Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 23

De rechtvaardiging door het geloof

Het nut van het geloof
De inhoud van het geloof
De waarde van het geloof
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 69
Lezen : Romeinen 3: 21 - 31
Zingen : Psalm 130: 2, 3 en 4
Zingen : Psalm 103: 2 en 6
Zingen : Psalm 32: 1

Gemeente, wij lezen met elkaar Zondag 23 uit onze Heidelbergse Catechismus.

 

Vraag 59: Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?

Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam des eeuwige levens.

Vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Antwoord: Alleen door een waar geloof in Jezus Christus; alzo dat, al is het dat mij mijn consciëntie aanklaagt dat ik tegen al de geboden Gods zwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds tot alle boosheid geneigd ben, nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht die Christus voor mij volbracht heeft, zoverre ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

Vraag 61: Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt? Antwoord: Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

 

Gemeente, deze zondag spreekt over

De rechtvaardiging door het geloof

 

Naar aanleiding van de drie vragen met de bijbehorende antwoorden letten we op drie punten:

1. Het nut van het geloof

2. De inhoud van het geloof

3. De waarde van het geloof

 

Gemeente, aan het begin van een jaar gebeurt het wel, dat mensen met een zaak moeten balansen. Dan bepalen ze wat er nog voorradig is met het doel om de winst van dat jaar vast te stellen. Zondag 23 maakt ook de balans op.

 

Welke rekening? De Twaalf Artikelen zijn uitgebreid aan de orde geweest in de voorgaande Zondagen. Stuk voor stuk hebben ze het licht laten schijnen over het werk van de Vader, het werk van de Zoon en het werk van de Heilige Geest.

Nu dit apostolische belijden helemaal is uitgewerkt, komt de vraag aan de orde: ‘En wat is de winst ervan?’ We gaan overdenken wat het nut, wat de vrucht daarvan is.

 

Het is noodzakelijk, dat we ons de vraag stellen:

Wat baat het u?

We gaan naar het antwoord luisteren:

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam van het eeuwige leven.

 

Het geloof in God de Vader, in Zijn schepping en voorzienigheid, het geloof in God de Zoon en in wat Hij deed om zondaren zalig te maken en het geloof in God de Heilige Geest en Zijn kerkvergaderende werk en Zijn werk in de harten van mensen, geeft de heerlijkste baten.

Wat een schitterende inhoud heeft dit antwoord! Je kunt het van alle kanten bekijken en dat zullen we ook doen.

 

Weegt u het maar mee:

Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.

Dat is wat! Ik ben rechtvaardig voor God. Met andere woorden: ik mag God weer recht in de ogen kijken; ik hoef mijn ogen niet neer te slaan. Ik heb van God, als Rechter, niets meer te vrezen. En dat niet alleen, maar ik ben zelfs een erfgenaam van het eeuwige leven. Zo zegt de Catechismus het.

Ik mag weten, dat ik straks, als kind van God, voor eeuwig op de nieuwe aarde mag zijn, in de nieuwe schepping, om God te loven en te prijzen. Hij zal mij tot een Vader zijn en ik zal Hem tot een dierbare zoon of dochter zijn. Dat is even wat!

 

Ja, het is nog rijker. Laat de klemtoon maar eens op het woordje ‘ben’ vallen: dat ik rechtvaardig ‘ben’ voor God en een erfgenaam ‘ben’ van het eeuwige leven. Het gaat niet om iets in de toekomst, om iets wat nog gebeuren moet, maar om wat er nu al is.

Ik ben rechtvaardig voor God. Er staat niet: straks word ik rechtvaardig voor God. Nee, in Christus ben ik het nu.

 

Er staat niet, dat ik rechtvaardig gemaakt ben, maar dat ik rechtvaardig ben. U moet hier denken aan het woordje ‘toerekenen’. Dat betekent in de Bijbel: iemand houden voor wat hij niet is. God houdt mij voor rechtvaardig, maar ik ben dat niet in mijzelf.

De Heere maakt een mens niet rechtvaardig, maar Hij verklaart een mens rechtvaardig. Dat is de centrale gedachte van deze Zondag. Hij verklaart rechtvaardig.

Hij houdt mij voor rechtvaardig in Christus en dat verklaart Hij in de belofte van het Evangelie. Door Zijn Geest eigent Hij dat toe en brengt Hij het hart van een zondaar tot rust en overgave aan Hem. Hij brengt het tot de zekere wetenschap, dat ik rechtvaardig ben voor God in Christus. Ja, alleen in Hem.

 

Wat een prachtig antwoord: dat ik rechtvaardig ben voor God en door God!

Voor mensen kun je je nog wel een beetje goed houden en een beetje vroom praten. Maar de Heere kijkt dwars door ons heen, tot in het diepst van ons hart. En voor die alwetende God ben ik rechtvaardig.

Weer valt de klemtoon anders. Er staat: dat ‘ik’ in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.

Wie is die ‘ik’? Daar bent u inmiddels wel nieuwsgierig naar. Natuurlijk! Want als het over zulke heerlijke zaken gaat, dan is het belangrijk of ‘u’ die ‘ik’ bent.

Wie is die ‘ik’?

 

Gemeente, dat is niet moeilijk om uit te leggen, want dat is namelijk de christen uit Zondag 1. Ik kan het nog anders zeggen. Hij heeft zich leren kennen zoals dat beschreven staat in de Zondagen 2 tot en met 5. Daar is geschilderd wie de christen is. De oprechte gelovige kan alleen maar zeggen: ‘Ik spreek de Catechismus na, dat ik van nature geneigd ben om God en mijn naaste te haten.’ Hij kan alleen maar beamen, dat God hem de eeuwige straf zou moeten geven.

En hij toch mag hier uitroepen, dat hij in Christus voor God rechtvaardig is en een erfgenaam van het eeuwige leven. Hij en zij, ze hebben recht op het eeuwige leven. Is dat niet heerlijk?

Die persoon, hij of zij, die moet belijden goddeloos te zijn, mag hier zien, dat hij in Christus voor rechtvaardig gehouden wordt. Die de eeuwige dood verdiend heeft, mag hier roemen in het eeuwige leven.

 

Nou, daar willen we wel wat meer van weten. Dat voelt de Catechismus ook en daarom volgt er nog een tweede vraag. Dat is niet omdat het eerste antwoord niet voldoende is of te kort. Nee, de formulering van dit antwoord is allesomvattend. Dat er nog een vraag volgt, is alleen maar om het nog duidelijker te maken en nog wat dichter naar ons toe te brengen.

Let maar op vraag 60: Hoe zijt gij rechtvaardig voor God? Dat is niet alleen maar een technische vraag van hoe alles in elkaar zit, maar in dat woordje ‘hoe’ klinkt ook een stuk verwondering. Hoe is het mogelijk, zo wil de vragensteller zeggen, dat een mens, die de eeuwige straf verdiend heeft, toch rechtvaardig is voor God?

 

In de oorspronkelijke versie staat ‘coram deo’, dat betekent: in de tegenwoordigheid van God. Ik ben rechtvaardig voor God, zelfs als ik direct in Gods heilige tegenwoordigheid word geplaatst. Dat is toch onmogelijk? Hoe kan ik, daar God geen zonden kan zien en dwars door me heen ziet, rechtvaardig zijn voor God? Wie durft te beweren, met God als Getuige, dat God dan helemaal niets meer op je aan te merken heeft, als je voor Zijn troon staat?

Gemeente, dat is voor een ontwaakt geweten ook een onmogelijkheid. Hij kan God juist helemaal niet recht in de ogen kijken en ziet ook geen hoop op verbetering.

En toch is het mogelijk volgens de Catechismus. Hoe dan? Wel, daar gaan we nu over nadenken. Na de vraag over het Nut van het geloof, komt ons tweede punt.

 

2. De inhoud van het geloof

 

In vraag 60 wordt gevraagd:

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?

Het antwoord daarop luidt:

Alleen door een waar geloof in Jezus Christus.

 

Een ‘waar’ geloof, een oprechte geloof is waar Zondag 7 uit onze Catechismus over spreekt. Een echt geloof is het geloof, dat de Heilige Geest werkt, dat de vergeving omhelst als een geschenk van God.

Dat kan ik niet opbrengen. Maar dat hoeft ook niet, want de Bijbel zegt: ‘Het geloof is een gave van God.’ De Heere wil het geven. Vraag er maar om.

En wat doet dat geloof? Laten we daar maar eens op letten, want ook in ons midden zijn er mensen, die ermee tobben of hun geloof wel echt is.

 

Wat is een echt geloof? Dat is het geloof, dat Christus omhelst als een Geschenk van de Vader.

Dat betekent natuurlijk niet dat dat het eerste is wat we ons bewust worden van het geloof. Daarover heeft de Catechismus ons al uitgebreid onderwezen. Lees het maar vanaf het begin. Dan zie je, dat de Geest overtuigt van zonde. En dat niet zomaar, nee, Hij laat ons ontdekken - zo belijdt onze Zondag - dat we tegen al Gods geboden zwaarlijk gezondigd hebben en geen van die gehouden hebben. Daar weet het geloof van.

Ellendekennis is geen doel op zich, maar langs die weg drijft de Heilige Geest tot de vraag: ‘Is er dan nog een middel om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?’ Ja, dat middel is er en dat laat de Geest u onder de verkondiging van het Evangelie zien.

 

Hebt u dat weleens gezien toen u neerzat in Gods huis onder de lieflijke klanken van het Evangelie? Toen het Woord openging, toen de Naam van de Heere Jezus grootgemaakt werd en u iets van Zijn gewilligheid, verdienste en diepe liefde mocht zien, ging er toen een straaltje van hoop gloren in uw hart? Dat kan soms heel schuchter en stil zijn, maar het is toch een hoop die groeit en gloort.

‘O God, kan ik dan nog zalig worden?’ Is dat de vraag van uw leven? ‘Is er nog een middel om de straf te ontgaan?’ Dan ga je zien, door de verlichtende werking van de Heilige Geest, dat de Heere God Zijn Zoon, de Zaligmaker, aanbiedt aan mensen, die het helemaal niet verdiend hebben. Hij biedt Zijn genade aan tollenaren en zondaren aan.

 

Dan gaan we ontdekken, dat er bij God, Die zo heilig, groot, rechtvaardig en heerlijk is, vergeving is. Bij de Heere is vergeving opdat Hij gevreesd wordt, opdat we Hem gaan dienen. Dan ga je graag naar de kerk en kom je graag onder het Woord, dan gaat je Bijbel open.

En telkens opnieuw als de Heere naar je toe komt in Woord en Geest, groei je als het ware heel voorzichtig naar Hem toe. Je ontvangt dan vrijmoedigheid in je hart om de Heere Jezus aan te raken zoals die bloedvloeiende vrouw. Je gaat meer en meer je armen naar Hem uitstrekken. Er zijn dan weleens momenten, dat we Hem mogen omhelzen, als we zien, dat Hij de van God geschonken Zaligmaker is.

 

Dat is de werkzaamheid van het geloof. Maar hoe is dat dan? Voelen de gelovigen zich dan opeens rechtvaardig? Voelen ze zich dan zodanig, dat het voor hun duidelijk is dat ze Jezus mogen aannemen? Nee, dat niet, de Heere leert hen juist, dat ze goddelozen zijn.

Dat wil het antwoord ons hier duidelijk aangeven: Mijn consciëntie klaagt mij aan. Mijn geweten zegt tegen mij: ‘Je hebt gezondigd, jij bent goddeloos.’ Er staat bij: Dat ik tegen al de geboden van God zwaarlijk gezondigd heb en geen daarvan gehouden heb.

Ook al ben ik voor de uitleving van allerlei grove zonden bewaard, toch sta ik schuldig aan al de geboden. Er is geen gebod waartegen ik niet ernstig gezondigd heb met gedachten, woorden of werken.

Dat is wat mijn geweten, mijn consciëntie steeds weer zegt en waar hij me over aanklaagt. Ik kan er niets tegenin brengen, want het is waar. Ik moet ervoor vallen. Bij ieder gebod moet ik mijn hoofd buigen. Het ware geloof buigt voor ieder gebod.

 

De Catechismus zegt dat ik nog steeds tot al die boosheid geneigd ben. Daar zit dit in, gemeente: je wilt het niet meer doen, maar je bent er wel toe geneigd.

Het wil niet zeggen, dat je het altijd doet, de Heere bewaart je ervoor. Er is een strijd in je leven tegen de zonde en tegen al de dingen, die God bedroeven en mishagen.

De belijdenis van een gelovige is:

‘O Heere, ik ben nog steeds geen draad beter. Ik ben nergens te goed voor. Geef me toch niet over, Heere, aan de dwaasheid van m’n eigen hart. Laat mij niet los, Heere, houd me vast. Er zit geen verbetering in mij. Ik kan niets kunnen doen om mijn schuld verminderen.’

 

En toch ben ik rechtvaardig voor God. Hoe kan dat? Ja, dat is het geheim van Zondag 23. Dat is het geheim van de rechtvaardiging door het geloof. Hoe kan dat? Wat heb je daar dan voor gedaan? Niets, maar God heeft wat gedaan, want zo zegt het antwoord:

Nochtans God.         

Nadat we gezien hebben wie de mens is, dat zijn consciëntie hem aanklaagt, dat hij tegen al Gods geboden gezondigd heeft en geen van die gehouden heeft, nadat we dat gezien hebben, gaat de vinger omhoog. Kijk eens naar God! 'Nochtans God.’ Gemeente, het woordje ‘nochtans’ is echt louter genade. Het is niet te geloven en toch is dat de onmogelijke mogelijkheid bij God vandaan.

Nochtans schenkt God, zonder enige verdienste mijnerzijds, uit louter genade mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus.

Hij rekent mij die toe. Deze zin geeft redding, waar vanuit mij gezien geen redding meer is. Er is een wending. Alle dingen nemen een keer en dat enkel en alleen omdat God de wissel omzet.

 

Om dat uit te leggen en te verwoorden heeft de Catechismus een heleboel woorden nodig: woorden van aanbidding, woorden die diepe gedachten oproepen.

God gaat de gerechtigheid en heiligheid van Christus schenken. Waarom? Zonder enige verdienste van mij, maar uit louter genade.

Als ik het vanuit mezelf bekijk, kan ik alleen maar zeggen:

‘Ik heb geen enkele verdienste. Ik sta schuldig aan al Gods geboden. Ik heb het er niet naar gemaakt, dat God mij de zonde vergeeft.’

Zeg ik het bij de Heere vandaan, dan mag ik zeggen:

‘Dit alles geschiedt uit louter genade, uit pure genade, alleen vanuit het erbarmen van God in Christus.’

Gemeente, dat is de ruimte van het Evangelie, ook in deze Zondag over de rechtvaardiging.

 

Er doet geen enkele voorwaarde, verdienste of werk van ons mensen mee.

Nee! ‘Nochtans God’, uit louter genade. En wat gebeurt er dan?

Wel, lees maar verder:

Hij schenkt mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus en die rekent Hij mij toe.

Dat is een sleutelwoord als het gaat over de rechtvaardiging van het geloof, namelijk de toerekening van wat Christus heeft verworven. God doet het enkel om Christus’ wil.

Hij heeft de genoegdoening gegeven, Hij heeft de toorn gedragen.

We zien Hem hangen aan het kruis met uitgebreide, vastgenagelde armen.

We zien Hem het hoofd buigen, we zien de doornenkroon op Zijn hoofd en de door gesels opengeslagen, bloedende rug.

We horen Hem zuchten: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?

Wel, omdat Hij mijn zonde droeg en ik nooit meer van God verlaten zal worden ‘om Jezus’ wil’.

Hij heeft Gods Wet gehouden en verheerlijkt om het eeuwige leven te verdienen, om tegen u, die zondaar bent en de dood hebt verdiend, te zeggen: ‘U krijgt een recht op het eeuwige leven.’

En wat doet de Heere? Nu komt die zalige ruil, waarvan Luther in aanbidding heeft uitgeroepen ‘Heere Jezus, we hebben geruild, we hebben geruild. Ik krijg Uw gerechtigheid en U krijgt mijn zonden’.

 

God heeft Christus aangezien alsof Hij een onverbeterlijke zondaar was en nu beziet Hij mij alsof ik Christus ben. God heeft Christus alles toegerekend. God heeft Hem gehouden voor wat Hij niet was, namelijk een zondaar. Dat doet de Heere nu ook met een goddeloze, die gerechtvaardigd wordt door het geloof. Hij houdt hem of haar voor een mens, die niets meer te betalen heeft, die Hij recht in de ogen kan zien, die in Christus is, zoals Hij hem hebben wil.

 

Let eens op het verband tussen de aanklacht tegen ons en wat God doet.

Drie dingen corresponderen precies met de aanklacht van het geweten.

Het eerste was de overtreding van Gods geboden, waarop de doodstraf staat en daar correspondeert de voldoening mee.

Toen volgde op het feit, dat ik niet één gebod gehouden heb noch daaraan beantwoord heb, de gerechtigheid van Christus. Hij heeft al de geboden gehouden en verheerlijkt.

En als derde wijst het geweten op de inwendige verdorvenheid. Ik ben tot alle boosheid geneigd. En daar staat nu Christus’ heiligheid tegenover.

Wat ik mis, heeft Christus voor mij en nu wordt het Zijne mij toegerekend, namelijk dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben. Dat gebeurt met degene die in Christus Jezus is. In Christus ziet God de gelovige aan en ziet Hij ze verenigd met Christus als een lidmaat van Zijn lieve Zoon.

 

Hoe ziet de Heere u? Wel, in Adam ziet de Heere u en mij als een kind van Adam, maar in Christus ziet Hij mij als een lidmaat van Christus. En dat betekent, zo zegt hier de Catechismus:

Als had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft.

God ziet mij aan alsof ik geen enkele inwendige verdorvenheid heb, alsof ik tegen niet één gebod van God gezondigd heb, maar die juist volmaakt gehouden heb.

Ongelooflijk, gemeente! Vindt u dat ook niet? Het is niet te begrijpen en toch is het zo.

Ik kan voor Gods heilig recht bestaan omdat Christus’ gerechtigheid en heiligheid mij zijn toegerekend. Hierin ligt de vrede. De apostel schrijft: ‘Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus.’

Dit mag ik weten: ‘Ik ben in Christus rechtvaardig voor God.’ Dat is even wat en dat voor iemand, die moet buigen en bukken, die bij zichzelf zoveel zonde ziet, die niet een dag zonder zonde leven kan! En zo’n zondaar ziet God nu aan in Christus.

 

Als God zo’n mens ziet, dan zegt Hij:

‘Die is heilig, rechtvaardig, er is niets op hem of haar aan te merken. Hij of zij is volkomen in overeenstemming met Mijn heilige Wet. Ik geef hem of haar het recht op het eeuwige leven.’

Wat is dat rijk! Ik heb geen straf, geen dood, geen hel te vrezen. God is niet meer mijn Rechter, maar mijn Vader.

Wat een wonder! Wat een vrede! Wat een blijdschap! Hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog. Het is in orde met God. Hier mag Paulus jubelen: ‘Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

 

En zo is het genade alleen. Vindt u dat niet rijk? Zou u niet graag willen, dat de Heere u ook zo aanziet in de Heere Jezus Christus? Verlangt u ernaar, dat de Heere ook van u kan zeggen dat u volmaakt en goed bent? ‘Ja’, zegt u, ‘dat zou ik graag willen. Ik zou graag willen komen tot die vrijmoedigheid en die vrijheid, maar hoe moet dat?’ Wel, er staat tenslotte - en dat is de schakel om dat heil naar ons toe te brengen, of beter gezegd om dat heil te mogen ontvangen en naar ons toe te halen - in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem.

 

De frase ‘in zoverre’ betekent in de Latijnse tekst: indien, althans.

Indien, dus dat is zo. God ziet mij zo aan in Christus, dat ik geen zonde gekend of gedaan heb, dat ik al de geboden volbracht heb. Er is niets meer tussen God en mij. Ik ben blank, rein en rechtvaardig voor God.

Dat is zo, indien ik deze weldaad van de rechtvaardiging met een gelovig hart aanneem.

 

Het komt dus aan op het geloof. De rechtvaardiging is enkel en alleen door het geloof. Het is een aannemen met een lege hand, maar wel met een gelovig hart. Dat betekent: met een hart dat vol is van levend geloof.

Het geloof functioneert zowel met het hart als met het verstand, zowel met het gevoel als met de hersenen.

Ja, de Geest grijpt het centrum van ons bestaan en Hij schenkt de vrijmoedigheid om de Heere Jezus, Die zo dierbaar in het Evangelie naar ons toekomt, te omhelzen. Dat beeld is gewoon uit ons natuurlijk leven genomen.

Dat snappen onze jongens en meisjes ook. Als je bij elkaar bent en je voelt echt liefde in je hart tot de ander en je bent heel dicht bij elkaar, dan sla je de armen om de ander heen. Je trekt de ander naar je toe en omhelst hem.

 

Nou, daar is dat woordje omhelzen vandaan gehaald. Guido de Brès legt dat uit in de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dan kan de Heere Jezus zo dicht bij je zijn en zo dierbaar voor je zijn, dat je hart sneller begint te kloppen, dat je denkt: ‘Heere Jezus, ik houd van U. Ik leef voor U, ik kan niet meer zonder U.’ Dan komt Hij naar je toe en - om het zo maar eens te zeggen - dan sla je je armen om Hem heen.

Je haalt Hem naar je toe en zegt:

‘Wat een eeuwig wonder, dat U de eeuwige dood wilde ingaan om mij het eeuwige leven te schenken. Ik kan niet meer zonder U. Blijf toch bij me en houd me vast. Bewaar me, dat ik niet meer van U afdwaal.’

Dat zijn van die heerlijke momenten! Ik hoop, dat u die kent. Dat is nu het omhelzen van Hem, het aannemen van Hem. En dat komt voort uit een hart, dat vol geloof en liefde is.

 

 

Met de uitdrukking ‘Jezus aannemen’ hebben sommige mensen moeite, maar het is wel helemaal Bijbels. Het gaat om ‘aannemen’ en het gaat nog vanzelf ook.

Al gaat het door de worsteling heen en al zijn er momenten waarop je zegt: ‘Ja, maar mag ik dat wel en heb ik daar wel recht op?’ Toch gaat het om ‘aannemen’ van wat God schenkt. Het gaat om ‘aannemen’ uit de uitgestoken hand van God. Een gelovig omhelzen van Christus kan alleen omdat God deze Zaligmaker gegeven heeft.

 

Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.

Vanuit dat geven, vanuit die schenking mogen we Hem aannemen met een gelovig hart. Zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.

Dat is de duidelijke taal van de Schrift. We moeten wel met twee woorden spreken. Dat doet de Catechismus ook. Je mag Hem met een gelovig hart aannemen, niet als een verstandelijke conclusie, ook niet alleen maar met je gevoel.

Gemeente, dat is het werk van de Heilige Geest. Een geloof, gewerkt door de Heilige Geest, raakt ons tot in de wortels van ons bestaan. Het is een geloof, dat amen zegt op Gods oordeel over de natuurlijke mens.

Vlucht daarom naar de uitgestoken hand van God, die Christus aanbiedt in de belofte van het Evangelie. De Geest is het, Die ons ertoe drijft om het aan te nemen.

 

De Geest laat ons zien, dat God Zijn Zoon uit louter genade aanbiedt, zonder enige verdienste. In die omhelzing van Christus ben ik rechtvaardig voor God. Ik hoef me niet vrij te pleiten, maar ik word vrijgesproken.

Ik denk aan Christen uit de Christenreis van Bunyan. Hij ging op reis met het zware pak van zijn zonde op zijn rug en hij kwam op een gegeven moment aan de voet van het kruis. Toen hij daar kwam en opzag tot de gekruisigde Christus, Die als het Lam Gods de zonde der wereld had weggedragen, toen rolde het pak van zijn rug en het verdween voor altijd in het graf. Het pak van zijn zonde was voor eeuwig weg, het kwam nooit meer terug.

 

En u, die tobt met de toe-eigening, onderzoek of u misschien niet probeert te ontdekken of u rechtvaardig genoeg bent om het aan te nemen. Het geheim van het aannemen bestaat niet in iets wat u hébt. Integendeel, de rechtvaardigen hebben een geweten, dat hen aanklaagt dat ze tegen al Gods geboden gezondigd hebben. Die aanklacht raken we alleen maar kwijt door de omhelzing van Christus.

Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op de weg vergaat, zegt de dichter van Psalm 2. U mag deze van God gegeven Zaligmaker, Die gewillig is om u zalig te maken, aannemen uit de hand van God, om zo met God verzoend te worden, om zo een kind van God te worden en een erfgenaam van het eeuwige leven.

Is dat niet rijk?

 

Voor we verder gaan met De waarde van het geloof, zingen we eerst over de vergeving der zonden uit Psalm 103 : 2 en 6

 

Loof Hem, Die u, al wat gij hebt misdreven,

Hoeveel het zij, genadig wil vergeven;

Uw krankheên kent en liefderijk geneest;

Die van ’t verderf uw leven wil verschonen,

Met goedheid en barmhartigheên u kronen;

Die in den nood uw Redder is geweest.

 

Zo hoog Zijn troon moog’ boven d’ aarde wezen,

Zo groot is ook voor allen die Hem vrezen,

De gunst waarmee Hij hen wil gadeslaan.

Zo ver het west verwijderd is van ’t oosten,

Zo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten,

Van ons de schuld en zonden weggedaan.

 

3. De waarde van het geloof

 

Gemeente, het gaat in Zondag 23 tenslotte nog over De waarde van het geloof.

In vraag 61 wordt gevraagd:

Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?

Het antwoord daarop luidt:

Niet dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is, en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

 

De zaligheid is in Christus. Dat hebben wij in onze vorige gedachte gezien. De zaligheid is in Hem gereed. Hij heeft alles gedaan. Wie in Christus gelooft, Hem ontvangt, aanneemt en omhelst, die is in Christus rechtvaardig voor God.

In vraag 61 wordt nog aan de orde gesteld wat precies de functie is van het geloof. De vraag concentreert zich nu niet zozeer op het woordje ‘geloof’, maar de vraag legt het accent op het volgende: ‘Waarom nu alléén door het geloof?’

Hoe zit dat?

Deze vraag is niet overbodige, want het is helemaal niet denkbeeldig, dat aan het geloof een verdienste wordt toegekend. Maar als dat gebeurt, dan is het geen echt geloof. Dan heb je te maken met schijngeloof en dat wordt hier ontmaskerd. Schijngeloof kent wáárdigheid toe aan het geloof. Dat maakt van het geloof een werk en dat kan op allerlei manieren. Dat kan licht en dat kan zwaar, dat kan op een hele rechtzinnige manier en op een verbondsmatige manier.

 

Wat dat eerste betreft: alleen door het geloof. Ja, dat moeten we wel zeggen, want de Bijbel zegt het en de belijdenisgeschriften zeggen het. Veel mensen denken: ‘Ja, maar eigenlijk kan het niet zoals het daar staat.’ Er moet nog een achterdeurtje geopend worden om nog het een en ander binnen te halen.

Een mens moet toch eerst ernstig berouw hebben over zijn zonden, nietwaar? Ik zeg niet, dat we geen berouw moeten hebben, hoor! Maar berouw is geen werk van ons, maar een vrucht van het geloof. Anders wordt alles voorwaardelijk en moeten wij iets doen. Dan moeten wij iets hebben en als dat eenmaal gebeurd is, als wij iets hebben en iets gedaan hebben, dan mogen we naar God gaan en hebben we recht op genade. Dan zullen we gerechtvaardigd worden.

Ziet u de dwaling? De som van allerlei opgedane ervaringen zou de mens het recht geven om naar God te gaan, om genade te mogen ontvangen. Dat kan niet, want continu worstel je dan met het probleem of het wel echt bij je is, of je zondenkennis wel echt en diep genoeg is en zo loop je steeds weer vast. Alle geloofszekerheid en vrijmoedigheid wordt dan gemist. Dat is onschriftuurlijk.

 

Je hebt aan de andere kant mensen, die hier het spoor bijster raken. Ik noem ze de verbondsmatigen. Zij zeggen: ‘O, maar daar hebben wij geen last van, hoor! Wij houden ons met zulke dwaze dingen niet bezig. Integendeel, het gaat alleen om het geloof.’

Maar, weet u, het gaat mis als we het geestelijk geheim van het geloof niet verstaan. Het gevaar is dat we dan in het geloof verdiensten leggen. Als dat gebeurt, ja, dan is het geloof niet meer een gave van God, maar meer een prestatie van de mens. Je kunt met gloed preken, dat Christus alles heeft gedaan, maar je moet het wel geloven.

God heeft Zijn prestatie geleverd en nu moet de mens met zijn geloof komen. God is nu zo’n eind over de brug gekomen naar ons toe, nu moeten wij, met eerbied gezegd, een klein eindje Hem tegemoet komen door te geloven. ‘Je moet wel geloven,’ wordt er dan gezegd.

 

Ik zeg natuurlijk niet, dat je niet geloven moet. Het is heel gevaarlijk om zo eenzijdig de nadruk te leggen op het geloof, alsof dat uit de mens voortkomt. Op deze wijze gaat ons geloven waardigheid krijgen, alsof ieder willekeurig mens het geloof tevoorschijn kan toveren om vervolgens dat geloof in te ruilen bij God voor de gerechtigheid van Christus.

Dat is geen nieuwe gedachte. Zo dachten ook rooms-katholieke theologen in de tijd van Calvijn. Het begint in en met de mens; de mens moet beginnen met te geloven. Ook de Remonstranten leerden dat. Zij zeiden: ‘De mens moet eerst geloven en dan zal God dat geloven belonen met de vergeving.’

Zo is geloven een menselijke prestatie geworden en is het niet langer goddelijke genade.

 

Dat is een vergissing, lees maar mee in het antwoord. Daar staat:

Niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben.

Wij moeten van het geloof geen verdienstelijk werk maken, betekent dat. Dat kan ook niet. Wie kan het geloof beoefenen vanuit zichzelf? Ja, je kunt je nog voorstellen dat dat kan met een historisch geloof, een tijdgeloof of met een wondergeloof. Maar het gaat hier over het ware, oprechte, zaligmakende geloof. Gemeente, dat kan ik niet voortbrengen en u ook niet. Paulus schrijft daarvan in Efeze 2 vers 8: ‘Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave.’

 

De rechtvaardiging is wel door het geloof, maar niet om het geloof.

De Catechismus zegt:

Niet dat ik vanwege de waardigheid van mijn geloof Gode aangenaam ben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is en dat ik die niet anders dan door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

Daar ligt de functie van het geloof. Geen oprecht gelovige zal roemen in zijn eigen geloven. De grond, het voorwerp, het geheim is de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus. Die zaken rekent God mij toe en daarin ligt de grond van mijn redding. Die zaken vormen mijn gerechtigheid voor God. Daar strekt het geloof de armen naar uit.

 

De hand van het geloof is net zoals de hand van een bedelaar. Die hand kan alleen maar iets aannemen. Op zich heeft die lege hand geen enkele waarde en maakt die lege hand een mens niet rijk, maar wat erin gelegd wordt, daar gaat het om.

Zo is er dus geen enkele reden om ons te beroemen op ons geloof. Het is niet uit ons, het is Gods gave.

 

Maar, gemeente, u moet niet denken: ‘Nou, dan blijf ik maar zitten tot ik het krijg.’

Nee, want dat is de andere kant, dat is valse lijdelijkheid. De Bijbel zegt: ‘Bekeert u en gelooft het Evangelie.’ Het is Gods gave, het is bij Hem te krijgen. U mag erom vragen en Hij wil het u schenken.

Wie in de nood zit van te moeten geloven en het niet te kunnen, die mag bij de Heere komen en zeggen: ‘Ach, Heere, schenk het me maar, geef het uit louter genade, om de verdienste van Christus’ wil.’

Nee, ons geloof maakt ons niet zalig. Jezus maakt zalig, maar wij ontvangen de weldaden, wij omhelzen Hem door het geloof. Daarom is het geloof onmisbaar. Door het geloof mag Christus worden aangenomen en past de Heilige Geest de verdienste toe aan de zondaar.

 

De rijkdom van Christus wordt ons verkondigd in de belofte van het Evangelie. Daarin leert het geloof Hem aan te nemen uit de hand van de Vader. Waar Christus omhelsd wordt door het geloof, daar is de rechtvaardiging, daar is de vrijspraak. Dat is onlosmakelijk gekoppeld aan het geloof.

Waar een zondaar gelooft, daar is rechtvaardiging en waar rechtvaardiging is, daar is geloof. Christus wordt door de Vader geschonken in de belofte van het Evangelie en door het geloof aangenomen.

 

En iedere keer als we door het geloof de Heere Jezus omhelzen en aannemen, vindt er vrijspraak plaats. Dan wordt er vrede genoten en blijdschap gesmaakt. De zekerheid wordt in ons hart gewerkt door de bediening van de Heilige Geest.

Dan heb ik het over onze ervaring. Dat maakt nooit grote mensen, die prat kunnen gaan op hun rechtvaardiging als een soort status om zich op te verheffen. Nee, dat is veeleer een reden tot ootmoed en dankbaarheid.

 

Dit rechtvaardigend geloof bezitten alleen Gods kinderen. Maar allen die dat geloof hebben en beoefenen, delen ook werkelijk in de vergeving der zonden.

Het maakt niet uit of je behoort tot de kleinen in de genade, zoals we dat wel eens noemen, of dat je er al meer van geleerd hebt.

Elk die Hem vreest, hoe klein hij zij of groot,
Wordt van dat heil, die weldaân, deelgenoot.

‘Het geloof is’, zo zeggen onze vaderen, ‘rechtvaardigend van aard. Het heeft altijd de rechtvaardiging in zich.’ Het levende geloof is werkzaam, het neemt aan, het eigent toe.

 

Het valt op, dat de woorden ‘aannemen’ en ‘toe-eigenen’ een antwoord zijn op de eerder genoemde woorden ‘schenken’ en ‘toerekenen’ van antwoord 60.

Schenken en toerekenen doet God.

Aannemen en toe-eigenen doen wij door genade.

En deze toe-eigening is niet anders dan de gelovige aanvaarding van de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus.

Zo heeft de Reformatie gesproken over de rechtvaardiging van de goddeloze en ook onze oudvaders spreken in dezelfde geest.

Het gaat om de rechtvaardiging van Gods kant, om de toerekening en de bekendmaking daarvan.

Vanuit de mens gezien noemen we dat de aanneming of de toe-eigening, maar het zijn twee kanten van dezelfde zaak. Het toe-eigenen en aannemen geschiedt door de bediening van het Woord en de Heilige Geest.

Door het gebruik van de sacramenten worden we versterkt, zodat we hoe langer hoe meer verzekerd mogen worden van ons aandeel in Hem.

In het Avondmaalsformulier wordt gebeden: Geef dat we ons hoe langer hoe meer aan Uw lieve Zoon Jezus Christus mogen overgeven.

 

In die aanneming zijn trappen. Het gaat over ‘hoe langer, hoe meer’.

Maar voor al Gods kinderen geldt, dat de rechtvaardiging daar begint, waar we zondaar voor God worden en eindigt waar God ons opneemt in Zijn heerlijkheid.

Wie sterk gelooft, om het zo maar eens te zeggen, die is voor zijn eigen gevoel sterk gerechtvaardigd en wie zwak gelooft, is zwak gerechtvaardigd. Gods weg om ons dat deelachtig te maken, is het geloof in de belofte van het Evangelie, waarbij we troost mogen ontvangen naar de mate van het geloof.

 

Zeker, van Gods kant ligt het voor eens en voorgoed vast in het borgwerk van Christus op Golgotha, maar van onze kant ontvangen we telkens weer opnieuw de troost naar de mate van het geloof.

Maar, weet u, voor allen geldt de vraag, of u bij de kleinen in de genade hoort of bij de mensen die er veel meer van geleerd mogen hebben:

Hoe ben ik rechtvaardig voor God?

En het antwoord daarop luidt:

Alleen door een waar geloof in Jezus Christus.

 

De verzekering van die goddelijke vrijspraak in het hart van de mens geschiedt naar de mate van het geloof. En naar die mate, waarin u mag schuilen onder de vleugelen van Jezus Christus, onder Zijn gekruisde borgarmen en mag zien op Zijn striemen, waar u mag blikken op Zijn wonden, naar die mate mag u vrede met God ervaren door onze Heere Jezus.

Daarom mag ieder kind van God, hoe sterk zijn geloof ook is, iets kennen van wat het slot van antwoord 61 zegt:

En dat ik die, namelijk de gerechtigheid van Christus, niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toe-eigenen kan.

 

Wat doet het geloof? Twee dingen: aannemen en toe-eigenen.

Aannemen veronderstelt aanbieden en dat laat de Heilige Geest ons zien. God biedt Zijn Zoon aan in de belofte van het Evangelie: ‘Alzo lief heeft God de wereld, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft.’ Hij biedt Hem aan in de prediking van het kruisevangelie en vanuit die aanbieding mag ik Hem aannemen.

 

En wat is nu meestal de moeilijkheid? Dat ik geen geloof heb. Maar dat wil de Heere u nu juist schenken. Het is een gave, die je krijgt op het moment dat je die nodig hebt. Christus komt naar je toe, je hart gaat naar Hem uit en het geloof wordt geschonken in de naar hem uitgestoken bedelaarshand.

Als de Geest het geloof werkt in mijn hart, dan mag ik Hem met verwondering en aanbidding aannemen uit de hand van de Vader. Dan word je er helemaal bij ingesloten en komt dat toe-eigenen.

 

Waar u gelooft, gemeente, dat God u Zijn Zoon aanbiedt in de belofte van het Evangelie, daar kan het niet anders of daar komt de toe-eigening: ‘Dank U, Heere, en dat voor mij.’

Dan mogen we Hem aannemen uit de hand van de Vader en omhelzen en toe-eigenen. We mogen Hem naar ons toehalen, Hem kussen.

Dat zegt de Bijbel: ‘Kust de Zoon.’ We mogen Zijn Naam spellen: Jezus, Zaligmaker, mijn Zaligmaker, mijn Bruidegom en mijn Losser. In dit aannemen, in deze toe-eigening ligt de vrijspraak en zo alleen komen vreugde, vrede, zekerheid en vrijmoedigheid in mijn hart.

Dat is een werk van Gods Geest. Hij is door God als een Getuige daarvan gegeven. Hij getuigt met mijn geest, dat het echt waar is, dat we kinderen Gods zijn.

De Heilige Geest is daartoe als onderpand en zegel gegeven om de wetenschap in ons hart in te drukken, dat we alleen door het geloof onze gerechtigheid voor God in Christus hebben.

 

Dacht u, dat het mogelijk was om je te verheffen als een gerechtvaardigde? Nee toch! Je gaat niet horen bij een geestelijke elite, van wie gezegd wordt dat ze het hebben. Dat zij verre! Er komt ootmoed en verwondering. Je belijdt, dat de Heere goed is voor een slecht mens en dat God goddelozen rechtvaardigt.

 

Het is genade alleen! Alleen genade!

Gemeente, ik eindig met een paar verzen uit het schitterende gedicht van Mac Cheyne over de rechtvaardiging door het geloof.

 

De Heere onze Gerechtigheid

 

Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart.

Ik kende geen schuld en ‘k gevoelde geen smart.

Ik vroeg niet: “Mijn ziele, doorziet gij uw lot?

Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?”

 

Maar toen mij God Geest aan mij zelf had ontdekt,

toen werd in mijn ziele de vreze gewekt.

Toen voeld’ ik wat eisen Gods heiligheid deed.

Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed.

 

Toen vlucht’ ik tot Jezus. Hij heeft mij gered!

Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet!

Mijn heil en mijn vreugd’ en mijn leven werd Hij.

Ik boog m’, en geloofd’, en mijn God sprak mij vrij!

 

Amen.