet bij een weg. Van een weg zeg je: ‘Die weg is pas aangelegd’. Maar u begrijpt wel: In dat beeld van het bloed van Jezus past dat ‘vers geslacht’ wel. Van die weg, geopend in het kruis van Christus, in Zijn bloedstorting, daar kon Paulus van zeggen: ‘Het is een vers geslachte weg.’ Het Lam is nog maar pas geslacht. Het bloed is vers. Begrijpt u? Dat ziet dus op het Offer van de Heere Jezus. Daarom: het is een verse weg.

 

U weet: Onder het Oude Testament moest elke ochtend en elke namiddag een lam geslacht worden. Want dat bloed dat ‘s morgens gesprengd was, dat was ‘s avonds weer oud. En wat ‘s avonds gesprengd was, dat was ‘s morgens weer oud. Er kwam nooit een eind aan. God was nooit verzoend. Altijd bleef hun schuld open. Het is waar: De gelovigen hebben, steunende op de beloftenissen geloofd dat Hij komen zou om hun schuld weg te nemen. En in dat geloof hebben ze hun hoofd te rusten gelegd aan het Vaderhart Gods en zijn in vrede ontslapen. Maar ze misten toch datgene wat de kerk van het Nieuwe Testament wel heeft. Ze misten dat blijmoedige toegaan, dat ‘Vader’ zeggen. Ze waren ‘onder de geest der dienstbaarheid wederom tot vreze.’

 

Als er bloed gesprengd werd dan haalden ze even adem. Maar ze waren nauwelijks uit de tempel of daar drukte de nieuwe schuld hun ziel. Er moest weer een nieuw offer gebracht worden. Altijd maar weer een nieuw offer. Aan de avond van de Grote Verzoendag moest weer opnieuw verzoening gedaan worden. En zo bleef het volk altijd maar schuldig staan voor Gods aangezicht

 

Maar nu is Het Offer tussenbeide gekomen. Van Hem die met één Offerande in eeuwigheid heeft volmaakt – heeft voldaan voor - al degenen die door Hem tot God gaan. Brandoffer noch slachtoffer voldeden aan Uw eis noch eer. Toen zeide Ik:  ‘Zie, Ik kom, o Heere, de rol des boeks is met Mijn naam vervuld.’ Toen Gods wet in Zijn hart geschreven werd, toen werd Zijn vlees vaneengescheurd.

 

Maar nu begrijpt u iets niet. U zegt: ‘Ja, dat er een voorhang was tussen God en het volk dat begrijp ik. Maar hoe kan nu Jezus zeggen dat Zijn vlees die voorhang was? Want die voorhang is juist de zonde. Die voorhang beeldde de scheiding af die door de zonde tussen God en ons gekomen is. Maar nu mag ik toch niet zeggen dat Jezus’ vlees de zonde afbeeldt?’

 

Ja, geliefden, dat mag u toch wel. Niet, dat Hij ooit zonde gekend of gedaan heeft, dat weten we wel. Maar Hij is tot zonde gemaakt. Jezus Christus heeft Zichzelf tussen de pijlen van Gods gerechtigheid en ons schuldig hart gesteld met Zijn eigen vlees. En toen heeft Hij, dragende Gods heilige wet, gezegd: ‘Vader, schiet maar, laat de pijlen Mij maar treffen.’ Pijlen die ons als schuldige stervelingen hadden moeten treffen, omdat Gods wet overtreden was. En toen is het vlees van Christus vaneengescheurd. Toen heeft Zijn bloed gevloeid. Dat wil zeggen: Daarin heeft Hij Zichzelf opgeofferd. Daarin heeft Hij Zijn eeuwige liefde voor goddelozen ten toon gespreid. Daarin heeft Hij ons toegeroepen: ‘Grimmigheid is bij Mij niet.’ Daarin is Hij een Borg en Zaligmaker geworden. Opdat een schuldig volk door Zijn geopend vlees, door dat gescheurde voorhangsel, door die eeuwige liefde die Hij in Zijn bloedstorting getoond heeft een vrije toegang hebben zou tot de gemeenschap met God. Tot die heilige en rechtvaardige God voor Wie we niet bestaan kunnen en tegen Wie we gezondigd hebben. Tot Wie we niet durven naderen als we in onszelf zien: Geen enkele hoop, geen enkele opening, alles donker, alles somber, alles koud, alles oud. Altijd weer oud. Onze liefde oud, onze tranen oud, onze bekering oud; hetgeen wij voor God gedaan hebben, wordt altijd oud.

 

Maar in onze tekst staat: Er is een verse weg. Want dat bloed is nog van evenveel kracht als in de ure toen het gestort werd. Het is pas vergoten bloed. Want Jezus brengt het altijd voor het aangezicht van God. Christus Jezus zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Het bloed blijft vers.  

 

En dan staat er van die weg dat het een levende weg is. Het bloed van Christus is een levende weg. Tegenover een dode weg.  Wat een dode weg is dat weten we wel, een doodlopende weg. Dat kan wel een mooie weg zijn. Maar als je enige tijd op die weg gelopen hebt, dan kun je niet verder. Dan houdt die weg op. Dat is een doodlopende weg.

‘Welnu,’ zegt Jezus Christus: ‘Ik ben de Levende Weg.’ In tegenstelling tot een doodlopende weg is dit een weg met perspectief. Een weg waar je nooit op doodloopt. Een weg waar je op gaat en loopt van kracht tot kracht totdat je voor God in Sion verschijnt. Dat is de weg van Jezus’ bloed.

 

Als Jezus zegt door de mond van Paulus: ‘Ik ben de Levende Weg,’ dan wil Hij zeggen: Die weg, daar gáán we niet alleen over maar die weg doet wat in ons, ja, door die weg krijgen we ook kracht om over die weg te gaan. Dat kunnen we van geen enkele andere weg zeggen. De weg waarover we gaan, is ook tevens de kracht waardoor we over de weg gaan. Met andere woorden: Dat bloed van Christus is niet alleen de deur tot God maar het is ook de hand die ons vastgrijpt. De hand die de moeden kracht geeft en de sterkte vermenigvuldigt van degene die geen kracht meer heeft. Dat bloed dat beurt ons ook op. Die kracht van Jezus’ liefde verwakkert onze liefde, onze hoop en onze sterkte.

 

Op welke weg gaat u? Nee, ik vraag niet of u veel plezier hebt in uw leven. Dat kun je ook op die doodlopende weg wel hebben. Maar ik vraag of u op de weg van uw leven God ontmoet hebt en de vrede vond die opweegt tegen de pijn van de dood en de angst van het graf en de straf op de zonde. Zo niet, dan bent u nog op die doodlopende weg! O, roep dan nog tot God: ‘Heere, help me, laat me op die andere weg gaan, maak mijn hart nieuw, Heere, opdat ik op die levende en op die verse weg mag gaan.’ Dat is een weg die uitkomt in de hemel bij God, in de eeuwige vreugde. Het is waar, het is soms wel een moeilijke weg, een weg over bergen en door dalen, soms een weg waarop je vrienden met je spotten, soms een weg waarop de vijandschap van de wereld duidelijk op je afkomt, soms een weg waarop je veel schade lijdt wat je vlees en je bloed betreft, wat je zaak en je eer en je goede naam betreft. Dat kan allemaal. Er zijn mensen, die moeten alles verliezen om Christus’ wil. Maar Christus heeft gezegd: ‘Geen nood, als je maar op die goede weg bent, op die verse en op die levende weg. Dan zal Ik je nooit begeven en dan zal Ik je nooit verlaten.’

 

Er staat dat Christus die verse en levende weg ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees. Zoals ik net al gezegd heb: Toen Zijn vlees vaneen gescheurd werd, toen die voorhang tussen God en ons scheurde in Zijn vlees, toen heeft God Zelf die weg ingewijd en opengesteld. U weet wel, toen Christus uitriep aan het kruis: ‘Het is volbracht’ toen scheurde God tussen het eerste en het tweede heiligdom de voorhang. Met andere woorden: Nu is de toegang - waar onder het Oude Testament alleen de hogepriester maar één keer per jaar binnen mocht - voorgoed geopend. Voor wie is die toegang geopend? Niet alleen voor de hogepriester, niet alleen voor de priester maar voor al het volk! Voor al dat volk namelijk dat een begeerte had om in het heiligdom in te gaan. Dat volk dat zonder de God des levens niet leven kon. Dat volk kwam met zijn offers omdat het besefte schuldig te zijn voor God.

 

Dus voor al die mensen die zoeken zalig te worden uit genade is die toegang. Voor al die mensen die vroeg of laat tot de ontdekking komen: ‘Ik loop op een doodlopende weg. Mijn levensweg is geen verse en geen levende weg. O God, wat moet ik doen om zalig te worden?’ Tot die mensen zegt Petrus: Bekeert u, bekeert u, kom van die doodlopende weg af, draai je om. Dit is de Weg! Dit is de levende Weg.’ O, wat God hierin van ons vraagt dat is ook tevens de schenking van Zijn Goddelijke genade die Hij door de prediking van Zijn Woord schenken wil, opdat doden Zijn stem zouden horen.

 

Kom, smeek dan tot God of vanmorgen ook uw voeten op die verse en levende weg gesteld zullen worden. Daartoe heeft Christus u ook heden deze weg voorgesteld als Hij zegt: ‘Die toegang is ingewijd. Dat wordt nu aan u bekend gemaakt.’

 

En God heeft het op de Pinksterdag laten verkondigen, dat een iegelijk die de Naam des Heeren zal aanroepen, die van deze weg gebruik zal maken die zal behouden worden. Het is een ingewijde weg. Jezus zegt tegen één van de zeven gemeenten van Klein-Azië: Ik heb u een geopende deur gegeven en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht en gij hebt Mijn Woord bewaard en hebt Mijn Naam niet verloochend (Opb. 3:8).

 

Kom, al lijkt het dan, dat aan onze zijde de toegang tot God potdicht zit: God verkondigt u dat Hij die weg heeft ingewijd in Zijn vlees en Hij kan niet andermaal geboren worden om te sterven.  Want dat Hij eenmaal gestorven is, dat is Hij der zonde eenmaal gestorven; en dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode (Rom. 6:10).

 

Lees maar: En dewijl wij hebben een grote Priester over het huis Gods. Want het was onder het Oude Testament zo, dat die priester die inging voor Gods aangezicht om het bloed te sprengen er ook weer uit kwam en naar buiten kwam, om dat volk dat daar met zijn schuld voor Gods aangezicht lag, te zegenen met de Aäronitische zegen.

 

‘En nu’ zegt Paulus, ‘diezelfde Jezus, Die als een gescheurde voorhang op Golgotha aan het kruis geleden heeft en gestorven is, Die zit nu als de grote Hogepriester aan de rechterhand van de Vader.’ En wat toen die hogepriester deed over de mensen die daar lagen, dat doet nu de grote Hogepriester over alle mensen die in hun schuld en in hun ellende hun toevlucht zoeken bij de Heere en die zeggen: ‘O God, kan ik nog zalig worden? Ach, genees me toch, red me toch, was me toch van mijn ongerechtigheid.’

 

Wij hebben een grote Priester, veel meer dan Aäron. Een grote Hogepriester aan de rechterhand van de Vader. Johannes zegt: Kinderkens, indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden.  (1 Joh.2:1) Deze Voorspraak, onze Heere Jezus Christus, zit daar dag en nacht!

 

We willen de rest van de tekst voor u verklaren nadat we eerst gezongen hebben uit Psalm 132 het 9e en het 10e vers.

 

Want Sion is van God begeerd,

't Wordt met Zijn woning hoog vereerd.

"Hier", sprak Hij, die het al beheert,

"Hier zal Ik wonen naar Mijn lust;
Hier is in eeuwigheid Mijn rust."

 

 

"'k Zal Sions, 'k zal der armen spijs,

Hier zeeg'nen op de ruimste wijs;

Hier zal Ik, Mijnen naam ten prijs,

De priesters met Mijn heil bekleên,

En 't volk doen juichen weltevreên."

 

En dewijl wij hebben een grote Priester over het huis Gods, zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade consciëntie en het lichaam gewassen zijnde met rein water. Omdat we zo’n grote Priester hebben over het huis van God, laat ons daarom toegaan met een waarachtig hart.

 

Houd deze verbinding vast, want als u het van elkaar trekt en zegt: ‘Ja, dan moeten we eerst een waarachtig hart hebben en dan moeten we eerst een volle verzekerdheid des geloofs hebben en dan moeten we eerst ons geweten gereinigd hebben en dan moeten we eerst ons lichaam gewassen hebben met rein water en dan pas mogen we toegaan.’

 

Nee, u moet het laten staan zoals het er staat. Er staat: En dewijl wij hebben een groten Priester over het huis van God, zo laat ons toegaan. Laat ons daarom toegaan, omdat die Priester zo groot is. Omdat Hij als een Voorbidder, omdat Hij als een Bedienaar van het heiligdom, met wetenschap, met liefde, met tedere zorg, met een Vaderlijk oog zorgt voor degenen die voor zichzelf niet kunnen zorgen. Laat ons vanwege die grote en die barmhartige Priester toegaan. Geliefden, laat ons daarom toegaan!

 

Kijk, als we volgende week aan de Dis des Heeren plaatsnemen, laat het dan zo zijn dat we zeggen: ‘O grote en barmhartige God, ik zal Uw liefde niet langer tegenstaan en ik zal Uw barmhartigheid en Uw mededogen niet langer versmaden. Ik zal U niet langer buiten laten staan. Ik ben het wel onwaardig om U te ontvangen, maar Gij zijt een grote Priester en Uw barmhartigheden zijn groot.’

 

Er staat aan het eind van dit hoofdstuk hoe erg het is als we dat bloed van Christus onrein achten en de Geest des Heeren smaadheid aandoen. Want denk erom: Niet dat heiligdom binnengaan dat is Zijn roepstem verwerpen. Dat is de Geest des Heeren smaadheid aandoen. Hoe zou u het vinden, als u met een liefdevol hart naar het huis ging van iemand, van wie u wist: Die man moet naar de gevangenis vanwege zijn schuld. En u bood hem onbaatzuchtig aan al zijn schulden te betalen. Hoe zou u het vinden als hij u van de deur snauwde. Als hij u wegstootte en uw aanbod verachtte. Zou dat niet de dwaasheid gekroond zijn en de goddeloosheid ten top gevoerd?

 

Welnu, zo staat hier ook aan het eind van dit hoofdstuk: Niet toegaan, dat is het bloed van Christus verachten waardoor gij geheiligd zijt, afgezonderd van de wereld, gedoopt. Daar komt ook het laatste deel van dit vers op neer: Uw lichaam gewassen met rein water, dat ziet op de Doop. Bent u door de Rode Zee gegaan, draagt u het merk- en veldteken van Jezus Christus en moet u dan buiten blijven staan? Laat u dan uw schulden niet betalen? O, dan moet u toch een dwaas zijn! Maar hoe erg zal het zijn en welke smaadheid denkt u, zal God u aandoen wanneer gij in deze bedéling Zijn Zoon versmaad hebt? Dan zal Hij straks zeggen: ‘Dezen, die niet gewild hebben dat Ik hun schulden betaalde; die niet gewild hebben dat Ik Borg voor hen was; die niet gewild hebben dat Ik Koning over hen was: sla ze voor Mijn voeten dood. Bindt ze en werpt ze in de buitenste duisternis. Daar zal wening zijn en knersing der tanden.’

 

U mag er weleens ernstig aan denken, u, die nog nooit aan de bediening van het Heilig Avondmaal geweest zijt, wat uw lot zal zijn indien u zo sterft. Dan zult u als een schender van Gods liefde en als een verachter van Zijn dierbare genade, worden weggeslingerd in de eeuwige duisternis. O, laat het op uw zielen wegen, laat ook deze zonde van verbondsverachting, van avondmaalsversmading u eens gaan wegen.

 

Want er zijn duizenden mensen onder ons die het verschrikkelijk zouden vinden, als een ander tegen hen zei: ‘Je bent een dief, je hebt in de gevangenis gezeten, je bent een moordenaar, of je bent een hoereerder.’ Maar ze laten zich erop voorstaan dat ze nog nooit aan het Avondmaal zijn geweest. ‘Nee,’ zeggen ze, ‘daar zal ik mij niet aan bezondigen.’ Geliefden, u hoort bij degenen die buiten zullen staan. Dat zeg ìk niet, maar dat zegt de eeuwige God Die niet liegen kan. Bindt het eens op uw hart, ga er eens mee naar huis.

 

O nee, ik zeg niet dat u onbekeerd moet toegaan tot de Dis des Verbonds. Dat vraagt God niet van u. Er is maar één weg om uit de nood te komen en dat is: Bekeer u toch tot God. Bekeer u ook van de gedachte dat u gelukkig nog niet genomen hebt, wat u niet toebehoort. Bekeer u ook van die gedachte, want daar gaat u mee verloren. Daar sterft u aan. Hier reeds, als u zich steeds weer opnieuw een oordeel blijft zitten en steeds harder wordt. Net zo goed als degenen die zomaar aan het Avondmaal gaan en die zich daarin ook een oordeel eten, zodat ze steeds harder worden en zodat het steeds onmogelijker wordt om eerlijk voor God te zeggen wie ze zijn: onbekeerde en ongeredde zondaren. O, laat het zwaard van Gods Woord aan twee kanten snijden.

 

Maar onze tekst is toch wel in het bijzonder tot vertroosting van degenen die er zoveel moeite mee hebben. Die zeggen: ‘O, God, nu wordt het Avondmaal weer bediend, hoe moet dat toch?’ Luister wat de Heere zegt: Zo laat ons dan toegaan met een waarachtig hart, want wij hebben een grote Priester.  Met een waarachtig hart. En om een waarachtig hart te hebben, behoef je niet eens veel oefeningen in het geloof te hebben. Je maakt soms kinderen Gods mee met weinig geloofsoefeningen maar met een trouw en een liefdevol en een waarachtig hart. Dat is de praktijk. Mensen die niet veel hoogtes en niet veel dieptes hebben meegemaakt maar bij wie in de praktijk van hun leven een oprechtheid blijkt in de bekentenis van hun onwaardigheid voor God, maar ook een vertrouwen, een stil vertrouwen dat de Heere het maken zal.

 

Een waarachtig hart. Dat wil niet zeggen: een hart zonder zonde. Maar een waarachtig hart dat wil zeggen: Een hart dat niet veinst, dat voor God en voor de mensen zegt: ‘Heere, U kent me toch, U weet dat er van mij niets te verwachten is. Maar mijn oog is toch op U geslagen en mijn verwachting is toch van U, Heere. O, zoals die vrouw die de zoom van Uw kleed aanraakte, zo kom ik tot U. Om me te laten reinigen door Uw bloed.’

 

Want daar gaat het om. Om dat bloed waar ik eerder op wees, zoals bij de kinderen Israëls. Het baatte de kinderen Israëls niet als ze hun eigen bloed aan de bovendorpel en aan de zijposten streken. Dat is zondig bloed. Maar er moest bloed van dat lam aan. Denk daar eens aan. We zijn vaak in die week van voorbereiding nog weleens bezig om ons eigen bloed aan de posten te doen. Maar dat helpt niet. O nee, dat helpt niet. Alleen het bloed van Christus, het ware Lam, redt van het verderf!

 

En daarom: Kom met een waarachtig hart, bekennende uw overtredingen en hopende op God, in volle verzekerdheid des geloofs!

 

Ach, zegt u, hier heb je de sluitboom waar ik voor blijf staan. Maar geliefden, let op: Die volle verzekerdheid des geloofs die heeft niet zo zeer betrekking op het persoonlijk deelgenootschap aan Christus als wel op de genade Gods. Dus als er in ons formulier staat dat degenen die ten Avondmaal gaan, onder andere zichzelf moeten beproeven of ze de gewisse beloften Gods geloven dan staat er niet hetzelfde als wanneer er stond, of ik gewis de beloften Gods geloof. Dat zou kunnen wijzen op een verzekerd geloof. Maar er staat: òf ik die gewisse beloften Gods geloof. Die beloften Gods die zijn gewis, ook al heb ik soms maar een wankel geloof.

 

Ik heb in de preek dat voorbeeld van die getekende pas gebruikt, die getekende vergunning. Het kan zijn dat ik dat document maar moeilijk lezen kan. Maar dan komt er een straaltje licht en dan zeg ik: ‘O God, het is tòch waar, hier staat het, ik zie Uw handtekening. Het is waarachtig!’

 

Zo kan het ook door het geloof zijn. Dat ik die waarachtige handtekening van God, die kracht van Gods beloften zie met een wankel geloof. En dàt wordt hier bedoeld in de tekst. Daar staat: ‘In volle verzekerdheid des geloofs. Dat ziet dus hierop: Dat dat bloed waarachtig is en dat dat Woord van God waar is en dat de Heere met Zijn genade en met Zijn liefde onwankelbaar in ons midden is. En tegelijkertijd kan mijn geloof zwak zijn en aangevochten. Dat kan, geliefden!’

 

En voorts staat er in onze tekst: Onze harten gereinigd zijnde van het kwaad geweten. Ergens anders in deze brief aan de Hebreeën wordt gesproken van ‘een besprenging van ons geweten door het bloed van Christus.’

Dat wil zeggen, als we ons gebonden weten aan allerlei zonden, als we die zonden op onze ziel laten drukken, als we ons geweten laten verontrusten door niet beleden zonden aan de hand te houden, als we niet breken met de zonden, ja, dan blijven die zonden ons veroordelen en dan hebben we geen vrijmoedigheid.

 

Maar als we onze zonden belijden, ontlasten we zo ons geweten en reinigen zo ons hart voor Gods aangezicht. Nee, dan passen we niet zelf het bloed van Christus toe maar dan spreken we onze zonden uit voor Gods aangezicht en dan zien we smekend naar de hand van de Hogepriester of Hij hem indoopt in de schaal van Jezus’ bloed en ook ons met ons zwarte, schuldige geweten, besprengt, zodat de kracht van de verdorvenheid tot zwijgen gebracht wordt. Daardoor moeten de beschuldigers verstommen, zodat onze bevlekte ziel gereinigd wordt door de besprenging met het bloed van de Heere Jezus Christus. Laat ons zo biddend en smekend op Zijn komst wachten!

 

En het lichaam gewassen zijnde met rein water staat er. Dat ziet, zoals ik straks al zei, op de Heilige Doop. Dan wordt de kracht van de Heilige Doop ervaren en dan hebben we gemeenschap met Hem, met Wie we in de woestijn van dit leven mogen voortgaan. Dan beseffen we duidelijk: ‘Ik ben niet meer van de wereld, ik dien niet meer in het huis van Farao. Gij zijt de Heere mijn God. Gij hebt mij vrijgemaakt. Gij hebt mij verlost. Nu wil ik ook voor U zijn. Nu wil ik U dienen. Nu wil ik U volgen waar U ook heen gaat. Nu wil ik, hoewel gekweld door duizend doden en duizend zorgen, toch de Heere verwachten. Ja, mijn ziel wacht ongestoord en ik hoop in al mijn klachten op Zijn onfeilbaar Woord. Mijn ziel, vol angst en zorgen, wacht sterker op de Heer’, dan wachters op de morgen, de morgen, ach wanneer?’

 

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 85: 1

 

Gij hebt Uw land, o HEER, die gunst betoond,
Dat Jacobs zaad opnieuw in vrijheid woont;
De schuld Uws volks hebt G' uit Uw boek gedaan;
Ook ziet Gij geen van hunne zonden aan;
Gij vindt in gunst, en niet in wraak, Uw lust;
De hitte van Uw gramschap is geblust.
O heilrijk God, weer verder ons verdriet,
Keer af Uw wraak, en doe Uw toorn te niet.