Ds. A. Schot - Psalmen 126 : 3 - 4

Een dankdagbede

Psalmen 126
Gods daden daarin herdacht
Gods hulp daarin ingeroepen
Gods almacht daarin uitgebeeld
Dit is de tweede preek uit een serie van drie Dankdagpreken rondom Psalm 126.

Psalmen 126 : 3 - 4

Psalmen 126
3
De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
4
O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 126: 2
Lezen : Psalm 126
Zingen : Lofzang van Maria: 1 - 3
Zingen : Psalm 79: 5 en 6
Zingen : Psalm 142: 2 en 7

Gemeente, de tekstwoorden voor deze dankdagdienst kunt u vinden in Psalm 126 en daarvan de verzen 3 en 4, waar we Gods Woord en onze tekst aldus lezen:

 

De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.

O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

 

We schrijven boven onze tekstwoorden: een dankdagbede. En met de hulp des Heeren letten we op drie gedachten:

 

1. Gods daden daarin herdacht – De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd;

2. Gods hulp daarin ingeroepen – O Heere! wend onze gevangenis;

3. Gods almacht daarin uitgebeeld – gelijk waterstromen in het zuiden.

 

  1. Gods daden daarin herdacht

We gaan het hebben over een dankdagbede. Wat is dat: een bede? Een bede is een gebed.

Maar hoort dat eigenlijk wel, een gebed op de dankdag? Ja, zeker wel! Er mag eigenlijk geen dankdag voorbijgaan zonder gebed en er mag eigenlijk geen biddag voorbijgaan zonder te danken. Het is niet zo dat de biddag en de dankdag zo van elkaar gescheiden zijn dat je op een dankdag niet bidden mag. Sterker nog, we zullen straks zien dat er juist op de dankdag, juist als we terugzien op wat de Heere gedaan heeft, ook een begeerte is om de Heere te vragen – een dankdagbede dus.

 

De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan.

In vers 2 lezen we dat de heidenen zeggen: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan. De heidenen wijzen daar naar het Joodse volk dat door Gods almacht uit Babylon was bevrijd.

In vers 3 is Gods volk zelf aan het woord. Daar zijn Gods kinderen in gebed en zij belijden: De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan.

 

Het is niet voor niets dat we de lofzang van Maria hebben gezongen. Jongens en meisjes, als jullie meegezongen hebben, heb je gemerkt dat ook Maria gesproken heeft over grote dingen: ‘Wijl God, na ramp en leed, mij grote dingen deed.’ Er staat in de onberijmde lofzang dat Maria zei: Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is (Luk.1:49). Het lijkt wel of Maria aan Psalm 126 gedacht heeft. Dat zou heel goed kunnen, want Maria was goed thuis in het oude testament. Daar leefde ze bij; dat merk je aan haar lofzang. Eigenlijk is haar lofzang vol van Bijbelteksten.

Gods kinderen leven dicht bij het Woord en als ze de Heere erkennen, kunnen zij dat eigenlijk het beste doen met de teksten uit Gods Woord.

De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan. Het is wel een groot verschil of je moet zeggen vandaag: De Heere heeft grote dingen aan dezen gedaan, of dat je mag zeggen: De Heere heeft grote dingen bij óns gedaan.

Welke dingen bedoelde Maria in haar lofzang? Wat waren die grote dingen? Dat waren eigenlijk alle dingen die te maken hadden met de komst van haar Zaligmaker. Zij mocht de Heere Jezus Christus in haar lichaam omdragen. Maria kon niet alleen zeggen dat de Heere grote dingen áán en vóór haar gedaan had, maar eigenlijk kon ze ook zeggen: ‘De Heere heeft grote dingen ín mij gedaan.’ Dat wonder van de menswording van de Heere Jezus Christus voltrok zich in haar eigen lichaam.

 

Gemeente, dat zijn grote dingen. Maria was een zondares. Maria lag verloren in zonde en schuld. Maria kon de zaligheid niet bewerken; dat was een onmogelijkheid. Wat heeft Maria nu aan die grote dingen gedaan? Wat heeft zij daaraan bijgedragen? Eigenlijk niets, net zo min als het volk iets bijgedragen heeft aan de verlossing uit Babel. Dat heeft de Heere gedaan. Zo is het ook bij Maria: Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is. God heeft het gedaan. Hij heeft het onmogelijke mogelijk gemaakt. In dat ‘aan mij’ klinkt de verwondering door dat de Heere de nederigheid van Zijn dienstmaagd heeft aangezien.

 

Daarom is er nog doen aan bij God vandaan, omdat zalig worden uit genade is. Als wij die grote dingen zelf zouden moeten doen, was het voor eeuwig verloren. Maar omdat de Heere die grote dingen werkt, daarom kan het nog.

Zo hebben de apostelen op de pinksterdag de grote werken Gods mogen verkondigen. En zo mocht u ook in de achterliggende periode horen van die grote dingen. De vraag is: zijn die nu ook aan en in u gedaan? Als u dat mist, is het u dan nood? Dan hoop ik dat deze dankdag voor u een biddag mag worden, dat de nood opgebonden mag worden. We zien in onze tekst dat dankdag en biddag niet met elkaar strijden, elkaar niet uitsluiten! Zelfs al is het zo dat u mag zeggen dat de Heere die grote dingen aan u gedaan heeft, dan wil dat nog niet zeggen dat het vandaag geen biddag voor u behoort te zijn.

 

We zien dat de dichter hier eigenlijk van de verwondering overgaat naar het gebed, dat hij terugziet op het verleden, maar zich ook richt op de toekomst. De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. Wij zouden zeggen: daarom zijn wij verblijd. Maar is dat nou zo gebleven in het leven van het volk van Israël? Is dat nou zo gebleven bij Maria? Is de dankdag waar ze in haar lofzang van zong, gebléven?

Wel, als u het leven van Maria kent, dan weet u dat die lofzang al heel snel overschaduwd werd. Denk aan de woorden van Simeon, jongens en meisjes. Hij zei: En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan (Luk.2:35).

 

Grote dingen …, een zwaard door uw ziel … – Maria kon dat niet overzien. De Heere zou haar nog grotere dingen laten zien, maar daarvoor zou ze in een nog grotere diepte geleid worden. Zo werkt de Heere. In die periode heeft Maria de woorden die ze hoorde, bewaard in haar hart, ook de woorden die de Heere Jezus later Zelf tegen haar sprak: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? (Joh.2:4). In een heel diepe weg heeft de Heere die grote dingen tot nog grotere dingen gemaakt, maar wel in een weg van gebed. Toen ze aan de voet van het kruis stond, wist Maria het helemaal niet meer.

 

Ziet u het? Ook al is er vandaag reden om Gods naam te erkennen, dan wil dat nog niet zeggen dat het gebed niet meer nodig is; dan wil dat nog niet zeggen dat alle dingen zijn opgelost.

Dat vinden we nu ook in onze tekst. Daar is het volk aan het woord dat wedergekeerd is uit Babel: De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd. Wat is het een wonder geweest voor die mensen dat ze opnieuw terug mochten keren uit de gevangenis.

Is dat zo gebleven? Nee, we zien dat hun vreugde al heel snel overschaduwd werd. Waarom dan? Wel, ze kwamen in Jeruzalem aan. U zult zeggen: ‘Nou, dat was toch reden tot blijdschap?’ Ja, maar wat troffen ze daar in Jeruzalem aan, gemeente? Hun hart is gebroken; ze hadden de stad en het land zó nog niet gezien. Daar lagen de puinhopen van de tempel, daar de zwartgeblakerde muren. Daar lagen de akkers vol met onkruid. Het hele land was één grote chaos geworden en zij stonden voor de gigantische taak van de wederopbouw.

‘De Heere heeft grote dingen gedaan.’ De ene keer kun je dat zeggen, en de andere keer sta je op de puinhopen van je persoonlijk leven, op de puinhopen van het kerkelijk leven. Verstaat u er iets van dat dankdag biddag niet uitsluit?

Ik kan me voorstellen dat degenen die wederkeerden daar met betraande ogen door de straten van Jeruzalem hebben gelopen. Wat heeft de zonde toch teweeggebracht! Het was nog erger dan ze zich hadden voorgesteld. Hoe moesten ze die puinhoop ooit nog opgeruimd krijgen? Dat drong hen later tot het gebed.

 

Er kwam bovendien heel veel tegen op. De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan – ja, dat was waar, maar nu moesten ze de tempel gaan herbouwen. Dat had Kores hun opgedragen – een grote taak. Ze hebben geprobeerd om de fundamenten van de tempel te herstellen. Dat is geen gemakkelijk werk geweest. Er is veel vijandschap op afgekomen. Dat hadden ze nooit gedacht toen ze terugkwamen uit Babel. Ze dachten met vreugde de tempel te kunnen herstellen en in te kunnen wijden. Maar er kwam van de kant van de Samaritanen zoveel tegenstand dat het werk vijftien jaar heeft stilgelegen. Is dat het nou?

Misschien zit er iemand in de kerk die moet zeggen: ‘Dominee, zo is het nou ook in mijn leven gegaan.’ Dankdag gehouden, gezongen: ‘De Heere heeft grote dingen gedaan’, en op de puinhopen terechtgekomen ...

Het is zelfs zo dat de Heere na de ballingschap profeten heeft geroepen om die ballingen te vertroosten; anders hadden ze het niet volgehouden. Een van hen was de profeet Zacharia.

 

Jongens en meisjes, weten jullie wat die profeet Zacharia zei tegen het volk? ‘Waarom veracht gij de dag der kleíne dingen?’ Dat is precies het tegenovergestelde: zij hadden gezongen van gróte dingen en de profeet sprak van kleíne dingen.

De fundamenten van de tempel, ach, die waren in de ogen van de wedergekeerden maar zo klein. De oude mensen weenden toen ze terugdachten aan vroeger. De jonge mensen juichten; die vonden het prachtig. Zij kenden de genade van de oude tijd niet. Zij hadden de tempel van vroeger niet gezien. Maar die oude mensen wisten hoe het vroeger allemaal was. Zij weenden toen ze zagen hoe de fundamenten van de nieuwe tempel waren. Die waren in hun ogen zo klein.

En toen zei de profeet: Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand van Zerubbábel (Zach.4:10). De handen van Zerubbábel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden (Zach.4:9). Want hij zal den hoofdsteen voortbrengen met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven (Zach.4:7).

 

Dus de Heere zal die kleine dingen maken tot grote dingen, maar wel in een heel diepe weg, in een weg van vijandschap, in een weg van aanvechting. Dat hadden ze nooit gedacht. Nou waren ze wel terug in eigen land, maar ze zaten weer in de gevangenis – zoveel vijandschap van buitenaf.

Kijk, zo werkt de Heere. Wij denken van kracht tot kracht voort te kunnen gaan en als alles dan weer afgebroken wordt en het allemaal tegenzit, dan zeggen Gods kinderen: ‘Zou het wel waar geweest zijn? Heb ik me niet bedrogen?’ Ja, de Heere doet grote dingen, maar wel op Zijn tijd en op Zijn wijze.

U moet niet denken dat het allemaal voorspoedig ging toen die vijandschap van de Samaritanen eenmaal gebroken was. Nee, toen kreeg je die andere periode, de periode van Nehemia. Eerst keerden Jozua en Zerubbábel terug om de fundamenten van de tempel te herstellen, vervolgens kwam Ezra met zijn 1500 man en daarna kwam Nehemia. Nehemia had de opdracht om de muren van de stad te herstellen. Is dat makkelijk gegaan, die muren van Jeruzalem herstellen? Ach, dan lezen we die geschiedenis van Sanballat, de Horoniet, en Tobia, de Ammoniet. Die mensen konden het niet uitstaan dat er iemand gekomen was om wat goeds te zoeken voor Sion. Zij openen de aanval.

Toen ze die muren van Jeruzalem aan het herstellen waren, hielden ze met de ene hand een geweer vast en met de andere hand waren ze bezig om de stenen op elkaar te metselen. Voortdurend moesten ze om zich heen kijken of ze niet neergeschoten werden. Het was bijna een onmogelijk werk.

Zijn dat nou die mensen die gezongen hebben: De Heere heeft grote dingen aan ons gedaan? Ja, de Heere deed grote dingen, maar door een diepe weg, zodat ze daarna niet konden zeggen: ‘Wij hebben Jeruzalems muren herbouwd. Wij hebben de tempel gegrondvest.’ De Heere werkt er altijd op aan dat de mens moet zeggen: ‘Dat heeft God gedaan! Dat had ik zo nooit kunnen doen.’

 

En ten slotte: hoeveel mensen waren er terug? Enkele tienduizenden, ruim veertigduizend. Als je ziet hoeveel er weggevoerd waren, dan is het eigenlijk maar een handjevol, een heel klein deel.

Zou het ooit weer worden zoals het vroeger was? Waar bleven nou die andere mensen? Waarom kwamen die ook niet terug? Hoe moest nou dit handjevol mensen het land wederopbouwen? Dat was toch een onmogelijke taak?

Het heeft hen tot gebed gebracht.

Grote dingen – ze hadden zich er wat anders bij voorgesteld en niet gedacht dat het zo zou gaan.

 

Ligt daar nou geen prachtig beeld in van de geestelijke verlossing? Gemeente, zo werkt God. Als de Heere een zondaar uit Egypte haalt, werkt Hij op een wijze die wij niet kunnen begrijpen. Is dat in ons leven gebeurd?

Hoe je dat kunt weten? Nou, dan komt het tot een breuk met de zonde, een breuk met de wereld. Dan kom je in de woestijn terecht. Zeker, als de Heere een mens door de Rode Zee leidt, komt hij in de woestijn terecht – een beeld van het leven van Gods kerk op deze aarde.

Als de Heere ingegrepen heeft in je leven en je uit de gevangenis gehaald heeft, en je hebt in de wolkkolom en de vuurkolom iets mogen zien van de weg der verlossing, dan ben je nog niet in Kanaän! Dan wil dat nog niet zeggen dat alle vijanden overwonnen zijn! Op die eerste gevangenschap kan een tweede gevangenschap volgen: het volk van Israël kwam in Babel. En als de Heere een mens uit die tweede gevangenschap gehaald heeft, denkt u dat het dan allemaal voor elkaar is?

 

Gods kinderen hebben een strijd in de weg van de rechtvaardigmaking. Verstaat u dat? Dat betekent dat de schuld opgelost moet worden, dat de schuld uitgewist moet worden. Er kunnen grote dingen gebeurd zijn. Je kunt met Maria gezongen hebben: ‘De Heere heeft grote dingen aan mij gedaan.’ Maar daarna kun je in een weg komen waar je niks meer van begrijpt, een weg waarin aan Gods recht genoeg gedaan moet worden, of – zoals men vroeger vaak zei – waarin de zondaar met een geopenbaarde Middelaar midden in de dood terechtkomt. Die grote dingen kun je dan niet meer bezien.

Het moet opgelost worden; de schuld moet verzoend worden. Dat doet de Heere in een weg waarin een zondaar in de gevangenis komt en de gevangenisdeuren alleen maar geopend kunnen worden op grond van recht en gerechtigheid. Want bij God is alleen genade met behoud van Zijn recht.

Maar als die gevangenisdeuren opengegaan zijn, dan is het toch zeker wel klaar? Dan kunnen ze toch hun hele leven zien op: ‘de Heere heeft grote dingen gedaan’? Ik dacht het niet. Waarom niet? Ja, wat dacht u van die strijd in de heiligmaking, die voortdurende strijd om dat zondaarsleven in te leven? Daarom zien we hier niet alleen de gang in het leven van de kinderen Israëls, maar ook de gang in het leven van Gods kinderen. Dat is en blijft een strijd hier op aarde.

 

Ik moet denken aan wat ik eens gelezen heb van dominee John Newton. U zult ongetwijfeld weleens van hem gehoord hebben. Hij was een groot zondaar, maar de Heere had hem krachtig genade bewezen. Hij had de Heere zó lief dat hij aan Hem vroeg of hij Hem nog grondiger mocht leren kennen. Hij heeft daar een gedicht van gemaakt: I asked the Lord – ik vroeg de Heere. Hij vroeg of de Heere Zich nog meer bekend wilde maken, of hij de Heere nog grondiger mocht leren kennen. Toen volgde er een tijd in zijn leven waarvan hij later heeft gezegd: ‘Het was alsof de hel losbarstte.’ Alles werd hem ontnomen. Hij kon nergens meer zicht op krijgen. Het leek alsof God hem overgeleverd had aan de satan.

Er waren grote dingen in zijn leven gebeurd, maar hij kwam op de grond terecht en het leek alsof hij met alles verloren zou gaan. Hij werd zo diep beproefd dat het zijn verstand te boven ging. Hij heeft daarover gezegd: ‘Later mocht ik zien dat de Heere toen juist mijn gebed verhoorde, want ik moest nog meer kwijt. Ik moest alles kwijt om God alleen over te houden.’ Begrijpt u?

Dat is de weg die de Heere gaat met het volk van Israël. Dat is de weg die de Heere gaat met Zijn kinderen. Hij leidt hen in de diepte. Hij laat ze weer beginnen met kleine dingen, opdat ze alles alleen van Hem zouden verwachten. Dan wordt het kleine zo groot en dan wordt het grote van zichzelf zo klein. Dan loopt het uit op de eer van God; dat zie je in deze psalm. En daar is het de Heere om te doen. Dat moeten we niet uit het oog verliezen.

 

Onze eerste gedachte: Gods daden daarin herdacht. We gaan naar onze tweede gedachte: Gods hulp daarin ingeroepen.

 

  1. Gods hulp daarin ingeroepen

Dezelfde mensen die in vers 3 zeiden: De Heere heeft grote dingen bij ons gedaan,  zeggen in vers 4: O Heere! wend onze gevangenis.

Wat? Ze waren toch verlost uit de gevangenis? Moesten ze daar dan nog om vragen? Inderdaad. Denk maar aan wat we zojuist in onze eerste gedachte gezien hebben. Ze waren wel verlost uit de gevangenis, maar in hun beleving waren ze opnieuw in de gevangenis terechtgekomen. Wend onze gevangenis, zo zeiden ze. Bovendien waren de deuren van de gevangenis voor hén wel geopend, maar vele anderen waren nog ín de gevangenis. De bede was ook of de Heere de rest van het volk nog terug wilde brengen.

Ik zei al dat maar een heel klein deel van het volk teruggekeerd was. Die terugkeer uit Babel heeft in drie fasen plaatsgevonden. Het volk is niet in één keer teruggekeerd. Eerst was er de wederkeer onder Jozua en Zerubbábel. Dan komt de geschiedenis van Ezra en daarna de geschiedenis van Nehemia. Dat zijn verschillende fasen geweest in die geschiedenis.

 

En waarom was nog niet het hele volk teruggekeerd? Wat was nou de reden dat die mensen in Jeruzalem moesten bidden: Wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden? Waarom waren die andere mensen niet teruggekomen? Dat had twee redenen.

De eerste reden was onwil, onwil bij het volk. Het wilde niet terug. Maar waarom dan niet? Omdat het daar in Babel een bestaan had opgebouwd.

Terugkeren naar Jeruzalem? Wat vind ik in Jeruzalem? Alleen maar puinhopen! En wat heb ik hier? Hier heb ik voorspoed. Hier heb ik mijn leven. Hier heb ik inmiddels mijn gezin en alles om me thuis te voelen.

Dus onwil, geen zin om terug te gaan, ondanks het feit dat Gods knecht, koning Kores, de Joden opriep om weder te keren. Hij gaf ze nota bene de mogelijkheid! Hij legde hun geen strobreed in de weg! Maar ze gingen niet, want daar in Babel hadden ze voorspoed; daar hadden ze een belegde boterham. En wat ze in Jeruzalem zouden vinden, moesten ze nog maar afwachten.

Als het ze echt om de Heere te doen was geweest, hadden ze liever een paar kruimels in Jeruzalem gehad dan een dik belegde boterham in Babel. Maar er was geen verlangen in hun hart. Er was geen liefde tot God. Er was geen begeerte naar Zijn dienst. Ze noemden zich jood, maar ze verkozen de wereld boven de dienst des Heeren.

 

Gemeente, voelt u dat er op dankdag ook reden is om biddag te houden? Ik geloof dat de Heere in de achterliggende periode wel in de gemeente gewerkt heeft. Ik geloof dat er onder Gods kinderen wel zijn die iets kunnen vertellen over wat de Heere wilde geven in Zijn huis, wat de Heere wilde geven bij de sacramentsbediening, wat de Heere deed zien toen ze thuis op hun knieën lagen. Of niet, volk des Heeren? We zouden toch de Heere tekortdoen als we zouden zeggen dat er in de achterliggende periode niets van dat alles geweest is? Dus dan is er reden om de naam van de Heere te erkennen, want Hij werkt!

Maar ik vrees, hoewel ik u niet zo heel goed ken, dat het merendeel van deze gemeente nog verkeert in Babel, in de wereld, in Egypte eigenlijk. Ik ben bang dat de meesten van u nog altijd de zondendienst beminnen. O, zouden we dan niet moeten smeken (in het bijzonder u die bidden geleerd hebt): Wend onze gevangenis? Er zijn er nog zoveel in de gemeente die meegezogen dreigen te worden door allerlei verleidingen. Dat kan zijn door de wereld, of door onverschilligheid, maar dat kan evenzeer door een godsdienst zijn waarin de hoogmoedige mens gevoed wordt. Want gemeente, als ik het heb over ‘de wereld’, dan heb ik het niet alleen over publiekelijk in de zonde leven, maar ook over heel veel godsdiensten die puur werelds zijn, waarin de mens mag blijven zoals hij is, waarin genade geen genade meer is. Wat is dat ook in onze tijd een verschrikkelijke dreiging onder onze jonge mensen. Je ziet ze soms met hopen gaan.

O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. Het gebed is niet overbodig. Er is reden om Gods naam te erkennen, maar er is ook heel veel reden om te smeken vandaag of de Heere wil werken in de gemeente, of er meer mensen last mogen krijgen van hun zonden, of Babel voor meer mensen een verschrikking mag worden, of er meer mogen leren uitzien naar een verlossing van Hogerhand. Zijn die er in de gemeente?

 

De eerste reden waarom de meesten achterbleven, was dus onwil, pure onwil.

De grootste zonde in ons hart is onwil; de mens wil niet. Of jullie wel, jongens en meisjes? Zou je graag een kind van de Heere willen zijn? Misschien zeg je: ‘Ja dominee, dat zou ik heel graag willen. Als de Heere dat net zo graag zou willen als ik, dan was het allang gebeurd.’ Ja, weet je, dat heb ik vroeger ook weleens gedacht. Vroeger dacht ik ook dat ik zo heel graag een kind van de Heere wilde zijn. Maar toen kende ik mijn hart nog niet. ‘Eens was ik een vreemd’ling voor God en mijn hart. Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart.’ Maar als de Heere laat zien wat er allemaal in je hart leeft, dan schrik je! Dan zie je dat we helemáál niet willen, dat we boordevol met onwil zitten. Onze doodstaat is een actieve doodstaat; die leven wij uit. We zijn niet te verontschuldigen.

 

De tweede reden dat er zoveel mensen achterbleven, was onmacht. Ik heb net gezegd dat er drie fasen van wederkeer waren. Waarom zijn niet al die mensen de eerste keer al meegegaan? Omdat er ook waren die nog niet konden. Het is niet voor niets dat de Heere verschillende leidsmannen heeft verwekt. Waarom heeft Hij dat gedaan? Ach, er zullen er ook geweest zijn die nog gebonden waren, die wel de genegenheid hadden, maar niet de gelegenheid.

Dat ervaar je als je onwil gebroken wordt. Dan gaat de mens zijn onmacht leren. Als de Heere daarin niet te hulp komt, komen we nooit uit de gevangenis. Ook daarom is het gebed nodig. Er zullen ook in deze gemeente mensen zijn die zich een vreemdeling op aarde voelen, die begeren iets te mogen kennen van de weg der verlossing, die roepen uit de gevangenis, maar die de gevangenisdeuren niet openen kunnen. O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. Dan hoop ik dat de prediking ook vandaag een ogenblik tot bemoediging mag zijn, want we hebben met een almachtig God te doen. Daarover gaat het in onze derde gedachte: Gods almacht daarin uitgebeeld.

 

Zingen we nu eerst uit Psalm 79, daarvan het vijfde en het zesde vers:

 

Waarom zou zich der heid'nen macht vermeêren?

Uw hoog gezag door bitt'ren schimp onteren,

En vragen, door hun trotsen waan bedrogen:

“Waar is hun God, waar blijkt nu Zijn vermogen?”

Vergeld hun overmoed;

Wreek Uwer knechten bloed;

O God van ons betrouwen!

Verdedig onze zaak;

Doe 't heidendom Uw wraak,

Zelfs voor ons oog, aanschouwen.

 

Ai, hoor naar hen, die in gevang'nis kwijnen;

Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen;

Bevrijd hen, die, gedreigd met doodsgevaren,

Op Uwe hulp met smekend' ogen staren.

Vergeld den wreden smaad,

Waarmee des nabuurs haat

Uw mogendheid dorst schenden;

Geef hun, o Opperheer,

Die zevenvoudig weer;

Zie neer op onz' ellenden.

 

  1. Gods almacht daarin uitgebeeld

Gemeente, de dichter van Psalm 126 had een heel groot geloof. Hij had een groot geloof in de almacht van God. Wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. Deze dichter had een heel dik boek gelezen. In dat boek heeft hij gelezen van de almacht van God. Weet je welk boek dat is? Dat is het boek van de natuur.

 

In onze geloofsbelijdenis staat dat de Heere ons twee boeken heeft gegeven. Hij heeft ons de Bijbel gegeven en het boek van de natuur. De Bijbel is het allerbelangrijkste boek. Zonder de Bijbel kun je niet zalig worden. Maar behalve de Bijbel heeft de Heere ons nog een ander boek gegeven: het boek van de natuur, waarin al de schepselen zijn als letteren waardoor Hij Zijn heerlijkheid te kennen geeft.

Gemeente, dat boek lezen wij veel te weinig. In het boek van de natuur liggen zulke rijke lessen. Wij groeien weg bij de natuur. Onze vaderen leefden heel dicht bij en in de natuur. Daarin zagen zij Gods hand. Daar kregen zij onderwijs.

In de natuur ligt heel veel onderwijs. Zeker, we moeten het zien vanuit de Schrift. Maar kijk eens hoe vaak de dichters in de psalmen het boek van de natuur openen. Zij vergelijken hun ziel met ‘een land, dat, dor en mat, van droogte brandt, waar niemand lafenis kan krijgen’. Zij zien hun ziel als een moede hinde. Ik denk aan David: ‘'t Hijgend hert, der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar ’t genot van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God.’

 

De regen is een beeld van de zegeningen en van de Heilige Geest. Daar moest de dichter aan denken. Hij was terug in het beloofde land en daar gaf de Heere hem onderwijs. Hij zegt: Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

Wat betekent dat? Het zuiden staat symbool voor de warme gebieden; het noorden staat symbool voor de koude gebieden. Maar de dichter bedoelde hier letterlijk het zuiderland. Daarmee wordt de Negev-woestijn bedoeld, in het zuiden van Israël.

Misschien hebt u er weleens een plaatje van gezien. Sommigen van u zijn er misschien wel geweest, in de Negev-woestijn. Als je daar in de zomer bent, is er weinig te zien. Dan is er geen groen te vinden, zo heet, zo onherbergzaam, zo onvruchtbaar, zo dor is het er. Wij westerse mensen houden het daar nog geen dag uit. Ja, je kunt er een poosje met een jeep doorheen rijden; je kunt er een nomadenstam bezoeken, maar je bent blij als je de woestijn weer uit bent.

De Negev-woestijn is het beeld van doodsheid, van dorheid, van onvruchtbaarheid. Weet u hoe het land eruitzag toen de Israëlieten teruggingen? Het was net de Negev-woestijn. Het land was zo onvruchtbaar. Het was één grote chaos. En dan bidt deze dichter: Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

 

Het is onvoorstelbaar wat er in de regentijd in die woestijn gebeurt.

Wij leven in een vlak land. Als het bij ons hard regent, zie je misschien weleens een plas op straat of grote plassen op het land, maar dan houdt het wel zo’n beetje op.

In Israël is dat heel anders. Israël is heuvelachtig. Dus wat gebeurt daar als het regent? Dan loopt het water van de bergen naar beneden; water zoekt altijd het diepste punt op. Maar in de regentijd komt er zo onvoorstelbaar veel water in het zuiden dat er mensen in verdrinken! Een poosje geleden heeft het nog in de krant gestaan: een groepje toeristen verdronken in de regentijd.

Dat water komt van de bergen af en perst zich de woestijn in, zodat de beken overlopen. In een heel korte tijd verandert die woestijn dan en komt er overal groen. Dat vruchtbare water bereikt de zaden die daar in de bodem liggen te wachten en al snel ruikt de woestijn naar de kruiden. Dan is er voedsel voor de kudde. Dan is er kiemkracht voor de zaden. Dan is er groeikracht voor het gewas. Dan is er water voor de vrucht. Dan weet je niet wat er gebeurt!

 

Dat doet God.

De dichter zegt: ’Ik heb in het boek van de natuur toch gelezen wie U bent en wat U kunt.’ Wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. Ze waren maar met zo’n klein groepje. Dat zijn maar een paar druppeltjes. Hoe kunnen die paar druppeltjes dat land vruchtbaar maken? ‘Heere, het is allemaal nog zo schraal; het is nog zo schriel. Het is allemaal nog zo gering, maar wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden – dat ze terug mogen komen uit Babel als waterstromen. Heere, U kunt het toch? U bent een almachtig God! U hoeft maar te spreken en het is er, te gebieden en het staat er.’

 

Ach, misschien is uw hart op deze dankdag ook als het zuiderland. Misschien moet u zeggen: ‘Dominee, het is zo doods, zo dor. Ik heb zo’n zondig leven.’ Misschien is het ook weleens anders geweest in uw leven, maar is er nu een periode aangebroken waar u dat beeld van de gevangenis in ziet. U begrijpt vandaag dat beeld van de Negev-woestijn. Het is alsof u een blik in uw binnenste hebt geslagen.

Maar wat zegt nou deze dichter? Hij buigt zijn knieën en zegt: O Heere! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden. ‘Och, wierd ik derwaarts weer geleid! Dan zou mijn mond U d' ere geven.’

 

Zult u niet wanhopen? Want we hebben met een wonderdoend God van doen. Dat kunt u toch zien in het rijk van de natuur? Calvijn zegt: ’Je moet dat boek van de natuur lezen door de bril van de Heilige Schrift.’ Gemeente, dan zit er zoveel onderwijs in het landbouwleven. Dan zit er zoveel onderwijs in het dierenleven. Dan zit er zoveel onderwijs in wat de Heere ons dagelijks geeft. Ik hoop dat u er oog voor mag krijgen, voor de grootheid, voor de almacht des Heeren.

Wat Hij doet in het rijk van de natuur, zou Hij dat niet kunnen doen in deze gemeente? Al zou de gemeente hier zijn als de Negev-woestijn – niet dat ik dat geloof – maar al zou de gemeente zijn als de Negev-woestijn, de Heere is in staat om de waterstromen uit het zuiden te doen komen, om het onvruchtbare vruchtbaar te maken. Al zou uw hart zijn als de Negev-woestijn, we hebben van doen met een almachtig God.

 

Waarom kan de Heere dat doen? Omdat er een verdienende oorzaak is. Eén is er geweest Die uitgeroepen heeft: Mij dorst (Joh.19:28). Voor Hem was het leven, voor Hem was Zijn sterven als de Negev-woestijn. Hij heeft geen druppel ontvangen ter verkoeling, zodat de Heere mensen die hetzelfde moeten inleven, zoals hier het volk Israël en zoals nu Zijn volk, te hulp kan komen. Wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

We moeten niet te klein van God denken. Heb ik dat geloof in Gods almacht altijd? Ja, we beleden het vandaag nog: ‘Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.’ Maar helaas is dat ook in het leven van Gods kinderen niet altijd in beoefening.

 

O, wellicht zijn er dingen in uw leven waarvan u zegt: ‘Het komt nooit meer goed.’ Misschien hebt u een jongen die in de gevangenis zit, letterlijk of figuurlijk. Misschien hebt u een dochter die met de dienst des Heeren gebroken heeft. Zult u dan de prediking niet vergeten? God is almachtig. Hij brenge ons in het gebed. Hij brenge ons op de knieën met de bede of die wonderen ook gebeuren mogen, tot roem van Zijn grote Naam.

Want gemeente, dáár gaat het om: het schepsel moet Hem prijzen. Die woestijn moet bloeien als een roos, opdat de Schepper verheerlijkt worde. Als God het doet, dan doet Hij het niet om ons, maar om Zijns Zelfs wil. Daarom kan het!

Wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 142 de verzen 2 en 7

 

Als mij geen hulp of uitkomst bleek,

Wanneer mijn geest in mij bezweek,

En overstelpt was door ellend',

Hebt Gij, o Heer’, mijn pad gekend.

 

Voer mij uit mijn gevangenis,

Tot roem Uws naams, die heerlijk is;

Dat mij 't rechtvaardig volk omring',

En vrolijk van Uw weldaân zing'.