Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 24

De goede werken in het leven van een christen

Je kunt er de zaligheid niet mee verdienen
Toch worden ze beloond uit genade
Je doet ze als vanzelfsprekend
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 19: 5
Lezen : Efeze 2: 1 - 10
Zingen : Psalm 18: Voorzang, 7 en 8
Zingen : Psalm 143: 8 en 10
Zingen : Psalm 72: 7

Gemeente, wij lezen uit onze Catechismus Zondag 24.

 

Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?

Antwoord: Daarom, dat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

Vraag 63: Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?

Antwoord: Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

Vraag 64: Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?

Antwoord: Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

 

Deze Zondag spreekt over

De goede werken in het leven van een christen

 

Drie gedachten vragen onze aandacht.

1. Je kunt er de zaligheid niet mee verdienen

2. Toch worden ze beloond uit genade

3. Je doet ze als vanzelfsprekend

 

Gemeente, in Zondag 23 is de rechtvaardiging van de goddeloze rijk en ruim beleden. Vergeving van zonde geschiedt alleen door een oprecht geloof in Jezus Christus, uit louter genade om de verdienste van Christus. Daar komen geen verdiensten van de mens bij te pas.

Om Christus’ wil wordt ons de vrijspraak in het Evangelie toegezegd en we krijgen er deel aan door het geloof. We hebben dat zojuist samen gelezen uit Efeze 2: Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat niemand roeme. Het is uit genade alleen. Er is niets van de mens bij, er kan niets van de mens bij en er hoeft ook niets van de mens bij.

 

In Zondag 24 gaat het eigenlijk over hetzelfde onderwerp. De Catechismus wil nog een keer het genade-karakter van de rechtvaardiging van de goddeloze onderstrepen. Zondag 24 ligt in het verlengde van Zondag 23. Je zou kunnen zeggen, dat het een tegenhanger of tegenligger van Zondag 23 is, want wat in Zondag 23 positief beleden is, namelijk de rechtvaardiging ‘door het geloof alleen’, wordt hier nog eens negatief uiteengezet, namelijk ‘niet door de goede werken’.

We zouden het onderwerp van Zondag 24 ook kunnen noemen: ‘De onverdienstelijkheid van de goede werken’, maar dan met de bedoeling om het genadekarakter van de rechtvaardiging door het geloof des te beter te laten uitkomen.

 

De Catechismus gaat in deze Zondag drie tegenwerpingen maken tegen de rechtvaardiging uit genade alleen. En als u goed meeluistert, dan zult u herkennen, dat die tegenwerpingen wellicht ook leven in uw eigen hart.

In vraag 62 wordt een beroep gedaan op de goede werken. Tellen die dan niet mee in de rechtvaardiging?

In vraag 63 wordt een beroep gedaan op de gedachte op loon. Dat is toch bijbels, dat is toch Schriftuurlijk? We hebben het toch samen gezongen: Wie Zijn wetten onderhoudt, vindt daarin grote loon.

In vraag 64 signaleert men het gevaar van de zorgeloosheid bij de leer van de onverdienstelijkheid van de goede werken.

 

Telkens weer blijkt uit de antwoorden, dat de goede werken geen grond zijn voor de zaligheid, maar een vrucht van het geloof. Ze tellen niet mee in de rechtvaardiging, ze verdienen de zaligheid niet en toch zijn ze noodzakelijk. Ze zijn beslist niet overbodig. De wereld moet kunnen zien, dat wij God liefhebben, maar ook de mensen om je heen in je eigen gemeente, in je eigen gezin.

We worden niet door onze goede werken zalig, want dat kan alleen uit genade door Christus. We worden evenmin zonder goede werken zalig. Het zit niet in de goede werken op zich, maar in het feit, dat goede werken onlosmakelijk verbonden zijn met een levend geloof. Ze horen bij het geloof, zoals het licht bij de zon. Een geloof zonder werken is dood. De goede werken zijn vruchten van het geloof.

We kunnen ook zeggen, dat Zondag 24 over de heiliging gaat en Zondag 23 over de rechtvaardiging. Dat noemt Calvijn de tweelingweldaad van God in het leven van Zijn kinderen. De rechtvaardiging en de heiliging zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden; ze zijn niet los van elkaar verkrijgbaar.

 

Het gaat in deze Zondag over de nieuwe gehoorzaamheid, vanuit het nieuwe leven dat God schenkt. Het dienen van de Heere, onze ijver en dankbaarheid voor de Heere, onze godzalige levenswandel en de onderhouding van Gods geboden zijn het directe gevolg van de rechtvaardiging. Al die dingen mogen we met vreugde doen. De dichter zong: ‘Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.’

Als je geloven mag, dat je zonden vergeven zijn en je iets gezien hebt van de dure prijs, die de Heere Jezus heeft betaald onder het recht van God aan het kruis op Golgotha, dan ga je des te meer strijden tegen de zonde. Als je ziet hoeveel Hij daarvoor heeft betaald, dan wil je heilig leven voor de Heere omdat Hij zo heilig en goed is. Je wilt welbehagelijk zijn voor de Heere en daarom wil je leven zoals Hij dat in Zijn wet van je vraagt.

De rechtvaardiging is buiten ons in Christus. We krijgen er deel aan door het geloof. De heiliging is in ons, in ons leven en dat wordt gewerkt door de Heilige Geest. Dat rechtvaardige geloof uit Zondag 23 blijft niet werkeloos, maar dat wordt werkzaam en vruchtbaar. Dat blijkt uit het doen van goede werken, niet om daar iets mee te verdienen, maar uitsluitend om die te doen uit dankbaarheid.

 

1. Je kunt er de zaligheid niet mee verdienen

 

Kijk nog eens even naar vraag en antwoord 62:

Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?

Het antwoordt luidt:

Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan, gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet, en dat ook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

 

Het is dus duidelijk, dat je er de zaligheid niet mee kunt verdienen. Dat hebben we gelezen in Efeze 2.

Vraag 62 begint met het woordje ‘maar’. Dat is een wonderlijk woord. Als God dat woord uitspreekt in de Bijbel, is dat meestal de inleiding tot een geweldig Evangelie.

U kunt er vele voorbeelden van vinden. Ik zal er één noemen: Jesaja 42 en 43. In het slot van Jesaja 42 wordt de mens getekend zoals hij is. Hij wordt beschreven in zijn dood-zijn voor God, in zijn onvruchtbaarheid, in zijn ongehoorzaamheid. Israël heeft het erbij laten liggen. God heeft ze overgegeven in de ballingschap in Babel en gestraft, maar ze voelen het niet. En dan begint hoofdstuk 43 met de woorden:

Maar nu, alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jakob, en uw Formeerder, o Israël: Vrees niet, want Ik heb u verlost; Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne. Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.

Zie je? Maar nu... De genade van God staat tegenover de ongehoorzaamheid van het volk.

 

Als wij het woordje ‘maar’ in de mond nemen, dan is het meestal net andersom. Dan is het meestal een ‘ja maar’ van het ongeloof. ‘Ja, de Heere zegt dat nu wel, maar...’ En dan komt het bezwaar.

Ook in vraag 62 komt het ongeloof in verzet tegen Gods heil: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God zijn? Waarom kunnen we niet door onze goede werken zalig worden? Waarom kunnen we de zaligheid niet zelf verdienen?’

Is zalig worden dan helemaal en enkel en alleen uit genade of is het nog voor een deel een menselijke prestatie? ‘Ik kan toch nog wel iets goeds doen.’ Die gedachte ligt ons mensen wel.

 

Duizenden mensen om ons heen met een humanistische levensbeschouwing, zeggen: ‘Ach, je moet gewoon braaf leven, netjes zijn. Je best doen, ieder het zijne geven en dan valt het heus wel mee.’ Wie nog een vaag besef heeft van het bestaan van God zegt: ‘Ach, God is toch liefde? Daarom neemt Hij de wil voor de daad.’

Over iemand die nooit naar de kerk ging en sterft, wordt gezegd: ‘Ach, hij was zo’n edel mens, zo’n onberispelijk mens. Nou, als die niet in de hemel komt, dan komt er niemand, hoor! Hij gaf ieder het zijne.’ En dan volgen al zijn goede eigenschappen.

 

Wij zullen zo niet redeneren, want wij weten beter. Wij weten veel te goed, dat wij door onze diepe val in de zonde geen gerechtigheid voor God meer kunnen aanbrengen. Nooit meer! Maar een stukje daarvan, een klein beetje misschien, dat zou toch wel kunnen. Vindt u niet?

In de tijd van de opstelling van de Catechismus dacht men daarbij vooral aan de Roomse Kerk. Jezus is wel onze Zaligmaker, maar er blijft toch nog volop plaats voor eigen goede werken; die mogen wel meetellen. Het is een soort van samenwerking met God. Een samengaan van goede werken en genade. Jezus vult onze tekorten aan. Wij doen ons best. We komen nog wel veel te kort, maar een stukje van die gerechtigheid kunnen we nog wel aanbrengen. En wat ons dan nog ontbreekt, dat komt voor rekening van de Heere Jezus. Dat was toen het standpunt en daar gaan onze vaderen in de Catechismus tegenin.

Later liep de twist met de Remonstranten ten diepste op hetzelfde probleem uit. Kunnen wij het heil dan misschien ten dele zelf verwerven, al was het maar door onze goede wil te tonen, om zo de gerechtigheid van Christus aan te nemen?

 

Gemeente, wij zijn niet Rooms en niet Remonstrants, maar toch leven zulk soort vragen ook in ons hart. Wees eens heel eerlijk. ‘Genade alleen’ stuit ons tegen de borst. Moet je dan helemaal niets meebrengen, geen vrome werken, geen gestalte, geen boetvaardigheid?

Er zijn mensen, die zeggen: ‘De rechtvaardiging door het geloof. Ja, maar dat gaat zomaar niet. Alleen maar toerekening en aanneming? Wel ja, neem maar aan! Maar dat gaat zo niet, want je zult eerst...’ En daar heb je het weer: een mens moet wat hebben en wat meegemaakt hebben en dat telt dan mee. Zomaar vergeving krijgen, zomaar God op Zijn Woord geloven? Nee, je zult eerst weleens behoorlijk diep moeten buigen, zo dat...

Ziet u, dat het ook in onze kringen voorkomt? Wie zo redeneert, legt nog iets in de mens. De mens moet toch nog zelf eerst iets aanbrengen. En ze vergeten, dat hartelijke schuldbelijdenis en smart over de zonde en echte boetvaardigheid vrucht is van het geloof, van de genade van God en dat het geen voorwaarde is om van God vergeving te ontvangen.

 

Gemeente, het werken zit ons in het bloed. Daar zijn u en ik mee geboren. Dat komt vanwege het verbroken werkverbond. De eis, die God aan Adam had gesteld in het werkverbond, was: Doe dat en gij zult leven. Dat was de weg ten leven voor de nog niet gevallen mens. Het was dus de gehoorzaamheid aan Gods wet. De Heere Jezus houdt dat woord ook voor aan de rijke jongeling. Als hij vraagt wat hij moet doen om zalig te worden, dan zegt de Heere Jezus: ‘Gij kent de geboden, doe die en gij zult leven.’

Dat geldt vandaag nog, want de wet is blijven staan. Adam heeft het verbond wel verbroken, maar God niet. Wij hebben de wet wel door het vlees krachteloos gemaakt, maar de wet is niet veranderd, wij zijn veranderd. Wij zijn gevallen, wij zijn vleselijk, verkocht onder de zonde. Het ligt niet aan de wet als zij ons niet brengt tot de zaligheid, maar aan ons.

 

De Catechismus zegt:

De gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, moet volkomen en in alle stukken aan de wet van God gelijkvormig zijn.

God is niet tevreden met half werk, zelfs niet al doen we nog zo ons best. Al is het maar een klein beetje geschonden, dan kan het Zijn goedkeuring niet wegdragen. Wij hebben immers niet met mensen te doen maar met God en Die kijkt dwars door je heen. Hij weet je diepste motieven waarom je iets doet of laat. Al kleed je het nog zo mooi in naar een ander toe, we hebben te doen met een alwetend God.

Bij veel mensen is godsdienst vooral een zaak van de buitenkant. Kijk ook maar eens hoe het bij u is. Toets u er maar aan. Als het alleen de buitenkant is, dan is het niet best, hoor!

Er is wel een buitenkant, maar die is het gevolg van de binnenkant. Bij veel mensen gaat het alleen maar over de buitenkant. Ze doen en laten van alles en nog wat, uitsluitend voor de mensen.

Maar, gemeente, dan moeten u en ik bedenken, dat wij niet bij mensen in het gericht komen, maar bij een alwetend en heilig God. Wij staan straks voor de rechterstoel van Christus en dat is heel wat anders dan de algemene opinie. Daarom kunnen wij met onze werken absoluut niet voor God bestaan.

De dichter zingt het:

Wil Uwen knecht, door schuld verslagen,
O Heer’, niet voor Uw vierschaar dagen;
Want niemand zal in dat gericht,
Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen,
Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.

 

In Romeinen 3 zegt de apostel: Er is niemand rechtvaardig. Dat betekent: in overeenstemming met het recht, met de wet van God.

Onze gerechtigheid moet volkomen zijn, in alle stukken gelijkvormig aan de wet, zo zegt de Catechismus.

God eist het volmaakte, omdat Hij Zelf volmaakt is. Hij eist het volkomene omdat Hij Zelf volkomen is. In alle stukken van Zijn wet, in elk opzicht moeten we daarmee in overeenstemming zijn.

 

Leg uw leven daar maar eens naast. Leven wij volmaakt en volkomen? Hebt u nog nooit een verkeerde daad gedaan, nog nooit een verkeerd woord gezegd? Hebt u altijd God liefgehad boven alles en uw naaste als uzelf? Kan de Heere van jou zeggen, dat je volmaakt en goed bent? Bent u in alle stukken gelijkvormig aan de wet van God? Nou, u weet wel, zelfs een farizeeër durfde dat niet te zeggen, laat staan u en ik. Er is maar één conclusie en daar probeert de Catechismus ons toe te brengen, namelijk deze: ‘Als het dan zo is, dan ben ik verloren, dan sta ik schuldig aan Gods geboden, want ik ben niet volkomen.’

 

Er komt nog iets bij, want de Catechismus vervolgt:

Ja, zelfs onze beste werken zijn onvolkomen en met zonde bevlekt.

Over onze slechtste werken wordt hier gezwegen. Die hebben we ook: onze zonden, onze ongerechtigheden, gebrek aan liefde, onze schuld, ons egoïsme, jaloezie, achterdocht, roddel, verdachtmaking. Over al die zaken wordt gezwegen.

Het gaat om de beste werken. Ja, waar moet je dan aan denken? Laten we er maar eens een paar noemen.

Ik begin met het geloof. Ja, maar wie zal zich daarop kunnen beroemen? We hebben het net gelezen: ‘Dat niet uit u, het is Gods gave.’ En hebt u nooit te kampen met kleingeloof en ongeloof? Moet u nooit met de vader van de maanzieke knaap bidden: ‘Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp?’? Ons geloof is onvolkomen en met zonde bevlekt.

Denk eens aan de hoop. U bent wedergeboren tot een levende hoop, maar hoe vaak is die hoop niet verflauwd, hoe weinig is die hoop echt levend en sprankelend? Wanneer straalt er iets van die hoop af, zodat andere mensen aan je kunnen zien en horen hoe gelukkig je bent? Soms wordt de hoop hele maal overwoekerd door wanhoop.

Denk eens aan de liefde, die de Heere uitstort door Zijn Heilige Geest in onze harten. Daarover spreekt Paulus in Romeinen 5. Is onze liefde volkomen? Hebt u geen gebrek aan liefde? Als iemand u eens flink slaat, wat is dan uw reactie? Slaat u dan terug, gaat u in de verdediging of is uw liefde dan zo groot, dat u kunt zeggen: ‘Ik wil het kwade overwinnen door het goede.’ Dat kan alleen als de liefde in uw hart is en als de Heere Jezus in uw hart is. Moeten we dan niet beschaamd het hoofd buigen? We reageren vaak zo vleselijk en onvolkomen.

 

Wat betreft de beste werken, laat ik het gebed nog noemen. Bidt u vaak en veel in de binnenkamer? Zijn uw smekende ogen gericht op God? U bidt ongetwijfeld voor uzelf, voor uw gezin en voor het kleine kringetje om u heen, maar bidt u ook voor uw vijanden en voor hen die Gods Koninkrijk tegenstaan? Het gebed is het voornaamste stuk van de dankbaarheid, het is de ademtocht van de ziel. In het gebed klopt de hartslag van het geestelijke leven. Daarin gaat het om de Heere. Er is geen tederder zaak, dan het spreken met God, het komen voor Zijn aangezicht.

Is uw gebed volkomen? Hoe zit het met uw concentratie als u geknield ligt? Worden uw gedachten niet afgeleid tijdens het bidden? Zelfzuchtig bidden, bidden uit eigen belang kan ook. We moeten zo vaak verzuchten: ‘Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij bij.’

 

Luister naar het getuigen van de Heere Jezus en naar de goedheid van God. Dit is de opdracht, die God aan Zijn kinderen geeft: ‘Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.’ Bent u een getuige van Hem en van Zijn liefde? Hebt u altijd de vrijmoedigheid om deze heilige opdracht te vervullen? Moet u nooit een barrière overwinnen? Bedoelt u er altijd Gods eer mee?

Als u onder elkaar bent op een gezelschap bijvoorbeeld, zegt u dan:

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,
Gij die den Heer’ van harte vreest,
Hoort wat mij God deed ondervinden;
Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

Is dan niet het gevaar aanwezig, dat u in het middelpunt komt te staan met uw geestelijke ervaringen? Dat wil de Heere niet. Dan knapt het vanbinnen af, dan verdwijnt de vrijmoedigheid. Ook dit is onvolkomen en met zonde bevlekt.

 

Wie bedoelt nooit eens zichzelf? Onze beste werken. Denk eens aan het werk in de gemeente. Wat kunnen wij voor de ander doen? Bent u, die het zo goed hebt, de gemeente weleens doorgegaan met daarbij de gedachte: ‘Wie kan er nog wat gebruiken?’ Het geeft zo’n vrede in je ziel, gemeente, om net als Boaz te zijn. Meeleven met elkaar in dienstbaarheid, in materieel goed, in hulp, in bijstand. Zo is de gemeente dienstbaar in de wereld als een brandende kaars.

 

Onze beste werken. Neem de vergevingsgezindheid naar elkaar toe. Je hebt onenigheid met iemand. Wie is de minste? Als je ziet dat God je vergeven heeft, ben je dan niet de eerste om het goed te maken? Gemeente, hoe heilig onze verrichtingen ook zijn, neem de beste werken: geloof, hoop, liefde, gebed, getuigen, dienstbaarheid en vergevingsgezindheid, ze zijn alle in dit leven onvolkomen en met zonde bevlekt.

Moeten we dan ook daarvan niet zeggen, dat we schuldig staan tegenover de Heere? Het is al heel wat als je dat inziet, als er een streep gaat door je beste werken.

 

Zalig hij die ziet, dat we daarmee niet voor Gods gericht kunnen bestaan. We hebben een Ander nodig, we hebben Jezus nodig. Dan leren we roemen in het kruis van Christus, dat Hij alleen onze Gerechtigheid voor God is.

Ziet u, onze beste werken zijn in dit leven onvolmaakt. Na dit leven zijn ze volkomen, dan zullen we de Heere liefhebben op een volmaakte wijze. Daar zingt de triomferende Kerk nu al van: ‘Gij, o Lam van God, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.’

De strijdende Kerk op aarde zingt van het zalig worden uit genade alleen. Ja en daarom zal ik eeuwig zingen van Gods goedertierenheden. Wat zal dat zijn om straks, door de gerechtigheid van Christus alleen, volmaakt, rein en heilig voor de troon van God en het Lam te staan om Hem de eer toe te brengen, die Hem eeuwig toekomt.

 

Gemeente, onze eerste gedachte afrondend, goede werken zijn noodzakelijk, maar je kunt er de zaligheid niet mee verdienen, want ze zijn onvolmaakt en onvolkomen. En al zouden ze volmaakt zijn, dan nog zegt de Bijbel: Dan zijn we nog maar onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan hetgeen wij schuldig waren te doen.

De goede werken zij vruchten van een waar geloof. Dat staat niet op ons boekje, dat staat niet op onze rekening, maar dat staat op de rekening van God en van Zijn genade en van Zijn Heilige Geest. Wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen.

God geeft ons zo vaak gelegenheid om het goede te doen en wat blijven we dan vaak in gebreke! Wat moeten we vaak zeggen: ‘Daar heb ik een steek laten vallen. Hier heeft God me een kans gegeven, maar die heb ik niet aangegrepen. God had ze voorbereid, maar ik heb ze laten liggen.’

 

Daar komt nog bij, dat goede werken tijdelijke zijn. Er moet overeenstemming zijn tussen loon en verdienste. Hoe zouden we met iets tijdelijks de eeuwige zaligheid kunnen verdienen? Om nog één ding te noemen en dat slaat alle argumenten, dan zou de Heere Jezus tevergeefs gestorven zijn. Dan zou Hij geen volkomen Zaligmaker zijn. Dan zou het een verloochening van het borgwerk van de Heere Jezus zijn.

 

Het is dus duidelijk, dat goede werken noodzakelijk zijn, maar dat je er de zaligheid niet mee kunt verdienen. Ze zijn te kort in de beoordeling voor de hemelse Rechter. Voor Zijn troon wordt het een ontgoocheling.

 

2. Toch worden ze beloond uit genade

 

Het wordt anders als de Heere God ze als Vader beoordeelt in het leven van Zijn kinderen. We lezen de tweede vraag:

Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?

Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

 

Ogenschijnlijk is de tegenspreker, die hier wordt ingevoerd als een stijlfiguur, nog niet tevreden gesteld. Hij vuurt een tweede tegenargument af op de leer van de rechtvaardiging door het geloof alleen. God wil het goede toch belonen? Verdienen onze goede werken dan helemaal niets?

Nou, de opponent staat ogenschijnlijk sterk in zijn schoenen, want hij heeft op het eerste gezicht heel de Bijbel achter zich. Leert de Bijbel niet duidelijk, dat God het kwade straft en het goede beloont? De gedachte van loon en vergelding vind je toch heel de Bijbel door? In het Oude Testament zegt de Heere tot Abraham: ‘Ik ben een Schild, uw Loon zeer groot.’ De Heere belooft het Loon te zijn voor de vader der gelovigen.

Denk eens aan de geschiedenis van Ruth. Boaz zegt tot haar: ‘Uw loon zij volkomen van de Heere, den God Israëls onder Wiens vleugelen gij gekomen zijn om toevlucht te nemen.’ We hebben het ook gezongen uit Psalm 19:

Hij die op God betrouwt,

Uw wetten onderhoudt,

vindt daarin grote loon.

 

Het is nooit tevergeefs om God te dienen, dat loont altijd de moeite. Ook het Nieuwe Testament spreekt daarover. Cornelius krijgt te horen: ‘Uw gebeden en aalmoezen zijn in gedachtenis opgeklommen voor God.’ Mozes zag, zo zegt de Hebreeënbrief, op de vergelding des loons, toen hij koos liever om met het volk van God kwalijk behandeld te worden dan de rijkdom van Egypte.

De Heere Jezus zegt tegen Zijn discipelen: ‘Zo wie een van deze kleinen te drinken geeft een beker koud water, hij zal zijn loon geenszins verliezen.’ Op een andere plaats zegt de Heere Jezus: ‘Als je een maaltijd geeft en de armen nodigt, die niets terug kunnen geven, het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.’

In een ander Schriftgedeelte zegt Hij: ‘Uw Vader, Die in het verborgene ziet, Die zal het u in het openbaar vergelden.’

In Mattheüs 6 vers 4 staat: Uw loon is groot zijn in de hemel.

 

In de Bijbel is dus heel duidelijk de gedachte van loon te vinden en die gedachte wil de Heere gebruiken om ons te zeggen, dat goede werken Hem aangenaam zijn en Hem behagen. Het wil een prikkel zijn, een stimulans om het goede te doen en met ijver de Heere te dienen. De Heere zegt: ‘Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn. En zie, Ik kom haastelijk; en Mijn loon is met Mij, om een iegelijk te vergelden, gelijk zijn werk zal zijn.’

God wil de goede werken belonen in dit leven en in het toekomende leven. God bekroont Zijn eigen werk.

 

‘Nou’, zegt u, ‘wat brengt het dan op in dit leven? Wat krijg ik ervoor terug?’ Je doet het nooit om er iets voor terug te krijgen, hoor! Maar toch betaalt de Heere in dit leven loon uit. Weet u welk loon? Genade, eer, gemoedsrust, vreugde, innerlijke vrede, zekerheid en blijdschap in het geloof. Je krijgt de verzekering, dat noch dood noch leven je kan scheiden van Jezus Christus. De Catechismus zegt op een andere plaats: ‘Dat ik uit de goede werken van de waarheid van mijn geloof verzekerd worde.’

 

Als we weinig zekerheid des geloofs hebben, dan moet u bedenken, dat hier één van de oorzaken kan liggen. Zijn we wel ijverig in goede werken? Alleen in de weg van zelfovergave, zelfopoffering en zelfverloochening hebben we vrede. Maar wie het altijd maar om zichzelf te doen is en egoïstisch zijn weg gaat, die wordt onrustig en twijfelmoedig.

De zonde maakt altijd scheiding. Dan onthoudt de Heere de troost en de zekerheid, dan ontbreekt de vastheid. Een slordig leven wordt beloond met duisternis over je ziel, maar een leven vol goede werken geeft het loon van een gerust geweten en een blij gemoed, van vrede en vreugde in God door Christus.

 

De Heere beloont in dit leven, maar ook na dit leven. Wat is dan het loon, dat God na dit leven uitkeert? We hebben het al een paar keer gehoord uit de Bijbel. Dat loon is het eeuwige leven.

‘Maar’, zegt u, ‘ik dacht, dat de Heere Jezus dat verdiend had?’ Dat heeft Hij ook, maar moet u even goed opletten. Er zijn graden van heerlijkheid in het eeuwige leven. De zaligheid is voor ieder van Gods kinderen in het hiernamaals gelijk. Er is nergens enige onvolkomenheid in, maar de heerlijkheid verschilt. Zoals er trappen zijn in de rampzaligheid tussen degenen die onder het Woord gezeten en heel hun leven Jezus afgewezen hebben en hun eigen weg zijn gegaan en Tyrus en Sidon, die er nooit van gehoord hebben. De eersten zullen het zwaarder hebben.

Zo zijn er ook trappen in de heerlijkheid. Gemeente, dat is ook een aansporing om in dit leven de Heere te dienen met een volkomen hart, om de heerlijkheid van de Heere Jezus af te stralen en te laten zien Wie Hij is. U mag Zijn beeld gelijkvormig worden en anderen leiden tot Christus. Als je voor een ander het middel mag zijn tot zaligheid, dan staat er in de Bijbel: De leraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. Dat is het loon na dit leven.

Denk aan de gelijkenis van de talenten. Daar staat: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heren.

 

Bij de opstanding der rechtvaardigen, bij de wederkomst zal dat loon ten volle worden uitgekeerd in de eeuwige zaligheid. Dat is het loon na dit leven en dat leert ons de Bijbel. Het maakt dus wel degelijk uit hoe je leeft, ook als gelovige. In Markus 10 noemt de Heere Jezus zowel het loon in dit leven als het loon na dit leven. En zo wie zal verlaten hebben huizen of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven.

 

‘Zie je wel’, zo zegt onze opponent, ‘je wordt dus toch niet alleen door het geloof gerechtvaardigd. Goede werken spelen wel degelijk een rol in het ontvangen van de zaligheid. Zonder goede werken zal niemand in de hemel komen.’

Dat is waar. Maar er zal ook niemand in de hemel komen dóór zijn goede werken en daarom noemt de Catechismus dit loon ‘genadeloon’. Het is niet uit verdienste, maar uit genade.

Het is geen verdienste, want: En al ware het dat ik al mijn goederen tot onderhoud der armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf opdat ik verbrand zou worden, en had de liefde niet, zo zou het mij geen nuttigheid geven.

Als Christus het loon gaat uitkeren, dan is dat voluit genadeloon. We zullen nooit kunnen zeggen: ‘Ja, Heere, dat is waar, daar had ik op gerekend.’ Het was immers onze schuldige plicht om het goede te doen.

 

Verder zou het geheel in strijd zijn met de aard van de dankbaarheid om betaald te willen worden naar prestatie. Want onze goede werken zijn vanzelfsprekend.

Bij de wederkomst van de Heere Jezus zal Hij zeggen:

‘Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen.’

Dan zult u antwoorden:

‘Ja, maar dat weet ik helemaal niet, Heere. U zegt dingen, die helemaal nieuw voor me zijn. Wanneer is dat dan geweest? Ik weet me er niets meer van te herinneren.’

Op die dag zullen we heus niet zeggen: ‘Ja, Heere, zo is het.’

Nee, we zullen vol verwondering zeggen:

‘Heere, ik weet het niet.’

Waarom weet je het niet meer? Omdat het zo vanzelfsprekend voor je was. Je hebt er helemaal geen boekhouding van bijgehouden. We dienen de Heere niet om daarmee iets te verdienen, maar omdat het door genade onze aard geworden is. En toch is alles nog zo onvolkomen. Het zou ons alleen maar verbazen als de Heere dan zegt: ‘Daar en daar en toen en toen heb je Mij bezocht, want voor zoveel u dat aan een van Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt u dat aan Mij gedaan.’

 

De belangrijkste reden waarom we die beloning uit genade ontvangen, gemeente, is omdat de Heere Jezus alles heeft verdiend. Van kribbe tot kruis heeft Hij Zich gegeven. Hij bracht het offer voor onze zonde. Hij bracht de eeuwige gerechtigheid aan. ‘Zijn loon is bij Hem en Zijn arbeidsloon is voor Zijn aangezicht,’ staat in het Oude Testament. Zijn arbeidsloon is Zijn Kerk en elk levend lid van die Kerk deelt mee in Zijn arbeidsloon. Als de Knecht des Heeren verdiende Hij het loon en dat loon op Zijn volbrachte werk wordt nu aan Zijn kinderen uitgekeerd. Daarom heet het genadeloon. Het loon van het eeuwige leven is geen verdienste, maar genade en toch kan het niet zonder goede werken.

 

Jongens en meisjes, verlang je weleens om de Heere te dienen terwijl je in je Bijbel en in je dagboekje leest? Heb je het wel eens, dat je ziet hoe heerlijk de dienst van God is en dat je zegt: ‘Heere, dat zou ik ook zo graag willen. Ik zou U zo graag liefhebben, Heere. Maar dat kan alleen als ik een nieuw hart heb. Zou U me dat willen geven, Heere?’

De Heere wil dat je erom vraagt en Hij doet wat je vraagt. Echt waar, hoor! ‘Ik heb lief die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden,’ zegt Hij in de Bijbel.

God is zo goed voor je. Je hebt boeken en kleren. Je mag naar school, je bent gezond en je hebt eten en drinken. Ja, wat heb je niet wat andere kinderen in deze wereld moeten missen? De Heere is het zo waard om lief te hebben en om gediend te worden.

Heb je de Heere Jezus wel eens mogen zien zoals Hij aan het kruis hing, dat Hij Zijn leven gaf voor Zijn schapen, ook voor kleine kinderen? Werd het toen niet warm vanbinnen in je hart?

 

Dan zeg je: ‘Heere, ik wil U liefhebben’, zoals we samen gezongen hebben uit Psalm 18:

Nu zal mijn ziel, nu zullen al mijn zinnen,

O God, mijn sterkt’, U hartelijk beminnen.

Dan wordt je gebed: ‘Ik wil van U houden, Heere, want U bent het waard.’

 

Ja, dat is echt waar! Het loont echt om de Heere te dienen. Je zult er echt gelukkig mee zijn, want dan heb je vrede met God. Dan mag je altijd schuilen bij de Heere en alles van Hem vragen. In alle tegenvallers is de Heere bij je.

Je wacht dan een grote toekomst, de eeuwige zaligheid.

Kun je iets heerlijkers bedenken, dan zo voor de Heere te leven?

 

Daar zullen we samen zingend om bidden met de woorden van Psalm 143:8 en 10:

 

Laat mij Uw dierb’re goedheid prijzen,

Wanneer ik ’t morgenlicht zie rijzen;

’k Betrouw op U in mijn ellend’.

Wil mij het ware heilspoor wijzen;

Mijn ziel heeft zich tot U gewend.

 

Leer mij, o God van zaligheden,

Mijn leven in Uw dienst besteden;

Gij zijt mijn God, vat Gij mijn hand;

Uw goede Geest bestier’ mijn schreden,

En leid’ mij in een effen land.

 

3. Je doet ze als vanzelfsprekend

 

Gemeente, het gaat in deze Zondag over de goede werken in het leven van een christen.

Ons laatste punt is De vanzelfsprekendheid van de goede werken.

We lezen vraag en antwoord 64:

Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?

Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door een waarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

 

Dit is het laatste argument dat ingebracht wordt tegen de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze en de onverdienstelijkheid van de goede werken. Maakt deze leer, als je met je werken toch niets kan verdienen, geen zorgeloze en goddeloze mensen?

Het gaat om de rechtvaardiging van de goddeloze, daarom dat genade vrij is. Het gaat om de leer van de soevereiniteit van Gods genade en of die geen zorgeloze mensen maakt.

 

Gemeente, die gedachte kom je niet in de wereld tegen, maar juist in de kerk. Het gaat dus over u en over mij. Zorgeloze mensen leven hun rustig leventje en hebben hun genoegens en dat willen ze niet opgeven. Ze redeneren: ‘Het is toch alles genade. God moet het doen. Ik kan er toch niets aan doen.’

Een mens is onmachtig en onwillig, maar wie niet tot Jezus Christus vlucht, wie geen gehoor geeft aan Zijn roepstem, kan God niet de schuld geven. Het is de mens die Christus en Zijn Evangelie verwerpt.

 

Voor goddelozen hoef je niet naar de wereld te kijken. Nee, die zijn ook in de kerk te vinden. Zorgelozen en goddelozen zijn vaak dezelfde mensen. Ze maken van de genade een motief om te blijven zondigen. Ze vergeten de oproep tot heiliging. Ze vergeten de oproep tot het leven der dankbaarheid, om hun leven aan de Heere toe te wijden.

Ze zondigen met een beroep op Gods barmhartigheid.

 

Zulke mensen leefden al in de dagen van Paulus. Zij zeiden: ‘Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?

 

In de dagen van de Reformatie zijn het de Wederdopers.

De gedachte leefde: ‘Als het dan toch kan zoals bij de moordenaar aan het kruis, dan wacht ik maar gewoon af tot God me bekeert, maar ik ga maar met m’n eigen zaken verder.’ Sommigen houden dan nog de schijn op van vroomheid. Als ze dingen doen en praktijken uithalen, die niet deugen en zelfs daarvoor voor de wereldlijke rechter moeten komen, dan zeggen ze: ‘Ach ja, dat is die oude Adam.’

Dat noemen wij het antinomianisme, wetsbestrijders. Dat gaat vaak samen met valse lijdelijkheid. Het lijkt heel degelijk, maar het is betreurenswaardig goddeloos.

 

‘Nou’, zegt de opponent in de Catechismus, ‘maar dat komt ook van deze leer.’ Gemeente, die beschuldiging is vals. Het zou waar zijn, als niet de heiligmaking onlosmakelijk aan de rechtvaardiging verbonden was.

De catechismus wijst die beschuldiging in één keer van de hand. Het is onmogelijk. Goede werken zijn vruchten van de rechtvaardiging, van een levend geloof.

Het is onmogelijk dat een levende rank in de Wijnstok Christus geen vruchten zou voortbrengen. Wie Hem door een waar geloof is ingeplant, moet vruchten der dankbaarheid dragen. Het geloof is door de liefde werkende.

Een bloem moet bloeien, de zon moet schijnen, een vogel moet zingen, vuur moet branden, anders zouden ze hun aard verloochenen. De aard van het nieuwe leven is om goede werken te doen, om God en de naaste lief te hebben.

 

De Bijbel legt dat verband tussen rechtvaardiging en heiliging. Denk maar aan Psalm 130 vers 4: ‘Bij U is vergeving,’ dat is de rechtvaardiging, ‘opdat Gij gevreesd wordt’, dat is de heiliging, de vreze des Heeren, het onderhouden van Zijn wetten.

De vergeving der zonde is nooit de oorzaak van goddeloosheid, maar juist een reden om de Heere des te ijveriger te dienen en te vrezen.

Als je je zonden op de rechte wijze ziet, door de bril van Gods Woord dan wordt het tot smart. Je wordt bedroefd als je ziet op het kruis van Golgotha en de nagels in de handen van Jezus. Dat kost tranen van boetvaardigheid. Die tranen worden uitgestort aan de voet van het kruis, aan de voeten van het Lam.

Dan mag je ervaren dat het weer goed is tussen God en je ziel en dan kan het niet anders of je krijgt een hartelijke afkeer van de zonde en een hartelijke liefde tot God en tot de Heere Jezus.

Ken jij dat?

 

Die liefde is sterker dan al de eisen van Gods wet. Dan wordt de wet in je leven een leefregel der dankbaarheid. Dan gaat die wet heel je leven beheersen.

Dan zeg je: ‘O, nu ik zie, dat het Hem zoveel gekost heeft. Ja, zelfs Zijn eigen leven. Nu ben ik aller zonden vijand.’

 

‘Het is onmogelijk’, zegt de Catechismus, ‘dat we dan geen vruchten der dankbaarheid zouden voortbrengen.’

De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Tegen zodanigen is de wet niet,

zegt de Schrift,

maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met de bewegingen en de begeerlijkheden.

 

Gemeente, hoog boven alles uit rijst de liefde in de goede werken, want de liefde is de vervulling van de wet.

Goede werken zijn alleen maar goed als ze voortkomen uit een oprecht geloof, in overeenstemming zijn met Gods wet en Zijn eer ten doel hebben.

 

Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt. Vanuit de liefde tot Hem, vanuit de rank, die in de Wijnstok Christus is ingeënt en Zijn levenssappen ontvangt, draag je vruchten.

 

Laat uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat ze uw goede werken mogen zien, en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.

Ja, dat wordt het grote doel. Dan krijgen we Gods eer weer op het oog.

 

Die leer maakt geen zorgeloze en goddeloze mensen.

Deze leer verbreekt de zorgeloosheid en maakt ons bezorgd om zo te leven, dat alles zal zijn tot eer van God.

Dan doen we de goede werken, niet om iets te verdienen, maar om te dienen.

 

Amen.