Ds. A. Schot - Psalmen 126 : 1 - 2

Een dankdaglied

Psalmen 126
De daden des Heeren bezongen
De blijdschap van Sion bezongen
De verwondering van de heidenen bezongen
Dit is de eerste preek uit een serie van drie Dankdagpreken rondom psalm 126.

Psalmen 126 : 1 - 2

Psalmen 126
1
Een lied Hammaaloth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.
2
Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 126: 1
Lezen : Psalm 126
Zingen : Psalm 137: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 68: 2 en 5
Zingen : Psalm 66: 8

Gemeente, als de Heere het geeft, dan hopen wij op deze dankdag stil te staan bij Psalm 126. De tekstwoorden voor deze dienst vindt u in de eerste twee verzen, waar we Gods Woord en onze tekst aldus lezen:

 

Een lied Hammaälôth. Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.  Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan.

 

We schrijven boven deze tekstwoorden: een dankdaglied.

 

En met de hulp des Heeren letten we op drie gedachten:

1. De daden des Heeren bezongen.

2. De blijdschap van Sion bezongen.

3. De verwondering der heidenen bezongen.

 

Een dankdaglied.

Ten eerste dus: de daden des Heeren bezongen – Een lied Hammaälôth. Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.

Ten tweede: de blijdschap van Sion bezongen – Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich.

En tot slot: de verwondering van de heidenen bezongen – Toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan.

 

  1. De daden des Heeren bezongen

 

Gemeente, onze tekstwoorden zijn genomen uit Psalm 126, een van de liederen Hammaälôth. Hetzelfde opschrift vindt u ook bij de Psalmen 120 tot en met 134. De vraag is: wat betekent dat woord ‘Hammaälôth’? Wij volgen de verklaarders die zeggen dat het te maken heeft met de opgang naar Jeruzalem. Je kunt het vertalen met ‘liederen van de trappen’ of ‘liederen van de opgangen’. Het is een oude en ook vertrouwde verklaring dat deze liederen door het volk van Israël gezongen werden als het opging naar de grote feesten te Jeruzalem. Van één van die psalmen, jongens en meisjes, is dat wel heel duidelijk: van Psalm 122. Dit is een psalm die nog vaak gezongen wordt door mensen die voor het eerst in Jeruzalem komen. ‘Jeruzalem, dat ik bemin, wij treden uwe poorten in. Daar staan, o Godsstad, onze voeten.’ Het gaat over de opgang naar Jeruzalem – een optochtslied.

 

Nu was er in het oude Israël een direct verband tussen de drie grote kerkelijke feesten en de oogsten. Die vielen samen; dat had de Heere zo bepaald. Gods daden in de natuur en Gods dagen voor Zijn volk werden samen herdacht. We zouden kunnen zeggen dat er een heel nauwe band was tussen het leven van de natuur en het kerkelijk leven.

De eerste oogst was de gerstoogst. U kunt daarover lezen in bijvoorbeeld het boek Ruth. Die oogst werd ingezameld bij het paasfeest. Wanneer het volk van Israël op het paasfeest in Jeruzalem was, werden de eerste garven van de gerstoogst aan de Heere geofferd.

Als de gerst geoogst kon worden, was de tarwe nog niet rijp. De tarweoogst viel later, net voor het pinksterfeest. Bij het pinksterfeest werden de eerste broden die van de nieuwe oogst gebakken waren als beweegoffer aan de Heere geofferd.

En dan bleven de olijvenoogst en de druivenoogst nog over, voor de olijfolie en de wijn. Deze oogsten vonden in nog weer een later stadium plaats; ze vielen samen met het Loofhuttenfeest. Het Loofhuttenfeest was ook ter afronding van het oogstseizoen.

 

Er was dus een direct verband tussen het opgaan naar het huis des Heeren, het zingen van de liederen Hammaälôth en de oogst op het land die de Heere gegeven had. Daarom is Psalm 126 ook een heel gepast lied om te overdenken op de dankdag, net als de andere liederen Hammaälôth. Want dit mogen wij in de Heilige Schrift wel opmerken: dat oogsten en kerkgaan bij elkaar horen.

Oogsten en kerkgaan mag je niet van elkaar losmaken. U weet dat onze Nederlandse bevolking dat helemaal heeft losgelaten en dat er geen verband meer is tussen de oogst op het land en de gang naar Gods huis. Eigenlijk zou je verwachten dat na de opmerkelijke zomer die we hadden de kerken wel overvol zouden zitten op deze dankdag. De mensen hebben toch op kunnen merken hoe de Heere de regen heeft ingehouden en hoe Hij daarna ook weer overvloedige regen gegeven heeft. Maar de wereld komt niet naar de kerk. De wereld gedenkt niet aan de Schepper Die dat alles gegeven heeft. De liederen Hammaälôth zijn wat dat betreft in Nederland verstomd.

 

Nu mogen wíj hier wél zijn. Ik preek niet voor de mensen die vandaag niet in de kerk zijn. Maar wij mogen hier zijn, jongens en meisjes. Driemaal mag de kerk opengaan en mogen we de Naam des Heeren erkennen. Dat hoort ook zo; na de oogst horen we naar Gods huis te gaan om Gods Naam te erkennen.

Maar zijn wij beter dan de wereld? Als vandaag een van de liederen Hammaälôth open mag liggen, dan mag de vraag wel zijn: wat ken ík van de inhoud van die psalm?

Augustinus zegt dat deze psalm gezongen wordt door een ware Sioniet, iemand die niet alleen op weg is naar het aardse Jeruzalem, maar die ook op weg is naar het hemelse Jeruzalem.

Die liederen Hammaälôth zijn niet horizontaal; daarin gaat het niet alleen over de aardse tempel. Die liederen bevatten een veel grotere diepte. Dat zal straks ook blijken. Het gaat in deze psalm over de grote werken Gods tot verlossing van Zijn volk. Het gaat niet alleen over de oogst, maar het gaat over de verlossingsdaden des Heeren.

 

Gemeente, de vraag is: kennen wij daar persoonlijk iets van in ons hart en leven? Of moeten wij zeggen dat we de woorden nog wel hebben, de psalm nog wel lezen en de liederen nog wel zingen, maar dat de zaken waar het over gaat ons ten diepste vreemd zijn geworden? Dan hoop ik dat we met deze korte psalm, ook vandaag, tot onszelf mogen inkeren. Hoe is het nou in ons hart? Zijn wij ook een ware Sioniet? Zijn de oogst op het land en de gang naar Gods huis, maar ook de geestelijke verlossing, voor ons zaken die niet te scheiden zijn, die bij elkaar horen en waar we het ook op deze dag met elkaar over moeten hebben?

Ik hoop dat u uw leven vandaag vanaf de preekstoel mag horen verklaren, zodat deze dankdag diepte mag krijgen. Dan gaat het niet alleen over de oogst die op de akker was of over een gezegend zakenleven, maar dan mogen we ook iets ervaren van de verlossingsdaden des Heeren.

 

Een lied Hammaälôth. Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht…

Wie is het onderwerp in deze zin, jongens en meisjes? Wie brengt weder? De Heere. Dat is eenvoudig. Dus niet de mensen zijn het onderwerp in dit lied, maar het onderwerp is de Heere, met allemaal hoofdletters.

Het is een danklied tot eer van de Heere. Zeker, de Heere heeft mensen gebruikt; dat zullen we zo zien. De Heere gebruikt altijd mensen; Hij werkt middellijk. Dat is in het rijk van de natuur zo en dat is ook zo in het rijk van de genade. Maar we moeten niet bij de middelen stil blijven staan. We moeten het niet van de middelen verwachten, maar van de Heere. De verlossing komt van Hem. De zegen komt van Hem.

Misschien bent u ook rijk gezegend in de achterliggende periode. Misschien moest u naar het ziekenhuis om een operatie te ondergaan en is het allemaal zo goed afgelopen. U had een kundige arts. En dan vandaag dankdag. Bij wie moet u zijn? Gemeente, niet bij de arts die u hielp, niet bij het medicijn dat u gebruikte – niet bij het middel, maar bij de Heere. God is jaloers op Zijn eer. Zonder Hem had de arts voor u niets kunnen betekenen.

 

Misschien mocht in de achterliggende periode de prediking voor u tot zegen zijn of is een van de door de broeders ouderlingen gelezen preken onvergetelijk voor u geworden; en nu denkt u vandaag aan die ouderling of die predikant. Maar u moet de Heere gedenken. Hij moet de eer krijgen. Dat heeft deze dichter mogen zien.

Zeker, de Heere gebruikt mensen. Bij de verlossing uit Babel heeft de Heere ook heel duidelijk mensen gebruikt. Ik denk aan het boek Ezra, waarin we lezen van Kores, de koning van Perzië. In het eerste jaar van zijn regering, toen de koning van Perzië ook de macht kreeg over het Babylonische rijk, verwekte de Heere de geest van Kores, Zijn knecht – zo wordt hij in de Bijbel genoemd.

Een paar honderd jaar voordat Kores aan de macht kwam, hadden de profeten al gezegd dat de Heere verlossing zou geven door Zijn knecht Kores. Waarschijnlijk is Kores in aanraking gekomen met die profetieën van Jesaja en Jeremia. Flavius schrijft dat. Kores heeft daarin zijn eigen naam gelezen. De Heere noemde hem ‘Zijn knecht’ en verwekte zijn hart om de kinderen Israëls op te roepen om terug te keren naar Jeruzalem en daar het huis Gods te bouwen. Kores zei: ‘De Heere heeft mij die opdracht gegeven.’

Het is toch onvoorstelbaar! Onvoorstelbaar dat de koning van Perzië zijn gevangenen de opdracht gaf om terug te keren naar hun eigen land om daar het huis van hun God te gaan bouwen. Kores zei: ‘Die God van Israël woont in Jeruzalem. Als je die God wil dienen’ – Kores liet de Joden daarin vrij – ‘dan moet je niet hier zijn, maar in Jeruzalem. Daar is Zijn huis. Daar staat Zijn altaar. Dat moet herbouwd worden.’

 

De Heere heeft dus mensen gebruikt. Hij heeft Kores gebruikt. Hij heeft Jozua en Zerubbabel gebruikt om leiding te geven aan het volk. Maar ik hoor deze dichter niet over Kores. Ik hoor deze dichter ook niet over Jozua en Zerubbabel. De dichter zegt: ‘De Heere heeft het gedaan.’

Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht… Het is niet allemaal vanzelf gegaan. Als u het boek Daniël kent, dan weet u dat in hoofdstuk 10 staat dat de vorst van Perzië geprobeerd heeft om die verlossing des Heeren tegen te houden.

Daniël zegt dat de vorst van Perzië 21 dagen voor hem heeft gestaan. Dat is de duivel. Die probeert Gods werk tegen te houden. Maarten Luther zei: ‘Iedere stad heeft zijn eigen duivel.’ De duivel probeert het werk Gods te verstoren en tegen te houden. Wie had die duivel kunnen overwinnen dan de Heere alleen? Kores kon het niet, maar de Heere heeft de gevangenen Sions wedergebracht. Hem zij de eer.

 

Gemeente, wij zijn vaak zo oppervlakkig. We blijven bij het middel staan. We blijven bij de persoon staan. Als dat in uw leven zo is, dan hoop ik dat dat vandaag tot schuld mag worden en dat we iets mogen leren van deze dichter, die bij de diepste oorzaak komt. Want waar ligt nou de oorzaak van de verlossing van de kinderen Israëls? Die ligt in Gods verbond. Die ligt in Gods welbehagen. Alle andere dingen waren slechts instrumenten die dienstbaar moesten zijn.

Straks, met kerstfeest, jongens en meisjes, gaan jullie horen dat in de dagen van de komst van de Heere Jezus ook keizer Augustus een knecht van de Heere moest zijn om zo Jozef en Maria op hun plaats te brengen. Maar het was niet keizer Augustus die dat deed; nee, de Heere regeert. Hij opene onze ogen daarvoor in het natuurlijk leven en ook in het geestelijk leven.

 

Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht… De gevangenen Sions – wie zijn dat? Dat zijn de kinderen Sions; dat is het volk van Israël. Waar komen zij vandaan? Ze komen uit de gevangenis. En waar was die gevangenis? Die was in Babel. Waarom zaten ze in de gevangenis? Vanwege hun zonden. De Heere had hen weg laten voeren, omdat ze Hem vergeten waren en hoogmoedig waren.

Hoe lang hebben ze daar gezeten? Zeventig jaar. Dat is een lange tijd geweest. De hoop op verlossing was eigenlijk helemaal vergaan. De tempel was verwoest. ‘Jeruzalem, de tempel, Uw altaren, ‘t ligt al verwoest door die geweldenaren.' De Heere had mensen gebruikt om Zijn volk te kastijden – ook weer middellijk. Hij had de Babyloniërs gebruikt om Zijn volk te kastijden. Het waren ten diepste niet de Babyloniërs, maar het was de hand des Heeren.

 

Misschien hebt u veel tegenslagen gehad in de achterliggende periode. Misschien zegt u: die man of die vrouw heeft mij dit of dat aangedaan of die dokter heeft die grote fout gemaakt, of dit of dat. Maar beseft u dan niet dat het ten diepste Gods voorzienigheid is dat de dingen in ons leven plaatsvinden zoals ze plaatsvinden? De Heere gebruikt omstandigheden soms om ons te verootmoedigen. Hij spreekt door woorden, maar Hij spreekt ook door daden en de Heere gebruikt omstandigheden en middelen om mensen daaruit te verlossen.

Hij heeft vroeger Zijn volk uit de handen van de Egyptenaren gered. Die Egyptenaren waren ook een instrument in de hand van de Heere, een instrument om dat volk van Israël te vernederen, zodat het naar Hem ging roepen. Hij heeft de Israëlieten verlost. En nu zaten ze opnieuw in de gevangenis, net als vroeger. En de Heere moest er weer aan te pas komen om datzelfde volk te verlossen.

Die verlossingen uit de gevangenis zijn een beeld van de geestelijke verlossingen. Ze zijn een beeld van de verlossing van het hart.

 

Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht... Wederbracht – ze kwamen uit Jeruzalem en ze komen weer terug in Jeruzalem, de stad des groten Konings.

Hóe komen ze terug?

Anders dan ze weggegaan zijn. Ze komen terug met smeking en geween, zegt Jeremia in het 31e hoofdstuk. De Heere zegt: Ziet, Ik zal ze aanbrengen uit het land van het noorden, en zal hen vergaderen van de zijden der aarde; onder hen zullen zijn blinden en lammen, zwangeren en barenden te zamen; met een grote gemeente zullen zij herwaarts wederkomen. Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren; Ik zal hen leiden aan de waterbeken, in een rechten weg, waarin zij zich niet zullen stoten; want Ik ben Israël tot een Vader, en Efraïm is Mijn eerstgeborene (Jer.31:8-9).

 

Wederbracht – o, wat hebben ze daarnaar uitgezien. Wat hebben ze daarnaar verlangd. Wat is het benauwd geweest in die gevangenis. Wat is voor velen die slaande hand van de Heere tot zegen geweest, om hen te verootmoedigen. Maar niet voor allemaal! Er waren er, die het eigenlijk wel best vonden in Babel. Toen het wat langer ging duren en ze zagen dat er toch geen weg terug was, toen zijn ze van de nood een deugd gaan maken. Toen zijn ze hard gaan werken daar in Babel en geld gaan verdienen. Ze kochten een stukje land, bouwden een huis, zetten een bedrijfje op, trouwden en… Kortom: ze redden zich aardig daar in Babel. Eigenlijk waren ze Jeruzalem al vergeten. Dat het de slaande hand des Heeren was, daaraan dachten ze niet. Dat is toch verschrikkelijk?

Gemeente, zo zijn wij ook. Misschien zijn er tegenslagen geweest in uw leven, beproevingen, tussen de biddag en de dankdag. ‘Maar’, zegt u, ‘ik heb geprobeerd om ervan te maken wat ervan te maken viel. Want ja, een mens moet toch ook verder.’ Heeft het u dan niet gebroken? Hebt u dan niet gezien dat de Heere sprak? Moet de Heere van u dan net als van deze mensen zeggen: ‘Ik heb ze wel geslagen, maar ze hebben geen pijn gevoeld?’

 

Jongens en meisjes, er waren ook andere mensen, mensen die het moeilijk hadden in Babel. Ze misten de tempel. Ze misten de Heere. We hebben Psalm 137 gezongen. Als aan die mensen gevraagd zou zijn: ‘Wilt u eens een van de liederen van Sion zingen?’, dan zeiden ze : ‘Hoe zouden we kunnen? Er zit een brok in onze keel. Als wij denken aan Sion, aan Jeruzalem en aan de tempel die in puin ligt, dan kunnen wij niet zingen.’

Ze hadden de harpen aan de wilgen gehangen. En wanneer ze aan Jeruzalem dachten, dan was dat zo sterk dat ze zeiden: ‘Ik zal nog eerder mijn rechterhand vergeten dan dat ik Jeruzalem vergeten zal, want daar ligt mijn hart, bij het huis des Heeren, bij het offer en bij het altaar dat daar staat.’

O, wat verschrikkelijk dat ze daar niet bij konden komen. Dat vond David vroeger al. Hij was jaloers op de musjes en de zwaluwen die hun nesten bij Gods altaren legden. En die ware Sionieten daar in Babel ervoeren dat ook zo.

 

Wederbracht – o, wat is dat een uitzien geweest.

Hoe is dat in uw leven, gemeente? Heeft u geprobeerd ervan te maken wat ervan te maken viel, of zegt u: ‘O, de dingen die in mijn leven gebeuren, die laten mij zien dat er een scheiding ligt. Ik ben God kwijt. Al deze dingen overkomen mij vanwege de zonden. Ik weet niet hoe ik uit die gevangenis kan komen.’

Want die gevangenis, ja, daar konden die mensen zichzelf niet uit verlossen. Ze waren niet voor hun plezier zeventig jaar daar in Babel gebleven. De Heere moest hen verlossen. Hij moest er een einde aan maken. En dwars door alles heen heeft de Heere Zijn volk verlost. Niet dat dat voor al die mensen ook een geestelijke verlossing was, want onder degenen die wedergekeerd waren, waren er ook voor wie het alleen maar een uiterlijke zaak was.

Dat kan nu nog zo zijn. Het kan zijn dat uw verbondenheid met de kerk alleen maar een uiterlijke zaak is en dat u niets kent van de inleving God te moeten missen. Dan is het nog een wonder dat u in de kerk mag zitten. Dan is het nog een wonder dat de Heere onderscheid maakt waar geen onderscheid is. Maar dat is niet genoeg. Dan hebt u wel reden om dankdag te houden, reden om Gods Naam te erkennen dat u in Gods huis mag zijn, in tegenstelling tot miljoenen anderen, maar dan kent u niet die geestelijke verlossing. Mensen die die geestelijke verlossing kennen – en die zijn er ook – die hebben vandaag dubbele reden om dankdag te houden: voor de gewone zegeningen, de natuurlijke zegeningen, maar ook voor de weldaden die de Heere gegeven heeft in Zijn huis. Reden om te spreken, reden om te zingen… Dit brengt ons bij onze tweede gedachte:

 

  1. De blijdschap van Sion bezongen

 

Eerst hebben de zangers het over de Heere gehad, en dan gaan ze spreken over zichzelf. Ze zeggen: ‘Toen de Heere dat deed, waren wij gelijk degenen die dromen.’ Hun blijdschap was zo groot – het leek wel of ze droomden!

 

Wat is dat: een droom? Bij een droom twijfel je soms of het wel echt is. Misschien heb je dat ook weleens gehad, dat je 's morgens wakker werd en dat je zo sterk gedroomd had dat je je afvroeg: is het nou echt of niet? Is het nou wél gebeurd of is het nou níet gebeurd? Dat kan je zomaar de hele dag bezighouden.

Werkelijkheid en droom lijken op elkaar. Maar dromen zijn bedrog. Achteraf blijkt dan: nee, het was maar een droom; het was niet echt.

Maar het kan ook andersom zijn. Het kan zijn dat de werkelijkheid zo verrassend is, dat de werkelijkheid zo groot is dat je die niet kunt bevatten en dat je zegt: ‘Het is toch niet waar? Ik droom het waarschijnlijk, want dit is toch onmogelijk?’

 

Gemeente, ik denk aan de oude Jakob. Het scheen hem een droom te zijn. Jozef was al zoveel jaren weg. Hij had Jozefs kleed gezien dat de broers hadden meegenomen. Daar zat bloed aan; Jozef was verscheurd. Maar Jakob kon het niet geloven. Hij is lang blijven hopen dat Jozef nog terug zou komen. En de broers blijven zo gesloten als een pot. O, dat was een stuk in het leven van Jakob.

Jaren later komen die broers terug uit Egypteland en dan zeggen ze: ‘Jozef leeft nog!’ Toen bezweek zijn hart, want hij geloofde hen niet, staat er dan (Gen.45:26). Het was te groot. Het leek een droom. Hij kon er niet bij. Het was zo’n groot wonder. Maar als hij dan de wagens ziet van Jozef, dan moet hij het wel geloven. En dan zegt hij: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve! (Gen.45:28).

Misschien zijn er ook wel mensen in de kerk die een kind missen – de wereld in gegaan, de band met het ouderlijk huis verbroken. Stel je eens voor dat zo’n jongen of meisje vandaag of morgen op de stoep staat – dan geloof je je ogen niet. Dat is zo groot, dat is niet in te denken.

 

Zo was het nou ook met die verlosten uit Babel. Als de Heere de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen, want die verlossing was een Godswonder.

U kent het visioen van Ezechiël wel waarin de Israëlieten in Babel vergeleken worden met dorre doodsbeenderen. Die beenderen liggen daar als het ware verstrooid in een graf. Je kunt eigenlijk niet meer zien dat het een volk is dat bij elkaar hoort. En dan vraagt de Heere aan Ezechiël: Zullen deze beenderen levend worden? (Ez.37:3) Als Ezechiël die beenderen ziet, denkt hij: nee, dat kan niet. Maar als hij naar de Heere opziet, dan weet hij: bij de Hem kan alles. Hij laat het dan ook in het midden en zegt: ‘Heere, u weet het. Ik heb er geen verwachting van, maar bij U zijn alle dingen mogelijk.’

Dus dat volk kwam uit het graf toen het uit Babel kwam; dat is het beeld eigenlijk. Maar dat iemand uit het graf komt, dat kan toch niet? ‘Wij waren als degenen die dromen!’

 

Zo is het ook met de geestelijke verlossing. De Heere verlost mensen altijd door de onmogelijkheid heen en dat gaan Gods kinderen steeds dieper inleven.

De verlossing uit Egypte was een wonder. Ik zei al: dat volk heeft vroeger ook al eens in de gevangenis gezeten. Daar heeft de Heere het vandaan gehaald. Later gaat het volk opnieuw de gevangenis in en de verlossing daaruit is een nog groter wonder.

Vraag het maar aan Gods kinderen die wat geloofsoefeningen mogen hebben. De Heere is in hun leven gekomen en heeft ze uit het diensthuis getrokken. De band met de zonden brak en ze kwamen onder de wolkkolom en de vuurkolom. Dat was een wonder! Maar na ontvangen genade leren ze zichzelf kennen als hardleerse, hardnekkige mensen. Ook als ze iets van de weg der verlossing hebben leren kennen, vallen ze toch weer in dezelfde zonden en verlaten ze de Heere. Dan komen ze met alles in de dood terecht. Als de Heere ze dan gaat verlossen, is dat een dubbel wonder. ‘Wij waren gelijk degenen die dromen.’

 

Gemeente, dat doet de Heere nog. Hij doet wonderen. Mag u op deze dankdag ook zingen van die verwondering? Mag u er iets van kennen? Of is de verlossing geen wonder? Dan is het niet van God! Dat klinkt misschien scherp, maar ik zeg het in liefde. Als de Heere iets doet, dan is het een wonder. ‘Mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij ‘t hebt gedaan.’

De Heere maakt in het stuk van de verlossing de onmogelijkheid tot werkelijkheid. Dat is een wonder dat niet klein te krijgen is. O, dan hoop ik dat er ook in deze gemeente zijn die als het ware uit die droom mogen ontwaken om vandaag dankdag te mogen houden.

‘Waarom was het op mij gemunt, Heere? Ik kan het niet bevatten dat er in de achterliggende periode zegen mocht zijn in Uw huis, dat er tijdens de bediening van het sacrament iets open mocht gaan van de betekenis van de tekenen. Ik kan er niet bij.’

 

Wij waren gelijk degenen die dromen. Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich.

Lachen – mag dat? Jongens en meisjes, mag je lachen? Jawel, want er staat in het Bijbelboek Prediker: Er is een tijd om te wenen, en een tijd om te lachen (Pred.3:4). Dankdag is een tijd om te lachen. Je zou kunnen zeggen: lachen door de tranen heen, de tranen van verwondering.

Ik moet denken aan Sara. Toen haar kind aangekondigd werd, lachte ze, maar dat was een onheilige lach. Dat was een lachen uit ongeloof. Veel mensen lachen uit ongeloof. Dat mag niet. Dat is spottend lachen en dat is zonde. Maar later, toen Izak geboren was, lachte ze anders. Toen zei ze: God heeft mij een lachen gemaakt; al die het hoort, zal met mij lachen (Gen.21:6). Ze legde dat zelfs vast in zijn naam: Jitschak. Daar klinkt eigenlijk de lach in door. Als de Joden dat uitspreken, dan hoor je daar eigenlijk de vreugde in doorklinken. Jitschak – Izak: de Heere heeft mij een lachen gemaakt.

En zo geeft de Heere dat lachen nog aan Zijn kinderen. Dat lachen is anders dan het onheilig lachen van de wereld. De schaterlach van de wereld en de spotlach van de zondaren zal verstommen. Ik hoop dat dát lachen u vergaat in uw leven, want dat zal eenmaal tegen u getuigen. Dat lachen zal tot droefheid worden.

Maar wat zei de Heere Jezus over de vreugde van de bruiloftskinderen? Zullen de bruiloftskinderen treuren als de Bruidegom bij hen is? O, er zijn tijden in het leven van Gods kinderen dat ze niet kunnen treuren. Zouden ze niet lachen als ze zicht mogen hebben op de Bruidegom? Zouden ze niet heilig lachen van geestelijke vreugde? God heeft mij een lachen gemaakt (Gen.21:6). Toen werd onze mond vervuld met lachen.

 

O, jonge mensen, de dienst van de Heere is echt niet een dienst van altijd wenen. Het gaat niet zonder tranen; dat is waar. Maar de tranen die de Heere laat schreien, zijn nuttige tranen. De Heere zegt daarvan tegen zijn discipelen dat die tot blijdschap zullen worden.

Kijk, als een moeder een baby’tje krijgt, dan is dat niet fijn; dan zijn er vaak tranen, want dat doet pijn. Maar die tranen worden tot blijdschap als het kindje geboren is. Als de baby dan op de buik van de moeder ligt, zijn de tranen van het ene op het andere moment weg en is er blijdschap – ik heb dat vaak zo verrassend gevonden. Dan wordt de droefheid vergeten. Dat staat in de Bijbel.

Dus dat zijn nuttige tranen. Zonder die tranen kan het baby’tje niet geboren worden. Om die blijdschap te krijgen, moeten die tranen er zijn. En dat is nou ook zo met die geestelijke tranen, zegt de Heere tegen zijn discipelen. O, dat zijn nodige tranen. Tranen die Gods kinderen schreien, zijn nuttig; die zijn nodig. Maar het zijn tranen die tot blijdschap zullen worden. De Heere zegt: ‘Niemand zal die blijdschap van u wegnemen.’ Dat is geen zondig lachen, maar een heilig lachen.

 

Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich. Het is dus niet alleen aan hen te zien, maar ze gaan er ook over spreken. Ze gaan er ook over zingen. Ze zullen zingen van de wegen des Heeren: ‘Dan zingen zij, in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen.’ Hebt u dat mogen doen in de achterliggende tijd?

Ik denk nog weleens terug aan mijn moeder, die is al meer dan dertig jaar geleden is gestorven. Maar ik weet nog dat mijn moeder vaak aan het psalmen zingen was als ze aan het afwassen of andere dingen aan het doen was. Dan hoorde je precies wat er in haar hart omging. Want weet je, als ze droevig was, dan kon ze geen lofpsalmen zingen. Dat gaat niet. Dan is het net alsof er een brok in je keel zit. En er waren tijden dat ze alleen maar boetpsalmen kon zingen. Dan wist ik als kind wel wat er in het hart van mijn moeder was: dan had ze het niet makkelijk; dan had ze last van haar zonden, of er waren vragen waar ze geen antwoord op had. Je hoorde het terug in de psalm.

Maar er waren ook tijden dat we uit haar mond lofpsalmen mochten horen; dat heb ik als kind ook meegemaakt. Die diepe vreugde als de Heere overkwam, als de Heere tot haar ziel gesproken had – o, dan kon ze het niet op. Dan horen we der vromen tent weergalmen, van hulp en heil ons aangebracht. Dan wordt de Heere grootgemaakt. Dan kun je niet zwijgen. Ouders, dan kun je niet zwijgen tegenover je kinderen. Heb je het in de achterliggende periode weleens gezegd: ‘Kinderen, nou moet ik toch wat vertellen’? Mocht je tong vervuld zijn met gejuich toen je uit de kerk kwam? Als wij dan niet zouden spreken, dan zouden de stenen gaan spreken. Want de Heere zegt: Dit volk heb ik mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes.43:21).

Juichen ze niet te vroeg, die teruggekeerden uit Babel? Het zal blijken dat ze nog heel wat mee zullen maken. Ze hebben niet altijd kunnen lachen. Maar op dit moment is het goed: als de Heere dit doet, dan kunnen ze niet anders dan vreugde bedrijven. Nu hebben ze daar reden voor. Wat er verder nog komt, dat geeft de Heere op Zijn tijd en op Zijn wijze.

 

Er staat in Psalm 22 dat de Heere woont te midden van de lofzangen Israëls. Dus het is Hem aangenaam om dat gezang te horen, dat vreugdegezang over de daden des Heeren, die blijdschap van Sion.

We gaan naar onze derde gedachte: de verwondering der heidenen. Maar voor we daar nog iets over zeggen, gaan we eerst zingen van Psalm 68 de verzen 2 en 5:

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielevreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt den weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn naam is Heer der heren.

 

Uw hoop, Uw kudde woonde daar;

Uit vrije goedheid waart Gij haar

Een vriendelijk beschermer;

En hebt ellendigen dat land

Bereid door Uwe sterke hand,

O Israëls Ontfermer.

De Heer’ gaf rijke juichensstof,

Om Zijne wond’ren en Zijn lof,

Met hart en mond, te melden;

Men zag welhaast een grote schaar,

Met klanken van de blijdste maar,

Vervullen berg en velden.

 

  1. De verwondering van de heidenen bezongen

 

Toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan. Gods werk komt openbaar, gemeente. Daar doet de Heere het ook voor, want het gaat Hem in de eerste plaats om Zijn eer. Daarom werkt de Heere altijd door de onmogelijkheid heen. Hij verlost Zijn volk op zo’n manier dat anderen erover spreken en zeggen: ‘Hoe is het toch mogelijk ... Hier is een wonder gebeurd!’

Dat was toen ook: Toen zeide men onder de heidenen… De heidenen spreken erover. De kerk is in het nieuws, want de Heere is met haar. Hij heeft grote dingen gedaan.

Wonderlijk hoe de Heere werkt: Hij gebruikt de heidenen om de heidenen te verwonderen. Hij heeft de Babyloniërs gebruikt om Zijn volk weg te voeren. Wie had dat gedacht? Niemand had gedacht dat God Zijn volk uit het beloofde land zou laten wegvoeren, dat Hij dat zou toestaan. De Joden dachten: dat gebeurt nooit. Maar de heidenen spraken erover: ‘Moet je eens kijken naar die kerk, wat daar gebeurt.’ O, wat was dat tot oneer van Gods Naam. Wat hadden ze de Heere aangedaan! Hij moest het volk weg laten voeren en Zijn huis moest verbrand worden om dat volk op z’n plek te krijgen. De heidenen spraken er onder elkaar over.

 

Als de kerk zó in het nieuws is, is dat niet best. Wereldse mensen merken dat op. ‘Moet je eens kijken hoe de Heere zich tegen die kerk keert. Moet je eens kijken wat er allemaal gebeurt.’ Als we zó in het nieuws zijn, is dat geen goed teken. Ik hoop dat we op een andere manier in het nieuws mogen zijn, dat de heidenen mogen zeggen: ‘Moet je eens kijken wat de Heere doet met die mensen. De Heere heeft grote dingen aan hen gedaan.’

Je zou een stuk vijandschap verwachten, maar er zit eigenlijk een stuk verwondering in. Vijandschap komt vaak niet van de zijde van de wereld. De meeste vijandschap komt van ex-kerkmensen of van mensen die anders denken op het gebied van geloofszaken. Die mensen lijken vaak zo lievig, maar o, wat zijn ze fel, ontzaglijk fel. Men misgunt de ander eigenlijk de zaligheid. Dat is vanuit de wereld niet zo. De wereld merkt dingen soms eerder op dan wijzelf, ook als de Heere Zijn volk steunt. Dan is men daar verwonderd over. De heidenen zeggen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan.

 

Grote dingen – wat zijn dat? Wanneer is iets groot? Grote dingen zijn dingen die onze handen niet aankunnen, die onze macht te boven gaan. Grote dingen zijn dingen die ik niet begrijpen kan. Zolang ik het nog begrijpen kan, is het niet zo groot. Maar grote dingen zijn dingen die voor de wijzen en verstandigen verborgen zijn.

Grote dingen zijn dus dingen die God doet, dingen waar God de eer van krijgt. De verlossingsdaden des Heeren zijn grote dingen. De heidenen hebben gesproken over de verlossing uit Babel en over de verlossing uit Egypte. Daar heeft het volk zelf ook van gezongen, aan de oever van de Rode Zee: ‘De Heere heeft grote dingen gedaan’, het lied van Mozes en Mirjam. En nu, na de verlossing uit Babel, zingt het volk opnieuw: ‘De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan.’

Wij zijn gevallen mensenkinderen. Wij zijn niet meer in staat tot grote dingen. Bent u daar al van afgebracht? Er is ook heel veel godsdienst die de mens in staat stelt om grote dingen te doen, die hem brengt tot zelfverlossing. Maar de mens is niet meer in staat tot zulke grote dingen, absoluut niet. Ontdekking maakt kleine mensen.

Niet voor niets hebben die mensen zeventig jaar in de gevangenis gezeten. De Heere had ze ook na een half jaar al kunnen verlossen. Waarom heeft de Heere dat niet gedaan? Omdat ze moesten weten dat verlossing Gods werk is. Niemand heeft kunnen zeggen: dat heeft Jozua gedaan, of Zerubbabel. Maar iedereen – zelfs de heiden – moest het zeggen: ‘Dit heeft God gedaan.’

Genade maakt kleine mensen. Genade maakt ootmoedige mensen, mensen die God groot gaan maken en zichzelf gaan verfoeien in stof en as. Dat is het beste plaatsje op de dankdag.

Gemeente, dan mag ik nog preken dat de Heere grote dingen doet voor mensen die in de gevangenis zitten. Is dat geen wonder? Dan mag ik nog preken dat zondaren behouden kunnen worden. Zijn dat geen grote dingen? Is het niet groot dat je dat van zondag tot zondag nog mag horen? Wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God.

Wat een wonder dat dat zaad ook in de achterliggende periode gestrooid mocht worden.

De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan. Die heidenen konden niet zeggen: ‘De Heere heeft grote dingen aan ons gedaan.’ Ze moesten wijzen naar anderen. Aan dezen, aan die kerkmensen, heeft de Heere grote dingen gedaan. Dat strekte tot jaloersheid, net als bij Rachab de hoer. Rachab zag dat de Heere met dat volk was en daarom was ze jaloers op die verspieders. Daar ging wat van uit. Zij wilde ook bij dat volk horen.

 

Een vraag om tot onszelf in te keren, gemeente: wat gaat er van ons uit? Heeft men in de achterliggende periode aan ons kunnen zien dat de Heere grote dingen heeft gedaan? Waar ging het over op uw werk?

Over de artikelen die in de krant stonden? Over meningsverschillen in de kerk? Over verdeeldheid? Over… Ach, wat wordt er allemaal niet gepubliceerd in de krant. Wat valt er ook in het RD veel te lezen waar we ons diep voor schamen moeten. Is dat nou wat wij te vertellen hebben aan deze wereld, al die innerlijke conflicten en afbraak van binnenuit? O, wat missen we toch datgene waar de heidenen van zeggen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan. Dat moet ons in de schuld brengen.

Weet uw collega waarom u vandaag hier in de kerk zit? Hebt u het verteld? ‘O man, ik moet een vrije dag nemen, want er zijn dingen in mijn leven gebeurd waar ik God voor moet erkennen.’ Of weet hij niet eens waar u vandaag bent? Wat gaat er dan van ons uit? Als we terugkomen van vakantie kunnen we daar een hele tijd over spreken met elkaar, maar als het nou over deze dingen gaat? Weet uw collega waarom u een vrije dag nam?

Misschien zijn er ook wel mensen niet naar de kerk gekomen, omdat ze het te veel moeite vonden om een vrije dag te nemen. En dat terwijl de Heere zoveel deed. Kijk, dan is het ook niet raar dat de wereld zegt: ’Die godsdienst van die mensen stelt helemaal niets voor. Die is leeg. Het is een vormendienst.’

 

Het is niet tot Gods eer als de Heere Zijn handen af moet trekken van het kerkelijk leven. Maar o, wat is het groot als je nog eens horen mag dat de Heere grote dingen in een gezin heeft gedaan. Ik hoop dat de broeders dat horen mogen op de huisbezoeken. Dan springt de ziel van de kerkenraad ook op van vreugde als gehoord mag worden: ‘De Heere heeft grote dingen in dat gezin gedaan.’ Die vader is uit de nood gered. Die moeder mocht iets vertellen over hoe de Heere onder de prediking haar vragen oploste toen zij het niet meer wist. Dat zijn grote dingen. Als we uit mogen dragen in de wereld om ons heen dat er een God in de hemel woont Die in Zijn Zoon nog met verloren mensenkinderen van doen wil hebben, dan zijn dat grote dingen. Dat er een Heere in de hemel is Die omwille van Zijn verbond nog verlorenen verloste die zichzelf niet meer konden verlossen, dat wonder merken de mensen op.

Daar zitten onze jongens en meisjes ook zo op te wachten, om daar iets van te mogen horen. De krant spreekt van kerkverlating. Wat horen onze jongens en meisjes nog van die grote dingen? Als je daarover niet kunt vertellen, dan kun je dat natuurlijk ook niet uit je mouw schudden. Dat moet u ook absoluut niet doen. Maar laat het dan eens nood mogen worden vandaag. ‘Heere, ik hoor dat U wonderen doet, geestelijke wonderen, en ik ken ze niet. Maar zou U het ook mij willen doen? Ik kan niet buiten U. Ik kan niet zonder U.’

 

Volk des Heeren, de Heere is de Verbondsjehova, de Onveranderlijke. Dat wordt steeds groter, of niet? Toen God voor de eerste keer in uw leven kwam, was dat groot, maar het wordt almaar groter. Waarom wordt het groter? Als ik steeds meer mezelf leer kennen, dan zal de verwondering alleen maar toenemen.

Daar geve de Heere iets van op deze dankdag. Laten we de hand maar in eigen boezem steken. Ik hoef niet naar u te wijzen; ik heb genoeg aan mezelf. Maar dat wil niet zeggen dat ik het niet moet preken. Ik hoop dat u er ook mee tot uzelf mag inkeren, zodat de heidenen zullen zeggen: ‘Heb je het al gehoord? De Heere heeft grote dingen aan deze gedaan.’

 

Amen.

 

Slotzang: Psalm 66 vers 8

 

Komt, luistert toe, gij Godgezinden,

Gij, die den Heer’ van harte vreest,

Hoort, wat mij God deed ondervinden,

Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest.

‘k Sloeg heilbegerig ’t oog naar boven,

Ik riep den Heer’ ootmoedig aan;

Ik mocht met mond en hart Hem loven,

Hem, die alleen mij bij kon staan.