Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 58b

Stéfanus en Saulus van Tarsen

Hoe Saulus van Tarsen hier ter sprake komt
Wat Stéfanus en Saulus van Tarsen gemeenschappelijk hebben
Waarin Stéfanus en Saulus van Tarsen van elkaar verschillen
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 112: 1 en 6
Lezen : Handelingen 7: 54 - 8: 8
Zingen : Psalm 1: 2 en 3
Zingen : Psalm 7: 6
Zingen : Psalm 139: 14
Zingen : Psalm 86: 9

Gemeente, bij het overdenken van Handelingen 7, met name het laatste gedeelte, is een klein stukje nog onbepreekt gebleven. Vandaar dat ik u vandaag met ’s Heeren hulp het Woord van God bedien uit Handelingen 7 vers 58b.

 

Handelingen 7:58b is dan ook de tekst voor de preek van vandaag:

En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus.

 

Stéfanus en Saulus van Tarsen:

1. Hoe Saulus van Tarsen hier ter sprake komt.

2.Wat Stéfanus en Saulus van Tarsen gemeenschappelijk hebben.

3.Waarin Stéfanus en Saulus van elkaar verschillen.

 

  1. Hoe Saulus van Tarsen hier ter sprake komt

Gemeente, is het u weleens opgevallen dat de Bijbel niet vaak uitvoerig spreekt over het sterven van de heiligen Gods? De Heilige Geest laat steeds het licht vallen op het leven van Gods kinderen. Op heel hun wandel. Waarom zou dat nu zo zijn, meisjes en jongens? De Heilige Geest zegt met nadruk: ‘Let op hun leven.’ Als we ze volgen op hun gang door het leven, dan zien we dat ze op weg zijn naar een beter Vaderland. Een ander vaderland. Ze zoeken het hemelse! Hebt u dat ook gedaan de laatste tijd? Hebt u het hemelse Vaderland gezocht? Ook vandaag wordt er op het leven van Gods heiligen gelet en wordt er ook op hun sterven gelet? Wel, de Heilige Geest noemt het wel. Er zijn omstandigheden in de Bijbel waarvan we zeggen: Kijk hier staan we nu echt bij een sterfbed. Dan kunnen de kinderen wel helpen, als ik een voorbeeld wil noemen. Een oude man gaat sterven en twaalf zonen staan om zijn sterfbed. Jullie weten vast wel dat het dan over Jakob gaat. Elk van zijn zonen krijgt een bijzondere zegen mee vanaf het sterfbed.

 

Wat een merkwaardig sterfbed heeft ook de eerste hogepriester van het volk van Israël. Dan moet je natuurlijk al wat langer op de basisschool zitten, om het antwoord te weten. Maar de grotere kinderen weten het: het gaat over Aäron. Zijn kleren werden hem uitgetrokken en zijn zoon aangedaan en alzo stierf Aäron op de berg Hor.

 

Zo vinden we ook in het schriftgedeelte dat we samen overdacht hebben, een sterfbed. En wat voor een sterfbed! Is dit eigenlijk wel een sterfbed? Dan moeten we concluderen dat dit niet zo is. Ook vandaag zijn er heel wat mensen die aan hun einde komen, zonder dat we kunnen spreken van een sterfbed. De één wordt doodgeschoten, de ander wordt doodgeschopt, en in dit schriftgedeelte wordt er één doodgestenigd, namelijk Stéfanus. Is dit een sterfbed? Eigenlijk niet. Het gaat hier over een marteldood. En ook daarover licht Lukas ons, geleid door de Heilige Geest, heel terughoudend in. Het valt op dat er maar heel weinig woorden aan gewijd worden en dat het ook heel sober, heel terughoudend wordt verteld. Hoe kunnen we dat zien?

 

Hoe kunnen we dat vaststellen? Wel, als u goed leest en u vraagt aan iemand wat hier over het lijden van Stéfanus staat, dan moet die ander zeggen dat hier niks over Stéfanus’ lijden staat. Ook wordt er met geen woord gerept over de wonden die Stéfanus ongetwijfeld opgelopen zal hebben. Kijk, de Heilige Geest zet Stéfanus in een bepaalde kring. Daar zijn we enige preken geleden mee begonnen. Stéfanus zag de heerlijkheid van God. ‘Kijk,’ zegt de Heilige Geest, ‘daar moet u op letten.’ De Heilige Geest zet Stéfanus in de kring van de heerlijkheid van God, en in de kring van het zien op Jezus. Hij zag de heerlijkheid van God en Jezus. Toen de Heere Jezus geboren werd, was er ook sprake van de heerlijkheid des Heeren. De kinderen weten dat de herders in de velden van Efratha ineens omschenen werden door de heerlijkheid des Heeren. En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze (Luk. 2: 9). Ze stonden er middenin. Letterlijk staat er: ze werden er door omlampt. Aan alle kanten is er licht. Licht van de heerlijkheid des Heeren.

 

Stéfanus ziet hier buiten Jeruzalem diezelfde heerlijkheid. Hij zag de heerlijkheid van God. En Paulus, dezelfde die hier nog Saulus van Tarsen genoemd wordt, schrijft later: Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr. 2: 9). Voor Stéfanus geldt dat wel op een heel bijzondere manier, als hij vanaf de aarde zo de hemelse heerlijkheid inkijkt. En dáár wijst de Heilige Geest hier op. Hij zegt: ‘Kijk toch eens, wat een kind van God aan zijn Heere en aan zijn Koning heeft.’

 

Wat ziet u allemaal? Weet u wat de vraag eigenlijk is? De vraag is: hebt u Jezus gezien? Hebt u Hem gezien? U kunt nog zoveel gezien hebben, als u Hem niet gezien hebt, hebt u eigenlijk niet iets gezien wat blijvend en de moeite waard is. Er is een onrustige wereld, maar met het zien op Jezus is er rust. Dat zien we bij Stéfanus. Dan is er waarachtige vrede. Moet u nagaan: er zijn stenigers, beschuldigers en tierende mensen aan alle kanten, maar het middelpunt van het hele gebeuren, Stéfanus, kan zingen: Hier, hier wordt de rust geschonken, want ik zie de heerlijkheid van God en Jezus. Ja, het is allemaal om Jezus’ wil.

 

Want ook deze geschiedenis is heilsgeschiedenis. Het is niet de geschiedenis van Stéfanus, maar het is de geschiedenis van de Heiland. Stéfanus laat zo duidelijk uitkomen dat een mens met hem, met Stéfanus, niet zalig kan worden. ‘Nee,’ zegt Stéfanus, ‘uit genade ben ik zalig geworden, door het geloof, niet vanuit mezelf. Het is een gave van God (Ef. 2: 8). U moet niet bij mij zijn, maar u moet bij mijn Zaligmaker zijn.’ En daarom zegt deze geschiedenis ons niet: zie Stéfanus. Deze geschiedenis zegt ons: Zie het Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt (Joh. 1: 29).  Daarom is het ook niet de bedoeling dat we hier één of ander spannend verhaal lezen. Het gaat er om, dat we zien hoe groot de kracht is van de godzaligheid. En hoe krachtig het woord is zoals Jezus dat gesproken heeft voor Zijn Hemelvaart: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28:20).

 

Merkt u dat Gods genade u hier gepredikt wordt? Opdat u zou zeggen: ‘Heere geef ook mij die genade. Die genade die er is in het werk van de Heere Jezus Christus.’ Sterker nog, het is nu niet alleen een vragen, maar het is een eisen. Een eisen van God. Zo hebt u het toch geleerd? Negen van de tien onder ons, of misschien nog wel meer, die hebben het geleerd op vaders knie en op moeders schoot het: Eis van God, vrijmoedig. Doet u dat? Misschien denkt u: we mogen van God toch niet eisen? Dan is dat versje dus niet goed. Dat is ook wat. Zullen we het versje toch maar laten staan? Het gaat immers om Gods verbond. Zo gaat God met mensen om binnen de kring van Zijn verbond.

 

Wat een zonde als we niet eisen. Wat een tekort doen aan het Woord van God. Ja, u kunt zich hier makkelijk vanaf maken en zeggen: ‘Een mens mag niet eisen.’ Dan mag u dat versje ook niet zingen. Voelt u het? De Heere wil u in de klem brengen, want in datzelfde versje - onze kinderen weten het toch - zingen we, dat de Heere mild en overvloedig geeft. Overvloedig, dat wil zeggen een heleboel. De Heere geeft zo veel, dat kunnen we met z’n allen niet eens op. Zo groot is de ontferming van God. Hoe nodig is het om geopende ogen te hebben om te zien, dat dát hier bij Stéfanus in feite alles is. Wat houdt de man nu over? Hij houdt zijn God over! Hier hebt u nu echt de diepste invulling van het begin van de catechismus. ‘Stéfanus zeg eens, wat is je enige troost in leven en in sterven?’ ‘Ik ben niet van mijzelf, maar ik ben het eigendom van mijn getrouwe Zaligmaker, naar lichaam en ziel, in leven en sterven.’ Daar valt het licht op. En daarom de terughoudendheid, de soberheid, als het gaat om die bijkomstige dingen. Zo vindt u in dit verhaal vrijwel niets over de steniging zelf. Het feit wordt enkel meegedeeld. Toch is het zinvol om iets meer te weten, om ook zicht te krijgen op de positie van Saulus van Tarsen. Want hij wordt hier voor het eerst met name genoemd: de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. Waarom leggen ze hun kleren af? En waarom doen ze dat nu uitgerekend bij die jongeling Saulus van Tarsen? Waarom staat dit er nu? En waarom staat het er zo? Om daar zicht op te hebben, moeten we wat meer achtergrondinformatie hebben.

 

Het zal u duidelijk zijn dat er ook voor een steniging wetten bestonden. En dat daar regels bij waren. Een steniging moest op een ordelijke wijze gebeuren, hoe aangrijpend de situatie ook mocht zijn. Volgens de voorschriften moesten de beschuldigers zelf de steniging uitvoeren. Dat mochten ze niet aan anderen overdragen. Misschien kunnen de kinderen zo een groep mensen tekenen dat je zegt: ‘Kijk, dat is de man die gestenigd wordt. Dat is Stéfanus.’ En die mensen daar omheen, dat zijn de leden van het Sanhedrin. Zien we de stoet gaan? Vraag maar aan papa of mama: ‘Kijk eens, wie zijn dat?’ Dan zullen ze zeggen: ‘O, dat is Stéfanus. Dat klopt. De mensen daaromheen: dat zijn de stenigers, die gaan aanstonds tot de daad over.’ De veroordeelde werd afgevoerd naar de plek van de steniging. Dan vond de vreselijke en pijnlijke steniging plaats. Dat was een zwaar werk. Wreedheden zijn er altijd al geweest, toen en ook vandaag. Sinds Adams val is het niet anders.

 

En het zal ons duidelijk zijn, ook de kinderen, de meisjes en de jongens, dat je geen lange mantel aan kon hebben als je zo’n werk moest verrichten. Lange jassen waren dan alleen maar lastig. Die werden dan gelegd aan de voeten van iemand die daarop ging passen. Dit was iemand die men kende en die men vertrouwde. Dat was dus niet zo maar iemand die toevallig langs kwam: ‘Hé, houd jij eens even mijn jas vast, want we gaan die of die stenigen.’ Nee, daar was iemand voor, een speciaal iemand die men kende en die men vertrouwde. Iemand die ook van harte achter de steniging stond en die er zich bij betrokken wist. Welnu, bij Stéfanus’ steniging blijkt dat Saulus te zijn. Want zo lezen we het nog een keer: En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. En dat Saulus het met de steniging eens was, hebben we horen lezen uit Handelingen 8:1: En Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. Saulus heeft er dus bijgestaan en gezegd: ‘Goed zo, gooi hem dood die Stéfanus, weg ermee.’ Hij was het er van harte mee eens. De bewaarder van de kleren is een jongeling: de benaming voor iemand van rond de dertig. Dat is dus wat we hier aangereikt krijgen vanuit het Woord van God en dan vragen we: wat voor onderwijs zit daar nu in? En hóe zit daar nu onderwijs in?  

 

De antwoorden komen we op het spoor als we de vraag stellen: wat hebben Stéfanus en Saulus nu gemeenschappelijk? Ja, daar zit allereerst onderwijs in. Daar gaan we over nadenken nadat we gezongen hebben uit Psalm 7 vers 6.

 

Psalm 7: 6

 

God, die op 't recht Zijn troon wil stichten,

God is rechtvaardig in Zijn richten.

En toont Zijn gramschap dag aan dag.

Bestrijdt de mens Zijn hoog gezag;

Blijft hij zich tegen Hem verzetten,

God zal Zijn glinst'rend wraakzwaard wetten;

Hij kromt en spant alreê Zijn boog;

En dreigt met pijlen van omhoog.

 

  1. Wat hebben Stéfanus en Saulus van Tarsen nu gemeenschappelijk

Stéfanus en Saulus van Tarsen. We zagen allereerst hoe Saulus hier ter sprake komt en letten nu in onze tweede gedachte op de vraag: wat hebben Stéfanus en Saulus van Tarsen nu gemeenschappelijk? Laten we eerst eens kijken naar het eind van hun leven. Ik denk dat dat een goede instap is. Om verwonderd te zijn vanwege de genade van God. Want als je kijkt naar het eind van het leven van deze twee mannen, dan zijn ze allebei bij hun Heere en Heiland. In Jezus ontslapen: Stéfanus de diaken en de prediker van Jeruzalem. In Jezus ontslapen: Saulus van Tarsen, eertijds de vervolger, maar later de verkondiger van Jezus. Beiden zijn ze gekroond met de kroon van  de rechtvaardigheid. Paulus heeft later geschreven: ‘Ik niet alleen, maar ook allen die Zijn verschijning hebben lief gehad (2 Tim. 4: 8). Beiden zijn ze voor de troon van God. Wat Stéfanus hier al gezien heeft en wat voor hem volkomen werkelijkheid is geweest nadat hij de doodsjordaan was overgestoken, is ook voor Paulus werkelijkheid geworden: Ik zie Jezus, en ik zie de heerlijkheid van God.

 

Als er in de hemel sprake is van herkenning - ik ga daar verder niet op in - dan is het voor beiden een geweldige blijdschap om de ander daar te ontmoeten. Stéfanus hier, Saulus van Tarsen hier. Wat een vreugde voor Stéfanus om Saulus daar aan te treffen, de man die in zijn dood een welgevallen heeft gehad. De man die zich met hand en tand verzet heeft tegen de genade van God en tegen het kruis van Christus. Nochtans overwonnen door Gods genade, en ingegaan in de vreugde van zijn Heere en Koning. Saulus van Tarsen, de vijand, de uitgesproken tegenstander is nu hier in de hemel bij het Lam. Het Lam van God. Wat een vreugde voor Stéfanus om Saulus te zien. Maar ook omgekeerd, wat een vreugde voor Saulus van Tarsen om Stéfanus te zien. Stéfanus hier.

Stéfanus die hij doodgewenst heeft. Stéfanus van wie hij gezegd heeft: ‘Dood aan Stéfanus’. Saulus had immers mede een welgevallen aan Stéfanus’ dood. Heeft u er erg in dat in de hemel alles bloeit door de vrede? In de hemel is geen haat, geen afgunst. In de hemel vallen ook geen harde woorden. In de hemel is dat allemaal achter de rug. Voor beiden is het daar vervuld, voor Saulus en voor Stéfanus: Mijn God, ik zal U eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan.

 

Wie had gedacht dat het gemeenschappelijke tussen Stéfanus en Saulus uiteindelijk daar op uit zou komen? Het is buitengewoon en indrukwekkend. Het is een gemeenschappelijke lofzang aan God en het Lam. Wie zingt daar, lieve kinderen? Luister eens. Stéfanus! Ja. Luister nog eens. Wie zingt daar? Paulus! Ja, allebei zingen ze de lof aan God. Had u dat gedacht? We kennen de geschiedenis van kinds af aan, maar dat het daar op uit zal lopen, daar zag het aanvankelijk toch helemaal niet naar uit?

 

Gemeente, wat zit daar een Evangelie in. Want nietwaar: Stéfanus en Saulus kun je nooit onder één noemer brengen. Dat lukt ons mensen niet. Maar God wel. We zeggen weleens: ‘Je moet nooit, nóóit zeggen.’ Dat zien we hier bevestigd. Kind van God, kijk eens naar uw eigen leven. Was u niet dood vanuit uzelf? Dood door de misdaden en dood door de zonden? Zat het er nu bij u in, dat u zou zeggen: ‘Nee, maar het was toch duidelijk, dat ik een kind van God zou worden?’ U was een vijand van God, een tegenstander. We zouden met Saulus meeroepen: ‘Dood aan Stéfanus’, sterker nog: ‘Dood aan Jezus van Nazareth.’ Kruis Hem, kruis Hem (Luk. 23: 21).

 

 Zat het er van nature in dat u God zou vrezen en dat u Jezus lief zou hebben? Als u dat voor uzelf ziet, zou u dan ook geen verwachting van God mogen hebben voor een ander? Voor een ander die u misschien juist zo heel lief is en die zegt: ‘Voor mij hoeft het niet meer.’ Een kind misschien, of kinderen uit uw gezin. Ze zeggen misschien: ‘Praat me niet over God en praat me niet over de dienst van God.’ Hoor nu eens! God doet duizend wonderheên, Hij is God, Hij alleen. Stéfanus heeft geroepen: Heere, reken hun deze zonde niet toe! Hoort u het: Reken hun deze zonde niet toe! Hij heeft niet gezegd: ‘Van die of die, reken hun deze zonde niet toe’. En dat gebed heeft God verhoord. Zo namelijk, om eeuwig met alle gezaligden samen de lof des Heeren te zingen. Zelfs ook met Saulus van Tarsen, die jongen aan wiens voeten de kleren zijn neergelegd. Hier in dit schriftgedeelte zijn Saulus en Stéfanus ook samen. Maar dan zijn het nog niet wat wij zouden noemen ‘broeders van hetzelfde huis’. ‘Saulus heb je Jezus lief?’ Nee, dat heeft hij niet. Hier is het nog geen eenheid, maar een grote tegenstelling. De één is in Christus en de ander is buiten Christus. En dat is de grootste tegenstelling die u maar indenken kunt.

 

Als u die tegenstelling tussen beiden goed wilt zien, dan moet u letten op een paar dingen waarin ze niet van elkaar verschillen. Er zijn dingen waarvan wij kunnen zeggen: daarin lijken ze als twee druppels water op elkaar. Ze zijn allebei godsdienstig. Ja toch? En niet maar een beetje. Ze lopen er niet de kantjes van af. Nee, ze staan voor honderd procent in het kerkelijk gebeuren. En ze zijn ook allebei eerlijk. Ze huichelen niet.

 

Als Stéfanus zijn verantwoording houdt voor de Joodse Raad, dan komen de woorden recht uit zijn hart. En Saulus van Tarsen? Hij zegt het later zelf:  Ik was een ijveraar voor God. Wat heb ik mij uitgesloofd en wat ben ik bezig geweest. Ik was rechtvaardig en naar het oordeel van de wet onberispelijk. Heb ik God niet een dienst bewezen als klerenoppasser? Ik, die mede een welgevallen heb in de dood van Stéfanus?’ Dat is Saulus van Tarsen. Stéfanus kan met David zingen: Maar blij vooruitzicht dat mij streelt, ik zal ontwaakt Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen. Hij zag de heerlijkheid van God en Jezus staande ter rechterhand van God. Het gaat goed met Stéfanus.

 

‘Ja, maar,’ zou Saulus zeggen, ‘het gaat ook goed met mij. Het gaat steeds beter, want moet u eens kijken. Ik mag op de kleren passen van degenen die Stéfanus stenigen.’ Saulus van Tarsen komt in zijn gedachtegang al dichter bij de hemel. Is hij niet bezig om zich een staat van dienst op te bouwen voor God? Wat een goede werken, wat een ijver, wat een plichtsbetrachting. Het gaat van goed naar beter. En aanstonds gaat het van beter naar best. Let er op: ook een hart zonder God en ook een hart zonder Christus, kan zijn vaste overtuigingen hebben. Wij zijn vanuit onszelf verblind en ons hart is verhard. Wat bitter is, noemen we zoet. En datgene wat zoet is, noemen we bitter. Wat kwaad is, noemen we goed in deze wereld en wat goed is, noemen we kwaad.

 

Dat is nu precies de diepte van de val. Wat zeiden we tegen God? ‘U liegt.’ Er was namelijk een andere stem, de stem van de duivel en die zei: ‘Sterven? Welnee, je zult als God zijn.’ Nu, dat was precies het tegenovergestelde. Dus het is één van de twee. Het is niet en/en, maar het is of/of. We hebben gekozen voor de duivel en tegen God. En dat zit ons zo in het bloed, dat we de leugen voor waarheid houden. We denken en we menen dat wij het bij het rechte eind hebben. Nu, zo lijken we precies op Saulus van Tarsen, want die dacht dat ook. Stéfanus en Saulus van Tarsen, staan voor hetgeen ze zeggen. Daarin zijn ze één. En toch zijn er aanzienlijke verschillen, die doorslaggevend blijken te zijn. Hoe zit het dan met die verschillen? Met dit aandachtspunt sluiten we af, nadat we eerst gezongen hebben uit Psalm 139 vers 14.

 

Psalm 139: 14

 

Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER;

Is 't geen ik denk niet tot Uw eer?

Beproef m', en zie, of mijn gemoed

Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed';

En doe mij toch met vaste schreden

Den weg ter zaligheid betreden.

 

 

 

Stéfanus en Saulus van Tarsen. Allereerst zagen we hoe Saulus van Tarsen in deze tekst ter sprake komt. Vervolgens gingen we na waarin Stéfanus en Saulus op elkaar lijken en ten slotte gaan we na waarin ze van elkaar verschillen.

 

  1. Waarin Stéfanus en Saulus van elkaar verschillen

 

Wat is nu het verschil? We keken naar Saulus van Tarsen en hebben vastgesteld: hij leefde oprecht, hij was geen huichelaar. Hij leefde oprecht bij zijn eigen gerechtigheid. Dat was zijn hoop, dat was zijn verwachting, dat was de kracht van zijn leven en dat was zijn houvast. Had hij zich niet aan de Wet van God gehouden? Stipt en nauwkeurig, van jongs af aan? Wie kon er eigenlijk iets van Saulus van Tarsen zeggen? Wie kon zeggen: ‘Saulus van Tarsen, daar of daar ben je totaal de fout in gegaan, daar ben je de bocht uit gevlogen of daar ben je door het lint gegaan?’ Zo iemand was Saulus niet. Saulus van Tarsen was het neusje van de zalm, hij leefde onberispelijk. Niemand kon iets van hem zeggen. Hoor eens wat hij daarover zelf geschreven heeft. In Filippenzen 3:5 zegt hij: Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër; Naar den ijver een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk.’ Kun jij dat zeggen? Kunt u dat zeggen? Wie kan dat zeggen? Onberispelijk. Saulus van Tarsen durft het toch maar aan. Hij wil daarmee zeggen: ‘Zelfs God kan mij niets maken, het is allemaal prima voor elkaar.’ En dan ook nog een stamboom die teruggaat op Abraham!

 

Kortom, geen nood, het zit wel goed met Saulus van Tarsen, want hij heeft gerechtigheid. Nu, die móét je toch ook hebben? We brengen nu echter een kleine correctie aan, die doorslaggevend zal blijken te zijn. Saulus van Tarsen heeft eigengerechtigheid. En als we naar Stéfanus kijken, dan zeggen we: Stéfanus die heeft ook gerechtigheid, nou en of. Alleen staat bij Stéfanus er een ander woordje voor dan bij Saulus van Tarsen. Bij Saulus zien we: eigengerechtigheid. En bij Stéfanus zien we: borggerechtigheid. De gerechtigheid van de Ander: de Heere Jezus Christus. Heeft Saulus van Tarsen hoop? Stéfanus heeft veel meer. Die heeft álle hoop en álle verwachting. En die hoop en die verwachting ligt verankerd in het werk van Christus Jezus alleen. Stéfanus zocht en vond zijn reinigmaking en zaligheid buiten zichzelf. En de blijdschap van zijn ziel, hier aan het einde van zijn leven, ligt niet in Stéfanus zelf, in iets wat hij gedaan heeft; zijn ijver voor God of wat dan ook. Nee, de blijdschap van zijn ziel ligt in een Ander, in de Heere Jezus Christus.

 

Als Stéfanus aanstonds gaat sterven, dan valt hij niet terug op zijn eigen werk, op zijn eigen verdienste of op alles wat hij zélf gepresteerd heeft. Dat is zijn kracht niet en dat is zijn troost niet. Weet u wie dat wel is? De Heere Jezus Christus, Die onze hoop is. Dat is de levenspraktijk van Stéfanus. Hoe ver brengt Stéfanus het vanuit zichzelf? Niet verder dan dood en ondergang. Want Stéfanus gaat terug op Adam. Ja, ook hij is besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Adam; een Adamskind.

 

Wat betekent dat, weet u dat? Weet u dat voor uzelf? Dat betekent de dood. Nu is het wonder van Gods zoekende zondaarsliefde: Jezus Christus, Die onze hoop is. Vandaar die verruimende blik naar boven, daar weet Stéfanus zijn Koning en zijn Heiland. Daar weet hij zijn Heere, Die niet laat varen de werken van Zijn handen. Wat een tegenstelling. Saulus van Tarsen en Stéfanus. Als we het nu, ook om het te onthouden, in een paar woorden samenvatten, dan wordt het helder, voor zover dat nog niet het geval is. En dan wordt het ook heel persoonlijk. Als het gaat om de kern van het leven van Saulus van Tarsen dan heb ik aan twee letters genoeg. Saulus van Tarsen kunt u typeren met het woord IK. En als je het leven van Stéfanus typeert, dan heeft u ook aan twee letters genoeg: HIJ. IK, dat is het woord van Saulus’ leven; HIJ, dat is het woord van Stéfanus’ leven en dan is het Hij met een hoofdletter.

 

U voelt wel dat het uitloopt op een confrontatie. Het is namelijk heel confronterend als de Heere aan u en aan jou vraagt: En wat zegt u, wat zeg jij?’ Hoe is het in ons leven? Multiple choice, meisjes en jongens. Je mag één hokje zwart maken. Hetzelfde geldt voor u, oudere. Bij het ene hokje staat IK, bij het andere staat HIJ. Wat is het? Eén van de twee. Nee, u moet er geen verhaal omheen gaan bouwen. U wordt tot een keuze geroepen. Ons aller leven is getekend in ofwel IK, ofwel HIJ. Of u verwacht het van uw eigengerechtigheid, of u verwacht het van de borggerechtigheid van Jezus Christus. Wat een verschil, ook en júist in de kerk.

 

Kijk, als Saulus van Tarsen nu iemand van de rand van de samenleving was, dan was de keuze eenvoudig. Maar Saulus van Tarsen behoorde, zeg maar, tot de gereformeerde gezindte. Saulus was geen godloochenaar en dat bent u ook niet. U neemt het toch ernstig? Kan er bij u alles door? U zegt wellicht: ‘Geen sprake van.’ Ontbreekt u in de kerk? Als het niet nodig is, dan ontbreekt u niet, u bent er altijd. Wie doet u wat? U bent

onberispelijk. Wat ontbreekt u? Gemeente, hebt u daar weleens over nagedacht? Wat ontbreekt u, wat ontbreekt jou? Zou dat de liefde niet zijn? U blijft hangen in uzelf. U blijft hangen in uw eigengerechtigheid en daarom kunt u het niet met de bruid zeggen: Zulk Eén, Die Ander met een hoofdletter, dat is mijn Liefste, dochters van Jeruzalem. Hij is blank en Hij is rood en Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl. 5: 16).

 

De buitenkant is voor u doorslaggevend. Als de buitenkant maar in orde is. Dat zeiden de farizeeën ook. Maar Jezus prikte daar zo door heen. Van buiten: wit, prachtig wit, helder. Van binnen: dorre doodsbeenderen. Van buiten is het doorslaggevend voor Saulus van Tarsen. Ik, ik, ik. Saulus kent de buitenkant ook en alles wat daaraan vast zit: Je moet bij Saulus niet aan de tempel komen en je moet niet aan de wet komen en aan de priesters en allerhande godsdienstige voorschriften. Hij weet er veel van, ja hij leeft er in. Die dingen zijn hem alles. Tenminste, dat lijkt zo. U kunt zeggen: ‘Hij leeft er in, maar hij leeft er niet uit. Hij lééft er niet uit.’ Ten diepste zijn het dode dingen voor hem. Ten diepste zijn het formaliteiten.

 

En Stéfanus? Kom niet aan de wet. Kom niet aan de tempel. Kom niet aan de priesters, want dan krijg je Stéfanus tegen. Want de tempel, de wet en de priesters hebben hem heengeleid naar Christus. Heel de oudtestamentische dienst was immers vol van de komende Heere Jezus Christus. En Paulus zal later schrijven: ‘De wet, de wet is mij een tuchtmeester geweest tot Christus.’ Deze tekst wordt overigens nog al eens verkeerd aangehaald. De mensen zeggen: ‘De wet is een tuchtmeester tot Christus.’ Dat schrijft Paulus niet. Die schrijft: De wet is mij een tuchtmeester geweest tot Christus (Gal. 3: 24). Dat is het eerste.

 

Als het gaat om de wet, over welke wet schrijft Paulus dan? Over de wet als een tuchtmeester, een opvoeder tot Christus. Ja, dat is de wet van de zeden, de Wet van de Tien Geboden. Onze kanttekenaren noemen die wet in de tweede plaats. Welke wetten noemen ze dan in de eerste plaats? De ceremoniële wetten. Dus heel die wetgeving, heel die ceremoniële eredienst, de kinderen weten dat wel, de priester met zijn tulband, de levieten en de ark, alles, was een heenleiden tot Christus. Dus komt Stéfanus niet aan die dingen, want die hebben hem naar Christus gebracht. De schuld van zijn leven heeft hem doen buigen aan Jezus’ voeten. Voor Stéfanus gold: Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Hem is er geen leven.

 

Voor Saulus van Tarsen was het: ‘Geef mij mijn eigengerechtigheid, hoe meer, hoe liever en anders heb ik niet nodig. Genade, genade wie denk je wel dat ik ben?’ Voelt u het, gemeente, daar zit het op vast. Bij wie? Bij u, bij jou, bij mij, bij ons allemaal. Vanuit onszelf lezen we onze foto terug in Saulus van Tarsen. Er is verzet tegen God, verzet tegen de genade van God en verzet tegen het kruis van Christus. Ik herinner u nog één keer aan de woorden van Calvijn, die ik in een van de vorige preken heb gebezigd: ‘Waarom-koken die leden van het Sanhedrin van woede? Omdat Stéfanus hun de heerlijkheid van Christus predikt.’

 

Daar wil de mens niet aan. Die heerlijkheid van Christus is een struikelblok. Dat is dus ten diepste het Evangelie. Het Evangelie waarin God tot ons komt met het aanbod van Zijn genade; welmenend en voluit. U zegt misschien: ‘Maar we zijn toch in de kerk?’ Saulus van Tarsen was ook een trouwe kerkganger. Dat is nu juist de ernst van de zaak. U kunt nergens het Evangelie van de genade van God zo tegenstaan als juist in de kerk. Wat is het erg als u onbekeerd de kerk uitgaat. Als u zich niet laat gezeggen door het Woord van de Koning. Nee, u zult de Bijbel niet verachten. U beaamt dat dat het Woord van God is, maar hoe functioneert nu de inhoud daarvan in uw leven en hoe kijkt u nu aan tegen mensen als Stéfanus en, later, Paulus?

 

Hoe kijken we aan tegen de heiligen Gods, de waarachtige kinderen van God? Zijn ze u misschien te kritisch en leven ze volgens u te benauwd? Kiest u voor een stukje kerk en een stukje wereld? U gaat hoogstwaarschijnlijk niet rechtstreeks tot de aanval over. U neemt geen stenen op om de ander te stenigen. Maar als ze bij u komen en vragen: ‘Mogen we onze kleren bij u neerleggen?’ Wat zegt u dan? Weigert u dan of zegt u: ‘Ja, dat kan wel.’ De ander dié stenigt. De ander is de goddeloze en de vijand. Maar u? Staat u op een afstand? Saulus had mede een welbehagen in de dood van Stéfanus. Hij is medeplichtig, hoort u? Indirect doet u mee. Echt werelds. ‘Nee,’ zegt u, ‘ik ben niet echt werelds, ik ben toch in de kerk? Stenen gooien! Wat verwacht u wel niet van mij? Ik stenen gooien! Echt niet,nooit!’ Maar u wilt wel zolang op de kleren passen van die ander, weet u wel. Gemeente, als ik de situatie doortrek naar vandaag, dan is de vraag: gaat u een middenweg? Kan dat? Geen stenen gooien, maar wel op de kleren passen?

 

Hoe lang hinkt u al op twee gedachten? De Heilige Schrift spreekt over de bekering van het héle hart. Totaal en radicaal: tot in de wortel. Tot op de bodem van het hart. Want wie niet vóór Christus is, wie niet leeft uit Zijn gerechtigheid, die is tégen Christus. Hoor dan de stem van God ook in dit Evangelie en weet, als we kijken naar Stéfanus, wat Luther eens gezegd heeft: ‘Eén mens met God is altijd in de meerderheid.’ Dat is het. Wat is het: IK of HIJ? U moet kiezen!

Amen.

Slotzang Psalm 86: 9

 

Doe een teken mij ten goede,

Dat mijn haters in hun woede

Mogen zien, hoe, tot hun spijt,

Gij mij troost, en mij bevrijdt.