Ds. Th. van Stuijvenberg - Psalmen 106 : 4 - 5

De ware bidder voor Gods aangezicht

Psalmen 106
De enige pleitgrond
De rijke weldaad
De hartelijke behoefte

Psalmen 106 : 4 - 5

Psalmen 106
4
Gedenk mijner, o HEERE! naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil;
5
Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 101: 1 en 2
Lezen : Psalm 106: 1 - 15
Zingen : Psalm 143: 10 en 11
Zingen : Psalm 106: 2
Zingen : Psalm 89: 8

De tekstwoorden voor de prediking kunt u vinden in Psalm 106, het vierde en vijfde vers:

 

Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk, bezoek mij met Uw heil,

opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

 

Gemeente, in deze tekstwoorden beluisteren we: De ware bidder voor Gods aangezicht. We overdenken drie zaken in deze tekst:

 

1. de enige pleitgrond;

2. de rijke weldaad;

3. de hartelijke behoefte.

 

1. De enige pleitgrond

In de tekstwoorden van deze psalm horen we een bidder die zijn hart voor de Heere uitstort. Wij kunnen zeggen: een bidder die de Heere in zijn hart laat kijken. De bidder zegt: Heere, zie nu maar hoe het van binnen gesteld is.

Deze bidder, die voor Gods heilig aangezicht zijn hart uitstort, heeft veel te vragen aan de Heere. We zouden zeggen: zijn hart is boordevol vragen. En waar kunnen wij nu beter terechtkomen met alle vragen en met al onze zorgen – zowel in stoffelijk als in geestelijk opzicht – als bij de Heere?

Maar u zult zeggen: Hoe is het mogelijk dat deze man met zijn zorgen, zijn noden en  zijn problemen voor het aangezicht des Heeren kan komen? Hij kan toch niet bestaan voor de heilige en rechtvaardige God? In hem, de bidder, die hier voor Gods aangezicht ligt, is toch ook geen enkele pleitgrond?

Nee, net zomin als bij Daniël. Deze zegt: Wij werpen onze smekingen voor Uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op Uw barmhartigheden, die groot zijn (Dan. 9:18). En zo is het ook bij de dichter, want hij zegt nadrukkelijk: Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld (vers 6). Dat is niet zomaar een vrome opmerking, maar dat beleeft hij werkelijk. Hij zegt dat oprecht. Hij zegt: Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen.

Hij zegt niet: Onze vaderen hebben gezondigd. Nee, hij begint met zichzelf.

 

Wel, dat is nu de ware gestalte van het hart in het belijden van onze zonden voor de Heere. Zo moeten we in het gebed tot de Heere gaan, met een ootmoedig en oprecht hart. Hoe vaak klagen we: De Heere hoort mij niet, de Heere ziet mij niet en de Heere merkt niet op? Maar hoe zou dat toch komen? Wel, dat komt omdat wij zo dikwijls onoprecht zijn en niet in ootmoed bij God terechtkomen. De dichter begrijpt het als hij zingt: Laat d’ oprechtheid meer en meer, met de vroomheid, mij behoên.

 

Wat betekenen alle waarden en verdiensten, waarvan wij zo vol kunnen zijn? Niets! Het is juist een onuitsprekelijk groot voorrecht als een mens zich recht leert kennen; als hij zich voor God verootmoedigt en zijn reinigmaking en zaligheid buiten zichzelf leert zoeken. We zijn buitengewoon rechtzinnige mensen, gemeente. Maar als de Heere ons nu eens gaat onderzoeken, u en mij, dan moeten we toch zeggen: En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. (Ps. 143:2). Dan bidden we ootmoedig: Onze Vader, wil ons, arme zondaren, al onze misdaden, en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus wil niet toerekenen (HC Zondag 51).

 

De dichter heeft geleerd dat hij niets heeft om op te pleiten. Maar ligt die pleitgrond dan misschien in de diepe nood, waarin hij verkeert? Als we naar de Heere gaan, kunnen we dan met de nood in ons leven Hem tot medelijden wekken?

Het is waar, de Heere ziet onze ellende en de Heere wil redden. Gods Woord staat er vol van, vol met de rijkste toezeggingen. We zingen toch: Hij die op Gods bescherming wacht, wordt door de hoogste Koning beveiligd in de duistere nacht, beschaduwd in Gods woning. We hebben vaak van die harde gedachten van de Heere. Niet doen! Hem komen goede, hoge en heerlijke gedachten toe! Hij is het Die in onze lage stand, ons genadig bood de hand. Want Zijn gunst, alom verspreid, zal bestaan in eeuwigheid.

 

Maar is het onze nood die de Heere tot medelijden wekt? In de lofzang van Zacharias lijkt het erop, want er staat in de berijming: Die met ons lot bewogen … Maar dat behoort te zijn: de Heere is in Zichzelf bewogen. De Heere wordt niet bewogen door de nood van ons leven. Er ligt geen pleitgrond in de nood van ons leven. Want de nood waarin wij verkeren, is eigen schuld voor God. Dat kan dus geen pleitgrond zijn. Nee! Het is niet dáárom dat de Heere Zich in liefde aan ons openbaart.

De pleitgrond ligt buiten ons. Die ligt niet in de bidder, maar in de grote Voorbidder, Jezus Christus, Die aan de rechterhand Gods is. Over Hem schrijft de apostel Paulus aan de gemeente van Rome: Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Rom. 8:34).

 

Gemeente, de grote Voorbidder Jezus is, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven teweeggebracht heeft (Hebr.1: 3), ten derde dage wederom opgestaan van de doden. Hij is opgevaren ten hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader.

Dáár ligt de zaligheid, dáár ligt het houvast voor de Kerk. Als het geloofsoog geopend wordt, ziet het over alles heen op Hem, de Voleinder des geloofs, Dewelke voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand van den troon Gods (Hebr. 12:2).

Dat is het anker van de ziel.

Dat houvast ligt niet in ons. Niet in wat wij doen, niet in wat wij ervaren en evenmin in onze bevindingen. De enige grond waarop Christus bij Zijn Vader kan pleiten voor Zijn Kerk, ligt in Zijn offer aan het kruis. Daar op Golgotha heeft Hij gehangen in de hitte van Gods toorn en heeft Hij de wraak van God over de zonden gestild.

Er is hoop, er is verwachting, er is zaligheid voor de Kerk des Heeren. En dat om niet, uit enkel genade, door de verlossing die in Christus Jezus is (Rom. 3:24). In zijn voldoening op Golgotha’s heuvel ligt de hoop en de verwachting, en dat is het uitzicht voor de Kerk des Heeren. Door een blik op het kruis is er leven en heil.

 

Onze tekstwoorden gaan nog verder. Ze peilen nog dieper, want de Heere is onbevattelijk en ondoorgrondelijk in Zijn goddelijke liefde.

Als de dichter zegt: Gedenk mijner naar het welbehagen tot Uw volk – mag zijn geloofsoog verder zien. Dan vraagt hij: Heere, mag ik delen in de genade die U bewijst aan Uw kinderen, naar Uw goddelijk welbehagen? Hij mag een blik werpen in het welbehagen Gods.

Hij ziet niet alleen op het werk van Christus, op wat Sions betalende Borg hier in de tijd voor Zijn Kerk gedaan heeft, op de prijs die Hij betaald heeft tot vergeving van al onze ongerechtigheden. Nee, hij mag verder blikken om nog méér te zien. Hij zegt: naar het welbehagen, of: in Uw welbehagen. Hij zegt verwonderd: U hebt van eeuwigheid lust gehad hebt om U te verheerlijken in mensenkinderen! U hebt hen van eeuwigheid liefgehad!

Dat is het welbehagen des Heeren, dat door de hand van Christus gelukkig voortgaat. De zaligheid van de Kerk des Heeren ligt vast in de eeuwigheid. Ze ligt vast in de Drie-enige God, in de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Mensen die U van eeuwigheid verordineerd hebt tot de zaligheid, hebt U ook geschreven in het boek des levens des Lams, zegt de dichter hier. Diezelfde dichter schrijft in Psalm 139: Eer iets van mij begon te leven, was alles in Uw boek geschreven.

 

De dichter begint er dus mee om de Heere te loven. Is dat dan nodig in het leven van de Kerk des Heeren? Moeten Gods kinderen Hem grootmaken? Jazeker! Maar het is vaak zo heel anders in hun leven. Zo vaak zingen ze: ’k Heb mijn tranen, onder ’t klagen, tot mijn spijze, dag en nacht, daar mij spotters durven vragen: ‘Waar is God, Dien gij verwacht?’

Dat is zeker waar, maar de Kerk gaat ook iets leren waartoe de Heere haar in de staat der rechtheid geplaatst heeft. Waartoe heeft de Heere dan een mens geschapen? Waartoe heeft Hij dit schepsel Gods, deze beelddrager, op de aarde geplaatst? Is het niet opdat de mens Hem zou loven en prijzen? De Heere heeft ons niet op de aarde geplaatst voor onszelf, maar opdat we Zijn lof zouden vermelden en Hem grootmaken.

 

In het paradijs is dat stuk gegaan en we kunnen dat, hoe we ons ook inspannen, niet meer in orde brengen. Dat lukt ons nooit meer! Daarom moet het van een andere kant komen! De Heidelbergse Catechismus wijst ons de weg. Zondag 3 zegt: Tenzij dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden. Onze Schepper loven doen wij alleen dan als we begiftigd worden met de genade die uit Christus is, Die Zijn leven heeft gegeven. Dan komt er uit ons hart een lofzang tot Gods eer, al is het soms nog zo gebrekkig!

 

De dichter begint de psalm met: Halleluja. Looft den Heere, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid. En de Kerk des Heeren zingt met de dichter mee, al is het vol tekort en gebrek. Ja, Gods kinderen hebben nog maar een klein beginsel van de nieuwe gehoorzaamheid, maar ze gaan er toch iets van verstaan. Het zien op Jezus opent onze mond tot Zijn lof.

Daarna zegt de dichter: Gedenk mijner, o Heere, want hij blijft een arme zondaar. En op die plek heeft de Heere hem gehouden. Maar… arme zondaren krijgen nog weleens wat. Wie met lege handen staat, met een bedelaarshand, die gaat Hij mild en overvloedig bedélen. Hij zegt: Gedenk mijner, o Heere, naar U welbehagen, die U liefgehad hebt met een eeuwige liefde, die U van eeuwigheid verordineerd hebt en die U geschreven hebt in het boek des levens. Gods welbehagen is de bron van alle heil. Heil betekent ‘redding’ en zo betekent Heiland ‘Redder’. De Bron van redding, de Bron van het heil, de Bron van de zaligheid, ligt in God.

 

Ethan is ook zo’n lover. Hoor maar! Uit vrije goedheid waart Gij haar, een vriendelijk Beschermer. En in Psalm 89: Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht; wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen, door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen.

Hoort u het?

Al deze lovers en zangers zijn arme zondaars gebleven en zij moeten steeds weer bidden: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk.

Over dat welbehagen van God horen we ook zingen in Efratha’s velden: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.

Het welbehagen van eeuwigheid. Dat is wel onbegrijpelijk, zult u zeggen. Maar er zijn zoveel dingen die wij niet begrijpen. We zingen zo vaak: Maar d’ altoos wijze raad des Heeren houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht; niets kan Zijn hoog besluit ooit keren; ’t blijft van geslachte tot geslacht.

Maar dan schrijft Jesaja: En al uw kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn (Jes. 54:13). In dat welbehagen Gods openbaart de Heere dat Hij soeverein is. Paulus schrijft: Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9:16). De kerk des Heeren verblijdt zich in alles wat uit God is. God wordt verheerlijkt in Zijn deugden, maar ook in Zijn soevereiniteit.

 

En toch, gemeente, het welbehagen Gods mag geen aanleiding zijn om de Heere níet te zoeken. De Bijbel wekt ons daartoe op. Ja, op bijna elke bladzijde van Gods Woord worden we aangespoord en uitgenodigd om tot God te gaan. Het welbehagen Gods mag geen steen des aanstoots of een rots der ergernis zijn. We mogen God niet de schuld geven van onze onbekeerlijkheid.

De nodiging ligt er! Welmenend! Het zal tegen ons getuigen, wanneer wij niet geluisterd hebben naar de roepstemmen van de Heere. Het zal verschrikkelijk zijn als we niet hebben willen luisteren naar de nodigingen van het Evangelie. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16).

Versmaad deze roep niet! Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer (Jes. 45:22).

 

Het is wat, gemeente, als u straks moet sterven en u ligt voor eigen rekening. Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus vraagt heel indringend: Wat is u enige troost? Het is wat, als u zonder troost moet sterven! Het kan zo onverwachts gebeuren. Het is spoedig te laat!

Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is (Jes. 55:6). Die zoeker komt wel tot de ontdekking dat hij er niets van terecht brengt, en daarom bidt hij: Heere, wilt U me een zoeker maken? Hij ervaart dat het een werk van God is, een wonder van Gods genade. Zo’n zoeker gaat met de dichter uitroepen: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk.

Wat een blijdschap stroomt er in het hart als hij hoort: Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3). Dan wordt Gods verkiezende liefde aanbiddelijk, een eeuwig wonder. Dan is Gods verkiezing geen blok waaraan we ons stoten in het leven, maar dan is het een wonder dat God naar mensen wil omzien en dat Hij in mensen een welbehagen heeft.

 

Het is Gods heilige wet die ons veroordeelt. Zij is het die ons neerwerpt en ons laat ervaren hoe ellendig wij zijn. Maar zij is méér nog een tuchtmeester tot Christus. De wet richt ons niet op, maar het Evangelie van Jezus Christus doet dat wel.

De neergeworpen zondaar, die van zichzelf niet staande kan blijven, mag dan een blik werpen op dat geboren Kind in de kribbe van Bethlehem. Op Jezus, de Zaligmaker, Die de weg gegaan is naar het kruis. O, wonder van genade! De Vader heeft Zijn Zoon, het liefste dat Hij had, gegeven tot zaligheid van verloren mensen.

Het is genade als we de Heere gaan liefhebben en daarvan gaan we zingen:

 

God heb ik lief; want die getrouwe Heer’

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, ’k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

U vraagt zich af: Wanneer kan iemand dat nu zingen?

Die liefde komt in het hart als de Heere ons van dood levend maakt. Het is een werk van boven, het is een wonder van genade dat God naar een mens omziet. Het is de onpeilbare liefde van God die het hart verootmoedigt. Ik ben gevonden van degenen die naar Mij niet vraagden, Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten (Jes. 65:1).

Dat wil niet zeggen dat wij dan direct volmondig gaan zingen: God heb ik lief – maar het ligt wel op de bodem van ons hart.

Gods kind leert niet alles op één dag! Nee, maar naarmate de Heere ons afbreekt in onszelf, gaan we steeds meer rijkdom zien in het welbehagen van God. We gaan steeds meer van Hem verwachten en steeds meer zien op de Heiland van zondaren.

De Kerk des Heeren gaat zien dat de geringste vertroosting en de grootste verlossing die ze in haar leven mag ervaren, voortvloeit uit het goddelijk welbehagen. Daar vloeien alle genadeweldaden uit voort, alle zegeningen.

Paulus weet: Christus Jezus is in de wereld gekomen om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben (1 Tim. 1:15). Het is goddelijk welbehagen dat Hij in onze wereld kwam. Als de Heilige Geest plaats gaat maken voor Hem Die zo beminnelijk wordt voorgesteld in Gods Woord, wordt Sions Koning, de Christus, dierbaar in het leven van de Kerk des Heeren.

Als de ziel door genade een oog mag krijgen voor de weldaden die in Christus zijn, ziet ze zoveel in Hem. Dan horen we de bruidskerk uitroepen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem. (Hoogl. 5:16).

Gedenk mijner, Heere, naar het welbehagen tot Uw volk.

Kunnen we nog iets rijkers, iets groters bedenken? De dichter roept de Heere aan, de God des eeds en des verbonds. Die kent hij. Hij heeft de God van Abraham, Izak en Jakob leren kennen. Het is dit welbehagen waar de Kerk des Heeren uit voortkomt.

 

De Heere Jezus heeft Zijn discipelen, de zeventig, twee aan twee erop uit gestuurd om het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen te verkondigen. De Heere heeft hun in die dienst rijk bedeeld, want ze hebben veel zegen op hun werk. En als ze dan terugkomen, zijn ze enthousiast en verblijd. Ze zeggen: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in Uw Naam (Luk. 10:17). Maar dan antwoordt Jezus: Ja, dat is wel groot, Mijn discipelen, zeker wel, maar verblijdt u veelmeer dat uw namen geschreven zijn in de hemelen (Luk. 10:20).

De dichter heeft het leren bidden: Gedenk mijner naar het welbehagen tot Uw volk. Hij wil als het ware zeggen: Kerk van alle eeuwen, alleen in het welbehagen van God ligt alle grond om te pleiten. We horen Jeremia zeggen: De Heere is mij verschenen van verre tijden. Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3).

De enige pleitgrond is dus: Gedenk mijner, o Heere, naar het welbehagen tot Uw volk.

 

2. De rijke weldaad

En dan volgt een rijke weldaad is: Bezoek mij met Uw heil.

Gedenk mijner … Dat heeft de moordenaar aan het kruis ook gebeden. Eerst heeft hij de Heere gelasterd, maar daarna gaat hij bidden. Hij veroordeelt zichzelf. Gedenk mijner …  horen we van de dichter, en ook van de moordenaar en zoveel anderen in het Woord van God. Zij zeggen niet: Geef mij, of doe dit, Heere. Nee, het is: Gedenk mijner. Deze bidders voelen zich onwaardig, ze hebben geen verlanglijstje, maar bidden: Wilt u aan mij denken? Zij vinden een lage plaats aan de voeten van de Leraar der gerechtigheid.

De moordenaar aan het kruis had helemaal niets te eisen. Hij was een moordenaar. Zijn wij dan veel beter? Nee, we zijn allemaal van één en dezelfde vader, van Adam na zijn val. Het is wel een voorrecht als we bewaard blijven voor een uitleven in de zonden; maar de zonden die we bedrijven, zijn wél misdaden. ’k Wil mijn misdaân, die U tergen, niet verbergen; ik bedek voor U die niet.

Hoe vaak moet een christen met de dichter klagen: In den toorn gedenk des ontfermens (Hab. 3:2). Hij zegt zo dikwijls: Heere, vergeet me niet, verlaat me niet.

Dat vinden we ook bij David steeds weer terug. Lees Psalm 25 maar. Daar zegt hij: Gedenk niet der zonden mijner jonkheid.

 

Maar als we in de ruimte geplaatst worden en een oog buiten onszelf mogen slaan – ja, dan is er leven. Dat leven krijgen we alleen in verbinding met Christus; we gaan dan begrijpen dat er buiten Jezus geen leven is.

Ach, zegt u, wat heb ik het dan dikwijls bij mijzelf gezocht, in mijn gestalten voor de Heere! Ja, het is een eeuwig wonder als de Heere dat allemaal afsnijdt en we door genade mogen zien op Hem, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. We moeten zien op de Steenrots, op de Weg des behouds. Asaf zegt het zo: Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed, mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.

 

Gemeente, als de Heilige Geest onze ogen ervoor opent dat we zonder God in de wereld staan en als we zien wat dat betekent, dan gaan we God missen en zien we dat we tegen Hem gezondigd hebben. Dan komt er droefheid naar God. Maar nu wil de Heere aan zo’n verdrietige, aan één die steeds armer wordt, genadig een weg tot behoud laten zien in een Ander; in de ene Naam, onder de hemel gegeven tot zaligheid, de Heere Jezus Christus.

We worden dan steeds armer in onszelf; de Heere máákt ons arm. Maar Hij doet dat niet om ons arm te laten, maar juist om ons rijk te maken in de Ander, Jezus Christus.

De apostel Paulus schrijft aan de gelovigen in Korinthe, wanneer hij de collecte voor de gemeente van Jeruzalem aanbeveelt: Gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor. 8:9).

We zijn alleen maar rijk in de Heere Jezus! Als we echter rijk zijn in met wat we in onszelf bezitten, leidt dat tot haperingen in ons geestelijk leven. Rijk zijn we als we Jezus tot ons deel en eeuwig goed hebben, de Redder voor onze onsterfelijke ziel. Rijk zijn we als we gelovig mogen putten uit de Bron van levend water.

 

Maar, volk des Heeren, als Christus zich verbergt en niet tot u spreekt vanuit Zijn Woord, gaat u Hem missen. Dan ervaart u: buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf. Dan zingt u met de dichter van Psalm 42: ’k Zal tot God, mijn steenrots, spreken: Waarom, Heer’, vergeet Gij mij?

Aan dingen die eerder gebeurd zijn in uw leven, hebt u geen houvast meer. U zingt met Korachs zonen: Waak op, waarom zoudt Gij slapen, Heere? Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen? Onze ellende en onze onderdrukking vergeten? (Ps. 44:24,25)

Daarom bidt de dichter in onze psalm ook: Gedenk mijner, Heere. Bezoek mij met Uw heil. Heere, wilt U mij helpen, wilt U mij verlossen, wilt U mij bijstaan.

 

Het is een wonder van genade als de Heere de Zijnen bezoekt met Zijn heil. En dat doet Hij, want Hij heeft hen lief met eeuwige liefde! Hij leidt Zijn kinderen allemaal op een verschillende wijze, maar ze worden allen bediend uit één en dezelfde Bron, Jezus. Maar net zoals een moeder in het huisgezin het ene kind iets meer te eten geeft dan het andere – want ze weet wat elk kind nodig heeft – zo doet de Heere ook met Zijn kinderen. Hij bezoekt hen met Zijn heil naar het nuttig en nodig voor hen is.

 

U weet dat de Heere ons ook kan tegenkomen met beproevingen, met verdrietige en pijnlijke gebeurtenissen. Hij acht dat nodig om een afgedwaald schaap weer thuis te halen. Dan klaagt het met David: Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond, dat onbedacht zijn herder heeft verloren. Ach, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond; Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

En dan zegt de Heere: Dan zal Ik hen, die dwaas en wreev’lig overtreên, bezoeken met de roe en bitt’re tegenheên. De Heere laat hen niet los, maar kastijdt hen opdat ze naar hem toe zullen komen. Hij bedoelt hun behoud.

Een vader of een moeder geven kinderen toch geen draai om hun oren, omdat ze dat zo graag doen? Maar opdat het kind zal begrijpen dat het verkeerd gedaan heeft, om het op te voeden. De Heere geeft Zijn kinderen ook wel eens ‘een draai om de oren’. Dat doet Hij tot hun nut en tot hun zaligheid. Ach, wat is het rijk als het gezegende vruchten mag afwerpen. De dichter van Psalm 119 bekent: Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik; maar nu onderhoud ik Uw woord. En Paulus houdt ons voor: Wij weten dat degenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Rom. 8:28).

 

Hier vraagt de dichter: Heere, bezoek mij met Uw heil. Verlos mij! Help mij! Red mij! Mag ik Uw liefde ervaren, want ik kan U niet missen. Een kind dat ondeugend geweest is, zal zeggen: Ik heb het verdiend. Hij kan het niet hebben dat zijn vader of zijn moeder boos op hem is. Nee, dat kan niet! Hij heeft klappen verdiend, maar hij kan er niet tegen dat zijn vader en zijn moeder niet lief voor hem zijn. Een christen zal alles weggeven om een kruimeltje van de liefde van God in zijn hart te mogen ervaren. Gods kinderen kunnen Hem niet missen.

 

Bezoek mij met Uw heil. De dichter zegt eigenlijk: Reik het me aan, want ik kan het niet grijpen. We moeten geholpen worden, we hebben zelf geen kracht om het te nemen. Heere, kom in mijn hart. We bidden met David: Ik ben nooddruftig, arm en naakt; o God, mijn Helper uit ellenden, haast U tot mij; wil bijstand zenden; Uw komst is ’t, die mijn heil volmaakt. Het vers eindigt met het woordje ‘heil’; hiervoor mogen we ook lezen ‘onze Heiland’.

Dat zien we ook in Psalm 116. De dichter begint: Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen. Maar dan vervolgt hij: Ik lag gekneld in banden van de dood; daar d’ angst der hel mij alle troost deed missen.

Bezoek mij met Uw heil. Dat wil zeggen: Heere, wilt U mij vol maken van Uw heil. Met al ons doen en laten, met ons godsdienstig leven worden we nooit rijk in heil. We proberen het steeds weer, maar de Heere zorgt ervoor dat we geen houvast krijgen. Ons anker ligt immers alleen maar vast in de Heere Jezus, Die de Weg, de Waarheid en het Leven is. Ik kan alleen maar leven, zegt de bidder hier, als U mij bezoekt met Uw heil. Uw komst is het die mijn heil volmaakt.

 

De tollenaar Zacheüs wilde de Heere zien. Hij heeft genoegen gehad in het ‘tollenaar zijn’, maar die lust is hem vergaan in zijn leven. Als hij dan hoort dat de Heere Jezus in de buurt is en voorbijgaat, klimt hij in een vijgenboom. Als je daar inklimt, ziet niemand je. Dat bladerendek is zo dicht, daar kun je totaal in wegschuilen. Als de Heere dan langskomt, is het eerste wat Hij doet: opzien naar Zacheüs in de boom. Dan zegt Hij: Zacheüs, haast u en kom af; want Ik moet heden in uw huis blijven (Luk. 19:5). Kijk, dat is nu het heil dat onze dichter bedoelt.

Dan horen we Jezus zeggen: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is (Luk. 19:9). De Heere is Zelf in het leven van Zacheüs gekomen. Dat is het heil van Psalm 106, dat is heilrijk.

 

Nadat het volk Israël het gouden kalf vereerd had, zei de Heere tegen Mozes: Ik zal een engel voor uw aangezicht zenden, naar het land dat van melk en honing is vloeiende; want Ik zal in het midden van u niet optrekken, want gij zijt een hardnekkig volk (Ex. 33:3). Maar dan horen we Mozes pleiten bij de Heere: Indien Uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Ik en het volk – wij kunnen niet zonder U.

Het is vol heil, het is heilvol als de Heere met ons optrekt.

 

Gemeente, jongens en meisjes, Hij is de enige Weg ter zaligheid. Echt waar! De wereld trekt aan u en aan jullie. Maar weet dat er alleen zaligheid is in de ene Naam onder de hemel gegeven tot zaligheid, Jezus Christus.

Iemand kan zó ziek worden, dat hij zegt: De dokter moet komen. Ik kan zelf niet naar de dokter toegaan, maar hij moet bij mij komen. Nu, zó dodelijk ziek is de mens dat hij bij de Hemelarts niet kan komen, maar dat Hij bij hém moet komen. En die Heelmeester komt; de Heere blijft niet achter.

 

We horen in onze tijd veel klagen: Vroeger, toen bloeide de Kerk. O, wat dienen we hiermee toch werkzaam te zijn! Het is zo nodig dat we de Heere bidden of Hij Zijn hof nog eens doorwaaien wil, zodat de specerijen weer uitvloeien. Dan zal de Kerk weer tot bloei komen, met de ene Naam tot zaligheid, Jezus Christus, in het middelpunt.

Als de Heere Zijn kerk bezoekt, verdwijnt al het geklaag; dan is er geen somberheid meer en zingt zij: Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel, in ‘t huis dat Gij U hebt gesticht! Daar wordt de wereld jaloers op!

 

Als Hij komt, brengt Hij alles mee. Dan kan het alles zelfs te veel en te groot zijn. We horen dan ook de hoofdman over honderd zeggen: Heere, ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen; maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden (Matth. 8:8). Ja, het is werkelijk waar: Zijn spreken is zaligheid.

Hoe doet de Heere dat? Hij spreekt vanuit Zijn Woord, en onze ziel gaat open voor dat Woord. We horen dan de stem van de Heere Jezus, die ene Naam gegeven tot zaligheid. Dan zeggen we: Ik heb zelf uit Zijn mond gehoord dat de sterkte Godes is (Ps. 62:12). Al zijn we het niet waard, dan mogen we toch horen wat God de Heere spreken zal (Ps. 85:9).

 

Voordat we verder gaan met onze derde gedachte, zingen we eerst Psalm 106 vers 2:

 

Welzalig elk, die ’t recht betracht,

Die t’ allen tijd’ Zijn wetten acht.

O Heer’, laat mij, naar ’t welbehagen,

Dat G’ in Uw volk steeds hebt getoond,

Ook roem op Uw bescherming dragen,

En met Uw zegen zijn bekroond.

 

3. De hartelijke behoefte

Er zijn drie redenen, gemeente, waarom de dichter dat bezoek van de Heere begeert. Dat staat in het vijfde vers: Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks; opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel.

 

Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen. Ja, want de dichter ziet op de staat van geluk die in zijn volle glans op heel de Kerk ligt, op al Gods kinderen. Dan ziet hij niet op het gebrekkige, niet op wat zij beoefenen, maar op het volle heil dat de Heere geeft.

Gods kinderen worden genoemd: ‘opgezochten’, ‘godvrezenden’, ‘heiligen’ die gered zijn van de dood. Maar er is nog meer! Hier worden ze genoemd: ‘uitverkorenen’.

Dat woord ‘uitverkoren’ wil zeggen ‘onderscheiden’. Er is onderscheid gemaakt waar het niet was. Er staat: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren (Matth. 22:14). Het wil zeggen: eeuwig geliefd. De bruidskerk van Christus is van eeuwigheid verkoren tot de zaligheid. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld (Ef. 1:4).

 

Er staat: het ‘goede’ Uwer uitverkorenen. Dat wil zeggen: al de weldaden die uit Christus vloeien en die de Kerk uit genade krijgt.

Het goede. David zingt in Psalm 31: O, hoe groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen. We kunnen het goed hebben, zonder kleerscheuren door het leven gaan, maar dat gaat voorbij. Het ‘goed’ waarover David hier spreekt blijft eeuwig.

‘Goed’ is, als we de droefheid naar God kennen, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. Als de Heere ons dat heil schenkt, als Zijn reddende armen om ons heen zijn, dan is dat het ‘goede’.

‘Goed’ is, als we het zaligmakend geloof mogen kennen; als we vergeving van zonden ervaren in het bloed van het kruis en de vereniging met Christus. Luther zegt het zo: ‘Hij mijn zonden, en ik Zijn gerechtigheid.’

 

We krijgen dan een beginsel van nieuwe gehoorzaamheid, en gaan leven in een heilige wandel. Maar uit Hem zijt gij in Christus Jezus, Die ons geworden is wijsheid van God, en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing (1 Kor. 1:30).

Gemeente, het ‘goede’ is als we gedurig mogen delen in Zijn tegenwoordigheid en mogen leven onder Zijn leiding. Het ‘goede’ is om onder Gods bestuur te zijn en Zijn vertroostingen te ervaren.

 

Weet u in welke weg de Heere dat ‘goede’ aan Zijn kinderen geeft? Dat gaat in een weg van arm makende genade. Ja, we willen behouden wat we hebben en zien graag dat de Heere er nog wat bij doet. Maar nee, zo doet Hij dat niet! De Heere gaat Zijn kindern ontgronden, ontdekken en ontbloten, opdat ze als arme zondaren een rijke Jezus ontvangen. Zo laat Hij Zich zien in Zijn volle heerlijkheid.

We horen Jezus spreken tot de Samaritaanse vrouw uit Sichar bij de put: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, die zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4:14).

Sions betalende Borg ziet er met verlangen naar uit dat Zijn kerk arm wordt, door de knieën gaat, in zichzelf niets overhoudt, opdat Hij aan een arm en ellendig volk Zijn goddelijke genade kan schenken.

Gods Kerk wacht een onuitsprekelijke grote erfenis; die is onverderfelijk, onbevlekkelijk en onverwelkelijk (1 Petr. 1: 4). Hier kunnen mensen nog wel eens zeggen: Het valt me toch een beetje tegen. Maar de erfenis van de Heere, dat ‘goede’, valt nooit tegen. Als Gods kinderen straks de hemel mogen binnengaan, zullen ze zeggen: Over dat ‘goede’ is de helft mij nog niet aangezegd.

 

De dichter zegt: ‘Opdat ik zie.’ Hij bedoelt: Om getroost te leven, heb ik zo nodig om het goede Uwer uitverkorenen te zien, om te weten wat U hebt weggelegd voor Uw Kerk, wat U aan mij, arme zondaar, wilt schenken. En dat niet zomaar een keertje. Nee, mijn hart verlangt daar voortdurend naar.

Weet u wanneer u sterven kunt? Als u Jezus gezien hebt! Dan hebt u ‘het Goede’ gezien. Het Goede, het goede Uwer uitverkorenen, dat is Jezus. Dat is de Gezegende en Algenoegzame, de Schoonste van alle mensenkinderen. Dat is Jezus! Dat is Hij!

Als Simeon in de tempel Jezus in zijn armen houdt, zegt hij: Nu laat Gij, Heere, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw Woord (Luk. 2:29), om dan te delen in wat God bereid heeft voor degenen die Hem liefhebben.

 

We lezen verder: Opdat ik aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde met de blijdschap Uws volks.

Jongens en meisjes, de wereld kent ook blijdschap, maar die is maar tijdelijk, die is van voorbijgaande aard. Die blijdschap is maar schijn. Echt waar! De wereld geeft nooit ware blijdschap. Haar blijdschap stelt altijd teleur. Ze is zó voorbij. We zeggen zo vaak: Ik had er wel meer van verwacht. Als we niets anders hebben en gaan sterven, hebben we niets meer. Dan hebben we ook niet de troost, het houvast dat over het graf heen reikt.

 

Ware blijdschap is heel anders. Abraham was blij toen de Heere hem beloofde dat hij een zoon zou krijgen. Hij heeft het geloof beoefend en hij heeft gezien dat de Heere een Waarmaker van Zijn Woord is. Toen heeft hij gelachen; het was een gelovig lachen waar blijdschap in lag.

Let eens op Mozes. Als het volk door de Schelfzee gegaan is en hij het wonder Gods ziet, is hij met blijdschap vervuld. Dan heft hij een lofzang aan. Dat is de ware blijdschap.

Als David de ark des Heeren uit het huis van Obed-Edom haalt en naar Jeruzalem brengt, huppelt hij van zielenvreugd.

Als we die blijdschap kennen, zingen we: Zij zullen in Uw Naam zich al den dag verblijden; Uw goedheid straalt hun toe; Uw macht schraagt hen in ’t lijden?

Die blijdschap ligt niet in aardse dingen. Dat wil niet zeggen dat we ín de aardse, tijdelijke dingen niet Gods hand Gods kunnen zien, maar toch … de ware blijdschap ligt in de geestelijke dingen, in de hemelse dingen; in wat God geeft, uit genade.

 

De herders in Efratha’s velden zijn ook verblijd geweest. De engelen zingen hun voor: Ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal; namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker (Luk. 2:10,11).

We horen in het boek Handelingen over de stokbewaarder. Hij verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God gelovig was geworden (Hand. 16:34). Dat is pas echte blijdschap!

En Paulus onderstreept het nog eens als hij aan de Galaten schrijft: Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

 

We lezen onze Psalm verder in vers 6: Opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Beroemen, lezen we. De wereld roemt ook. De wereld pocht en snoeft; en de wereld probeert zijn macht en glorie te manifesteren. Maar dat wordt hier niet bedoeld. Maar, zo zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid, een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom, maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere (Jer. 9:23,24).

Zo gaat de hele Kerk roemen in het erfdeel des Heeren. Gods kinderen zijn allemaal verschillend. Het is net als in een gezin. Maar wat dít betreft zijn ze allemaal eender. Ze gaan roemen in het erfdeel in God, in Christus Jezus. Zo mag het hier op aarde soms al zijn, en straks volmaakt in de hemel.

Als ze Thuis mogen komen, zal de schare, die niemand tellen kan uit, alle geslachten en uit alle talen en uit alle natiën, zich beroemen met heel hun erfdeel in God.

 

Gemeente, daar komt het nu op aan. Als we wél getroost willen leven en eenmaal zalig willen sterven, dan zullen we iets moeten kennen van de pleitgrond, de rijke weldaad en de hartelijke behoefte die in de tekst liggen opgesloten. Dan moeten we iets kennen van het verlangen naar het heil waar het de dichter om te doen is. Hij bidt: Bezoek mij met Uw heil.

U mag niet zeggen: ‘Het zal voor mij niet kunnen! Het is te veel! Het is te groot!’ Bij de Heere is alles mogelijk. Wie we ook zijn, bij Hem is het te krijgen! Vind toch geen rust vóór u weet in Christus geborgen te zijn.

Hebt u de enige pleitgrond leren kennen die in Christus Jezus is, en in het eeuwige welbehagen Gods, dat vast ligt van eeuwigheid? Hebt u deze weldaad, dit heil leren kennen? De Heere moge het in uw hart verheerlijken. Hij kan het! Hij wil het!

Wie Hem need’rig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren. De Heere bereidt Zijn Kerk heil en redding. Dan zal het ook in uw leven zichtbaar worden. De Kerk wordt gekend aan de vruchten in het leven.

 

Bezoek mij met Uw heil, opdat ik mij beroeme met Uw erfdeel. Roemen in de Heere, dat gaan ze hier aanvankelijk leren, maar dat zullen zij straks eeuwig voortzetten. Zijn wij daar ook bij?

Amen.

 

Slotzang: Psalm 89:8

 

Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht;
Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht;
Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen
Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen;
Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven,
En onze Koning is van Isrels God gegeven.