Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 20

Het geloof in de Heilige Geest

De Persoon van de Geest
De gave van de Geest
Het werk van de Heilige Geest
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 1
Lezen : Johannes 16: 5 - 15
Zingen : Psalm 104: 15 en 17
Zingen : Psalm 51: 6 en 10
Zingen : Avondzang: 7

Gemeente, vandaag is Zondag 20 aan de beurt. Het is een korte Zondag, slechts één vraag en één antwoord.

 

Vraag 53: Wat gelooft gij van de Heilige Geest?

Antwoord: Eerstelijk, dat Hij tezamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is.

Ten andere, dat Hij ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make, mij trooste, en bij mij eeuwiglijk blijve.

 

Deze Zondag spreekt ons over

Het geloof in de Heilige Geest

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1.     De Persoon van de Geest

2.     De gave van de Geest

3.     Het werk van de Heilige Geest

 

Gemeente, vindt u het niet opvallend, dat de Catechismus zo heel kort spreekt over de Heilige Geest? Het is maar één Zondag, die slechts uit een paar korte zinnetjes bestaat.

Blijkt hieruit niet het gelijk van allerlei pinkstergroepen? Zij vinden dat in onze kerken veel te weinig aandacht geschonken wordt aan het werk van de Heilige Geest. Geeft dit niet te kennen, dat we enerzijds wel iedere zondag belijden: ‘Ik geloof in de Heilige Geest’, maar dat we er dan niet zoveel van weten op te schrijven?

Nee, toch niet!

In de eerste plaats moet u bedenken, dat de volgende Zondagen ook gaan over de Heilige Geest en over Zijn werk.

 

Boven dit deel van de catechismus staat:

Van God de Heilige Geest en onze heiligmaking.

De Zondagen over de Kerk en over de vergeving van de zonde vallen ook onder het werk van de Geest.

In de tweede plaats is de kortheid van dit antwoord juist in overeenstemming met het verlangen van de Heilige Geest Zelf. De Heere Jezus heeft immers gezegd, dat de Heilige Geest niet is gekomen om op Zichzelf te wijzen, maar op Hem. Jezus sprak: ‘Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.’

 

De kortheid van deze Zondag heeft dus alles te maken met de aard, het karakter van de Heilige Geest. De Heilige Geest werkt heel erg in stilte, zoals de dauw onhoorbaar ’s nachts neerkomt op de aarde. Hier in de kerk mag u luisteren naar de prediking van het Evangelie. De Geest wil daarin meekomen en u aanraken, Hij wil het Woord in uw hart brengen.

De Bijbel spreekt ook heel kort over de Heilige Geest, ondanks het feit dat er door de Heilige Geest zo ontzaglijk veel werk wordt gedaan. Ondanks dat blijft Hij op de achtergrond.

Hij heeft ons de Bijbel gegeven door Zijn leiding en inspiratie.

Hij wekt dode zondaars op tot het leven.

Hij deelt de vergeving der zonden uit.

Hij schenkt ons het eeuwige leven.

Hij doet ons roemen in God en in het onfeilbaar Woord.

Het is net of de Geest wegschuilt achter de Vader en de Zoon. De Geest eist geen enkele aandacht op voor Zichzelf. Maar zo zegt Christus: ‘Wat Hij van Mij gehoord zal hebben, dat zal Hij u verkondigen.’

De Geest verheerlijkt Christus. Hij legt bij verloren zondaren het ‘Abba, lieve Vader’ op de lippen. Hij is de Geest van de Vader en de Zoon.

 

Er wordt ook weleens zo gezegd: ‘De Geest gaat uit van de Vader en de Zoon.’ Dat betekent: Hij doet het werk voor de Vader en de Zoon, Hij richt de stralenbundel volledig op de Vader en de Zoon.

Wie in diepe afhankelijkheid het werk van de Heilige Geest mag leren kennen, die wordt tot Christus gebracht en door Christus tot de Vader en zo wordt de drie-enige God verheerlijkt. Het is juist de Geest Zijn lust en Zijn leven om uit te gaan, om uitgezonden te worden, om het werk te doen voor de Vader en de Zoon, om Hem hoog te houden en daar Zelf achter schuil te gaan. Dan is de Geest in Zijn element.

Als u Jezus ziet als Zaligmaker en uw hart gaat naar Hem uit, als u mag zeggen: ‘Trouwe, lieve Vader, wat bent U goed voor mij. Vader, ik aanbid U’, dat is door de Geest.

 

Anderzijds zouden we kunnen zeggen, dat eigenlijk de hele Catechismus een antwoord is op de vraag:

Wat gelooft u van de Heilige Geest?

Want door het werk van de Geest komt de Kerk tot stand, de Kerk waarin de Geest werkt. Dat bedoelt de Catechismus met dat eerste, kleine zinnetje:

Eerstelijk, dat Hij tezamen met de vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is.

 

Op het eerste gehoor zou je denken, dat er gezegd wordt, dat de Heilige Geest ook God is, net als de Vader en de Zoon. Toch wordt dat hier niet bedoeld, want dat is al aan de orde geweest in Zondag 8, toen het ging over de drie-eenheid. Hier staat niet, dat Hij God is evenals de Vader en de Zoon, maar dat Hij waarachtig en eeuwig God is, tezamen met de Vader en de Zoon. Dat betekent dat de Geest God is en Hij werkt alleen in samenwerking met de Vader en de Zoon. De Geest werkt niet los van de Vader en de Zoon. Hij gaat uit van de Vader en de Zoon. Hij doet het werk voor de Vader en de Zoon.

Ik bedoel dat niet oneerbiedig, maar het is een samenwerkingsverband. Omgekeerd kunnen we ook zeggen, dat de Vader werkt door Zijn Geest en dat de Zoon werkt door Zijn Geest. En zo schuilt de Heilige Geest, in heel Zijn werk in deze wereld en in de harten van mensen, weg achter de Vader en de Zoon. Hij voltooit Hun werken.

 

Als er staat, dat de Heilige Geest tezamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God is, dan ligt daarin nog een hele diepe gedachte, namelijk dat we moeten oppassen voor een verzelfstandiging van het werk van de Heilige Geest. Dat zou in strijd zijn met de Bijbel. Dan worden we overgeestelijk, dat is onbijbels. Nee, tezamen met de Vader en de Zoon!

Tezamen met de Vader, dat wil zeggen: ‘In al Zijn werk eerbiedigt de Heilige Geest het werk van de Vader, voltooit Hij het werk van de Vader. Hij eerbiedigt het werk van de Schepper. Hij heiligt de natuur van de mens en daarom worden we door genade nooit onnatuurlijke mensen. Onnatuurlijk gedrag is geen kenmerk van geestelijk leven.

Als het geestelijk leven een apart bestaan leidt, los van de Heere Jezus, los van de Vader, dan krijg je mensen, die zich wel een kind van God noemen maar zeggen: ‘De Heere Jezus ken ik nog niet.’ Dat is onmogelijk, want alleen om Zijnentwil zijn wij door genade tot een kind van God aangenomen.

 

Wat gelooft gij van de Heilige Geest? Gij, u, jij. Ziet u, hoe persoonlijk het is? De spits komt tot ons allen. Wat gelooft u van de Heilige Geest? Kent u de Geest? Leeft u uit en door de Geest? Hoe werkt de Geest in uw leven? Daar gaat het om in deze preek.

 

De Geest is tezamen met de Vader en de Zoon waarachtig en eeuwig God.

Dat is niet maar bedoeld als een dogmatische formule, maar het is ook bedoeld, dat we Hem mogen kennen in de eenheid van de drie-heid in God. Het werk van de Geest is juist om hetgeen de Vader en de Zoon werken tot voltooiing te brengen.

Op de scheppingsmorgen zien we dat God de wereld schept, maar er staat bij: En de Geest Gods zweefde op de wateren. Er staat in het Hebreeuws een woordje, dat ‘broeden’ betekent. ‘Broeden’ is levenwekkend bezig zijn. Zo heeft de Geest ook Zijn aandeel in de scheppingsmorgen.

 

Hij brengt de schepping ook tot voltooiing. Dat doet de Geest nog. De Vader verleent door Zijn Geest al het geschapene leven en kracht. We hebben dat gezongen uit Psalm 104. Door Zijn Geest vernieuwt de Schepper van jaar tot jaar het gelaat van het aardrijk.

Denk maar aan de seizoenen. In de herfst vallen de bladeren van de bomen. De bomen worden kaal, maar dat blijven ze niet, want in het voorjaar komen er weer knoppen en bladeren aan. Dan komen de bloemen weer, dan zie je de weeldepracht van de lente.

Maar je hebt ook de stormen in de herfst en de schitterende kleuren als je de bossen in gaat. De herfstkleuren en de smeltende sneeuw op de bergen, dat is allemaal het werk van de Heilige Geest. Dat is het algemene werk van de Geest in de schepping. Hij onderhoudt de schepping.

Hij doet de hinden jongen werpen in het dierenrijk. Ja, maar ook in het mensenrijk. Hij schenkt leven en houdt het menselijke geslacht in stand.

Het is door de Geest, dat God de ordening in Zijn schepping en onder alle schepselen handhaaft. Het is door de Geest, dat kunstenaars hun gaven ontvangen van God. Het is door de Geest, dat God de gaven van cultuur en wetenschap uitdeelt. Dat het vaak verkeerd gebruikt wordt, dat is de verantwoordelijkheid van de mens.

 

De Geest schenkt de gaven, hoeveel te meer geldt dat ook in de herschepping in het rijk van de genade. Het is door de Geest, dat de Vader dode zondaren levend maakt, ze genadig tot Zich trekt en Zich aan hen openbaart. Het is door de Geest, dat de Heere Jezus dode zondaren met Zich verenigt, zodat ze levend worden. Anders gezegd: Het is de Geest, Die zondaren brengt tot de kennis van de Heere Jezus en door Hem tot de kennis van de Vader. Want de Heere Jezus zegt: ‘Die Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien.’ De Geest is, tezamen met de Vader en de Zoon, waarachtig en eeuwig God. Hij doet al het werk dat gedaan moet worden in de schepping en in de herschepping.

 

De Geest is direct betrokken bij het werk van Christus. De Geest heeft Zijn lichaam toebereid in de moederschoot van Maria. Het is de Geest, Die Christus heeft gezalfd bij Zijn doop toen Hij neerdaalde in de lichamelijke vorm van een duif. Hij heeft de Verlosser naar Zijn menselijke natuur aangewezen en bekwaam gemaakt tot Middelaar. Vanuit Christus geformuleerd, kunnen we zeggen, dat de Vader Zijn Zoon heeft toegerust met de kracht van de Heilige Geest en wel zo, dat de Geest via Christus, de grote Profeet, Priester en Koning, zal afdalen op Zijn leden, op Zijn gemeente.

Dat heeft Christus gedaan op het Pinksterfeest. We hebben het gelezen uit Johannes 16: ‘Als Ik niet heenga tot de Vader, dan kan Ik de Geest niet zenden.’ Maar Hij is heengegaan tot de Vader en toen kon Hij de Trooster zenden. Op het Pinksterfeest heeft Hij Zijn Heilige Geest uitgestort.

 

Natuurlijk was en werkte de Heilige Geest onder het Oude Testament ook in Zijn algemene werking en in Zijn zaligmakende werking, zodat er mensen tot bekering kwamen.

De gelovigen uit het Oude Testament kenden de Geest. We hebben de Psalm van David gezongen: ‘Och, schonkt Gij mij de hulp van Uwe Geest!’

Toch is er een verschil. Al was het onder het Oude Testament ook het werk van de Geest om dode zondaren levend te maken, met Pinksteren is de Geest uitgestort in een grote overvloed. Met Pinksteren begint een hele nieuwe periode in de heilsgeschiedenis. Met Pinksteren krijgt de Heilige Geest een heel nieuw werkterrein. Hij is er dan niet alleen voor Israël, maar ook voor de heidenen. En dat zijn wij van oorsprong.

De Geest komt op alle vlees, niet alleen op ambtsdragers zoals in het Oude Testament, maar op mannen en vrouwen, slaven en vrijen. De Heere zegt: ‘Ik zal in die dagen van Mijn Geest uitstorten op alle vlees.’

 

Het is door de Heilige Geest, dat er een Kerk komt, dat er een gemeente is. Het is door de Heilige Geest, gemeente, dat wij hier samen zijn in de Kerk. Wij zijn niet een of andere vereniging. We spreken over de gemeenschap der heiligen, over het Hoofd Christus en Zijn leden op aarde. Dat we hier bijeen zijn, dat is er een bewijs van, dat de Heilige Geest doorgaat met Zijn Kerk-vergaderend werk.

Let er maar eens op, hoe de Apostolische Geloofsbelijdenis het bestaan van de Kerk, van de gemeenschap der heiligen en van de vergeving der zonden bij elkaar voegt. De Catechismus doet dat ook, in één Zondag zelfs.

 

Het is zo heel persoonlijk,

dat die Geest ook mij gegeven is.

We moeten niet gelijk op dat woordje ‘mij’ afstevenen en zeggen: ‘Als ik het maar heb.’ ‘Ook mij gegeven’, betekent niet, dat het resultaat van het werk van de Heilige Geest individualistisch is. Nee, de Geest voegt in in het collectieve, in de Kerk, in het lichaam van Christus. Vandaar: niet alleen aan de Kerk, niet alleen aan de gemeente, maar ook aan mij.

Het is goed, gemeente, om daar even de nadruk op te leggen in onze individualistische tijd. Het is niet zo: ‘Als ik de Geest maar heb, dan ben ik er. Laat de kerk dan maar voor wat ze is.’

‘Je kunt thuis ook geloven’, zeggen sommige mensen. Dan maak je je los van de Kerk. Maar de Geest werkt het werk der zaligheid via de gemeente, via de kerk, via het lichaam van Christus.

 

Het staat in verband met verleden, heden en toekomst. De Geest werkt door de geslachten, de Geest werkt via het verbond. God heeft gezegd in Psalm 72: Zijn Naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal Zijn Naam van kind tot kind voortgeplant worden.  Door de bedding van het verbond stroomt het water van de Geest via de Woordverkondiging.

Zo wil de Geest komen bij u en bij mij. Dat maakt ootmoedig en dat geeft verwondering. Het is duidelijk, dat zonder de Geest, Die Zich bindt aan het Woord, niemand komen kan tot geestelijk leven. Daarom kunnen wij het werk van de Geest niet missen. Daarom is dat werk van de Geest zo uiterst belangrijk. Zonder de Geest is er geen wedergeboorte. De Geest opent ons hart. Door de Geest is het Woord levend en krachtig. Zonder de Geest kan niemand deelhebben aan de Heere Jezus, kan niemand de Heere Jezus liefhebben, kan niemand zijn zonden belijden voor de Heere.

Denk aan het onderwijs van de Heere Jezus in Johannes 3 aan Nicodemus. Gelukkig hoeven we die Geest niet te missen, want dat horen in onze tweede gedachte, het vervolg van onze Catechismus.

We hebben gelet op de Persoon van de Geest en nu gaan we nadenken over de Gave van de Geest.

 

2. De gave van de Geest

 

Het antwoord zegt:

Ten andere, geloof ik van de Heilige Geest, dat Hij ook mij gegeven is.

Eerst even dit korte zinnetje. U vraagt: ‘Wie mag dat zeggen?’ Als u daar nu eens een antwoord op geven moest...?

Jongens en meisjes, stel je voor, dat er op catechisatie gevraagd wordt: ‘Wie mag er zeggen, dat de Heilige Geest ook aan hem of haar gegeven is?’ Misschien zeg je: ‘Een kind van God mag zeggen: ‘De Geest is ook mij gegeven.’’

En toch, dat is nu het geheim, gemeente, van de Catechismus mag je ook zeggen: ‘Ook aan mij.’

De Geest ook mij gegeven. Hoe dan? Wanneer dan? Ik heb er al eigenlijk al iets van gezegd: ‘Door middel van de Kerk is de Geest ook aan mij gegeven.’

De Catechismus gaat ervan uit, dat de Heilige Geest in de eerste plaats aan de Kerk is gegeven, aan de gemeente van Christus.

Met Pinksteren is de Geest uitgestort. Sinds Pinksteren werkt de Geest als een zuurdesem, dat van binnenuit het hele deeg doorzuurt.

 

Nu zegt de Catechismus: ‘Ik geloof, dat Hij ook aan mij gegeven is.’ Dat betekent in de eerste plaats: Hij is aan de Kerk gegeven, aan de gemeente, maar ook aan mij.

In de kerk zijn wij binnengebracht kort na onze geboorte, toen vader of moeder u ten Doop hield. We zijn toen gedoopt in de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

En wat heeft de Heilige Geest toen beloofd? Toen heeft de Geest ons door dat heilige sacrament verzekerd:

dat Hij in ons wonen, en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toe-eigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassing onzer zonden, en de dagelijkse vernieuwing onzes levens.

Dat heeft de Heilige Geest ons heel persoonlijk verzekerd, toegezegd en beloofd. De Geest woont bij de kerk, bij de gemeente en we mogen zeggen, dat we in de kerkelijke weg, in de weg van het verbond der genade, de Geest ontvangen hebben.

 

De gave van de Geest is tot ons gekomen. Niemand van ons hoeft die gave van de Heilige Geest te missen. Ik kan dat bewijzen uit uw eigen ervaring. De Geest worstelt met u allemaal. De Geest geeft een diep besef van Wie de Heere is. De Geest houdt je geweten in stand en Hij worstelt met ons, om ons uit te drijven tot de Heere Jezus.

Dat wij zo tegenstribbelig zijn en dat we soms zo onverschillig zijn en dat wij zelfs in de kerk niet luisteren naar de boodschap van het Evangelie, maar met andere dingen bezig zijn, ja, dat is onze schuld en niet die van de Heilige Geest.

 

We kunnen de Geest tegenstaan. Dat is waar. Maar wees eens eerlijk.

U bent toch zeker wel eens de kerk uitgegaan na een heel ernstige boodschap. Heel ernstig kwam de boodschap tot u. Nam je daar nu helemaal niks van mee? Of zeg je, als je eerlijk bent: ‘Ja, toen ik in de Kerk zat te luisteren, toen heb ik toch gedacht: ‘Ja, dat is waar.’?’ Het zijn momenten, die je niet van je af kunt zetten. Maar later ebt het weg, en je gaat weer door. De volgende dag komt je werk en je leeft er overheen.

Maar dan kun je toch niet zeggen, dat je niet aangeraakt bent? Dan kun je toch niet zeggen, dat de Geest niet met je worstelt om je te laten zien wat de wezenlijke dingen in dit leven zijn?

Als je beseft, dat je wederom geboren moet worden, dat je bekeerd moet worden, dat je de Heere moet zoeken omdat je niet kunt sterven zoals je geboren bent, dat is het werk van de Geest in je leven.

Maar je kunt de Geest tegenstaan, bijvoorbeeld door de middelen niet te gebruiken waardoor de Geest wil komen, of door de middelen verkeerd te gebruiken.

Als je willens en wetens de zonde en de wereld vasthoudt, dan verhinder je de Geest je leven te vernieuwen.

Als u uit de kerk komt en u kunt alleen maar praten over allerlei aardse dingen, dan roep je de vogels uit de hemel om het gestrooide zaad weg te pikken.

Als je alleen maar vol kritiek zit, dan maak je het gehoorde Woord krachteloos.

 

De Heere zei over de eerste wereld: ‘Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met de mens.’ De Geest twist met u als u onder het Woord komt. De Geest is ons dus gegeven, maar wij verijdelen die gave of werken haar tegen.

Maar we hoeven de Geest niet te missen, want de Geest is hier. Hij wil bij ons zijn en in ons werken.

Denk maar aan de gelijkenis van die vader met dat kind. Het kind vraagt om een brood, maar het krijgt dan heus geen steen. Het kind vraagt om een vis en het krijgt evenmin een slang. Het kind vraagt om een ei en het krijgt niet in plaats daarvan een schorpioen.

Indien dan gij, die boos zijt, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven degenen die Hem bidden.

 

Voelt u de verantwoording van u en van mij? Daarom ligt het ook zo ruim omdat de Geest een gave is en niet een verdienste. Je kunt niet zeggen: ‘Ik moet eerst dit of dat doen.’ De Geest is een gave uit louter genade. Gemeente, daarom mag u tot de Heere gaan en zeggen: ‘Heere, toen ik gedoopt werd, hebt U beloofd in me te willen wonen en werken. O God, help me toch om U niet tegen te staan. O God, werk in mijn leven.’

In die worsteling wil de Heere meekomen en vandaaruit wil de Geest Zijn werk doen in uw leven, vanuit de werkelijkheid, vanuit de kracht dat de Geest gegeven is. In dat geval komt de Geest in ons hart en hoeven we Hem nooit meer te missen.

 

Dan wordt het heel persoonlijk: ook mij! Niet alleen de kerk in zijn algemeenheid, maar ook mij heel persoonlijk. Waarom? Omdat ik van die kerk, die gemeente een levend lidmaat ben.

Als je van die gemeente een levend lidmaat bent, dan fladder je niet overal heen. Dan wil je in die gemeente zijn en met die gemeente meeleven. Dan heb je persoonlijk deel aan het gemeenschappelijk bezit van de kerk.

 

Ook mij, mij, de grootste der zondaren, ook mij gegeven. Lees niet heen over het woord ‘gegeven’.

De Geest is een gave aan mensen, die het niet waard zijn, die het niet verdiend hebben. Het is Gods welbehagen, het is het wondere werk van de wedergeboorte. Het is Gods verkiezende liefde en dat alleen om het verzoenend bloed van Christus.

Want in het paradijs leefden wij met God; we kenden de Heere aan de wind des daags. Maar na de zondeval zijn we God kwijtgeraakt en ook de Heilige Geest. We zijn de duivel toegevallen en toen heeft de Geest Zich teruggetrokken uit het hart van de mens.

Maar God heeft Zijn Zoon beloofd en gegeven en Die baande de weg terug naar God. Dat heeft Zijn bloed, Zijn leven gekost. We horen Hem op Golgotha, hangend aan het kruis, uitroepen: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ Hij werd verlaten opdat God in Christus eeuwig bij ons wil zijn met zijn Godheid, majesteit, genade en Heilige Geest.

 

Dan letten we op Pasen, de dag waarop Christus uit het graf opstond. Hij bracht de verzoening aan. Het was genoeg! De gave van de Geest is verworven.

Toen werd het Pinksteren op het fundament van de verzoening, die Christus aangebracht had. De verzoening kwam tot stand tussen een schuldig zondaar en een heilig God en op dat fundament kan Christus nu Zijn Geest uitstorten. Op dat fundament wil God weer wonen in het hart van een zondaar.

 

Het kruis is het einde niet. De verzoening, verworven door Christus, moet toegepast worden in uw, jouw en mijn hart. De Geest wordt heel persoonlijk ontvangen in het uur van de wedergeboorte.

Herinnert u zich nog de eerste werkingen van de Heilige Geest?

Wanneer was het, toen u voor het eerst God ging missen, dat u bedroefd werd over uw zonden en honger en dorst kreeg naar Zijn gerechtigheid?

Wanneer was het dat u schuldig en verloren over de wereld ging en niet meer gelukkig kon zijn.

Wanneer was het, dat uw ogen opengingen voor de heerlijkheid van de Heere Jezus?

Het kan heel verborgen liggen in ons leven. Dat kan in uw prilste jeugd al zijn. In ieder geval kunt u de Geest te kennen in Zijn werkingen, want Hij brengt bij Christus. Hij verheerlijkt Christus.

 

3. Het werk van de Geest

 

Want de Catechismus vervolgt:

Opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig make, mij trooste en bij mij eeuwig blijve.

 

De Geest dringt binnen via het Woord in je hart en dan wordt je verstand verlicht. Waar en wanneer dat gebeurd is, dat kan niet ieder van Gods kinderen zeggen. Het belangrijkste is te weten, dat het gebeurd is en dat de Geest in je leven werkt. De Geest werkt door het Woord. Toets u maar aan het Woord, aan de prediking.

Eén van de werken van de Geest is om te overtuigen van zonde. Hij dringt zo binnen, dat we niet meer in algemene termen kunnen spreken over de zonde, zo van: ‘Wij zijn nu eenmaal allemaal zondaren.’ Dat is niet uit God, dat is niet het werk van de Geest. Nee, dan spreek je heel persoonlijk, want dan ben ik zondaar en heb ik zonden gedaan. Ik ben de schuld. Ik krijg het naar me toe en ik ga eronder gebukt. Ik ben die zondaar.

Ik zie het en ik belijd:

‘Heere, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor U. Ik heb gezondigd tegen een goeddoend God. Ik kan voor U niet bestaan. Ik moet U gelijk geven als U in Uw Woord tot mij komt, in zijn veroordelende kracht en mij laat zien, dat er van mijn leven niets deugt.’

 

Van nature zeggen we allemaal, dat we zondaren zijn. Maar de persoonlijke toespitsing is het werk van de Geest. ‘Hij maakt Christus deelachtig’, zegt de Catechismus. Dat betekent dus allereerst - dat is het geheim van de wedergeboorte - dat Hij verenigt met Christus.

Christus heeft voor het Woord van God gebogen. Hij heeft in Gethsémané beleden, dat Gods toorn over de zonden rechtvaardig is. En wat gebeurt er dan? Door de vereniging met Hem ga ik dat met Hem mee belijden en met Hem meebuigen. Let maar op de moordenaar aan het kruis. Hij hoort Jezus bidden voor Zijn beulen. Hij denkt: ‘Ik ben ook een moordenaar. Dan kan het voor mij ook nog.’ Hij gaat met Jezus meebuigen onder het recht van God en zegt: ‘Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.’ De moordenaar krijgt zelfs medelijden en bewogenheid met de andere kruiseling en zegt: ‘Vreest gij ook God niet?’ Het is duidelijk, dat het hart van die man in één keer vernieuwd is.

 

We gaan meebuigen met die moordenaar aan het kruis. Ja, dat is het werk van de Geest. Hij gaat deelachtig maken wat Christus verworven heeft. Hij gaat daar dus plaats voor maken. Wat zou je met het offer van Christus aan moeten, als je geen last hebt van je zonden? Wat zou je met het bloed van de Heere Jezus moeten doen, als je vindt, dat je helemaal niet zo schuldig bent? Daar heb je de Geest voor nodig. Die komt en maakt plaats voor Christus. Hij maakt Hem zo begeerlijk en dierbaar, dat we Hem gaan omhelzen, dat we tot Hem gaan vluchten als onze Borg en Zaligmaker.

 

Hoe doet de Geest dat? De Catechismus zegt: ‘Door een waar geloof.’

Nee, niet door een bepaalde mening, niet door een bepaalde overtuiging, maar alleen door het geloof kan de vereniging met Christus tot stand komen.

‘Het ware geloof ‘, zegt Calvijn, ‘is een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons, een heilig vertrouwen, dat Gods beloften waar zijn en dat ze voor ons zijn.’

Dat is het werk van de Geest. Al Gods kinderen belijden: ‘Heere, dat is door U, door U alleen, om ‘t eeuwige welbehagen.’

 

Maar hoe doet de Geest dat? Hij werkt heel verscheiden, maar er zijn vaste elementen, die bij iedereen op de een of andere manier toch dezelfde zijn.

Dat zijn bijvoorbeeld: zondenkennis, roepen om genade, de liefde van Christus zien, hongeren en dorsten naar de Heere Jezus.

Dat gaat niet allemaal ineens; je leert dat niet alles tegelijk, maar toch werkt het door, onbedrieglijk en zeker.

Door de prediking van het Evangelie gaan we iets proeven van de liefde van God, van de barmhartigheid van God en van de overgave van Christus. Dan gaan we ontdekken, dat die heerlijke beloften van God in het Evangelie vol zitten met troost, juist voor arme zondaren. Dan komt er blijdschap. Dan zie je, dat het nog kan, dat je zaak niet hopeloos is.

Ik ben wel onverbeterlijk, maar de lichtstralen van het Evangelie gaan op in mijn leven. Wat een heerlijk wonder!

 

Heb je het weleens gehad, dat je in de kerk zat en dat je dacht: ‘Kan ik nog bekeerd worden?’ Je werd echt bekommerd over je ziel op weg naar de eeuwigheid. Je was in de kerk en je kreeg moed. Nee, je zaak was niet in een keer opgelost, maar bij Hem kan het. Hij is zo rijk, zo heerlijk en zo gewillig! Dan heb je het nog niet allemaal, maar alleen het zien al dat het kan! Dat geeft moed.

Het kan nog, ik kan nog zalig worden. Het verlangen in je hart begint te branden om het te mogen bezitten voor eigen hart en leven.

O zeker, het gaat op en neer, dat komt en ebt weer weg. Als we naar onszelf zien, kun je soms moedeloos worden. Ach, het is toch niet voor mij. Ik heb het niet verdiend.

Maar de Geest zorgt ervoor onder de prediking, dat de moede hoofden weer worden opgericht, op Christus gericht, zoals de moordenaar aan het kruis. Dan krijg je weer moed uit wat Jezus heeft gedaan. Hij bidt zelfs voor Zijn vijanden. Dan is je gebed: ‘O, zo één ben ik ook! Heere, gedenk mijner?’

 

Herkent u er iets van? Het antwoord spreekt hier in de onvoltooid tegenwoordige tijd. U zegt: ‘Kan dat wel? Een gelovige is toch Christus deelachtig? Het antwoord zegt toch, dat Christus de Geest geschonken heeft?’

Inderdaad, maar dat deelachtig maken van Christus en Zijn weldaden is een voortgaand werk, daarom onvoltooid tegenwoordige tijd. De Geest verenigt met Hem. Dat is werkelijkheid. Het is voltooid!

 

Je bent wedergeboren of niet! Je bent dood of levend, één van tweeën. Maar anderzijds komt het erop aan, dat wij toenemen in het geloof, dat wij opwassen in de genade en de kennis van Hem, dat wij samen groeien met Hem.

Dan verlangen we door de werking van de Heilige Geest naar een steeds inniger gemeenschap met de Heere Jezus. Hebt u het ook, dat u zegt: ‘Het is het verlangen van mijn hart, om iedere dag dicht bij de Heere Jezus te leven, om zo de vrede van Hem te ervaren, om zo te zien hoe goed het is tussen God en mijn ziel.’ ‘Het is mijn verlangen, hoewel ik zondaar ben en zondaar blijf en het telkens weer opnieuw zo bederven kan.’

 

Gemeente, daar gebruikt de Geest het Woord voor. Enerzijds is het werkelijkheid: ‘de Geest is mij geschonken’, maar dat betekent niet, dat ik daarover kan beschikken. Dan zou je niet meer hoeven te bidden om de Heilige Geest.

Nee, het wonderlijke is, dat de Geest over mij beschikt en ik niet over de Geest. Hij leidt mij, Hij onderwijst mij als ik leef bij Zijn Woord en zo verheerlijkt Hij Christus. Hij neemt het uit Christus en verkondigt het aan zondaren.

 

De Catechismus zet Christus voorop en daarna spreekt zij over Zijn weldaden en niet andersom:

Opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt.

 

In het geloof gaat het om de Heere Jezus, om Zijn Persoon. Maar Hij is niet los te maken van Zijn werk. Het is net als in een goed huwelijk. Het gaat niet om de bezittingen van de ander. Nee, liever samen arm, dan elkaar te moeten missen.

Het wonder is wel, dat door een huwelijk een meisje, dat straatarm is, opeens schatrijk kan worden.

Jezus trouwt Zijn bruid in gemeenschap van goederen: ‘Al het Mijne is uwe.’ Al de weldaden van Christus zijn dan opeens het eigendom van de gelovige. Maar dat besef je nog niet. Dat moet je leren. Iedere dag weer opnieuw ga je er iets van zien. Wij hebben er vaak geen oog voor, wij durven het ons niet toe te eigenen.

 

Voordat ik daar nog een ogenblik op inga, zou ik graag met u zingen over de bede, dat de Heilige Geest niet van ons zal scheiden, met de woorden van David in Psalm 51 het zesde en tiende vers:

 

Verwerp mij van Uw aangezicht toch niet;

Ai, laat van mij Uw Heil’gen Geest niet scheiden;

Die kan alleen op ’t rechte spoor mij leiden.

Bestier mijn gang, daar Gij mijn zwakheid ziet.

Geef mijn gemoed, dat nu angstvallig vreest,

De blijdschap weêr; doe op Uw heil mij hopen;

Laat mij, gesterkt door enen eed’len geest,

Volvaardig ’t pad van Uw geboden lopen.

 

Dan vindt Gij in onz’ offeranden lust,

Waarmee wij U, naar ’t heilig recht, vereren;

Dan zal ’t altaar de varren gans verteren;

Dan wordt het vuur daarop nooit uitgeblust.

 

We zagen in ons derde punt:

dat de Heilige Geest ook mij gegeven is, opdat Hij mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt.

Dat ‘deelachtig maken’ noemen wij ook wel de toe-eigening van het heil. Dat is heel belangrijk, maar het is ook een probleem.

In het pastoraat kom je dat op huisbezoek of in andere gesprekken vaak tegen. Heel trouwe kerkgangers, zoekende zielen, zeggen: ‘Ja, maar ik durf mij dat niet toe te eigenen. Ik durf mij de weldaden, die Christus voor ons verworven heeft door Zijn lijden en sterven, niet toe te eigenen.’

 

Hoe zit dat eigenlijk met de toe-eigening van het heil? Is dat een kwestie van durven? Nee, nee, dat is een werk van de Geest. Dat zegt de Catechismus ook: ‘Opdat de Heilige Geest mij de weldaden van Christus deelachtig maakt.’ De toe-eigening van het heil is geen werk van ons, maar van God de Heilige Geest.

Daarom mogen we erom vragen, ernaar verlangen, erom bidden, het verwachten onder het Woord.

Gemeente, er is een tijd van zoeken. Dat zegt de Bijbel, maar er staat meer: ‘Die zoekt, die vindt.’  

 

Er is een tijd van wachten, van uitzien, van hunkering naar het heil in de Heere Jezus, dat Hij verworven heeft. Je ziet het en je hele hart gaat ernaar uit, maar de toe-eigening is er nog niet. Om welk heil gaat het? Om de vergeving van de zonden, om de verzekering van het eeuwige leven, om de wetenschap het eigendom van onze trouwe Zaligmaker te mogen zijn.

De dag zal aanbreken, dat de Schriften voor u persoonlijk open zullen gaan en dat Gods beloften voor arme zondaren uw hart zo zullen raken, dat u niet anders meer kunt dan u aan Hem overgeven.

En dat gaat vanzelf, dat is geen kwestie van durven. Dat overkomt je, dat schenkt God.

Christus wordt zo aangewezen en aangeprezen, Hij komt zo dicht naar je toe, dat je hart ontvonkt in hartelijke wederliefde tot Hem. Ja, dat is het werk van de Heilige Geest. Dat is de toe-eigening door de Heilige Geest. Hij verheerlijkt Christus door Zijn verborgen werkingen onder het Woord des geloofs.

 

U weet, dat Christus geschonken wordt in de beloften van het Evangelie en die schenking is goddelijk en waarachtig. We zouden dat een voorwerpelijke schenking kunnen noemen, maar nu is het nodig, dat de Heilige Geest dat toepast in ons hart. Dat kun je de onderwerpelijke toepassing noemen.

U voelt wel, dat dat een werk van de Heilige Geest is. Hij richt onze aandacht op Hem en maakt Hem dierbaar voor ons hart en beminnelijk. Dan gaan we steeds meer in Hem zien. Hij is de Borg voor zondaren, de Verlosser, de Zaligmaker, de Middelaar. Hij komt naar ons toe, Hij komt op vanuit het Woord. Steeds als het Woord opengaat, mag je iets zien van de heerlijkheid van de Heere Jezus.

 

Maar hoe moet het nu verder? Hoe wordt Hij mijn eigendom en ik Zijn eigendom? Enerzijds is er die dierbare Christus met al Zijn schatten en gaven en anderzijds zit u met een hart vol verlangen.

Hoe komt nu de verbinding tot stand tussen die rijke Christus en die arme zondaar? ‘Dat doet de Geest’, zegt de Catechismus, ‘Die maakt ons Christus deelachtig’, door een waar geloof. Het is geen conclusie, nee, dat is een worsteling.

Er gaat een streep door jezelf en door je eigen verdiensten en je leert te vertrouwen op de Heere Jezus alleen. De Geest kan je hart uitlokken, om je over te geven aan Hem.

Sterker nog! De Bruidegom Zelf komt onder de bediening van het Evangelie of onder het lezen van de Bijbel, door Zijn Heilige Geest, in al Zijn heerlijkheid en beminnelijkheid op u af, zodat u Zijn liefde mag zien en proeven.

 

Hij weet al uw bezwaren van het ongeloof weg te vegen en toe te spreken: ‘Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen.’

Hoe kan Hij in dat Woord Zijn doorboorde handen tot ons uitstrekken en ons naar Zich toetrekken, om de schande van onze naaktheid te bedekken? Hoe kan Hij Zijn hart voor ons openen, zodat we in Zijn ogen de diepe liefde mogen lezen: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, Ik gaf Mijn leven voor Mijn schapen, voor u en jou.’

 

Gemeente, als u dit herkent, dan weet u, dat het niet een kwestie is van één keer in je leven. Als het goed is, herhaalt dit zich steeds.

Wat zijn wij afwijkers en wat hebben wij nodig, dat de Geest ons brengt aan de voeten van Hem, telkens als het Woord opengaat!

Zo doet de Heilige Geest mij geloven, dat wat Jezus deed ook voor mij geldt.

 

Hij maakt mij Zijn weldaden deelachtig. Welke weldaden? Het zijn er te veel om op te noemen.

De vergeving van zonden is de belangrijkste en het recht op het eeuwige leven. Zijn ootmoed, Zijn volharding, Zijn spreken, Zijn zwijgen, Zijn lijdzaamheid zijn allemaal geschenken van de Heilige Geest.

We moeten steeds opnieuw opgewekt worden om de Geest niet te bedroeven door een slordig, wereldgelijkvormig leven ver van de Heere vandaan of door een wettisch en benauwd leven.

 

Weet u, wat de Geest ook doet? Dat lees ik in het slot.

Hij wil mij niet alleen de weldaden van Christus deelachtig maken, maar mij ook troosten, me nooit meer verlaten en eeuwig bij mij blijven.

De Geest troost. Zijn Naam is Trooster.

Hij troost het geplaagde geweten met de genoegzaamheid van Christus.

Hij troost in moeite en verdrukking door op Christus te wijzen en ons meer en meer door de beproevingen heen aan Hem te verbinden.

Hij troost door onze gebeden kracht bij te zetten. Hij zucht voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.

Hij troost als het ware door reanimatie te bedrijven in ons hart, als we van de Heere afgeweken zijn en het dor en doods is geworden in ons leven.

Hij troost door de vrijmoedigheid te schenken, God te mogen zien als onze Vader in de Heere Jezus Christus.

 

Gemeente, de Geest gaat nooit meer weg.

Bij mij eeuwig blijve.

Dat is een heerlijke belofte, juist voor iemand, die beseft wat David zingt en wat we met hem mee hebben gezongen: ‘Ai, laat van mij Uw Heilige Geest niet scheiden.’ Neem Uw Heilige Geest niet van Mij. Daar ben je dan zo bang voor.

Als je iets mag kennen van het rijke leven door de Heilige Geest, om te weiden in Christus en Zijn weldaden, dan zeg je:

‘O, als ik het maar niet verlies, als het maar niet overgaat. Heere, houd me vast! Heere, wilt U bij mij blijven? Laat Uw Heilige Geest niet van mij scheiden.’

Ja, dat kan beangstigen, maar de Catechismus spreekt en dat is een vaste belofte: ‘Hij zal eeuwig bij mij blijven.’

 

De Heere neemt Zijn Geest nooit meer weg. We kunnen de Geest nog wel bedroeven en de werkingen van de Geest kunnen we tegenstaan, maar als het erop aankomt, zal de Geest nooit meer wijken uit de harten van Gods kinderen, zelfs niet op uw sterfbed.

Hij troost, als de duisternis van de dood op ons afkomt, met de vaste belofte: ‘Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.’ Hij opent het uitzicht op de eeuwige heerlijkheid.

Als de Geest eenmaal in uw hart is, dan gaat Hij altijd mee. Hij gaat mee naar het Jeruzalem dat boven is. Hij zal voor eeuwig blijven bij al Gods kinderen, om hen te leiden in de diepten van al de wijsheid Gods.

 

Gemeente, op de laatste dag van het Loofhuttenfeest, als de gouden kruik van de Siloambron is uitgestort op het altaar, komt Jezus naar voren in de tempel en Hij roept het de mensen van toen en nu toe:

‘Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien. En dit zei Hij van de Geest, Dewelke ontvangen zouden, die in Hem geloven.’

 

Amen.