Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 21

De ene, heilige, algemene, Christelijke Kerk

De oorsprong van de Kerk
De eenheid van de Kerk
De grootste schat van de Kerk
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 122: 1
Lezen : Efeze 1: 1 - 14
Zingen : Psalm 48: 1, 4 en 6
Zingen : Psalm 119: 32 en 84
Zingen : Psalm 32: 1

Gemeente, vandaag is Zondag 21 aan de beurt. We gaan deze eerst samen lezen.

 

Vraag 54: Wat gelooft gij van de heilige, algemene, Christelijke kerk?

Antwoord: Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in enigheid des waren geloofs, van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

Vraag 55: Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

Antwoord: Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan den Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

Vraag 56: Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Antwoord: Dat God, om des genoegdoens van Christus’ wil, al mijn zonden, ook mijn zondige aard, waarmede ik mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

 

Deze Zondag gaat over

De ene, heilige, algemene, christelijke Kerk

 

Drie gedachten vragen onze aandacht, aan de hand van de drie vragen met de daarbij behorende antwoorden:

1. De oorsprong van de Kerk

2. De eenheid van de Kerk

3. De grootste schat van de Kerk

 

Gemeente, het is niet toevallig, dat in de Twaalf Artikelen van ons algemeen Christelijk geloof de Kerk en het onderwijs over de Kerk direct na het artikel over de Heilige Geest staan. Zondag 20 ging over de Heilige Geest. Weliswaar vindt de Kerk haar oorsprong in de verkiezende liefde van God de Vader en vergadert Christus Zijn Kerk uit alle streken van deze wereld door Woord en Geest, maar het is de Heilige Geest, Die ze toebrengt. Het is de Heilige Geest, Die de bruid toebereidt voor de Bruidegom.

Het is de Heilige Geest, Die in het laatste der dagen, vanaf Pinksteren tot aan de wederkomst van Christus, de Kerk werft uit alle geslachten, talen, natiën en tongen. We zien daar soms zo weinig van om ons heen in ons ontkerstende vaderland, in onze eigen stad, in onze directe omgeving.

Wat wij soms zien is bedroevend. Kerkverbanden scheuren uit elkaar. Mensen, die lid van de kerk zijn, hebben ruzie met elkaar. Kerken schrijven elkaar af tot in de media toe. Als we zo over de kerk spreken, kunnen we er beter maar over zwijgen.

 

De Catechismus spreekt heel positief over de Kerk, vanuit een speciale gezichtshoek. De Catechismus probeert het te doen, zoals God de Kerk ziet. Wij zien vaak de scherven, maar God ziet het geheel, van het begin tot het einde. Hij ziet al de miljoenen uit het verleden, die zijn toegebracht tot de gemeente die zalig wordt. Zij zijn al in de hemel als de triomferende Kerk. De Heere ziet al die miljoenen die wij niet kennen vanwege onze land-, cultuur- en taalgrenzen. Hij kent de Zijnen in heel deze wereld, in Siberië, in West Papoea, in Guinee, in Izi en waar ook in deze wereld.

Hij ziet ook degenen die Hij nog toe zal brengen tot aan de jongste dag. En zo noemt de Catechismus hier heel die schare uit verleden, heden en toekomst de ‘Kerk’.

 

De Catechismus noemt hier de Kerk in één adem met de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

Dat betekent natuurlijk niet, dat de kerk op dezelfde hoogte staat als God. Dat zou leiden tot kerkisme. Kerkisme is een heel hoogmoedige, zondige houding met betrekking tot de kerk. Kerkisme zegt: ‘Alleen mijn kerk is goed en de rest is fout.’

Ik zeg ook, dat mijn kerk goed is. Die kerk heb je lief. ‘Kerkelijk besef’ wil zeggen dat je je kerk liefhebt waarin je geboren bent en zeker als je erin wedergeboren bent maar dat wil nog niet zeggen, dat je je ogen sluit voor haar gebreken. Kerkisme is zondig! Daar moet de Catechismus niets van hebben. Daarom geloven we ook niet in de kerk, zoals we geloven in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Nee, wij geloven aan de Kerk of liever, dat de Kerk er is.

 

De kerk is een voorlopige gestalte van het Koninkrijk Gods in deze wereld tot aan de wederkomst. De kerk is de woonplaats en de werkplaats van de Heilige Geest. De Kerk is de tempel van de Heilige Geest, het kroondomein van de Heere Jezus Christus. De Kerk is geen product van menselijke schepping of inspanning, maar een werk van de drie-enige God.

De Catechismus begint in haar spreken erop te wijzen waar de Kerk vandaan komt. Waar ligt de oorsprong van de Kerk? ‘Wel’, zegt de Catechismus, ‘dan moet u heel hoog zien naar het hooggebergte van de eeuwige liefde van God in Christus, dan moet u zien op het welbehagen van God.’

God heeft Zijn Kerk verkoren en liefgehad van voor de grondlegging der wereld om Zijn heerlijkheid te openbaren, om aan arme zondaren te laten zien Wie Hij is.

Om te laten zien hoe genadig en barmhartig Hij is, heeft Hij Zich een Kerk verkoren uit gevallen mensen, om daar Zijn heerlijkheid te openbaren.

Petrus zegt ervan: ‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.’

 

Ja, daarom is de kerk er. De kerk is geen doel op zich. We zijn hier niet om gezellig bij elkaar te zitten. We zijn hier om God te ontmoeten en de Geest in ons hart te laten werken, om aangeraakt te worden door de genade van God.

De kerk heeft de roeping in deze wereld om de deugden van God te verkondigen, Zijn liefde uit te beelden. Die liefde moet van haar afstralen in woord en wandel. God heeft geen mensen verkoren omdat ze beter waren dan anderen, maar uit vrije genade alleen.

 

De lijn gaat via de kerk heel persoonlijk naar ieder afzonderlijk. Als een wijs Bouwmeester heeft God het bestek van Zijn Kerk gemaakt. De Catechismus zegt, dat de gemeente Gods tot het eeuwige leven uitverkoren is. Kijk, daar hebt u de oorsprong van de Kerk.

Krachtens de schepping had God al recht op ons, maar wij kozen een andere heer en een andere meester. We verkochten ons aan de duivel en toen was er niemand meer die terugverlangde naar God. U niet! Ik niet! Adam en Eva niet, niemand! Niemand kwam tot berouw.

Als God Adam niet geroepen had toen hij bevende van Hem wegvluchtte, zou er nooit meer iets veranderd zijn in zijn leven. Niemand kwam op de gedachte om spijt te betuigen of berouw of schuldbesef te laten zien. Niemand haalde het in zijn hoofd om een Kerk te stichten en de Heere te gaan dienen.

Dat kwam van God vandaan. Dat kwam op uit Gods liefdehart, uit Gods welbehagen.

 

Gemeente, dat noemen we de verkiezing, het welbehagen van God, de bron van Zijn ontferming. God zag het hele menselijke geslacht in haar verlorenheid, onwil, onmacht en dood. Het mensdom was zonder leven, zonder toekomst en rijp voor de eeuwige rampzaligheid. Toen kwam in Gods hart het plan op om Zich nochtans in genade te ontfermen over verloren zondaren.

Begrijpt u dat? Nee, daar begrijpt u niets van en ik ook niet en daar zal nooit een sterveling iets van kunnen begrijpen. We hebben de eeuwigheid nodig om de onnaspeurlijke rijkdom, de ondoorgrondelijkheid van de genade van God en Zijn welbehagen te kunnen bewonderen en aanbidden. Niemand zocht naar God en niemand koos voor God. Maar toen koos en zocht God. Hij maakte het bestek voor het Godsgebouw, dat in eeuwigheid zal rijzen.

Dat bedoelt de Catechismus met de woorden:

de gemeente Gods tot het eeuwige leven uitverkoren.

 

Toen wij gekozen hadden voor satan, toen bleek dat God van eeuwigheid af al een tegenkeus had gedaan. Zo, gemeente, staan de zaken ervoor. We zitten hier en dat komt voort uit de eeuwige liefde van God de Vader.

Er is dus geen enkele reden om ons te verheffen of om ons op de borst te slaan, dat we toch nog kerk zijn en toch nog gemeente zijn. Het is alleen maar een reden om dankbaar te zijn en klein te worden.

Waar is dan de roem? Die is uitgesloten.

Alle roem is uitgesloten,
onverdiende zaligheen
heb ik van mijn God genoten,
'k roem in vrije gunst alleen!

 

Daar ligt de oorsprong, maar ook de bestaansgrond van de Kerk. Dit is tevens de garantie, dat de Kerk er zal blijven tot aan de wederkomst van de Heere Jezus Christus. Er kunnen tijden zijn in de wereldgeschiedenis, dat de openbaring van de Kerk heel minimaal is, zoals bijvoorbeeld in de tijd van Elia en koning Achab.

In de verkiezende liefde van de Vader ligt de oorsprong van de Kerk, van de gemeente Gods in deze wereld. Daaruit volgt, en daar borduurt de Catechismus op voort, het Kerkvergaderend werk van de Heere Jezus Christus als de Zoon. Want, zo lees ik in de Catechismus,

de Zoon van God vergadert die uitverkoren gemeente.

Hij heeft ze ontvangen van de Vader. Hij kon zeggen: ‘Ze waren Uwe, en Gij hebt Mij dezelve gegeven.’ Hij vergadert Zijn Kerk op grond van Gods welbehagen, maar Hij is er het middelpunt van. Hij vergadert tot Zich, het is Zijn gemeente, Zijn kroondomein. Hij is het Hoofd. Hij zendt Zijn dienaren eropuit om bruiloftsgasten te zoeken voor de bruiloft. Daarom zit u hier in de Kerk en daarom mogen wij u het Evangelie van Gods genade verkondigen. Hij heeft zoveel bruiloftsklederen!

 

Hij verdiende zo’n onuitputtelijke, oneindige hoeveelheid genade, dat de dienaren van het Evangelie met gulle hand het zaad mogen strooien en de goedgeefsheid van Koning Jezus mogen voorstellen en aanbieden. Zij mogen laten zien, dat er in Zijn hart gevende liefde leeft. Hij gaf Zich tot aan het kruis op Golgotha.

 

En waar Christus vergadert door middel van de bediening der verzoening, daar komt beweging in doodsheid en levenloosheid. Daar komt een einde aan de dood, aan de geesteloze rust. Daar komt een verlangen naar de Heere Jezus en een droefheid over de zonde. Leg uw hart er maar eens naast. Daar komt een kinderlijke vreze voor de Heere. Het nieuwe leven komt openbaar.

Kennen jullie die trekkende liefde, jongelui? De liefde van God verbreekt je hart, zodat je met God in gemeenschap wil komen en zodat je niet gelukkig kunt zijn voordat je weten mag: Hij is mijn Vader. Hij is mijn God. Ik ben met God verzoend. Dan komt er een hartelijke liefde voor de goede Herder, Die Zijn leven heeft gegeven voor Zijn schapen. Je mag je bedelaarslompen verwisselen voor het bruiloftskleed.

 

Buiten de Heere Jezus kunnen we niet een echt lid van de Kerk zijn. ‘Ja’, zegt u, ‘maar we zijn toch allemaal lid? En onze kinderen zijn toch al lid als ze geboren zijn?’ Jazeker, onze kleine kinderen zijn geboortelid. Onze jongens en meisjes zijn dooplid. Als je belijdenis doet, ben je belijdend lid. Dan heb je alle rechten en plichten. En toch, buiten Christus om kan niemand lid zijn van die Kerk waarover de Catechismus thans spreekt.

Daarom is de vraag voor u, voor mij en voor jou: ‘Kennen we Hem? Hebben we de Heere Jezus lief gekregen.’

Er staat: ‘Hij vergadert Zich een gemeente.’ Hij brengt ons bij elkaar uit de hoeken en gaten, uit de heggen en stegen. Hij haalt ons uit onze schuilplaatsen. Als Hij ons vergadert, komt er verwondering in ons hart, in ons leven. Hij trok me, Hij zocht mij in liefde op. Ik had de dood verdiend, maar ik mocht uit Zijn mond vernemen: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’ Dan leer je wat genade is.

 

Er ligt in het woordje ‘vergaderen’ meer. Hij bindt de gelovigen samen, Hij vergadert ze tot een vergadering der gelovigen. Christus wil geen losse, naast elkaar levende individuen, die Hem dienen en tegelijkertijd als los zand naast elkaar leven. Nee, Hij vergadert Zich een gemeente, een organisch geheel, waarin de leden elkaar opbouwen in de liefde, waarin de leden met elkaar het lichaam zijn.

De Catechismus zegt:

Hij vergadert ze in enigheid van het ware geloof.

 

De Zoon van God vergadert Zijn Kerk langs verschillende wegen. De één komt uit de wereld, soms via een huwelijk, door evangelisatiewerk of door een familielid, anderen vanuit de kerk, van de akker van het verbond, waar Hij ons geboren deed worden. Op verschillende manieren vergadert Hij. De één wordt heel evangelisch geleid en getrokken, een ander moet er soms diep door. Om met Kolhbrugge te spreken: die moet langs de donder van de Sinaï.

In verschillende tijden vergadert Hij, ook wat onze leeftijd betreft. Er zijn mensen die van jongs af aan de Heere vrezen, die als kind niet anders weten, dan dat hun hart uitging naar de Heere en dat ze er bedroefd over waren als ze tegen God gezondigd hadden.

Anderen worden in hun jeugd, in de pubertijd geroepen, weer anderen op latere leeftijd. Abraham was zelfs 75 jaar oud toen God hem riep uit de afgoderij van Ur der Chaldeeën.

 

De eenheid van de Kerk ligt in het ware geloof. De band waarmee Christus de Zijnen aan Zich bindt is het ware geloof en dat sluit de liefde en de hoop in. Laten we er oog voor houden, gemeente, voor die verschillen en voor de verschillende wegen. De Heere gaat met een ieder van Zijn kinderen een eigen weg. Heb daar toch erg in. Er is verschil in leiding, in ligging, in begaafdheid en in karakter.

Gods Kerk is één in Christus het Hoofd, door het ware geloof, waar Zondag 7 ons op gewezen heeft. Zo kunnen een ontwikkeld iemand en een eenvoudig gemeentelid toch één met elkaar zijn, want ze bewandelen dezelfde weg, de weg van het ware geloof. Ze hebben beiden dezelfde wens om Christus lief te hebben en te verheerlijken.

De gemeente Gods is het lichaam, het huisgezin waar God Vader is en waar Jezus onze oudste Broeder is en waar de gelovigen elkaars broeders en zusters zijn. Zo is er één geloof, één Doop, één Heere, één God en Vader.

 

De Bijbel zegt, dat Gods Kerk één moet zijn in Christus. Het is makkelijk gezegd: ‘We zijn één in Christus.’ Maar als we dat niet in praktijk brengen, als we verder niets met elkaar te maken willen hebben en als los zand naast elkaar leven, dan is er wel degelijk iets mis. De Heere Jezus heeft gebeden: ‘Heilige Vader, bewaar hen in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk als Wij.’ Weet u waarom? Opdat de wereld zou bekennen dat de Heere God is.

Als we zo verscheurd en verdeeld over de aarde gaan, is dat een antireclame voor het Koninkrijk van God. Als iemand met een foldertje van De Evangeliebanier in aanraking komt en vraagt: ‘Naar welke kerk moet ik gaan?’ De buitenkerkelijke ziet zoveel kerken, die het allemaal even goed bedoelen en die vinden, dat ze even best zijn, welke moeten zij dan kiezen? Voelt u de moeilijkheid? Soms is het voor ons nog moeilijk, laat staan voor een buitenkerkelijke mensen.

 

Gemeente, laat ze maar zien waar God woont. Straalt maar iets uit van de waarachtige liefde van de Heere Jezus Christus. Christus wil één Kerk. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk. Je zou dat de eigenschappen van de Kerk kunnen noemen: eenheid, de algemeenheid, het christelijke karakter van de Kerk en de heiligheid. Paulus schrijft aan de gemeente van Rome en Korinthe: ‘Geroepen heiligen.’

U moet eens bedenken wat er gebeurde in de gemeente van Korinthe, wat een toestanden daar voorkwamen! We lezen van overspel en dronkenschap onder de gemeenteleden. ‘Heiligen?’ zegt u. In ieder geval betekent dat niet zondeloos. Dat is waar. Daar kwamen barre toestanden voor en toch ‘heiligen’.

 

Om twee redenen noemt Paulus ze heiligen. In de eerste plaats vanwege de Doop. Ik betrek het maar gelijk op ons.

Bij onze Doop, gemeente, hebben we beleden, dat we in Christus geheiligd zijn. We zijn afgezonderd van de wereld en bestemd voor de dienst van God. We zijn apart gezet en de Heere toegewijd. Daarom zijn onze jongens en meisjes al lid van de kerk. Je bent al lid van de kerk vanwege je geboorte en vanwege de Doop. En de Heere wil, dat je straks Zijn Naam belijdt en volwaardig als gemeentelid meedoet. De Kerk is heilig, want je bent in Christus geheiligd, afgezonderd van de wereld en toegewijd aan de dienst van God.

 

Er is nog een argument om te zeggen waarom de Kerk heilig is. De Kerk is heilig in Christus. Niet in zichzelf, verre van dat, maar Zijn volkomen heiligheid wordt haar toegerekend.

Guido de Brès verwoordt dat in Artikel 27 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis op een schitterende manier:

De Kerk is een heilige vergadering van ware christengelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heilige Geest.

 

Er is één heilige, algemene, Christelijke Kerk.

De Kerk is algemeen of katholiek. Algemeen betekent van alle tijden, plaatsen, standen, rassen, culturen, leeftijden, waar ook op deze wereld, overal verspreid. Onder het Oude Testament bleef dat voornamelijk beperkt tot Israël, maar na Pinksteren, nadat God de middelmuur des afscheidsels, de ceremoniële wet tussen Israël en de volkeren heeft afgebroken, kwam het Evangelie tot alle mensen. Toen zijn de grenzen uitgewist. Het lied van het Lam wordt gezongen door mensen uit alle geslachten, talen, natiën en tongen.

De Catechismus zegt: ‘Uit het ganse menselijk geslacht.’ God sluit geen mens, geen geslacht, geen cultuur, geen land uit. Van zee tot zee zal Hij regeren. Die algemene Kerk vergadert Christus in alle tijden, vanaf het begin van de wereld tot aan het eind van de wereld.

 

Het begon in het paradijs. Toen Adam en Eva na de zondeval van God wegvluchtten, zocht God hen op in het struikgewas en Hij riep: ‘Adam, waar ben je? Kom eens voor de dag! Wat heb je gedaan? Heb je van die boom gegeten?’ ‘Ja’, zegt hij, maar tegelijkertijd gaat hij zijn vrouw beschuldigen. Dan blijkt het, hoe erg het is en hoe diep de zonde geworteld zit in Adams hart. Maar God belooft Zijn Zoon en schenkt Adam genade. Daar begint het.

Je zou kunnen zeggen, dat Adam het eerste lid van de Kerk was en Eva het tweede lid. En dat werk gaat door tot in alle geslachten, tijden en culturen, tot op de laatste dag toe, tot de nieuwe hemelen en de nieuwe aarde zullen gekomen zijn.

Christus gaat door tot de laatste is toegebracht en daarom hebben wij ook nu nog de prediking. God gaat door zolang de zon en de maan aan de hemel staan. Christus vergadert Zijn gemeente, totdat ze compleet is.

 

Voor duizenden mensen heeft het geloof vandaag de dag niets meer te betekenen. De Kerk van Christus is een minderheid geworden in de samenleving. Je zou haast zeggen, dat ze de woestijn in gedreven is, maar in die woestijn vergadert Christus Zijn gemeente ook. Daar staat God garant voor in Zijn verkiezende liefde. Daar staat Christus garant voor met het bloed, dat Hij gestort heeft aan het kruis. Daar staat de Heilige Geest garant voor vanuit Zijn gewilligheid om na Pinksteren overal zondaren toe te brengen en hun het heil te schenken.

Christus beschermt Zijn gemeente. Hij laat ze voortbestaan te midden van de woestijn van deze wereld. Hij geeft Zijn Kerk, ondanks alle vijandige machten die erop af komen, niet over aan eigen weerbaarheid. Hij beschermt, Hij is de ten hemel gevaren Koning.

Alle macht is Hem gegeven in hemel en op aarde en Hij zegt: ‘Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten. Ik ben met u.’

In de woestijn van deze wereld onderhoudt Christus Zijn Kerk en dat mogen we ervaren in de samenkomsten van de gemeente, als het Heilig Avondmaal wordt bediend, als het Woord wordt verkondigd, als u geraakt mag worden door de kracht van de Geest.

Dat mag ervaren worden als het Woord u meeneemt om te zien op Gods liefde en heerlijkheid. Als de goede Herder in Zijn zorg voor Zijn schapen in de diepste dalen van beproeving, nood, smart en rouw het waarmaakt:

De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.

Hij doet mij nederliggen in grazige weiden;

Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.

Hij verkwikt mijn ziel.

Al ging ik ook door een dal van de schaduw des doods,

ik zou geen kwaad vrezen,

want Gij zijt met mij.

 

Hoe doet de Heere dat? De Catechismus zegt: ‘Door Geest en Woord.’

Daar moet u op letten. Het vergaderen, het beschermen en het bewaren geschiedt alle drie door Geest en Woord.

 

Eerst wordt de Geest genoemd, dus ook de bescherming en de onderhouding van Zijn Gemeente geschiedt door Geest en Woord. Waar zou uw hongerige ziel anders naar verlangen, dan in het dierbare Woord van God? Maar Wie kan het Woord zo heerlijk in uw ziel en in uw hart leggen, zodat het eten en drinken voor u wordt? Dat doet de Heilige Geest als de Toepasser. De Geest staat hier zelfs voorop, want Hij is het, Die levend maakt, Die hongerig en dorstig maakt.

 

De Geest leeft zowel in het Hoofd Jezus in de hemel als in Zijn lidmaten op de aarde. De Geest, als Onderwijzer en Trooster, neemt het uit Christus en verkondigt het aan ons. Zijn verlangen is het om Christus Jezus te verheerlijken. De Geest is de Gids, Die leidt in alle waarheid, Die troost en Die eeuwig bij mij blijft.

Waar de Geest komt en werkt daar komt leven, daar gebeurt iets. Daar wordt alles anders, daar wordt de Kerk gebouwd, daar komt de woonstede Gods in de Geest.

Dan bent u opeens heel erg geïnteresseerd in het Woord. U kunt er niet meer los van komen. Vanbinnen in uw hart gaat er iets breken. Er wordt een gebed naar boven gericht. Er stijgt een zucht op tot God: ‘Heere, schenk mij die genade, waar ik nu van horen mag.’ Opeens krijgt u er zin in. Waarin? In de dienst van God en dat komt door het werk van de Heilige Geest.

 

De Geest werkt door het Woord, zo houdt de Catechismus ons voor. Christus vergadert door Zijn Woord. Hij beschermt en onderhoudt door Zijn Woord. Waar het Woord van de Koning is, daar is Hijzelf, daar is gezag, daar oefent Christus heerschappij.

Een kerk, die geen eerbied meer heeft voor het Woord, raakt verstrooid en weerloos. Waar wordt afgedaan van het Woord, waar gezegd wordt: ‘Ach, nou ja, moet je dat nu werkelijk zo serieus nemen? Wie gelooft dat nu nog vandaag?’

Maar wat houd je dan nog over? Als u Christus kent, dan begrijpt u hoe arm het is om het Woord van God prijs te geven en er kritiek op te hebben. Het is arm om met je verstand boven het Woord te staan en alleen te accepteren wat jou te pas komt en niet wat de Heere ons daarin te zeggen heeft.

Geest en Woord, laten we ze maar bij elkaar houden, want daardoor werft Christus Zijn bruid, daardoor stuurt Hij Zijn dienaren eropuit om u te laten toeroepen: ‘Laat u met God verzoenen.’

Mensen, het kan nog, want God daalde in Christus neer op deze wereld en Hij bracht verzoening aan. De apostel schrijft: Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Zo komen de dienaren der verzoening tot u en zo mag u van week tot week het Evangelie  horen.

 

Door Geest en Woord vergadert, beschermt en onderhoudt Christus Zijn gemeente, Zijn Christelijke Kerk. ‘Christelijk’ betekent, dat de Kerk het eigendom is van Christus. Dat zegt het woordje Kerk. Het Griekse woordje kuriakè betekent: ‘wat van de Heere is’, wat van Christus is. Hij is haar Koning en Verlosser, haar Heere en Hoofd. Hij neemt de eerste plaats in Zijn Kerk in. Als de Kerk op haar plaats is, weerspiegelt ze het beeld van Christus. Dan verspreidt ze de liefdegeur van Christus, en Zijn erbarmen en mededogen.

Hij betaalde de bruidsschat voor Zijn bruid en daarom is de Kerk voor eeuwig Zijn eigendom.

 

En van die Kerk, zo zegt de leerling, ben ik een levend lid.

Rijk, hè? Mag u hem dat nazeggen? Mag u de leerling van de Catechismus nazeggen: ‘Ja, daar ben ik een levend lid van en dat zal ik eeuwig blijven.’?

Wij zijn dood in zonden en misdaden, maar Christus kwam en Hij bracht het leven aan.

Gemeente, dode ranken worden eenmaal verbrand. O, beseft dat, als u nog doorleeft zonder de Heere Jezus!

De levende ranken zuigen hun sappen uit de Wijnstok Christus en zij dragen de vruchten van liefde, geloof, goedertierenheid en lankmoedigheid.

 

Een levend lid van Christus’ Kerk en dat eeuwig te mogen blijven, daarbij past maar één woord: de wedergeboorte, door Woord en Geest. Daarover schrijft Paulus in Efeze 2: U heeft Hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart. In de Galatenbrief staat: Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft.

 

Gemeente, wat gelooft u van de ene, heilige, algemene, Christelijke Kerk?

Bent u daar al een levend lid van? U zegt: ‘Hoe weet ik dat?’

Guido de Brès geeft in artikel 29 een paar prachtige kenmerken, om te zien of je een levend lid bent. Luister maar.

Hij schrijft:

Dat komt openbaar in het aannemen van de Heere Jezus als Zaligmaker en er komt een vlieden van de zonden en een najagen van de gerechtigheid.

Guido de Brès vervolgt: Dan is er ook een liefhebben van je naaste. Dan heb je Christus, Zijn volk en je naaste, zelfs je vijanden lief. Dan is er door de Geest een toevlucht nemen tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van Christus.

 

Voelt u, hoe rijk dat is? De levende leden hebben vergeving der zonde, door het geloof in Hem.

Weet u, waaruit het ook blijkt of je levend lid van de Gemeente van Christus bent? Dat blijkt uit de gemeenschap der heiligen. Dat staat in het volgende stukje van de Twaalf Artikelen. Dat is geen nieuw onderwerp, maar dat valt er helemaal mee samen. Na het artikel van de Kerk staat een komma. De gemeenschap der heiligen is een verbijzondering, een nadere bepaling van de Kerk. De Kerk is een gemeenschap, een eenheid en daarop gaan we letten in onze tweede gedachte, als het gaat over De eenheid van de Kerk.

 

We zingen eerst uit Psalm 119 vers 32 en 84:

 

Ik ben een vriend, ik ben een metgezel

Van allen die Uw Naam ootmoedig vrezen,

En leven naar Uw Goddelijk bevel.

O HEER’, hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen!

Gij doet op aard’ aan alle scheps’len wel;

Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen!

 

Mijn ziel bewaart Uw trouw getuigenis;

Dat heb ik lief, ook doe ik Uw bevelen.

Uw woord kan mij, ofschoon ik alles miss’,

Door zijnen smaak, én hart én zinnen strelen.

Gij weet mijn weg, en hoe mijn wandel is;

’k Wil niets daarvan voor U, mijn God, verhelen.

 

2. De eenheid van de Kerk

 

Gemeente, het gaat over de ene, heilige, algemene, Christelijke Kerk.

We hebben zojuist gelet op de oorsprong van de Kerk en nu gaan we luisteren naar het tweede punt: De eenheid van de Kerk.

We lezen samen vraag en antwoord 55:

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmaten aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

 

De eenheid van de Kerk.

De gemeenschap der heiligen wordt hier beschreven naar twee kanten, eerst naar haar diepste wezen en dan naar haar openbaring.

Het diepste wezen van de gemeenschap der heiligen is de gemeenschap met Christus. Het diepste wezen is de band met Hem en de openbaring is de gemeenschap aan elkaar. Je zou kunnen zeggen eerst de verticale lijn en dan de horizontale lijn. Of, om met een ander beeld te spreken, eerst de wortel, de gemeenschap met de Heere Jezus, het gemeenschappelijk deel hebben aan Hem en dan de vrucht, het één zijn met elkaar, de onderlinge verbondenheid tussen zusters en broeders.

 

Het gaat uit van de band met Christus. Als we die onzichtbare band met Christus doorsnijden, dan kan de zichtbare band op aarde geen standhouden. Snijd je de wortel af van een plant en zal hij geen vruchten kunnen voortbrengen. De Heilige Geest legt die onzichtbare band met Christus. De Geest verbindt de gelovigen met Christus. Hij doet ze leven uit Hem en daar begint de gemeenschap der heiligen. Deze begint bij de gemeenschap met Christus.

In onszelf zijn we onheilig, maar door de Geest worden we verbonden met Christus. We worden gewassen in Zijn bloed en verzegeld door Zijn Heilige Geest.

 

Gemeente, u ziet het. Sympathieën, antipathieën of gevoelens van mensen geven niet de doorslag in de gemeenschap der heiligen, maar het gemeenschappelijk deel hebben aan Christus.

Het is heel ontdekkend en ontmaskerend om te zien, dat het niet van ons uit gaat, maar van Hem. Hij doet ons hart uitgaan naar Hem. Hij leert ons belijden: ‘Tot wien zullen we anders heengaan? Gij hebt de woorden van het eeuwige leven.’ We krijgen Hem lief. We leren onze zaligheid van Hem verwachten. We beleven de levensgemeenschap met de Heere Jezus. Dan gaat de plant zijn sappen opzuigen uit de wortel.

En zo legt de Heilige Geest de verticale band met Christus. De lidmaten zijn één lichaam, dat verbonden is met één Hoofd, geleid door één-en-dezelfde Geest.

 

De Catechismus zegt: Allen en een iegelijk.

‘Allen’ wijst op de Kerk in haar totaliteit, op alle gelovigen samen en ‘eenieder’ wijst op het persoonlijke. Eenieder is bekend, met zijn persoonlijke levensomstandigheden en levensnoden. De kleine is niet minder dan de grote.

De bloedvloeiende vrouw, die de toevlucht nam tot Jezus en de zoom van Zijn kleed aanraakte, hoort er net zo goed bij als Abraham, de vader van alle gelovigen. En zo geeft de Geest gemeenschap, deel aan Christus, maar ook aan Zijn weldaden, Zijn schatten en gaven, en dat kunt u niet van elkaar losmaken.

 

Christus trouwt Zijn bruid in gemeenschap van goederen. We hebben Hem lief, niet om wat Hij geeft, maar om Wie Hij is.

Om welke schatten gaat het? Ze zijn beter dan zilver en goud, duurder dan de edelste metalen.

Wie ze eenmaal heeft ontdekt, kan er niet meer buiten.

Wat kosten ze? Niets, want het zijn gaven. Ze worden geschonken in de gemeenschap met Christus. Ik hoef alleen mijn hand maar op te houden en bij elke schat te zeggen: ‘Dank U, Heere, dat U dat voor mij hebt gedaan.’

 

Het derde wat de Catechismus in deze Zondag noemt, namelijk de vergeving der zonden, is wel de grootste schat. Maar ook de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt en het eeuwige leven, dat Christus voor Zijn Kerk verworven heeft en de verlossing van het lichaam der zonde en des doods in het einde der dagen, zijn van onschatbare waarde.

 

Ten andere, moet elk zich schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.

In de gemeenschap der heiligen gaat het dus niet om een gemeenschappelijk belang, om hetzelfde ideaal. Dat hebben humanisten en socialisten ook. Nee, het gaat om hetzelfde geloof, dat verbindt met het ene Hoofd.

De gemeenschap met Christus laat Gods kinderen niet ledig. Dat blijkt uit de vruchten. Wat we ontvangen, geven we door. Dat zijn we verplicht, dat is een ereschuld.

 

We moeten ons schuldig weten.

Waarom staat dat woordje ‘schuldig’ hier? Blijkbaar omdat wij zo traag zijn in naastenliefde, blijkbaar omdat we ertoe aangevuurd moeten worden. Het is geen zaak van medelijden, zo houdt de Catechismus ons voor, maar van plichtsvervulling.

Hoe dichter we bij de Heere Jezus leven en uit Hem leven, hoe gewilliger en hoe vreugdevoller we dat werk mogen doen. Door de omgang met Christus komt er iets van Zijn gestalte, van Zijn gevoelen, van Zijn gezindheid in ons. We gaan op Hem lijken. Dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was.

 

Die liefdegeur van Jezus gaat tot liefde nopen. Dan zegt de buitenwacht: ‘Zie hoe lief ze elkander hebben.’

Dat zie je in iemands leven, dat hoor je uit zijn vriendelijke woorden, dat blijkt in daden en gebaren. De andere kant is ook waar. Als de buitenwacht ziet, dat mensen elkaar verbijten en vereten, dan betekent dat, dat het heel slecht gesteld is met de gemeenschap met Christus. Dan moeten we het ergste vrezen wat betreft de wortel. Is die wel aanwezig?

 

Gemeente, hebt u gaven? Die moet je gewillig en met vreugde aanwenden ten nutte van anderen. Die gaven heb je niet gekregen om te pronken, maar ten nutte en ter zaligheid van de andere leden, tot hun welzijn.

Dat geldt natuurlijk ook in de samenleving, maar daar gaat het hier niet over. Het gaat hier over de gemeenschap der heiligen, over de broeders en zusters van hetzelfde huis, de Kerk.

Er zijn zoveel dwalende, wanhopige, verslaafde, ingeslapen en zorgeloze mensen. Er is zoveel nood! Wend uw gaven maar aan en wees een heenwijzer naar het Lam van God, Dat de zonde der wereld droeg.

 

Om welke gaven gaat het? Om volharding in het gebed, wijsheid in het spreken, de geest om te onderscheiden, inzicht in het Woord, liefde om het verlorene te zoeken, om halsstarrigen te vermanen.

Het gaat om geduld, om mensen op te bouwen in de liefde. Om zieken te verzorgen, tact om de jeugd te begrijpen en met ze om te gaan en nog veel meer.

 

Misschien zegt u: ‘Ja, het spijt me, maar die gaven heb ik niet.’

U kunt ze krijgen, want het zijn gaven. Vergeet daarbij het gebed niet. Niemand heeft alle gaven. Dat is maar goed ook, anders zou een mens hoogmoedig worden. De een is de hand en de ander de voet en weer een ander het oor en samen vormen ze één lichaam.

De wereld moet toch kunnen zien van Wie dat lichaam is? De wereld moet Christus kunnen zien in u, in jou, in ons als gemeente.

Dat was ons tweede punt De eenheid van de Kerk.

 

3. De grootste schat van de Kerk

 

In vraag 56 staat:

Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Dat God om des genoegdoens van Christus wil al mijn zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenkt, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

 

De grootste schat van de Kerk. Dat is toch dat God onze zonde vergeeft?

De schat, dat God een God is Die de zonde vergeeft, draagt de Kerk van geslacht tot geslacht in haar verkondiging met zich mee.

God is vergevingsgezind. De dichter van Psalm 130 zegt: ‘Bij U is vergeving.’

 

Via de Kerk, via de prediking, via de ambtelijke bediening, via de sacramenten behaagt het God om de leden van Zijn Kerk te verzekeren van de belofte van de vergeving der zonden. Is dat niet rijk?

Denk het eens in! Denk eens aan uw zonden. Ze vormen een afgrond van verlorenheid. Maar nu zegt onze belijdenis, op grond van de Schrift, dat er vergeving bij God is voor al mijn zonden.

Gods heiligen weten van vergeving van de zonde.

 

Wat betekent het voor een Farizeeër? Niets! Hij vindt zichzelf best.

Wat betekent dat voor een arme tollenaar? Alles, want hij slaat achter in de tempel op zijn borst, hij klaagt zich aan. Hij vindt zich te onwaardig, dat God nog in gunst op hem zou neerzien.

 

Al mijn zonden.

Dat zijn de zonden van bedrijf en nalatigheid, met woorden, daden en gedachten. Dat zijn de zonden van het verleden en het heden. Dat is de zonde van het niet liefhebben van God, van het niet onderhouden van Zijn wet. Dat is de zonde van het feit, dat we geen goede vruchten dragen in al de jaren van ons leven.

Voelt u met de dichter de grootheid van uw kwaad?

 

Er komt nog iets bij, namelijk mijn zondige aard, waarmee ik een leven lang te strijden heb.

Of strijdt u er niet mee? Hebt u er geen erg in dat u een zondige aard hebt?

Mijn zondige aard, dat gaat nog veel dieper. De bron wordt blootgelegd. Ik kan me niet verschuilen achter mijn zondige inborst, mijn zondige geaardheid. Je kunt niet zeggen: ‘God, ik ben nu eenmaal zo. Neem het me maar niet kwalijk.’

Nee, ook mijn zondige aard. Ik ben slecht tot op de draad. Wat kun je een verdriet hebben van die taaie, ingewortelde smet van de zonde.

Herkent u het? Je hebt er heel je leven tegen te strijden. Paulus riep het uit: ‘Ik ellendig mens, als ik het goede wil doen, ligt het kwade me altijd bij.’

 

Gemeente, het hoofd mag omhoog gericht zijn. Zie niet op uzelf, maar op God, Die de zonde nimmermeer wil gedenken vanwege de genoegdoening van Christus, Zijn lieve Zoon. Het gaat niet om ons berouw, maar om Zijn genoegdoening, Zijn kruis, Zijn offerande en Zijn volbrachte werk. Hij heeft genoeg-gedaan. Aan het vloekhout droeg Hij de last van de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht.

 

Daarom wordt u, jou heden gepredikt, dat er vergeving is voor uw zonde, voor jouw zonde. Wie je ook bent en wat je ook hebt uitgehaald. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. God gedenkt niet het kwaad, dat wij bedreven. Hij haalt een streep door de rekening.

Als u leert buigen voor God en zegt:

‘Heere, hoe moet dat met mijn zonden en met mijn zondige aard?’

dan zegt de Heere:

‘Ik gedenk ze niet; ze zijn vergeven en vergeten omdat Mijn Zoon de last van de toorn van de zonde heeft gedragen.’

 

Gemeente, Hij vergeeft niet alleen, maar Hij geeft ook. Hij wil u uit genade de verworven gerechtigheid van Christus schenken. Zo alleen kunnen we in overeenstemming zijn met de heilige wet van God, alsof ik zelf alle gerechtigheid had volbracht.

Zo alleen worden we hersteld in de gemeenschap met God en het kindschap van God.

 

Gemeente, breng uw zonde maar bij de Heere, want Hij vergeeft menigvuldig, wie u ook bent. Hij heeft gezegd:

‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.’

En wie komt, mag ervaren, dat God de zonde vergeeft en die mag vol verwondering met de Kerk van alle eeuwen belijden, dat hij nimmermeer in het gericht van God komt.

 

Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen, de vergeving der zonden.

 

Amen.