Ds. A. Schot - Psalmen 126 : 5 - 6

Een dankdagles

Psalmen 126
Zaaien met tranen
Voortgaan met geween
Maaien met gejuich
Dit is de laatste preek in een serie van drie Dankdagpreken rondom psalm 126.

Psalmen 126 : 5 - 6

Psalmen 126
5
Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
6
Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 126: 3
Lezen : Johannes 12: 20 - 36
Zingen : Psalm 42: 2, 4 en 5
Zingen : Psalm 69: 13 en 14
Zingen : Psalm 30: 8

Gemeente, we lezen onze tekstwoorden in de verzen 5 en 6 van Psalm 126, waar Gods Woord aldus luidt:

 

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

 

We schrijven boven onze tekstwoorden: een dankdagles, en we staan stil bij drie gedachten:

1. zaaien met tranen – Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien;

2. voortgaan met geween – Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende;

3. maaien met gejuich – maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

 

In de eerste twee verzen van deze psalm zien we een Gode verheerlijkend dankdaglied waarin de Heere de eer krijgt van de verlossing uit Babel: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan.

In het derde en het vierde vers van deze psalm volgt een dankdagbede: O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. Het dankdaglied sluit de dankdagbede niet uit. Op verlossing volgen soms diepe wegen waarin weer verloren wordt wat verkregen was en er geen houvast meer is.

Nu gaan we stilstaan bij de dankdagles uit de laatste twee verzen.

 

  1. Zaaien met tranen

Zaaien met tranen – een wonderlijke les, die eigenlijk uit het boek van de natuur komt.

De dichter had onderwijs gekregen uit het boek van de natuur toen hij sprak over de waterstromen in het zuiden (vers 4). Hij had daarin een beeld gezien van Gods almacht.

Ook in deze laatste woorden van de psalm had de dichter ongetwijfeld het boek van Gods natuur voor ogen. Het is een beeld uit de landbouw, het beeld van de zaaier.

 

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Het gaat in deze tekst over zaaien. Een boer moet zaaien. Ik denk dat dat de eerste les is die we vanavond uit deze tekstwoorden onder ogen moeten zien: een boer moet zaaien.

Jongens en meisjes, stel je voor dat er een boer is die niet zaait. Terwijl de andere boeren in de oogsttijd druk bezig zijn met maaien, heeft híj niets om te maaien. Wat zouden jullie zeggen? Je zou zeggen: ‘Dat is zijn eigen schuld! Dan had hij maar moeten zaaien.’

Zonder zaaien is er geen oogst; dat begrijpt iedere boer. Wie niet zaait, zal ook niet maaien; zo gaat dat in het rijk van de natuur.

Dan nog wat: een boer moet ook op tijd zaaien. Dat is zeker in het Oosten zo. Als hij het te laat doet, komt het niet goed. Als hij de tijd voorbij laat gaan, valt de regen niet meer op de juiste tijd voor het zaad. Hij moet dus zijn verantwoordelijkheid nemen.

 

Dat is ook de les die wij vandaag mee naar huis moeten nemen: een mens heeft een verantwoordelijkheid en die verantwoordelijkheid moet hij ernstig nemen. Wij mogen de oogst niet passief afwachten. We mogen niet lijdelijk zijn. We mogen wel lijdzaam zijn; we móeten lijdzaam zijn. Maar lijdzaamheid is wat anders dan lijdelijkheid. Lijdelijk zijn wil zeggen dat we onze verantwoordelijkheid ver van ons afschuiven, alsof we geen verantwoordelijkheid dragen. Maar wij moeten zaaien om te kunnen maaien. Hoe dat zaaien gaat, daar gaat het straks over in onze tekst. We moeten doen wat onze hand vindt om te doen.

 

In onze tekstwoorden gaat het over een zaaier.

In de tijd van de Bijbel was zaaien handwerk. Dat maakt het beeld voor ons niet eenvoudig, denk ik. De ouden onder ons kennen het ongetwijfeld, het beeld van de zaaier die met een zaaizak voor zich over de akker gaat om het zaad te zaaien. Maar de kinderen onder ons hebben dat misschien nog nooit gezien, omdat het tegenwoordig allemaal machinaal gebeurt. Het beeld moet wel helder zijn. De zaaier in het Oosten loopt dus over de akker en strooit het zaad uit over het land.

Maar er staat iets opmerkelijks bij. Er staat dat hij met tranen zaait: Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Dat roept vragen op, want waarom zou iemand zaaien met tranen? Zaaien is toch juist een mooi werk? Zaaien heeft iets feestelijks in zich, zou je kunnen zeggen. De zaaier denkt toch aan de vrucht die hij eenmaal hebben zal? Waarom zou iemand dan zaaien met tranen?

Wel, in de eerste plaats was het zaaien in Palestina niet zo gemakkelijk. Je kunt de akkers in Kanaän absoluut niet vergelijken met onze akkers. Onze akkers zijn vlak en over het algemeen schoon. Maar in Israël liggen ze vol met stenen. Als iemand daar een akker aan wil leggen, heeft hij er eerst heel veel werk aan om de akker van stenen te zuiveren. En die stenen kom je nog heel lang tegen, want ze zitten ook verborgen op plaatsen waar je het eigenlijk niet verwacht. Zo’n akker in Israël bezaaien is niet eenvoudig.

Bovendien is er het onkruid, de doornen en de distels. Dat beeld komt in de Bijbel heel vaak naar voren. Doornen en distels zouden de oogst kunnen verwoesten. Dat maakt het zaaiwerk dus minder mooi dan het lijkt. Een deel van de oogst zal mogelijk verstikt worden door de doornen, want die groeien sneller dan het zaad. Het is dus niet alleen maar een vreugdevol werk.

 

Die met tranen zaaien – die tranen zien op moeite, op verdriet. Daarbij moet u ook denken aan de omstandigheden van deze psalm. Het gaat hier over de teruggekeerden uit Babel, mensen die zeventig jaar in de gevangenis gezeten hebben. Hoe zullen de akkers erbij gelegen hebben toen ze terugkwamen, denkt u? Daar is zeventig jaar niet naar omgekeken. Vraag maar eens aan een boer wat er gebeurt met een akker waar zoveel jaren niet naar omgekeken wordt. De hele bodem zit dan vol met onkruidzaden. Je kunt weer opnieuw beginnen.

Natuurlijk hebben die mensen toen ze terugkwamen het onkruid zo veel mogelijk weggehaald, maar hoeveel onkruidzaad zal er nog in de bodem zijn blijven zitten? Dat krijg je natuurlijk nooit in één seizoen weg.

In de Negev-woestijn is in de zomer geen groen te vinden, zo heet, zo onvruchtbaar, zo dor is het er. Toen de Israëlieten terugkeerden uit Babel, zagen de akkers er net zo uit. Die leken meer op woestijnen dan op vruchtbare akkers en zo’n akker bezaaien – u voelt wel – dat is nu niet direct een feestwerk.

 

Die met tranen zaaien (…) – dat beeld mogen we letterlijk nemen, maar het heeft ongetwijfeld ook een symbolische betekenis: het zaaien zal ook zien op de tempelbouw. De fundamenten moesten klaargemaakt worden; de stenen moesten gelegd worden. Ik denk dat die mensen wel wat tranen weggeveegd hebben toen ze op de puinhopen liepen van Gods huis.

Wat heeft de zonde toch teweeggebracht. Wat hebben mijn zonden toch teweeggebracht. Wie daar een indruk van krijgt, die moet wenen.

 

Met tranen zaaien – met tranen het werk doen. Kent u er ook iets van, van dat zaaien met tranen, dat wenend zaaien? Er is nog een volk in deze wereld dat wenend over de aarde gaat.

Waarom die tranen? Wel, het zijn tranen vanwege hun zonden. Kent u die? Geen tranen vanwege de gevólgen van de zonden – die kennen we allemaal wel – maar tranen vanwege de zonden zelf, tranen vanwege de schuld. Al het verdriet dat ik tegenkom in mijn leven is mijn eigen schuld. ‘Wij hebben God op ‘t hoogst misdaan; wij zijn van ‘t heilspoor afgegaan; ja, wij en onze vaad’ren tevens.’

Wenend, gemeente, over de onvruchtbaarheid van het eigen hart. Heb je er ook last van gehad in de achterliggende periode? Bent u weleens huilend thuisgekomen omdat u moest zeggen: ‘Nu heb ik weer een kerkdienst bijgewoond en nu is weer alles aan mijn hart voorbij gegaan. Wat ben ik toch hard. Wat ben ik toch ongevoelig. Wat ben ik toch dood voor de dood. Wat ben ik toch indrukloos.’? Als een mens daar een indruk van krijgt, begint hij te wenen.

 

Met tranen zaaien – wenen over de onvruchtbaarheid van het hart van mijn kinderen. Ligt u er weleens wakker van dat ze alles zo gemakkelijk naast zich neer kunnen leggen, dat ze zo onder invloed zijn van de moderne media dat je ze soms niet eens meer bereiken kunt, dat je nauwelijks meer een gesprek met ze kunt krijgen? Geeft het ons weleens tranen? Wat kunnen we onze kinderen soms ook makkelijk laten gaan, nietwaar? Wat zouden we hen veel meer met een bewogen hart moeten wijzen op de nood van hun ziel.

 

Met tranen zaaien – vanwege de breuk die er geslagen is in het paradijs tussen God en onze ziel. Het is allemaal onze eigen schuld. Die tranen vloeien allemaal voort uit de verlating van God.

 

Ik zeg niet – u moet me goed begrijpen – dat die tranen grond zijn. Helemaal niet. Al zouden we een emmer vol tranen wenen, onze tranen voegen niets toe. Onze tranen hebben geen grond in zich. Die tranen zijn ook niet het doel van de prediking. Maar die tranen zijn wel de weg – de weg waarlangs de Heere vruchten geeft. Dat blijkt heel duidelijk uit deze tekst.

De tranen van pijn van een moeder die een baby’tje krijgt, worden tot blijdschap als het kindje geboren is. Als de baby eenmaal op de buik van de moeder ligt, wordt de droefheid vergeten. Die tranen zijn nuttige tranen. Zonder die tranen kan het baby’tje niet geboren worden. Maar die tranen zijn niet het doel; het kindje is het doel. Onze tranen moeten niet in het middelpunt staan.

 

Wat ik zou willen doen, is een andere Zaaier in het middelpunt stellen. Deze psalm wijst ten diepste heen naar de verdienende oorzaak van de verlossing. Die verdienende oorzaak ligt niet in onze tranen: ‘niet het offer dat ik breng, niet de tranen die ik pleng’, zegt een bekend lied, maar ‘moede kom ik, arm en naakt, tot de God Die zalig maakt.’

Die met tranen zaaien doet mij op deze dankdag denken aan die Zaaier met een hoofdletter. U weet ongetwijfeld Wie ik daarmee bedoel: de Heere Jezus Christus. Hij ging over deze aarde met tranen. Hij heeft ze gezaaid, wenend over de oorzaak van alle ellende, wenend over de oorzaak van de dood. Toen Hij bij het graf van Lazarus stond, weende Hij en de Joden zeiden: Ziet, hoe lief Hij hem had! (Joh.11:36).

Gemeente, dat was niet het probleem voor de Heere Jezus, want Hij kon Lazarus zo terugroepen uit de dood. Dat heeft Hij ook gedaan. Dus dat gemis van Lazarus hoefde Hem niet te drukken. Wat Hem drukte, was de zonde: de oorzaak van het sterven van Lazarus. Daar heeft Jezus over geweend. Op die begraafplaats rolden de tranen van Zijn wangen.

Díe tranen zijn wél betalend. Díe tranen zijn borgtochtelijke tranen. Die tranen zijn betalende tranen. Hij heeft geweend over dingen waar Zijn kinderen van nature niet over wenen. Hij heeft geweend over hun onvruchtbaarheid, over de hardheid van hun hart, over de doodsheid van hun bestaan. De doden zullen horen de stem des Zoons Gods, en die ze gehoord hebben, zullen leven (Joh.5:25), omdat Hij geweend heeft. Hij heeft geweend toen Hij daar stond op de Olijfberg, ziende op Jeruzalem: Jeruzalem, Jeruzalem! (…) hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen; en gijlieden hebt niet gewild (Matth.23:37).

 

Hij was de Zaaier en Hij was tegelijk het Zaad. Hij zaaide Zichzelf. Hij zaaide Zijn tranen. Hij zaaide Zijn bloed. Hij zaaide Zijn leven. Hij is dat Tarwegraan. Daarom hebben we Johannes 12 laten lezen. Hij is Zelf dat Tarwegraan waar Hij van sprak: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen (Joh.12:24).

Als Hij niet in de aarde zou vallen en sterven, zou Hij geen zaad zien. Maar de Vader had het Hem beloofd: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10). Daarom heeft Hij Zichzelf gezaaid, met tranen – tranen van Godsgemis, plaatsvervangende tranen voor het leven van de Zijnen, over hun Godsverlating, over hun schuld en over hun zonden.

Hoe diep die tranen geweest zijn, gemeente, dat kan ik u niet zeggen! Zo diep hebben wij nog nooit geschreid.

 

Christus heeft met tranen gezaaid.

U zult zeggen: ‘Ik weet ook wat het is om met tranen te zaaien.’ Zeker, dat doen wij ook wel met regelmaat. Ik denk aan de begraafplaats, om maar een voorbeeld te geven. Misschien zijn er onder u die in de achterliggende periode een geliefde naar het graf hebben moeten dragen. Als ik op een begraafplaats kom, denk ik weleens: wat liggen hier veel tranen; wat is hier al veel geschreid. Misschien hebt u daar ook al veel tranen achtergelaten.

Iemand begraven, dat is met tranen zaaien. Als er iemand begraven wordt, wordt er eigenlijk een lichaam gezaaid; dat wordt in de schoot der aarde neergelegd.

Eenmaal zal er een maaien zijn. De apostel Paulus heeft daar in zijn brief aan Korinthe ontroerende dingen over gezegd. Dan gaat het over het zaaien van het lichaam van Gods kinderen. Ze worden in de aarde gelegd, maar eenmaal zullen ze gemaaid worden. Wat gemaaid wordt, is heerlijker dan wat gezaaid is! Want wat gezaaid is, is in oneer; wat gezaaid is, is gestorven. Maar wat opgewekt is, is in eer. Dat is in heerlijkheid. Een natuurlijk lichaam is gezaaid, maar een geestelijk lichaam wordt opgewekt.

 

De grote vraag is hoe ons lichaam gezaaid zal worden. Wat wordt er in de aarde gezaaid straks als men bij ons graf staat?

Als je gerst zaait, dan zul je geen tarwe maaien; dat begrijpen zelfs de kinderen die in de kerk zijn. Je snapt dat dat niet kan. Als je zonnebloempitten zaait, zul je geen mais maaien. Als je mais zaait, zul je ook mais maaien. Als je zonnebloempitten zaait, zul je zonnebloemen maaien. Als je gerst zaait, zul je gerst maaien.

En als je een goddeloze zaait? Dan zul je geen volmaakte maaien. Eenmaal, in die grote dag der dagen, zal Christus de maaiers zenden; dat zijn de engelen. Die zullen de goddelozen tezamen vergaderen. Wat dan gemaaid zal worden, zal erger zijn dan wat gezaaid is. Daniël spreekt over een opstanding tot afgrijzen.

Het maakt wel een verschil hoe een mens in het graf neerdaalt, of ons graf geheiligd is of niet. Laten we daarom die vraag niet voor ons uitschuiven totdat we ziek worden of oud geworden zijn, maar laten we er in alle ernst mee bezig zijn.

 

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Wat je zaait, dat zul je maaien. Dat is in de opvoeding ook zo natuurlijk. Wat dat betreft liggen er veel dankdaglessen die we mee naar huis mogen nemen. Als je bij je kinderen oppervlakkigheid zaait – en er zijn helaas ouders die dat doen – zul je geen ernst maaien; daar moet je maar niet op rekenen. Wie wind zaait, zal storm oogsten, zegt het spreekwoord. Als je bij je kinderen kritiek zaait, zul je spot oogsten. Je moet niet verwachten dat je dan bij je kinderen eerbied zult maaien. Wie twijfel zaait, zal leugens maaien. En zo kunnen we nog een poosje doorgaan. Bedenk toch: wat zaait u? Wat u zaait, dat zult u maaien.

 

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Dit is een belofte. Voor wie? Voor de zaaiers? Nee, niet voor de zaaiers. Dit is een belofte voor degenen die met tranen zaaien. Dat kan niet van alle zaaiers gezegd worden.

Bovendien moet ik zeggen: dit geldt niet voor alle zaaiers die met tranen zaaien. De Heere maakt in Zijn Woord onderscheid tussen tranen en tranen. Er zijn tranen over de gevolgen van de zonde en er zijn tranen over de zonde zelf.

Kijk, die tranen over de gevolgen van de zonde, die geven niet de garantie dat er met gejuich gemaaid zal worden, want die tranen zijn niet in Gods fles. Die tranen worden genoemd de droefheid der wereld. De droefheid der wereld werkt niets uit. De droefheid der wereld werkt geen onberouwelijke bekering. Maar de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid (2Kor.7:10). Zulke tranen zijn niet tevergeefs! Zulk een droefheid zal tot blijdschap worden.

Kent u die tranen ook: tranen over uw eigen hart, tranen over de gemeente, tranen over uw eigen kind misschien? Ik moet denken aan moeder Monica; u kent de geschiedenis van Augustinus. Die moeder was haar kind kwijt. Het is verschrikkelijk als je je kind kwijt bent, kwijt aan de wereld. Maar Monica heeft met tranen gezaaid, in een mate en op een wijze dat Ambrosius tegen haar zei: ‘Een kind van zulke tranen kan niet verloren gaan.’

 

Gemeente, kan dat ook van ons gezegd worden? Liggen er van ons ook zoveel tranen om onze kinderen? Ik heb weleens een man horen vertellen over zijn moeder. Hij zei: ‘Mijn moeder had tien kinderen. Iedere dag, wanneer ze de bedden van de kinderen aan het opmaken was, boog ze haar knieën bij elk bed en droeg ze dat kind op aan de troon van Gods genade.’ Wat is het groot als de nood van uw kinderen zo mag wegen dat die ook in de binnenkamer werk geeft.

 

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Wie niet zaait, zal niet maaien. Het komt in de weg van zaaien – onze eerste gedachte. We gaan naar onze tweede gedachte:

 

  1. Voortgaan met geween

Want de dichter zegt vervolgens: Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende.

Laten we nog eens teruggaan naar die zaaier. In gedachten zien we hem gaan. Voor hem hangt een zaaizak met daarin het zaaizaad. Iedere keer grijpt zijn hand in die zaaizak om het zaad te pakken en uit te strooien over de aarde.

Hij gaat al gaande en wenende. Waarom weent hij? Het lijkt wel een verlies voor die zaaier, als je hem zo ziet. Hij gaat eronder gebogen. Het lijkt wel alsof het hem aan het hart gaat dat hij dat zaad aan de aarde moet toebetrouwen.

Zo is het ook. Zo is het ook! Want over wie gaat het hier? Het gaat hier over de teruggekeerden uit Babel. Wat denkt u, hadden die zakken vol zaaizaad staan om aan de akker toe te betrouwen? Ik denk dat iedereen wel begrijpt dat het antwoord ‘nee’ is. Die mensen waren ontzaglijk arm. Ze hadden alleen maar hetgeen hoogst noodzakelijk was. Dus dat zaad dat die zaaier aan het uitstrooien was, was eigenlijk zijn brood. Hij had het uit zijn mond gespaard. Hij had het uit de mond van zijn vrouw en kinderen gespaard. Het was het enige wat ze hadden. Het was eigenlijk het graan waar het brood van gebakken moest worden. Hij stond voor de keuze: óf er broden van bakken en die broden opeten en daarna niets meer hebben, óf geen broden bakken en dat zaad aan de aarde toebetrouwen en maar afwachten of het ooit wat worden zou, of hij dat zaad ooit zou terugzien.

 

Wat is de dankdagles die ik u mee wil geven? Die boer moet eerst afstand doen van zijn zaad. Hij moet afstand doen van alles wat hij heeft. Dat is verlies en hij moet leren dat in het verlies de winst ligt. Hij moet eerst alles opofferen om iets terug te krijgen. Of hij er iets van terug zal zien? Ja, die vraag geeft hem strijd; die geeft hem aanvechtingen. Dat kan hij niet bezien en dat geeft hem ook tranen.

Ik moet denken aan die weduwe in de dagen van Elia, die weduwe die bijna niks meer had. Ze had nog een heel klein beetje meel in de kruik en een heel klein beetje olie in de fles. Toen kwam de profeet en zei: ‘Bak eerst voor mij een koek.’ Dus dat laatste beetje wat ze had, daar moest ze voor Elia een broodkoek van bakken. Maar dan had ze niks meer voor zichzelf. Ze wilde eigenlijk van dat laatste beetje nog iets bakken voor zichzelf en voor haar kind. ‘Nee’, zei Elia, ‘je moet het eerst weggeven; je moet het eerst opofferen.’ ‘Ja, maar dan heb ik niks meer!’ ‘O, maar als je dat doet’, zei Elia, ‘dan zal de Heere ervoor zorgen dat het meel in de kruik niet zal verminderen en dat de olie in de fles niet minder zal worden.’

Eerst opofferen, eerst overgeven, eerst alles loslaten, eerst buigen, en dan pas oogsten! Dat is de les van de dankdag: eerst het laatste zaaizaad uitstrooien en later pas oogsten. Wie niet zaait, zal ook niet oogsten.

 

Kunt u de droefheid begrijpen van die boer? Daar gaat hij, al gaande en wenende. Die uitdrukking geeft te kennen dat hij voortgaat. Het gaat hem aan zijn hart, het doet hem pijn, maar toch gaat hij voort. Hij blijft niet stilstaan. Hij zaait die hele zaaizak leeg, ondanks de vele zorgen: Is de grond eigenlijk wel vruchtbaar genoeg? Zal er wel iets van opkomen? Zal de weersgesteldheid meewerken? Zal de regen wel vallen op z’n tijd? Zal het ongedierte geen schade veroorzaken zodat straks de hele oogst weg is? Want dan heeft hij niets meer. Zullen de vijanden niet komen straks als de oogst rijp is, en de hele oogst meenemen? Dan houdt hij niets meer over! ‘Duizend zorgen, duizend doden kwellen mijn angstvallig hart.’

Ja, zwaar werk! Het is niet voor niets dat de Heere de profeten Haggaï en Zacharia heeft geroepen om die mensen ermee te bemoedigen dat de Heere ervoor zorgen zou. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende. Als de Heere ze niet bemoedigd had, waren ze onder die druk bezweken. Ze hadden onder die druk nooit staande kunnen blijven.

 

Waarom blijft die zaaier doorgaan, denkt u? Wij zouden zeggen: ‘Man, stop er dan toch mee als het zulk moeilijk werk is. Houd er dan mee op. Ga naar huis, bak een brood – leef bij de dag.’

Waarom gaat hij toch door? Hij zaait op hoop, want diep in zijn hart is er verwachting dat het zaad niet verloren zal zijn, maar dat hij vruchten zal mogen zien. Het wordt aangevochten; het wordt bestreden van alle kanten. Als hij niet de hoop had gehad dat hij er toch iets van terug zou zien, dan was hij met dat zaaien gestopt. Maar hij gaat voort, al wenend, en toch hopend, uitziend.

 

Zo is er nog een volk op deze aarde dat in deze les uit de natuur het eigen leven herkent. De Heere moet Zijn kinderen bemoedigen onder de prediking, want anders kunnen ze niet voortgaan.

De les van het zaad is: eerst afstand doen, eerst alles uit handen geven, eerst sterven. Indien het tarwegraan in de aarde niet valt, en sterft, zo blijft hetzelve alleen (Joh.12:24). Van die tarwekorrel blijft niets meer over. De les in het Koninkrijk der hemelen is dat we ons leven moeten verliezen om het te vinden. Wie niet eerst zijn leven zal verliezen, zal het ook niet vinden. Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal, om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden, zegt de Heere (Matth.16:25). Dat is de les in het Koninkrijk der hemelen. Dat is de les van het tarwegraan. De Heere verbindt voor Zijn discipelen die directe toepassing daaraan. Hij zegt dat ze dat moeten leren: hun leven verliezen om het te behouden.

 

Die met tranen zaaien (…). Twee lessen:

  • Ik zie die tranen vanuit het oog van de zaaier druppen in die zaaizak. Dat hele zaad wordt nat, nat van zijn tranen.

Dat is ook erg! Nee, dat is niet erg. Weet je, hoe natter het zaad, hoe eerder het ontkiemt. Nat zaad ontkiemt eerder. Met andere woorden: hoe meer tranen, hoe eerder vrucht.

  • Het tweede wat ik las bij Spurgeon is dat die tranen smaak geven aan de oogst. Dat is een mooie symbolische gedachte. Tranen zijn zout en wanneer die zoute tranen op dat zaad vallen dat gezaaid wordt, dan geeft dat meer smaak aan de oogst. Hoe meer tranen, hoe meer smaak er aan de vrucht zal zijn.

 

Al gaande en wenende. Gemeente, ook in onze tweede gedachte kom ik natuurlijk bij de verdienende Oorzaak. Want het ligt echt niet in mijn tranen; echt niet. Dat is ook een les. Maar het gaat ook niet zonder tranen. Het ligt wel in de tranen van die grote Zaaier. Hij ging voort, al gaande en wenende. Hij heeft geweend over Zijn discipelen. Ze begrepen Hem niet. Ze stonden Hem in de weg. Ze verwierpen Hem uiteindelijk, omdat ze niet de weg van Gods recht verkozen. Er kwam zoveel opstand in hun hart. Judas verraadde Hem. Petrus verloochende Hem. Al Zijn discipelen sloegen op de vlucht. Hij stopte niet met zaaien. Hij ging al gaande en wenende, van de hof van Gethsémané naar het rechthuis van Kajafas, en van het rechthuis naar Golgotha.

Al gaande en wenende – een spoor van tranen, een spoor van bloed. Hij was (…) een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem (Jes.53:3). In het bijzonder aan het einde van Zijn leven heeft Hij Zichzelf geofferd met sterke roeping en tranen. Zie Hem daar kruipen in de hof van Gethsémané, waar de tranen Hem over de wangen lopen, ja, meer: waar het bloed zich uit Zijn poriën perst. Daar is Zijn bloed neergedropen op deze vervloekte aarde. Hij heeft met tranen gezaaid terwijl Zijn discipelen het opgegeven hadden. Terwijl zij daar lagen te slapen, vermoeid van droefheid, ging Hij al gaande en wenende. Hij had het uitgeroepen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij (Matth.26:38). Maar hun tranen verdroogden, terwijl de tranen van de Borg en Middelaar stroomden.

Hij was een wenende Zaaier. Nee, Hij was geen mopperende Zaaier; dat niet. Hij zei: Den drinkbeker, dien Mij de Vader gegeven heeft, zal Ik dien niet drinken? (Joh.18:11). Hij was geen murmurerende Zaaier. Hij was geen klagende Zaaier, maar Hij was een wenende Zaaier. En waarom ging Hij voort terwijl alles Hem tegen was, terwijl iedereen Hem in de steek liet, terwijl Zijn eigen discipelen niet bijdroegen? Waarom ging Hij voort? Wel, Hij zaaide op hoop, hoewel de satan Hem naar de keel vloog en de hel op Hem afkwam. Hoewel de Vader Hem niet meer antwoordde, had Hij grond om te hopen, omdat de Vader Hem in de stilte der eeuwigheid gezegd had: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes.53:10). Hij mocht de heidenen opeisen tot Zijn erfdeel. En daarom is Hij doorgegaan tot het bittere einde toe, al gaande en wenende.

 

We gaan naar onze derde gedachte, ‘maaien met gejuich’, maar eerst zingen we nog van Psalm 69 de verzen 13 en 14:

 

Dat zal den HEER’ veel aangenamer zijn

Dan os of var, die hunnen klauw verdelen.

De blijdschap zal het hart der vromen strelen,

Als zij mij zien, verlost van smart en pijn.

Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet,

Houdt aan, grijpt moed, uw hart zal vrolijk leven;

Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet;

Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.

 

Gij, hemel, aard', en zee, vermeldt Gods lof;

Laat al wat leeft Zijn trouw en goedheid prijzen;

Want God zal aan Zijn Sion hulp bewijzen,

En Juda's steên herbouwen uit het stof.

Daar zal Zijn volk weer wonen naar Zijn raad,

God eeuwig hun Zijn volle gunst betonen;

Daar zullen zij, Gods knechten met hun zaad,

Zij, die Zijn naam beminnen, erf'lijk wonen.

 

  1. Maaien met gejuich

Onze derde gedachte is ‘maaien met gejuich’: maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven, zo eindigt onze tekst. Maar voorzeker – dat wil zeggen: absoluut, gegarandeerd. Honderd procent zeker, gemeente, dit is de wet in het Koninkrijk Gods: die met tranen zaaien zullen met gejuich maaien. Wenen en juichen horen bij elkaar in Gods Koninkrijk; zonder wenen geen juichen. Maar wie zo wenend zaait, zál maaien. De oogst is gegarandeerd.

In het natuurlijke leven kan niemand ons de oogst garanderen. Maar de dichter garandeert die geestelijke oogst voor alle zaaiers die met zulke tranen zaaien. Zij zullen voorzeker wederkomen, dragende hun schoven. Zo hebben ze hun werk mogen doen. Laat ons opstaan, dat wij bouwen (…). God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken (Neh.2:18,20).

Ze hebben met tranen gezaaid, in de ene hand een geweer en in de andere hand het gereedschap. O, wat een moeitevolle arbeid en dat alles om eigen schuld! Maar de Heere stond ervoor in. De tempel zou ingewijd worden met vreugde. De Heere doet wat Hij belooft. Voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

 

Het woordje ‘dragen’ komt terug. We hebben het gezien aan het begin van het zesde vers: die het zaad draagt, dat men zaaien zal. Wat ligt er in die zak? Ach, het is maar een schamel beetje. Het zijn maar een paar handjes vol; meer hebben ze niet.

Aan het eind van vers 6 wordt opnieuw gesproken over ‘dragen’. Dan gaat het niet over het zaad dragen, maar wordt er gesproken over het dragen van schoven. Schoven dragen, dat is veel zwaarder dan zaad dragen. Dus deze mensen hebben een handjevol zaad in de aarde geworpen en wat krijgen ze ervoor terug? Schoven. Ze krijgen dus veel meer terug dan ze gezaaid hebben. Die schoven zijn het beeld van rijke zegen. Een handvol koren ruist als de Libanon.

 

Gemeente, u moet maar eens aan zo’n zaaier vragen of hij spijt heeft van zijn tranen. U zegt misschien: ‘Ik kan er niet jaloers op worden, dominee. Ik dacht dat het een blijde dag zou worden, deze dankdag, maar u hebt het iedere keer over tranen.’

Dan moet u toch eens met zo’n zaaier gaan spreken als hij aan het maaien is en vragen of hij spijt heeft van zijn tranen. Ik denk dat hij dan weer gaat wenen, van verwondering en blijdschap, van innerlijke vreugde dat de Heere dwars door alles heen Zijn Woord heeft waargemaakt.

 

Sion kende een oogsttijd. Daar heeft de Heere voor gezorgd, ondanks die onvruchtbare akkers, ondanks de vijanden, ondanks alles wat er mis kon gaan. De Heere heeft ervoor gezorgd en Hij krijgt de eer. U vraagt misschien: ‘Waar zie ik in het slot dat de Heere de eer krijgt?’ Nou, deze psalm begon met het geven van de eer aan de Heere. Dat het Zijn werk is, spreekt toch voor zich? Maaien met gejuich, omdat God het gedaan heeft.

Zo kennen Gods kinderen op deze aarde ook weleens van die oogsttijden. Het is niet altijd wenen, heb ik gezegd. Er is een tijd van oogsten. Dat was in Israël een tijd van vreugde. Dan hoorde je op de akkers de psalmen gezongen worden; dat gebeurde bij het oogsten. Wij maken een scheiding tussen oogsten en godsdienst, maar vroeger was dat één. Dan werd de Heere erkend voor hetgeen Hij gedaan had. Nu zijn er nog tijden in het leven van Gods kinderen dat ze mogen oogsten. Dan krijgen ze veel meer terug dan de tranen die ze gezaaid hebben. De Heere maakt het goed. ‘D’ Allerhoogste maakt het goed, na het zure geeft Hij ‘t zoet.’ Je krijgt veel meer terug dan je gezaaid hebt.

Maar wie niet zaait, zal niet maaien. Wie geen tranen kent, zal geen vruchten zien. Wie de zonde niet beweent, zal in deze belofte niet delen. We moeten het bij elkaar houden. Maar wie met tranen zaaien, zullen met gejuich wederkomen. Wat zijn de eerstelingen van de oogst al zoet die Gods kinderen hier mogen ontvangen uit de verdienende tranen van de Borg en Middelaar. Als die oogst hier al zo zoet is, wat zal het dan straks zijn?

 

Christus heeft met tranen gezaaid. Zijn oogst is niet mislukt. De Vader heeft het Hem ook beloofd en in Hem is de oogst, volk van God, gegarandeerd! Want voorzeker, de Heere doet wat Hij beloofd heeft. Christus mocht wederkomen uit het graf. Hij is met tranen het graf ingegaan. Wat is Zijn lijden zwaar geweest. Deze belofte is aan Hem vervuld. Hij is met gejuich wedergekomen. Op de paasmorgen kwam Hij uit het graf met de kwitantie in handen, met het betaalbewijs dat Zijn Vader met Zijn opstanding heeft onderschreven. Dan mag Hij met gejuich wederkomen. Hij neemt heel Zijn volk mee uit het graf en Hij laat het hunne achter in het graf.

Zijn tranen waren niet tevergeefs. Zijn tranen hadden verdienende kracht en daarom mocht Hij wederkomen met gejuich. Hij is wedergekomen op de Hemelvaartsdag, met gejuich wedergekomen in het hemelse heiligdom dat Hij verlaten had. Hij mocht Zijn ganse Kerk reeds meenemen. Met gejuich is Hij daar ingegaan.

Denk eens aan de pinksterdag. Met gejuich waren op één dag drieduizend mensen de vrucht van Zijn tranen, ja, in enkele dagen tijd vijfduizend mensen. Hij mocht met gejuich maaien. Straks zal Hij wederkomen op de grote dag der dagen. Dan zal Hij maaien en de schoven dragen in de schuur. Hij zal ze de Vader voorstellen. Zijn oogst zal niet mislukken; het ligt alles vast in Zijn verdienend werk. Daarom is deze belofte waar voor al degenen die uit Christus hebben mogen leren wenen, die dat leven uit Hem hebben mogen leren kennen.

 

Dit is het leven uit Hem. Zo zaaien leert ons vlees niet. Dat kan een mens van nature niet. Dat hou je niet vol – een paar tranen misschien. Maar zo voortgaan, al gaande en wenende: ‘Wij hebben God op het hoogst misdaan’, zo wenen over onze zonden, zo wenen over het feit dat we Gods eer gekrenkt hebben, zo wenen over onze onvruchtbaarheid, dat blijft niet zonder vrucht.

En waarom blijft dat niet zonder vrucht? Omdat Christus betaald heeft. Omdat Christus een mens niet leert wenen om hem in zijn tranen te laten omkomen, maar om in de weg van tranen door Zijn Geest Zijn Middelaarsverdienste toe te passen in de harten van zondaren.

 

Als u niet weent, gemeente, komt er ook een tijd van oogsten. De goddelozen zullen ook oogsten, maar wat zij zullen oogsten, zal verschrikkelijk zijn. U zult ervan schrikken wat u allemaal gezaaid hebt. Dan zal de Heere zeggen: ‘Dat hebt u zelf gezaaid.’ En wat een mens zaait, zal hij ook maaien. Verschrikkelijk dat deze oogst aan het rijpen is en dat we die straks zullen wegdragen, een ieder wat hij gedaan heeft.

Kom, het is nog het heden van genade. Als u dat wenen niet kent, vraag dan of de Heere het u wil leren. Misschien zegt u: ‘Ik wil het niet leren, dominee.’ Dan wil ik er toch nog iets bijzeggen en dat is dit: als je die tranen zou kennen, zou je ze niet willen missen. Volk van God, ik roep u tot getuigen. Dominee Hoogerland zegt meermalen in zijn preken dat er in die tranen meer zoetheid ligt dan de hele wereld tevoren ooit geven kon. Liever met tranen zaaien dan terug naar de wereld; dat wil, kan en hoef ik niet meer. Die met tranen zaaien, gaan toch door, ondanks de moeite, het verdriet en de tegenheden, hopend op vrucht. Als een mens op zijn plaats mag zijn, gemeente, dan wil hij ook niet anders. Dan geeft dat meer zoetheid dan de hele wereld ooit geven kan.

 

Volk des Heeren, eenmaal komt de oogst. Hier op aarde blijft het met tranen zaaien; dat is onze eigen schuld. Het gaat door lijden tot heerlijkheid. De weg van de Borg is de weg van de Kerk, niet alleen in het zaaien van tranen, maar ook in het maaien met gejuich.

Wat zal dat straks zijn als duidelijk mag worden wat de vrucht mag zijn op uw ambtelijke arbeid, broeders, wat de vrucht mag zijn op uw tranen, vaders en moeders, wat de vrucht mag zijn in mijn persoonlijke leven op datgene wat de Heere werkt. Dan zal God drie-enig de eer krijgen: de Vader vanwege Zijn verkiezende liefde, de Zoon vanwege Zijn betalende liefde, de Heilige Geest vanwege Zijn toebrengende liefde.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 30 vers 8

 

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei

Veranderd in een blijden rei;

Mijn zak ontbonden, en mij weer

Met vreugd omgord; opdat mijn eer

Niet zwijg'. Zo klimt Uw lof naar boven;

Mijn God, U zal ik eeuwig loven.