Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 22

Onderwerp

De troost van de opstanding des vleses en het eeuwige leven
Onze ziel wordt opgenomen in de hemel bij het sterven
Ons lichaam wordt opgewekt tot nieuw leven op de jongste dag
De volkomen zaligheid wordt ons geschonken om God eeuwig te prijzen
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 34: 2
Lezen : Johannes 6: 1 - 27
Zingen : Psalm 16: 3, 5 en 6
Zingen : Psalm 73: 12 en 13
Zingen : Psalm 43: 4

Gemeente, Zondag 22, de laatste Zondag van de Twaalf Artikelen, is aan de beurt. We lezen vraag en antwoord 57 en 58.

 

Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?

Antwoord: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Antwoord: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

 

 

Het gaat in deze Zondag over

De troost van de opstanding des vleses en het eeuwige leven

 

Drie hoofdlijnen vragen onze aandacht:

1. Onze ziel wordt opgenomen in de hemel bij het sterven.

2. Ons lichaam wordt opgewekt tot nieuw leven op de jongste dag.

3. De volkomen zaligheid wordt ons geschonken om God eeuwig te prijzen.

 

Gemeente, toen Lazarus ziek werd, gaven zijn zusters het bericht door aan de Heere Jezus, met deze woorden: ‘Heere, zie, dien Gij liefhebt, is krank.’ Ze waren er niet bij, toen de Heere Jezus sprak: ‘Lazarus, onze vriend, slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap op te wekken.’ Waarschijnlijk is Lazarus nog diezelfde dag gestorven.

Pas na vier dagen verschijnt de Meester. Martha snelt Hem tegemoet en zegt: ‘Heere, waart Gij hier geweest, zo ware mijn broeder niet gestorven.’ En ze vervolgt: ‘Maar ook nu weet ik, dat alles wat Gij van God begeren zult, God U het geven zal.’

Voelt u de hoop in deze woorden? Hij kan alles!

 

Daarna ontwikkelt zich een wonderlijk gesprek tussen Jezus en Martha bij de begraafplaats in Bethanië.

Jezus zegt: ‘Uw broer zal weer opstaan.

‘Ja’, antwoordt Martha, ‘Ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.’

De Heere Jezus zegt daarna tot haar: ‘Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven; en een iegelijk die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?’

Daarop antwoordt Martha met die heerlijke belijdenis: ‘Ja, Heere, dat geloof ik. Ik heb geloofd dat Gij zijt de Christus, de Zone Gods, Die in de wereld komen zou.’

 

En die vraag komt vandaag tot ons, tot jullie, jongelui, tot u, ouderen.

Gelooft u dat?

Gelooft u dat Jezus de Opstanding en het Leven is, dat Hij de Zoon van God is, de Christus der Schriften, uw Zaligmaker?

Gelooft u in de opstanding des vleses en in het eeuwige leven, zoals de Twaalf Artikelen dat zo rijk belijden?

Daarover gaat het in deze Zondag. Ons lichaam staat op en wordt met onze ziel verenigd en daarop volgt het bezit van de volkomen zaligheid.

 

Weet u, in de tijd van de Heere Jezus geloofden de Sadduceeën dat niet. Zij geloofden niet in de opstanding. Zij erkenden alleen de vijf boeken van Mozes. De Farizeeën, die ook de profeten erkenden, geloofden dat wel. De Heere Jezus heeft heel vaak gesproken over de opstanding en het eeuwige leven.

In de Apostolische Geloofsbelijdenis klinkt het als een juichende overwinningsroep:

Ik geloof in de opstanding van het vlees.

Daar zit een geweldige troost in. Niet voor niets zegt de Catechismus bij allebei de vragen: ‘Wat troost schept u uit...?’ Ik zeg niet, gemeente, dat wij die troost altijd even sterk ervaren en helemaal niet, dat die troost uit onszelf opkomt. Maar ik zeg wel, dat die troost ons op grond van de Schrift wordt aangereikt. Ook nu.

 

Laten we eens nagaan, wat dit betekent.

Er staat:

Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees wordt opgewekt.

U moet goed luisteren: niet alleen mijn ziel, maar ook mijn vlees, mijn lichamelijk bestaan.

Waarom, denkt u, zou dit zo gezegd worden in de Catechismus? Was dat dan in discussie? Jazeker. Alle eeuwen door zijn er mensen geweest, die het lichaam verachten. Zij doen alsof Christus alleen maar gekomen is om de ziel te verlossen. Ze zien en behandelen het lichaam als iets minderwaardigs. Dat was al zo in de tijd van de apostelen. Toen waren er dwaalleraars, die beweerden dat Christus alleen gekomen was om mensen te verlossen uit het lichaam en dat het lichaam iets minderwaardigs was.

Zij zeiden, dat Christus niet eens een echt lichaam kon hebben, maar een schijnlichaam. Want het vlees zou iets zondigs zijn. Zij dachten in grote eenzijdigheid dat de verlossing door Christus alleen maar betrekking had op de ziel en niet op het lichaam.

In bepaalde kringen wordt nog heel nadrukkelijk gezegd, dat het er alleen om gaat, dat de ziel verlost is. Het is waar, we hebben een onsterfelijke ziel te verliezen, maar we hebben meer dan een ziel. We hebben ook een lichaam en dat hoort er net zo goed bij als onze ziel.

 

Het gevolg is, als je zo sterk de nadruk legt op alleen de ziel en niet op het lichaam, dat het dan niet meer zoveel uitmaakt wat je met je lichaam doet. De notie, dat ons lichaam een tempel is van de Heilige Geest en dat we daarmee God mogen verheerlijken, leeft dan niet. Wat we daarmee doen, staat dan eigenlijk buiten het geloof. Zo kun je roken, eten en drinken zoveel je wilt, want het lichaam doet er toch niet toe.

Dat is een grote dwaling, want Christus heeft ook het lichaam van Zijn kinderen verlost en gekocht. De mens is ziel en lichaam. Die twee horen bij elkaar. Zonder het lichaam is een mens geen mens. Het lichaam heeft waarde voor God en daarom heeft Christus ziel en lichaam aangenomen, om de mens naar ziel en lichaam te verlossen. Zo kan de apostel Paulus schrijven in 1 Korinthe 6 vers 20: Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn.

 

Daarbij kan ook de vraag opkomen, of wij wel een donorcodicil mogen dragen. Dit is best een gevoelig punt. Sommigen vinden, dat je als christen geen organen mag afstaan aan anderen omdat Christus ook voor het lichaam heeft betaald. Anderen zien het meer als een uiting van naastenliefde, om het leven en de genadetijd van anderen te verlengen. Je kunt daar uitgebreid over spreken en over lezen en het is goed om daar een mening over te hebben. Ik denk, dat we in deze zaak elkaar vrij moeten laten en elkaar niet veroordelen.

 

In Zondag 1 wordt over de troost in leven en sterven gezegd: ‘Dat ik met lichaam en ziel niet het eigendom ben van mezelf, maar van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus.’

 

Wat gebeurt er als we sterven?

Dat moeten we allen onder ogen zien, gemeente. Ons leven is maar een handbreed gezet. Er is maar één stap tussen ons en de dood. Houden we er rekening mee? Welke reis zullen wij maken?

Voor een gelovige is een rijke toekomst weggelegd, want de Catechismus zegt: ‘De ziel keert direct weer tot God, Die hem gegeven heeft.’

Ons antwoord gaat daar even op in, maar de spits van deze Zondag en van het artikel uit de Geloofsbelijdenis ligt in wat er met het lichaam gebeurt. Het gaat immers over de opstanding des vleses.

Maar toch gaat de Catechismus niet voorbij aan de ziel, want er staat:

Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, opgenomen, zal worden.

De ziel van Gods kinderen wordt direct bij het sterven opgenomen tot Christus, haar Hoofd.  

Er is niet een opgaan in het niets, zoals de Jehova-Getuigen leren. Er is ook geen vagevuur, zoals de Roomse Kerk leert. En ook geen zielenslaap of onrustig zweven ergens in een schimmenrijk tussen hemel en aarde.

 

Wilt u bewijzen uit de Bijbel?

Als de stenen Stefanus treffen en het martelaarsbloed van deze diaken de aarde rood kleurt, ziet hij de hemelen geopend en zegt hij: ‘Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.’ Even later was hij bij zijn Meester.

Denk aan de gelijkenis van de rijke man en de Lazarus. Als Lazarus zijn laatste adem uitgeblazen heeft, wordt zijn ziel door de engelen gedragen in de schoot van Abraham.

Denk aan de moordenaar aan het kruis. Hij kreeg uit de mond van de Heere Jezus, op zijn vraag om ontferming, te horen: ‘Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.’ Na een paar uur van lijden en de poorten van de hemel gingen voor hem open.

In Romeinen 8 zegt Paulus: ‘Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, welke is in Christus Jezus, onze Heere.’ Niets, zelfs de dood niet, kan hem scheiden van Christus.

Denk ook maar aan de tekst waarin Paulus spreekt van zijn verlangen om ontbonden te zijn en met Christus te zijn, want dat is voor hem verreweg het beste. Sterven en met Christus zijn, valt voor hem samen.

 

De Catechismus is gegrond op het onderwijs uit de Bijbel en daarom spreekt ze van:

Dat mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden.

Het gaat om Christus, het gaat om de hereniging van wat bij elkaar hoort: Hoofd en leden.

Hoort u ook bij Hem? Bent u door het geloof aan Hem verbonden?

Gemeente, de Heere verbindt Zich aan ons allen door de bediening van het Evangelie.

Is dat het geheim van uw leven geworden? Is Hij alles voor u geworden? Mag u vrijmoedig Zijn Naam belijden?

 

Als dat zo is, dan betekent sterven voor u, dat u bij Christus komt.

Dan is sterven niet erg, maar wacht u een heerlijk lot.

Dan is de dood niet meer de koning der verschrikking, maar de poort tot het eeuwige leven.

Dan wordt uw ziel van stonde aan opgenomen tot Christus, uw Hoofd.

Dan mag u naar huis, eeuwig naar huis, naar het gebouw bij God, dat niet met handen gemaakt is, maar eeuwig in de hemelen.

Dan ga ik op tot Gods altaren,
Tot God, mijn God, de bron van vreugd

De Catechismus zegt: Dat mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden.

Ze worden thuisgehaald, zoals Elia thuisgehaald werd met vurige paarden en een wagen en zoals Lazarus thuiskwam.

God stuurt Zijn engelen om ze te halen. De engelen zijn de handen van God. Zo mogen Gods kinderen tot hun uiterste, hoe arm en beroerd ze er naar het lichaam aan toe zijn, hun ziel in Gods handen bevelen. Christus zal hen heerlijk maken en opnemen.

 

Dat was onze eerste gedachte.

 

2. Ons lichaam wordt opgewekt tot nieuw leven op de jongste dag.

 

Daar gaat het vooral om, want dit artikel gaat over de opstanding des vleses.

Hoe gaat het dan met ons lichaam? De ziel gaat naar Christus en dan? Laten we nog even doorlezen wat er staat in de Catechismus:

Maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig worden zal.

 

Ziet u, de opstellers van de Catechismus stellen met heel veel nadruk ‘dit mijn vlees’.

Waarom? Wel, om aan te geven, dat het gaat om mijn eigen lichaam. De Heere schept bij de wederkomst geen nieuwe lichamen voor de Zijnen. Het gaat om herschepping.

Christus kreeg bij Zijn opstanding ook geen nieuw lichaam. Hij kon de tekenen van de nagelen in Zijn handen en Zijn voeten laten zien.

Het is een wonder, want, gemeente, ons lichaam is vanwege de zonde onderworpen aan de gevolgen van de zonde. Bij het ouder worden zie je heel duidelijk de aftakeling. Soms is er sprake van verminking. Bij ons sterven treedt het verderf in en dat proces zet zich voort in het graf. Ons lichaam keert terug tot de materie waaruit het genomen is. Dat is verschrikkelijk. Dat is een gevolg van de zondeval.

 

De ontluistering van het lichaam grijpt diep in en toch is er toekomst, ook voor het lichaam. Dat aspect van de schepping zal God niet laten varen; ook daar is Christus voor gestorven en opgestaan.

Maar waarom is het nodig, dat ons lichaam terugkomt? Wel, omdat onze ziel het lichaam nodig heeft om zich volmaakt te uiten met de mond, de handen, de voeten.

De zielen van degenen die in Christus ontslapen zijn, zijn gelukkig, maar nog niet volmaakt. Er is nog iets wat komen moet, er is een verlangen naar de dag der heerlijkheid. Het lichaam van Christus, dat ze in de hemel mogen aanschouwen, herinnert hen daar voortdurend aan.

 

De wederkomst van Christus is de hoogste trap van Zijn verheerlijking. Wat gebeurt er dan? Dan zal blijken, dat de kracht van Christus’ opstanding nog groter is dan de gelovigen hier in dit leven al hebben ervaren in de wedergeboorte. Dat is al een wonder van God, zo groot als de schepping. Door diezelfde kracht zal Hij alle dode lichamen opwekken. Het doet er niet toe waar de lichamen gebleven zijn. Of die nu opgegeten zijn door de wilde dieren of uiteengereten in de arena’s of overboord geslagen zijn in de zee, of ze nu verbrand zijn op de brandstapel, of ter ruste gelegd zijn in het graf, de kracht van God zal die lichamen terugbrengen.

 

Hij zal ze opwekken ten uiterste dage, op de laatste dag, op de jongste dag. Bij die opwekking op de jongste dag, zegt de Catechismus:

Zal ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, weer met mijn ziel verenigd worden.

Dan zullen lichaam en ziel weer verenigd zijn op de nieuwe aarde. Onvoorstelbaar!

Hoe moeten we ons dat voorstellen? Laten we het slot er maar direct bij nemen:

En aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig worden.

Dat is de toekomst, gemeente, voor degenen die God vrezen. Zij zullen geheel aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig worden. Dat betekent dat ons lichaam dan net zo heerlijk zal zijn als het lichaam van Christus na de opstanding.

Toen is Zijn lichaam niet vergoddelijkt, Zijn menselijke natuur is toen niet veranderd, niet van een andere orde geworden, maar verheerlijkt.

Voor ons betekent dat, dat er geen enkel gebrek meer zal zijn. De blinden zullen zien, de doven zullen horen, de kreupelen zullen huppelen. Er zal geen pijn meer zijn, geen gebrek, geen spoor van zonde zal er meer zijn, geen enkele rem of belemmering om met heel ons hart, met heel onze ziel, met heel ons gemoed en met alle krachten God voor eeuwig te loven en te prijzen.

 

Het zal een feest worden, vandaar dat de naam bruiloft daarvoor gebruikt wordt. De eeuwige bruiloft zal een groot en heerlijk feest zijn tot verheerlijking van God.

We zullen ons niet meer gespleten voelen, zoals nu zo vaak vanwege de strijd tussen geest en vlees. We zullen ons niet meer verdrietig voelen over de disharmonie tussen lichaam en ziel. Nee, daar zullen we een eenheid zijn. Alle functies zullen dan meedoen om God te verheerlijken.

Mijn oog zal Christus zien van aangezicht tot aangezicht. Verheugt u dat niet? Mijn mond zal de lof van de Allerhoogste ontvouwen. Ik zal nooit meer struikelen in woorden. Ons natuurlijk lichaam is door de zonde aangetast en de zonde is ook verwoestend voor onze ziel, maar dan zullen lichaam en ziel nooit meer een belemmering zijn om de Heere te dienen in alle volmaaktheid.

 

Leeft u ook uit die hoop? Want bij dit alles draait het om de vraag: ‘Is Hij uw Hoofd geworden in uw leven?’

Er zijn veel mensen, die onbekeerd leven en als ze sterven, zeggen ze: ‘Ik hoop maar, dat het meevalt.’ Nou, daar zou ik maar niet op rekenen. Ja, je mag roepen tot God om genade tot aan je laatste ademsnik, maar je kunt het beter nu doen, hoor! Want zoals je leeft - dat is de regel en de rest is uitzondering - zo zal je ook sterven.

Leeft u uit die hoop? Bent u met Christus verbonden? Is Hij alles voor u geworden? Bent u Zijn eigendom naar lichaam en ziel? Als dat zo is, dan is alles wat van Christus is ook van u. Nu in beginsel, maar straks volmaakt en totaal.

 

Dan zullen we Hem gelijkvormig zijn, zegt de Bijbel. We zullen Hem niet gelijk zijn, want Hij is God en wij zijn mensen. We worden Hem gelijkvormig. Hij blijft de Zon der gerechtigheid, maar wij zullen blinkende sterren worden. We zullen hetzelfde licht dragen als de Zon, we zullen Zijn heerlijkheid weerkaatsen in een nieuwe schepping.

 

Verlangt u daar nooit naar? Na een tijdelijke verdrukking wacht alle gelovigen de eeuwige heerlijkheid. Daar zullen ze weer echt mens zijn, zoals God het heeft bedoeld bij de schepping, zoals Adam en Eva voor de zondeval.

Wat zal dat heerlijk zijn! ‘Dan zal ik met mijn ganse hart Uw eer vermelden, Heer’, U eeuwig dank bewijzen.’ Kunt u het zich voorstellen, zonder zonde, smarteloos en zachtmoedig, rechtvaardig en heilig aan Zijn Beeld gelijkvormig te zijn?

Dat doet ons biddend opzien naar die grote dag en ons oor te luisteren leggen of het geluid van de bazuin al wordt gehoord.

Want dan zullen we altijd met de Heere wezen.

 

Dat was onze tweede gedachte.

 

3. De volkomen zaligheid wordt ons geschonken om God eeuwig te prijzen.

 

We lezen nog een keer vraag en antwoord 58:

Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

 

Eerst iets over dat eerste stukje, over het beginsel van de eeuwige vreugde in ons hart gevoelen.

De hemelse vreugde, de zaligheid is geen veronderstelling, geen droom, maar werkelijkheid, die reeds hier in dit leven wordt ervaren. Daar kunt u zich aan toetsen of u die hoop ook mag hebben voor de eeuwige toekomst.

Hier in dit leven wordt het al ervaren, zegt de Catechismus. Het eeuwige leven begint niet als je sterft, niet bij de opstanding, maar hier op aarde, als je wedergeboren wordt tot een levende hoop. Christus heeft immers gezegd: ‘Wie in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven.’ Het leven in de zaligheid wordt geen nieuw leven, maar dat is hetzelfde leven als wat een gelovige hier mag leven en kennen.

 

‘Ja, maar’, zegt u, ‘is er dan geen verschil?’ Ja, nou en of! Wat in de hemel anders wordt, is niet het principe van het eeuwige leven, maar dat is, dat het dan volkomen zal zijn, dat het dan volmaakt zal zijn. Dat is het verschil, dan zullen we er vol van zijn en zullen we helemaal openbloeien.

Ziet u, dat brengt de zaak heel wat dichter bij huis, bij ons. Het gaat niet alleen maar over een toekomst, maar het gaat over het hier en nu, over vandaag. Heden wordt u de vraag gesteld of u dat eeuwige leven mag kennen. Daar ligt een directe relatie tussen, want zo zegt de Catechismus:

Dat, nademaal ik nu het beginsel van de eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal.

 

In het leven wordt het beginsel van het eeuwige leven al gevonden en dat beginsel betekent niet een begin of een beginnetje, maar het woordje beginsel zou je kunnen uitleggen met het woordje principe. Het principe van het eeuwige leven begint hier. Het is net als bij een bloembol. Dat is in beginsel een prachtige bloem. Die bloembol is al helemaal compleet, alles zit er al in en eenmaal wordt het een bloem.

En wat is dan het principe van het eeuwige leven? De Catechismus noemt het zo: Het gevoelen van de eeuwige vreugde in mijn hart.

Voor gevoelen gebruikt de Catechismus in het oorspronkelijke een woord, dat ‘diep gevoelen’, ‘duidelijk bemerken’ betekent. Het is dus niet onbewust. Nee, daar weet je van. Het is met diepe verwondering waarnemen van een stuk hemelse blijdschap in je hart.

 

Hebt u dat wel eens? Herkent u dat diepe gevoel van vreugde, van hemelse blijdschap, van verwondering en aanbidding? Dan is God zo groot en dan buig je zo diep! Het is een hartelijke vreugde in God door Christus, het is de zalige verwondering over Gods goedheid.

Die verwondering begint hier in je hart als je tot God bekeerd wordt, als je wedergeboren wordt, als je tot geloof komt, als je God voor waar gaat houden. Dat begint als je God niet meer verwerpt en als je het Woord niet meer verwerpt en als je de Christus, het Lam Gods, niet meer verwerpt.

Daar ben je bij, dat weet je. Je bent blij, dat je ogen geopend zijn, dat je hart begint te branden als het over Christus gaat in Zijn vernedering en Zijn verhoging.

Het geeft je vreugde als Christus tot je komt en het Woord opent. Dan krijg je vermaak in de dienst van de Heere. Toets uzelf maar. De psalmist zingt ervan:

Wat blijdschap smaakt mijn ziel,
Wanneer ik voor U kniel
In ’t huis dat Gij U hebt gesticht!

 

Dat geldt ook hier in de kerk, onder het Woord. Je hebt blijdschap in het zien van God, in het ervaren van de aanwezigheid van de Heere Jezus, Die zo nabij wil zijn. Hij ziet u aan met ogen vol liefde en genade. Met Zijn lokkende en trekkende liefde nodigt Hij u om te komen tot Hem en om uw schuldige hand te leggen op Hem als het Lam, als het Zoenoffer. Als je dat ervaart, als dat je hart raakt, o, dan is er iets van vreugde en verwondering in je hart en zeg je: ‘O God, wat bent U goed.’

Die vreugde gaat heel diep. Het is een vreugde, gemeente, die je voor de hele wereld niet zou willen inruilen.

 

Let wel, dat geldt het principe van die vreugde, het beginsel van die vreugde, want wat de omvang van die vreugde betreft, zou je er veel meer van willen beleven en zou je het veel vaker willen beleven. Je zou het willen vasthouden als Christus zo nabij is met Zijn Woord en Geest.

Maar dat gevoel glipt weer weg uit je vingers. Dat gevoel kun je kwijtraken en daaruit weet je hoe ongelooflijk rijk het is en daarom mis je het dan ook weer.

 

Maar, gemeente, we raken het geloof niet kwijt, dat blijft. De heerlijke nabijheid van Christus laat iets na in ons leven. Het is niet zomaar een gevoelskwestie. Dat bedoelt de Catechismus niet.

Er zijn mensen, die niets van het gevoel moeten hebben. Die zijn soms heel voorwerpelijk en verbondsmatig.  Je moet maar aannemen dat het zo is. Het gevoel wordt dan afgedaan als valse mystiek. Dat is natuurlijk niet waar.

Maar anderzijds heb je mensen, die alleen maar durven geloven als ze het voelen, die alleen maar durven hopen als ze het voelen.

Hoe zit dat nu? Ik hoop, dat u er belang bij hebt, het gaat ons allen aan. Het ligt heel eenvoudig. Er is geen geloof zonder gevoel. Het geloof wordt beleefd, het geloof is levend. Dat is bevinding. Het is nodig dat het Woord van God waar wordt in ons hart. Als het geen levend geloof is, als het geloof niet beleefd wordt, dan is het geen geloof. Dus geloofservaring, laten we het zo zeggen, is helemaal bijbels.

De Bijbel spreekt over de droefheid naar God. De Bijbel spreekt over een hartelijke vreugde in God en de Bijbel spreekt over vrede met God. Hoe kun je dat nu anders ervaren dan door het geloof? Dat gaat niet zonder het gevoel.

 

Maar moet u goed opletten, want hier gaan veel mensen de fout in. Het gevoel is een vrucht van het geloof en niet omgekeerd. Ik geloof niet omdat ik het gevoel, maar het is precies andersom. Ik gevoel het omdat ik het geloof. Het geloof is eerst maar het hangt nauw samen met uw gevoel.

Zou je gevoel niet in hemelse vlammen ontvonken, als je met het oog van het geloof mag zien op Jezus, hoe Hij als het Lam Zich gewillig liet leiden naar de slachtbank? Als we zien hoe Hij als Borg kroop in Gethsémané in het stof, als we mogen zien wat het Hem kostte om die eeuwige vreugde aan te brengen en de hoop op de erfenis!

Dan is dat niet alleen maar een gevoelskwestie. Het raakt ook ons willen en ons bestaan.

Ga het maar na. Wat is de vreugde van de engelen in de hemel? Dat ze God mogen eren, dat ze Gods wil mogen doen. Dat is vreugde in gehoorzaamheid aan God, vreugde in volkomen toewijding aan God, in het willen en doen wat God wil.

 

Het is een vreugde hier in beginsel, maar straks zal die vreugde volkomen zijn. Wat ons zo vaak van die vreugde aftrekt en ons belemmert, dat zal dan verdwenen zijn. Het vlees, dat naar de zonde trekt, zal dan weg zijn en de wil, die nog zo vaak terugslaat en onwillig is, zal dan totaal vernieuwd zijn. En zo loopt dat beginsel, die bloembol, dat principe van het eeuwige leven uit op de bloem, de vervulling, op het bezit van de volkomen zaligheid.

 

Laten we er eerst van zingen uit Psalm 73 vers 12 en 13:

 

’k Zal dan gedurig bij U zijn,

In al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

Gij zult mij leiden door Uw raad,

O God, mijn heil, mijn Toeverlaat,

En mij, hiertoe door U bereid,

Opnemen in Uw heerlijkheid.

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

Op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart,

Of bangen nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

Gemeente, het gaat in Zondag 22 over de opstanding des vleses en het eeuwige leven.

We hebben erop gelet hoe onze ziel tot Christus, ons Hoofd, wordt opgenomen, hoe ons lichaam door Zijn kracht wordt opgewekt en hoe de volkomen zaligheid geschonken wordt.

Het slot van antwoord 58 luidt:

Dat ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

 

Is dat geen bron van troost, als we dat mogen geloven? Er komt eens een tijd, dat de vreugde onbepaald, door het licht dat van Zijn aanzicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen zal. Dan gaat het niet meer op en neer, maar dan is het eeuwig, zonder onderbreking. Een eeuwige vreugde, een eeuwige bruiloft!

Hier wordt onze vreugde zo vaak getemperd, hoewel je soms zeer vrolijk kunt zijn in de Heere. Vaak is het een vrolijkheid, die nogal eens vermengd is met smart en verweven met berouw over onze zonde. Die blijdschap is hier nog zo beperkt omdat ze van alle kanten wordt ommuurd door de omheining van de gestadige dood.

Zeker, het Woord kan, zo zingt de dichter: ‘Mijn hart en zinnen strelen, ofschoon ik alles mis.’ Het is nog niet vervuld. Ofschoon ik alles mis en me nog midden in de dood gebonden weet, toch weet ik heel zeker, dat ik mij aangaande die werkelijkheid niet bedrieg, want ik heb een onderpand. Ik ken iets van die eeuwige vreugde in mijn hart, soms overweldigend, soms stil, soms in het gemis. Maar ik weet het zeker!

 

Weet u, waar dat op uit gaat lopen? Ons antwoord zegt:

Dat ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal.

Na dit leven, dat niet anders is dan een gestadige dood, is het leven mij bereid. God neemt mij op in Zijn heerlijkheid.

Wie bereidde Zijn volk dit zalige leven? Dat deed het Lam Gods, Dat de zonde der wereld wegdraagt. Dat doet Jezus. Het eeuwige leven wordt geboren uit Zijn eeuwige dood, die Hij moest doorstaan.

De moederschoot van die eeuwige vreugde is de arme stal van Bethlehem. O, dan moet u zien hoe Christus Zich ten dode bedroefd ter aarde buigt in Gethsémané! U moet er acht op slaan hoe Zijn leven wegebt en het zweet als druppels bloed parelt op Zijn hoofd. U moet horen hoe Hij het leven verwerft door Zijn dood en hoe Hij de gemeenschap met God voor verloren zondaren betaalt met Zijn verlatenheid aan het kruis.

 

Gemeente, kijk naar die donkere heuvel Golgotha! Daar worstelt de Vorst van het licht. Ziet u Zijn wonden? De wonden van het Lam bedekken mijn zonden. Ziet u Zijn armen? Stervend nodigen zij u tot het leven. Ziet u Zijn lippen? Genade is erop af te lezen.

Hij heeft alles volbracht, het Lam is geslacht, alle rouw, gekrijt en moeite droeg Hij weg. Alle vrede, vreugde en verzoening bracht Hij aan. Alle gehoorzaamheid, gerechtigheid en heiligheid heeft Hij volbracht. De eeuwige vreugde ligt verankerd op de kruisheuvel.

 

De troost, die afstroomt van het vloekhout van de gezegende Zaligmaker, heeft zo’n lange adem, dat zij ver tot over de grenzen van dit tijdelijke leven heen reikt. Die troost trotseert dit aardse tranendal en verduurt alle ziekte en zorg, kwelling, verdrukking en benauwdheid en ook onze dood.

Deze vreugde en dit eeuwige leven hebben verreikende armen. Zij mogen gelovig en gehoorzaam vooruitgrijpen op de eeuwige vreugde die komt, namelijk de volkomen zaligheid.

Kunt u daarin meekomen? Dan hoeft u niet te twijfelen en wacht u na dit leven de volkomen zaligheid.

 

Het valt op, dat de Catechismus daar eigenlijk niets concreets over zegt. Het is namelijk een zaligheid, die geen oog heeft gezien. Hoe zou je het dan kunnen beschrijven? Het is een zaligheid, die geen oor heeft gehoord. Hoe zou je het dan aan andere mensen kunnen vertellen. Die zaligheid is in geen mensenhart opgeklommen.

De Catechismus haalt hier een Bijbeltekst aan. Wat wil de Catechismus hiermee zeggen? Wel, de Catechismus wil dit uitdrukken, namelijk dat deze zaligheid alle voorstellingsvermogens van ons mensen te boven gaat.

De zaligheid is schoner, heerlijker en grootser, dan het mooiste en het heerlijkste wat je hier op aarde kunt zien, meemaken of ervaren. De zaligheid is heerlijker dan het fijnste wat ooit ons oor heeft gehoord en waarvan de inhoud nog nooit in een mensenhart is geweest. Kortom, het is niet in woorden uit te drukken.

Als de Bijbel spreekt over de heerlijke toekomst voor het volk van God, dan drukt de Geest dat meestal uit in een gelijkenis of in een visioen. Soms wordt er verteld wat het niet is: de dood is er niet, tranen zijn er niet, rouw is er niet en er is geen zonde.

 

De hemel is heerlijker dan de heerlijkste voorstelling die je daarover zou kunnen maken.

Maar, gemeente, de hel is ook erger dan de ergste voorstelling die je daarover kunt maken. Waar het om gaat, dat verwoordt de Catechismus, want er staat:

            En dat om God eeuwiglijk te prijzen.

 

Daar is het God om begonnen. Dat wordt ons geluk en dan leven we pas weer echt en daartoe zal God Zijn werk voor mij voleindigen.

Dat loflied vangt hier beneden op aarde al aan. Het beginsel van de eeuwige vreugde, dat kleine begin garandeert dat we straks met al onze zinnen, met heel onze stem God zullen loven en eeuwig zullen prijzen.

Hebt u dat weleens, dat u zoveel grootheid in God ziet en dat Jezus zo nabij is, dat u geen woorden kunt vinden om Hem te prijzen en dat u in stille aanbidding buigt aan Zijn voeten? Daar mag u uw ziel leeg wenen voor Hem, de gezegende Heere Jezus.

Je begint Hem te prijzen met een lofprijzing, maar op een gegeven moment zijn er geen woorden meer. Maar in ieder geval heb ik er straks wel weer woorden voor omdat dan alles volmaakt is. Dan zal ik Hem eeuwig loven en prijzen.

Daar gaat het om en daar gaat het heen. Dat is de vervulling en de inhoud van het eeuwige leven. Dat zal straks ons werk zijn.

 

Lokt u dat aan? Of ziet u er niet zoveel bijzonders in? Als dat laatste het geval is, dan moet u niet denken, dat u bij die ‘gij’ behoort uit vraag 58.

 

Gemeente, we moeten verder maar niet gaan fantaseren over het hoe van de eeuwige zaligheid, want dan loop je vast. Het gaat ons voorstellingsvermogen ver te boven. Maar dit mogen we weten: we zullen God prijzen zonder vermoeidheid, zonder onderbreking. Nooit zal het ons vervelen en het zal God nooit vervelen. Het zal de Heere nooit teveel zijn, die massale samenzang in de hemel van alle engelen en mensen.

Na de wederkomst van Christus zal het lied van heel de schepping klinken, die verlost is door het bloed van het Lam. Daar gaat het om in de hemel en daar gaat het om na de wederkomst op de nieuwe aarde.

Beter gezegd, daar gaat het in beginsel al om, maar het zal straks helemaal volmaakt zijn. De volkomen zaligheid is de zaligheid, die tot volheid, tot vervulling gekomen is. Het gaat om het prijzen van God. Dat was het doel van de schepping in het paradijs en dat zal via Golgotha opnieuw het doel worden in de eeuwige zaligheid.

 

God loven zal dan onze grootste vreugde zijn. Er zal een volmaakte harmonie zijn tussen ziel en lichaam, tussen hemel en aarde en zoek ik nooit meer mijn eigen eer en u ook niet. Dan zijn we geen carrièremakers meer, maar dan zullen we op de volmaakste manier Gods eer bedoelen en onze naaste zonder enige jaloezie liefhebben als onszelf.

 

Gemeente, het zal in de hel eeuwig sterven zijn, altijd maar sterven en nooit de dood kunnen vinden.

Daarom, gemeente: ‘Wie kiest, o verdwaasde, voor het leven de dood?’ Een levende Zaligmaker staat heden voor u en Hij nodigt u om te komen tot Hem.

 

En u, pelgrims, als uw kruis zwaar is en u drukt, richt u op in Christus’ Naam. Richt weder op de trage handen en de slappe knieën, want een ieder van u zal voor God verschijnen in Sion.

Daarom mogen we altijd goede moed hebben, want daar zullen alle tranen zijn afgewist.

Daar zal niemand meer zeggen: ‘Ik ben ziek.’ Daar zal niemand meer pijn hebben.

De rouwklagers zullen niet meer door de straten gaan.

De vorst der duisternis zal u niet meer bespringen en beschimpen, maar hij zal voor eeuwig geworpen zijn in de poel, die brandt van vuur en sulfer.

De dood zal er niet meer zijn.

De verberging van Gods aangezicht zal er niet meer zijn en aldaar zal geen nacht zijn.

Daar zullen geen lange nachten meer zijn van vertwijfeling en beproeving.

De zonde zal er niet meer zijn.

 

Maar de zangers aan de glazen zee zullen daar eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.

Ze zullen het lied van Mozes en het Lam zingen:

Gij, o Lam Gods, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.

 

Amen.