Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 58b

Een verwijzing naar een komende verrassing

Gods wonderlijke zorg
De rijke inhoud van Gods teken
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Handelingen 7 : 58b

Handelingen 7
58
En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en de getuigen legden hun klederen af aan de voeten eens jongelings, genaamd Saulus.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 86: 3 en 6
Lezen : 1 Timotheüs 1: 12 - 20
Zingen : Psalm 34: 8
Zingen : Psalm 10: 1 en 3
Zingen : Psalm 94: 8 en 10
Zingen : Psalm 116: 11

Gemeente, in het kader van de serie preken over Stéfanus bedien ik u nog één keer, met ’s Heeren hulp, het Woord van God uit Handelingen 7. Het is dezelfde tekst als de vorige keer, maar niet dezelfde preek.

De tekst is Handelingen 7:58b:

En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus.

 

Een verwijzing naar een komende verrassing:

1.         Gods wonderlijke zorg.

2.         De rijke inhoud van Gods teken.

 

  1. Gods wonderlijke zorg

 

Gemeente, hoe vaak zult u het al gezongen hebben, wat we zonet aan het begin van de dienst gezongen hebben uit Psalm 86: Gij doet duizend wonderheên, Gij zijt God, ja Gij alleen? Dat wil zeggen: God is een God van wonderen. Het ene wonder is nog niet voorbij of het andere wonder dient zich alweer aan. U zegt: ‘Hoe kan ik dat nu zien?’ Let eens op uw eigen leven. Is het niet vol van de wonderen van God? Stel je voor, lieve kinderen, dat jullie vandaag naar de kerk hadden moeten gaan zonder dat je thuis eerst gegeten had. Was het geen wonder dat jullie zeiden: ‘Mam, mag ik nog een boterham?’ En jullie kregen er nog één. Is het geen wonder dat we een bed hebben om in te slapen en dat we een huis hebben om in te wonen? Gij doet duizend wonderheên. Is het geen wonder dat de Heere ons Zijn Woord heeft gegeven? En is het geen wonder dat we dat Woord van God zelfs onder handbereik hebben en dat we daaruit vandaag ook weer horen mogen? Let er eens op, of let er eens wat meer op in uw leven. Er zijn ook ogenblikken waarin we de wondere hand van God heel treffend mogen zien. Dan zeggen we: ‘Kijk, dat is nu toch echt de leiding van de Heere.’ Soms zien we dat pas achteraf, als we terugkijken. Dan zeggen we: ‘Ja toen heb ik er niet zo’n erg in gehad, maar als ik het nu overdenk, zie ik dat het een wondere goedheid van God is geweest.’ God doet duizend wonderheden, Hij is God, Hij alleen.

Zo is het ook in de geschiedenis waar we al verschillende keren onze aandacht aan gegeven hebben. Wat is het duidelijk dat de wondere hand van God hier doende is. Let eens op Gods bijzondere zorg. Terwijl Stéfanus …  ja wat zou ik nu willen zeggen? Wat ik wilde zeggen, dat zeg ik nog niet, want het thema van de preek is: Een verwijzing naar een komende verrassing. Als ik deze zin nu af zou maken, dan zou ik tegelijk de verrassing verklappen. De kinderen kennen dat wel. ‘Zal ik je eens wat vertellen?’ En dan zegt de ander: ‘Ja.’ Waarop de eerste weer zegt: ‘Maar ik zeg het lekker nog niet, ik wacht nog even.’ En dan zit je in spanning en denk je bij jezelf: ‘Wat zou het toch zijn?’ Zo is het nu ook. Die zin komt straks nog wel een keer en dan zal ik hem afmaken, maar nu nog niet.

 

We hoorden dat Stéfanus is gestorven. Het is heel indringend als iemand sterft. Dan staat gelijk al het werk stil. Sommige mensen krijgen de genade van God om tot het laatste toe te werken. Dat is ook bij Stéfanus het geval. Dan ineens is er de dood, terwijl het juist allemaal zo goed ging. De gemeente groeide en bloeide, en de Heere was nabij. Wat gaf de Heere in Stéfanus aan de gemeente een begenadigd prediker en wat was hij een gloedvol prediker. Zeker, hij was diaken, maar als we letten op het werk dat hij gedaan heeft, leek hij dan niet veel meer op een apostel?

We herinneren ons de woorden waarmee we indertijd begonnen zijn: En Stéfanus vol geloof en kracht deed wonderen en grote tekenen onder het volk. Nu, houdt Stéfanus eens even in uw gedachten, in die gemeente van Jeruzalem. Deze gemeente kende blijde mensen met dankbaarheid tegenover God. ‘Heere, dank U wel dat U ons Stéfanus gegeven hebt.’ Dan komt Stéfanus op zo’n manier aan zijn einde. Hij sterft de marteldood. De gemeente kan zo iemand toch niet missen? Dat is toch een te zware slag voor de gemeente van Jeruzalem? Is het dan niet voor de hand liggend dat de gemeente in betrokkenheid vraagt: ‘Heere, waarom nu toch? Waarom nu juist Stéfanus? Is dit geen donkerheid in Gods weg? Waar is nu die weg van God? Wie zal de open plaats van Stéfanus kunnen innemen?’ We kennen de uitdrukking dat niemand onmisbaar is en dat geldt ook voor Stéfanus.

Maar, als zo’n slag werkelijkheid wordt in het leven, dan ga je toch kijken of er eventueel een opvolger is? Er zijn nog zes diakenen, die tegelijk met Stéfanus aan het werk gegaan zijn. Zou er onder die zes+ iemand te vinden zijn? Nee. Stéfanus viel van meet af aan op. Waarom? Omdat God hem op een heel bijzondere manier begenadigd had. Omdat God hem gezegend had met buitengewone gaven. Wie kan zo iemand opvolgen? Zo iemand is er niet.

 

Maar toch is dat een heel menselijke gedachte die we tegenkomen in de gemeente te Jeruzalem. Ook vandaag komen we deze gedachte in de kerken tegen. Als we het geheel overzien, dan zijn kerken ook vandaag gestempeld met woorden als: ongerechtigheid, eigengerechtigheid. Dit zijn woorden die de toon zetten. De één dient de wereld, ook in de kerk, en de ander dient zichzelf, ook in de kerk. Hoe moet het verder met de kerk? Hoe moet dat met jullie in de kerk, meisjes en jongens? En hoe moet het met u, als u ouder geworden bent, in de kerk? We kunnen niet zeggen dat er zo’n vreselijk groot verschil is tussen toen en nu. Toen en nu liggen heel dicht bij elkaar. Maar let nu op. We zullen zien hoe God voor Zijn Kerk zorgt. Laten we in onze gedachten die gemeente van Jeruzalem binnengaan. We zien dan mensen in zak en as bij elkaar zitten. ‘Heb je het al gehoord? Stéfanus is dood, hij is gestenigd en de vraag is er, vol angst: hoe moet het nu verder? Wie moet Stéfanus nu opvolgen?’

 

Dan gaat God Zijn belofte vervullen. Dat doet God altijd. Maar op bijzondere momenten, kan het ook bijzonder opvallen. Er staat ergens in de Bijbel: eer ze roepen, dat wil zeggen voordat ze roepen, zal Ik antwoorden (Jes. 65: 24).. Dus voordat iemand het aan God gevraagd heeft, heeft God Zijn antwoord al klaar liggen. En terwijl ze nog spreken, dus terwijl ze nog aan het bidden zijn, zal Ik bij hen zijn. Nu, dat geldt ook voor de gemeente te Jeruzalem. En wat blijkt de Heere dan een verrassend God te zijn. De God, Die niet werkt langs de weg van onze berekeningen en overleggingen, maar langs de weg van Zijn wonderen. Langs de weg van één van de wonderen waarvan wij zongen: Gij doet duizend wonderheên. Want het is alsof de Heilige Geest ons door middel van dit bijbelwoord vandaag iets bijzonders wil zeggen. En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. Terwijl Stéfanus weg valt ... en nu gaan we de zin invullen. Let op: terwijl Stéfanus wegvalt, schuift de Heere Saulus van Tarsen naar voren. Terwijl Stéfanus wegvalt, treedt Saulus van Tarsen aan. Hoort u maar. En de getuigen legden de klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus.  Hier is hij. Wie moet de opvolger zijn van Stéfanus?

 

De Heere zegt: ‘Ik schuif hem alvast naar voren, Saulus van Tarsen.’ En hoe leidt de Heere dat? We hebben de vorige keer al gehoord dat die stenigers hun kleren aflegden aan de voeten van een jongeling, Saulus. En nu is de gedachte dat ook de kleren van degene die gestenigd werd aan diezelfde voeten werden gelegd. Dus ook de kleren van Stéfanus zijn aan de voeten van Saulus van Tarsen gelegd. Wat moet Stéfanus immers verder met zijn kleren doen? Hij heeft voor de laatste keer zijn kleren aangetrokken. En ze zijn hem nu voor de laatste keer uitgetrokken. Stéfanus heeft zijn kleren niet meer nodig.

 

Bedenken we dat dit ogenblik ook een keer in ons leven komt? We kunnen nogal opgaan in onze kleding. Kijk er nog maar eens een keer naar, want ze zijn heel betrekkelijk. De jurk die u draagt, dat pak, die hoed die u op hebt of uw schoenen. Op een dag heeft u ze niet meer nodig. Als er ook van u gezegd wordt: ‘Hij of zij is er niet meer.’ Wat moet je als je gestenigd wordt, als je de dood ingejaagd wordt, dan heb je toch geen kleren meer nodig? Hierom leggen ze de kleren van Stéfanus aan de voeten van Saulus van Tarsen.

 

De Heere vraagt uw aandacht daarvoor. U moet daar heel nadrukkelijk op letten, want daarin komt een stukje openbaar van de zorg van God. Hier komt een stukje openbaar van Gods verrassing. Hoe dan? Wel, Stéfanus laat zijn mantel achter bij Saulus van Tarsen. Ik zeg dat nog een keer: Stéfanus laat zijn mantel achter bij Saulus van Tarsen.  Nu gaan we de kinderen om hulp vragen. De kinderen die al wat groter zijn, die al wat langer op school zitten. Jullie weten denk ik wel het antwoord op de volgende vraag: Wie liet vroeger ook al eens zijn mantel achter voor een ander? Wie zei: ‘Ik zal die mantel toch niet meer dragen, ik heb die niet meer nodig’? Zie je die paarden en die wagens? Vurige paarden en vurige wagens. Wie gaat daar? Elia! Hij gaat ten hemel in. Heeft hij dan zijn profetenmantel nog nodig? Nee, die heeft hij niet meer nodig. Die mag Elisa in het vervolg gaan dragen. Elisa gaat in de mantel van Elia. Wat een zorg van God. Elia, die geweldige profeet, wat moeten ze zonder Elia? Wel, zegt de Heere, u krijgt in het vervolg Elisa, dat is zijn opvolger. God gaat door. God doet duizend wonderheên, God is God, Hij alleen.

 

Stéfanus is dood. Wat nu? Saulus van Tarsen. Nee, niemand weet nog van het wonder dat er aan komt. Eén weet er van en dat is God. Niemand verwacht dat wonder ook. Een wonderdoend God is ook altijd een verrassend God. Wie weet nu dat Saulus van Tarsen de opvolger zal blijken te zijn van Stéfanus? Weet Stéfanus dat? Nee. Weet Saulus van Tarsen dat? Nee. Weten ze dat bij het Sanhedrin? Nee. Weten ze dat in de gemeente van Jeruzalem? Ook al niet. Niemand weet dat.

 

Maar kijk, nu licht de Heilige Geest al een heel klein tipje van de sluier op. Nee, er wordt verder nog niets bij gezegd, maar de naam wordt genoemd. Ze legden de kleren af aan de voeten van een jongeling. Daar had een punt kunnen staan. ‘Nee,’ zegt de Heilige Geest middels Lukas, ‘Ik zal je de naam zeggen van die jongen. Dat is Saulus van Tarsen.’ Merkt u dat de Heilige Geest hier het spoor begint te trekken? Met de nadruk op ‘begint’. Er is nog maar een heel klein beginnetje, maar het zal groter worden en uitgroeien. Het is nog klein. Saulus van Tarsen heeft die mantel nog niet aan. Saulus van Tarsen zegt niet: ‘O, Stéfanus gaat de dood in, nu moet ik hem gaan opvolgen, geef die mantel maar hier.’ Dat komt later pas. Saulus is nog niet aan het werk, maar God is wel aan het werk. Al heeft Saulus een welgevallen aan Stéfanus’ dood, zijn naam wordt hier heel voorzichtig genoemd. Saulus wordt de opvolger van de man die de dood ingejaagd wordt. Wie had dat gedacht? Niemand!

 

Gods gedachten zijn zo veel hoger dan onze gedachten. Wat een zorg van God. Terwijl de gemeente van Jeruzalem in zak en as zit, begint God een stukje van het wonder te openbaren. In de donkerheid van Gods weg blijkt dan toch een pad te zijn. De gemeente van Jeruzalem staat voor de vraag: Wie kan Stéfanus nu toch opvolgen, er is niemand. Dan gaat de Heere spreken en God zegt: ‘Toch wel, Ik, Ik zie hem al.’ Waar dan? Wie gaat er dan kijken onder de vijanden? Wie zal er op de gedachte komen dat het diegene zal zijn die mede een welgevallen heeft in de dood van Stéfanus? Dat denkt toch niemand? Nee, niemand. God alleen. Want Hij doet duizend wonderheden, Hij is God, u niet, en de gemeente van Jeruzalem niet en Stéfanus niet. Hij is God, Hij alleen. Gemeente van Jeruzalem, daar in angst en vrees bijeen, moet u Stéfanus door de dood verliezen? Wordt hij aan u ontnomen door die wrede steniging? Gemeente van Jeruzalem, u zult een Saulus van Tarsen gewinnen. Terwijl Stéfanus wegvalt, schuift de Heere met Zijn hand Saulus van Tarsen naar voren.

 

Nu mag u die twee mannen niet met elkaar vergelijken. U mag niet zeggen dat de één meer is dan de ander. Maar de Heilige Geest geeft ons door middel van de Schrift toch wel het nodige inzicht in deze materie. Saulus van Tarsen zal immers een groter prediker der gerechtigheid worden dan Stéfanus. Stéfanus heeft gepreekt met hart en ziel, met alles wat God hem gaf en hij heeft het gedaan tot eer van zijn Heere en Koning. Maar Saulus van Tarsen zal veel langer dienst mogen doen in het Koninkrijk van God. En Saulus van Tarsen zal nog veel dieper en rijker mogen spreken over de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Saulus van Tarsen zal een middel blijken te zijn in de hand van de Heere; wie heeft nu ooit de gemeenten zo gebouwd als juist Paulus? En wie heeft zo de vrije genade van God in Jezus Christus zo gepredikt als Paulus, de grote apostel? En wie heeft er harder en meer gewerkt dan Paulus? Hij zegt het later zelf ook: Ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen (1 Kor. 5: 10). Dat wil zeggen: ik heb meer gedaan dan de anderen. Maar hij zegt ook direct er achteraan: Doch niet ik, maar de genade van God die met mij is. Paulus heeft op een bijzondere manier de genade van God in zijn leven ondervonden, ook als het ging om de dienst der verzoening. Hoe had Paulus het allemaal kunnen volbrengen zonder Gods genade? Hij is zeeën overgestoken, kwam in de gevangenis terecht, kreeg stokslagen en nog veel meer. Hij ging in de weg die God hem wees .

Het begint echter hier. Wat een zorg van de hemel. Zo’n klein begin in een situatie waarin mensen vragen: ‘Heere waarom? Wat betekent dit nu?’

 

Weet u er ook van in uw persoonlijk leven? U vreest de Heere van harte en u hebt Jezus innig lief gekregen. Zonder Hem is het leven u de dood. Maar toch kunnen er situaties zijn waarin u zegt: ‘Nu begrijp ik het niet meer. Nu kan ik de Heere niet volgen. Heere moet het nu zo, kan het niet anders? Waarom gaat U deze donkere weg? Heere, hoe handelt U met Uw kinderen? Hebt U dan geen bijzonder oog over hen? We zingen van U en ik heb het zo vaak gezongen: Gij doet duizend wonderheden, Gij zijt God, ja, Gij  alleen. Maar Heere, nu sta ik met de rug tegen de muur. Nu begrijp ik er echt helemaal niets van.’ Er zijn zo veel dingen waar u niet uit komt en op die momenten is satan er in het leven van de kinderen van God, om het werk van de Heere aan te vallen: ‘Als de Heere zo’n weg met u gaat en als de Heere nu toch zo met u handelt, dan snapt u toch zeker ook wel dat er niets van God bij is in uw leven? Dacht u nu dat God zo met Zijn kinderen handelt en dat de Heere zo met Zijn geliefden omgaat? Weet u, zal ik u eens wat vertellen? Het is maar een algemene overtuiging. U hebt geen heil bij God! En zaligheid bij God? Vergeet het maar, die heb je niet.’

 

Hoe moeilijk is het als de duivel met zijn lasterlijke influisteringen in uw leven komt. Hij zegt: ‘Kijk nu eens naar Stéfanus, zijn leven eindigt in de dood. Is dat nu een God Die het waard is om gediend te worden? Hij zorgt toch maar slecht voor Zijn kinderen, vindt u niet? God had het toch makkelijk kunnen voorkomen dat Stéfanus gestenigd zou worden. Maar hij wordt de dood ingejaagd! Moet u eens kijken naar die arme gemeente van Jeruzalem. Een harde God hoor. Een wrede God.Is dat nu uw God?’ Krimpt uw hart dan niet ineen?

 

Maar gemeente, ook dan is God er. Hij is er immers al veel eerder? Eer ze roepen zal Ik antwoorden (Jes. 65: 24). God zorgt. Hoe dan? Ga eens mee buiten Jeruzalem. Buiten Jeruzalem ligt Golgotha. Golgotha lag niet binnen de muren van Jeruzalem, maar Golgotha lag buiten de stad. Buiten Jeruzalem. En als we nu de weg buiten Jeruzalem gaan, richting Golgotha, weet u wat dan opvalt? Daar staan voetstappen. Er is er Eén op die weg geweest. Kijk eens, het is nu precies de voetstap van een lam, van hét Lam met een hoofdletter. Het Lam van God. Het Lam van God dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1: 29). Het Lam van God was hier. Christus Jezus ging Zijn gang. Zijn lijdensgang. Daar is een donkerheid in de weg van God als u zo voor u uitkijkt. Maar er blijkt ook een weg te zijn in Gods donkerheid. Eén is die weg gegaan. Eén gaat daar buiten Jeruzalem de dood in. Eén Die geen opvolger heeft. Eén Die Zijn werk niet zal overdragen aan een ander. Hier is die Ene, Jezus Christus, Die Zelf de dood zal overwinnen. Hij zal later zeggen: Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid (Openb. 1: 18).

 

Hier op Golgotha is Hij. Hij wordt aanstonds gekruisigd. Waarom zou je dan kleren nodig hebben? Weg met die kleren! De soldaten zitten aan de voet van het kruis en ze verdelen de kleren van Jezus, die heeft Hij toch niet meer nodig, en over Zijn mantel werpen ze het lot. Het kleed dat Hij gedragen heeft, zonder naad geweven, is een kostbare aangelegenheid. Dat scheurden ze niet, maar wie hem nodig heeft …

Jezus heeft het niet meer nodig. Jezus heeft het aan het kruis uitgeroepen: Het is volbracht (Joh. 19: 30). Ik heb die kleren niet meer nodig. Het werk is gedaan. Ik hoef het niet over te dragen aan een opvolger. Het hele werk is gedaan. Niemand zal Hem opvolgen want Hijzelf zal de weg des levens openbaren door de dood heen. Gemeente, Hij is de geheel Enige, Die Zijn werk helemaal heeft afgemaakt. En Hij heeft vanuit Zijn volbrachte werk verklaard: Ik laat niet varen de werken van Mijn handen (Ps. 138: 8).

Zie Hem, Die het door al uw moeiten en zorgen heen goed kan en wil maken met Zichzelf. Hij verandert de doodsschaduw in de morgenstond. We gaan nu eerst zingen uit Psalm 94 vers 8 en 10.

 

 

Psalm 94: 8 en 10

 

De HEER zal, in dit moeilijk leven,

Zijn volk en erfdeel nooit begeven;

Het oordeel keert, vol majesteit,

Haast weder tot gerechtigheid;

Al wie oprecht is van gemoed,

Die merkt het op, en keurt het goed

 

Wanneer ik zei: "Mijn voeten glijden",

Toen hebt Gij mij gesterkt in 't lijden;

Wanneer mij 't afgepeinsde hart,

Door al mijn denken werd verward,

En ik in druk schier was gestikt,

Toen heeft Uw troost mijn ziel verkwikt.

 

 

 

Een verwijzing naar een komende verrassing. We zagen zonet Gods trouwe zorg en letten nu op de rijke inhoud van Gods teken.

  1. De rijke inhoud van Gods teken

 

Gemeente, Saulus van Tarsen is de geschiedenis ingegaan als Paulus. Paulus, de heidenapostel. Er valt niet veel goeds te vermelden over het leven van deze man. Maar vanwege de genade van God in zijn leven wél. Dat moeten we er wel heel nadrukkelijk bijzeggen, want dat vermeldt de Heilige Schrift ook. Hij steekt met kop en schouders boven velen uit. Hij mocht daar ook op een bijzondere manier getuigenis van geven.

 

Van hem zijn de bekende woorden: het zij verre van mij dat ik roemen zou, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus (Gal. 6: 14). Van hem is bekend dat hij in de worsteling van zijn leven zo’n rijk antwoord van zijn Heere en Koning heeft gekregen. Paulus zat met een doorn in zijn vlees, wat dat dan ook geweest moge zijn. En dan komt de Heere met Zijn belofte door tegen Saulus van Tarsen, tegen Paulus, te zeggen: Mijn genade is u genoeg (2 Kor. 12: 9).Dat woordje ‘genoeg’ staat in het Grieks voorop: ‘Genoeg voor u is Mijn genade.’ Wat een blijde jubeltoon, wat een juichtoon. Dat is toch alles? Dat is zeker waar.

 

Maar staat u dan ook niet voor de vraag: waarom staan deze mededelingen in dit schriftgedeelte over Saulus van Tarsen? We lezen in Handelingen 7:58b: En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. Past dat nu wel? Zijn dat nu geen dissonanten; tonen die de mooie klanken van de muziek verstoren? Als Paulus dan zo begenadigd is, waarom heeft de Heere dan die zwarte bladzijde uit zijn leven - want dat is het toch - niet weggeknipt? God heeft het toch volkomen vergeven in het leven van Paulus op grond van het werk van de Heere Jezus Christus? Paulus’ zonden zijn afgewassen door het bloed van het Lam van God.

 

Waarom schrijft de Heere de vergeven zonden van Zijn kinderen dan toch in de Bijbel? Hebt u dan ook niet de gedachte: Heere, dat had U toch eigenlijk beter niet kunnen doen? Waarom lezen we over de ongerechtigheden van de kinderen van God? Waarom moet de kinderen op school verteld worden, misschien heeft de juf het pas nog wel verteld, dat Abraham gelogen heeft? Abraham, de vader van alle gelovigen. En waarom moet er verteld worden dat Noach zoveel dronk dat hij dronken werd? Dat hij zonder kleren aan in zijn tent lag, en dat Cham zelfs de spot met hem dreef? Waarom staat het in de Bijbel dat David, de man naar Gods hart, een moordenaar was, omdat hij Uria van het leven beroofd heeft? Waarom lezen we ook over Petrus, die zoveel gedaan heeft in de dienst van de Heere, zijn lieve Meester verloochend heeft en ga zo maar door.

 

Waarom lezen we in dit gedeelte over die knersende tanden van Saulus van Tarsen? Waarom lezen we ook over dat berstende hart in zijn leven? Waarom? Waarom moeten de zonden en de gebreken van Gods kinderen soms zo uitvoerig worden vermeld? Waarom moeten we hier bij de marteldood van Stéfanus lezen: dat zijn kleren gelegd werden aan de voeten van een Saulus van Tarsen? Een heleboel bijzonderheden worden weggelaten en uitgerekend dit onderdeel vinden we wel terug in de Schift. Dit gedeelte is niet weggelaten.

 

Weet u waarom niet? Dat is niet om Paulus zwart te maken, of Abraham of wie dan ook. Maar dit woord onderstreept het genadekarakter van het heilshandelen van God in het leven van de mens Paulus. Ook dit moet ons duidelijk maken: het is de genade van God die doorslaggevend is in het leven van een mens. Paulus moet niet verheerlijkt worden en Paulus zal niet groot gemaakt worden, maar alleen God in Zijn zoekende zondaarsliefde.

 

Er zijn weleens mensen die zeggen: ‘Ach over dat verleden moet je niet meer praten, dat is vergeven en dat is geweest.’ Dat wist Paulus ook. Waar God vergeeft, daar vergeet God ook. Maar waar God vergeeft in het leven van een mens, daar vergeet de mens toch niet? De Heere laat zulke plekken in je leven als het ware gemarkeerd zijn. Sommige mensen willen daar wel makkelijk over heen praten. Daar moet je niet meer op terugkomen. Paulus komt er wel op terug. Sterker nog, het blijft met Paulus meegaan in zijn leven en het heeft hem klein gehouden. Klein voor God en klein voor de mensen. Hij is er verootmoedigd onder gebleven. Hij is er nooit bovenuit gegroeid. Als we een paar voorbeelden zoeken in de Bijbel, dan lees ik u wat hijzelf schrijft in 1 Korinthe 15. Daar schrijft hij: En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien. Want ik ben de minste van de apostelen, die niet waardig ben een apostel genaamd te worden, daarom dat ik de Gemeente Gods vervolgd heb. Doch door de genade Gods ben ik, dat ik ben; en Zijn genade, die aan mij bewezen is, is niet ijdel geweest, maar ik heb overvloediger gearbeid dan zij allen; doch niet ik, maar de genade Gods, Die met mij is. En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene gezien (1 Kor. 15: 8 -10).

Dan schrijft Paulus in Handelingen 26:9 het volgende: Ik meende waarlijk bij mijzelven dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen; hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als ze omgebracht werden, stemde ik het toe. Dat hoef je toch niet te zeggen Paulus? Hij vervolgt: En door al de synagogen heb ik hen dikwijls gestraft en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd, ook tot in de buitenlandse steden. Dat is nog al wat.

 

Alsof dat niet genoeg is staat er in 1 Timótheüs 1, we lazen het zonet al: Die tevoren een godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid. Hoort u het? Paulus zegt niet: ‘Ach mensen, over je zonden moet je niet meer praten, dat is geschiedenis. Sommigen weten ervan, maar nu gaan we over tot de orde van de dag.’ Waarom benoemt Paulus zijn zonden dan wel zelf, gemeente? Hij doet dit niet om zijn zonden breed uit te meten. Zulke mensen zijn er namelijk ook. Deze mensen zijn bezig tot hun eigen eer. Ze willen zelfs hun zonden gebruiken om een hoge plaats te krijgen in de gedachtegang van mensen. Zo is het bij Paulus echter niet. Paulus spreekt over zijn zonden om klein te blijven. Klein voor God en voor de mensen. En dat niet alleen. Als Paulus zo over zichzelf schrijft, dan geeft hij God de eer en daar gaat het om.

 

Wie blikt er ook zo terug op zijn of haar leven? Hebt u zo’n genadevol gedenkteken van vroeger waardoor u klein bent gebleven tot op de dag van vandaag? Dan mag God worden lofgezongen vanuit de verootmoediging, vanuit de kleinheid van ons leven tegen de achtergrond van vroeger.

 

Maar nu wil ik u wijzen op het wonder van de genade van God. Deze wordt in het leven van de heiligen Gods alleen maar groter en in die weg wordt ook de genade verdiept. Dat zien we ook in het leven van Paulus. Hij schrijft eerst over zichzelf in de brief aan de Efeziërs als de minste van de apostelen. Als we de apostelen op een rijtje zetten, dan staat Paulus achteraan. De kinderen kunnen wel tot twaalf of tot dertien tellen. Dat is maar een klein rijtje. Als je de minste in dat rijtje bent, dan valt het nog wel mee. Jawel, maar Paulus’ leven wordt verdiept, zijn zondebesef wordt verdiept en Gods genade wordt verhoogd. Later noemt Paulus zichzelf de minste van de heiligen. Als we dus al de kinderen van God op een rijtje zetten, dan staat Paulus helemaal achteraan. Al de kinderen van God staan voor hem. U voelt wel, dat is een hele verdieping in je leven. En niet lang voor zijn sterven zegt Paulus dat hij de voornaamste van de zondaren is. Het ging dus van goed naar beter, naar best, maar niet in de zin zoals wij dat bedoelen. Wij denken vaak: we moeten almaar groter worden. Zo kunnen we groeien in het geloof. Paulus groeit ook in het geloof, maar dat betekende wel dat hij een steeds grotere zondaar werd voor God. Zo is er aan het groeien in het geloof niets waarop je kunt roemen. Want dan kijk je al meer bij je zelf naar binnen. Dan ben je al meer verwerpelijk voor het aangezicht van God in je eigen oog. Zo krijgt dit woord hier reliëf. En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. En Saulus had mede een welbehagen in de dood van Stéfanus.

 

 

Maar juist zo is de liefde van God als een uitslaande brand geworden in het leven van Saulus van Tarsen. Wie heeft alles buiten Christus zo afgeschreven als juist Paulus?

Wie heeft als Paulus gezegd: Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen (Fil. 3: 8). Neem het allemaal maar mee, want het kan voor God niet bestaan. Wie heeft er meer geleefd uit de volheid en de volstrektheid van de genade van God in Jezus Christus, dan juist Paulus? Bij Paulus hoefde je niet aan te komen met verhaaltjes over de goede wil van de mens of over de goede keuze van de mens. Als de Heere hem niet eerst liefgehad gehad had, dan was er van zijn leven niets terechtgekomen. Nooit zou hij uit zichzelf de Heere lief hebben gekregen. Paulus wist: het is genade alleen. Wat voor genade? Verkiezende genade in de Heere Jezus Christus! En al het woeden van de hel heeft het werk van God in het leven van Saulus niet stuk kunnen maken. Integendeel. Paulus wist: al hebben ze de kleren afgelegd aan je voeten en al heb je een welgevallen gehad in de dood van Stéfanus, nochtans is Gods genade overvloediger.

 

Zo is ook dit woord een woord tot onderbouwing van hetgeen wij het welmenend aanbod van de genade van God noemen. God maakt een mens immers zalig door zo iemand te vinden op de plaats waar hij is. Ik zei zonet: wie zou Saulus van Tarsen aangewezen hebben als de opvolger van Stéfanus? God vindt een mens waar een mens verloren is. In zijn dood, in zijn schuld, in zijn zonden, in zijn verstoktheid en in zijn hardheid. De Heere breidt Zijn handen uit over het verlorene, en Hij komt met de openbaring van Zijn genade. Hij vraagt ook vandaag aan u en aan jou: Waarom vervolgt u Mij (Hand. 9: 4). Saul, Saul, dat was immers Jezus’ eerste woord, waarom vervolgt gij Mij? Dit is een bestraffend woord en een lokkend woord. Saulus, wat doe je nu toch? Waarom sla je zo je voeten in die ijzers?

 

Waarom vervolgt u Jezus? Waarom geeft u zich niet aan Hem gewonnen? God is doende, ook vandaag. God wordt groot gemaakt, daar loopt het op uit, en dat is de zaligheid waarvan de heiligen Gods zingen. U hebt de dood verdiend, maar u mag het leven ontvangen. Dat is de vrije gunst, die eeuwig God bewoog. Daarom houdt het geloof ook geen andere zang over dan: Door U, alleen door U, om Uw eeuwig welbehagen.

 

Zingt u dat mee? Zing je dat ook mee in je jonge leven, meisjes en jongens? Kennen we die handen van de Heere Jezus Christus onder een verloren leven? Als u valt of als u wegzinkt, als u de moed ontvalt of als u ver afgezworven bent, altijd is er die Herder der schapen, Die het verlorene zoekt. Ging Christus niet tot in de diepte van Golgotha, tot in de diepte van de dood en van de godverlatenheid? Geen zondaar is verder weg bij God dan de weg die Christus Jezus is gegaan toen Hem Zijn kleren werden afgenomen en Hij in de diepte van die godverlatenheid riep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mark. 15: 34). Nu is er voor Hem geen plek te goddeloos of Hij wil er komen. Er is geen zondaar te diep weggezonken of Jezus laat Zijn stem horen: Al waren uw zonden rood als karmozijn, ze zullen worden wit als de wol, al zijn ze scharlakenrood ze zullen worden wit als de sneeuw (Jes. 1: 18). En daarom: bekeert u, want Hij zegt: Ik heb u getrouwd (Jer. 3: 14). We leven met Hem in het verbond. Met de God van het verbond. Ik heb u getrouwd. Waarom zoudt ge sterven, o mensenkind? Weet dit: of u moet zelf de straf op de zonde dragen of u vlucht tot Christus, Die de straf heeft gedragen voor allen die tot Hem komen en in Hem geloven. Hij maakt u zalig op de plek waar u verloren ligt. Dat betekent: daar komt niets van ons in aanmerking, het is louter uit genade. Roep tot God, op die plek waar u ligt, dat Hij komen zal. Misschien zegt u:‘Ja,maar ik kan niet roepen, ik kan mezelf niet bekeren en ik kan het zelf niet doen.’ Laat God het dan doen, want Hij kan het wel, dat is het Evangelie. God laat u niet prediken wat u allemaal kunt. God laat u prediken wat u moet doen. En als u het niet kunt, laat God het dan doen. Hij wil u vinden waar u weggezonken ligt. Laat u vinden. Wat een werk doet God om u te vinden, om jou te vinden. Blijft u zitten waar u bent? Dan is de schuld op uw eigen hoofd. Hoe verschillend Stéfanus en Paulus ook waren, de slotzang van hun leven is dezelfde: En gij mijn ziel, loof gij Hem bovenal.

Amen.

 

 

 

 

 

Slotzang Psalm 116: 11

 

 

Ik zal met vreugd in 't huis des HEEREN gaan,

Om daar met lof Uw groten naam te danken.

Jeruzalem, gij hoort die blijde klanken:

Elk heff' met mij den lof des HEEREN aan!