Ds. L. Huisman - 2 Kronieken 14 : 9 - 12

Het gebed van Asa, koning van Juda

De aanleiding tot dit gebed
De inhoud van dit gebed
De verhoring van dit gebed
Overige Informatie
Deze preek is eerder gepubliceerd in de prekenserie ‘Geen ander evangelie’ van ds. L. Huisman (gepubliceerd op www.dshuisman.nl)

2 Kronieken 14 : 9 - 12

2 Kronieken 14
9
En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit, met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagenen; en hij kwam tot Maresa toe.
10
Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.
11
En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.
12
En de HEERE plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 66: 1 en 2
Lezen : 2 Kronieken 14
Zingen : Psalm 27: 3 en 6
Zingen : Psalm 68: 6
Zingen : Psalm 111: 5

Geliefden, het Woord van God dat wij u vanmorgen willen prediken in verband met het Heilig Avondmaal dat wij volgende week hopen te bedienen, vindt u in 2 Kronieken 14 de verzen 9 tot en met 12. Daar lezen we als volgt:

 

En Zerah, de Moor, kwam tegen hen uit met een heir van duizend maal duizend, en driehonderd wagens; en hij kwam tot Marésa toe.

Toen toog Asa tegen hem uit; en zij stelden de slagorde in het dal Zefáta bij Marésa.

En Asa riep tot den Heere zijn God, en zeide: Heere, het is niets bij U te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o Heere, onze God; want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte. O Heere! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.

En de Heere plaagde de Moren voor Asa en voor Juda; en de Moren vloden.

 

Deze tekst handelt over: het gebed van Asa, koning van Juda

 

We overdenken drie gedachten:

 

1. de aanleiding tot dit gebed;

2. de inhoud van dit gebed;

3. de verhoring van dit gebed.

 

1. De aanleiding tot dit gebed

Er staat in Mattheus 5: ‘Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien.’ Dat is een tekst waardoor veel kinderen van God al erg geschrokken zijn. Stel je voor: ‘Zalig zijn de reinen van hart’. Wie is dan zalig? Wie is rein van hart?

Ach, als we die tekst zó moeten zien dat deze reinheid een gevolg is van ´s mensen inspanning, van pogingen tot levensverbetering, dan zou niemand ooit zalig kunnen worden. Want wie zal een reine geven uit den onreine? Niet één. (Job 14:4). En: ‘wij allen struikelen dagelijks in vele’ zegt het Woord van God. Er is niet één dag in ons leven dat we, in onszelf aangemerkt, rein zijn voor God.

Maar wie zijn dan die mensen, tegen wie Jezus zegt: ‘Zalig zijn de reinen van hart?’ Zijn dat de hemelingen? Nee, het zijn zondaren zoals u en ik. Maar als Jezus daar het Sion Gods tekent als reinen van hart, heeft Hij het daar niet over een aangeboren reinheid of een reinheid die verkregen is door krachtsinspanning – ook niet door geestelijke krachtsinspanning – maar dan heeft Hij het over een gave Gods. Een gave Gods tegenover de reinheid der handen, tegenover de uitwendige reinheid in de dienst der schaduwen.

 

U weet wel, daar beijverden de farizeeën en de Schriftgeleerden zich zo voor. Het buitenste van de drinkbeker, zegt Jezus, is wel in orde, maar vanbinnen is ze vol onreinheid en ongerechtigheid. En nu stelt de Heere tegenover die uiterlijke reiniging de wezenlijke reiniging door de Geest van God. Dan zegt Hij: ‘Niet de mensen die alleen maar uiterlijk rein zijn, niet de mensen die alleen maar de buitenkant oppoetsen en menen dat God daar genoegen mee neemt, maar de reinen van hart, die leven uit het nieuwe beginsel.’

O zeker, dit zijn nu juist mensen die met David klagen: ‘Schep mij, o Heere, een rein hart’. Dat doen ze uit het diepe besef dat ze juist geen rein hart hebben. En toch, dit is hun reinheid, dat ze net als God de zonden zijn gaan haten en dat ze hun onreinheid bewenen en begeren rein te zijn, zoals God rein is. Deze mensen begeren gedurig de reinigende kracht van het bloed van Jezus Christus door de werking van Gods Geest aan hun hart te mogen ervaren.

Dat zijn nu de reinen van hart. Dat zijn mensen vol zonden en ongerechtigheid, maar ze staan met dat hart vol ongerechtigheid bij God en heffen hun betraand aangezicht tot God op en zeggen: ‘O God, ik kan er niet langer mee leven. Verlos me ervan. Maak me rein. Opdat ik rein zou zijn zoals Gij rein bent.’ Dat zijn mensen die uit dat nieuwe levensbeginsel nu ook worstelen om tot de volmaaktheid te mogen komen. Jezus zegt van deze strijdende kerk: ‘Zalig zijn zij, want zij zullen hun wens verkrijgen. Zij zullen God zien.’

U weet wel: in de zaligsprekingen stelt de Heere steeds iets goeds in het vooruitzicht dat de leegte die Hij eerst noemt, vervult. Wat is dan het gebrek in deze mensen? Wel, ze zijn onrein en ze missen God. En nu zegt de Heere van hen die daarover wenen voor Zijn aangezicht: ‘Zij zijn zalig. Ik zeg het: zij zijn rein en zullen hun wens verkrijgen. Zij zullen God zien.’

Nu, geliefden, de Heere geve vanmorgen onderwijs voor onze harten in deze voorbereidingspreek voor het Heilig Avondmaal. Opdat we ook, als zulke reinen van hart voor Gods aangezicht zouden mogen komen. En daartoe las ik u de tekst en ik wil u die nader verklaren uit het leven van Asa.

 

Asa was ook zo’n reine van hart. Maar dat sluit de strijd niet uit. En dat sluit de geweldige overmacht niet uit die daar tegenover hem stond. Dat sluit zijn moeiten en zijn bangheid en zijn angst niet uit, want – we zullen het zien in deze geschiedenis – de strijd is ongelijk en hevig, maar zo, naderend tot God, mag hij van God de overwinning verkrijgen over al zijn vijanden.

Asa was een godvrezende koning. Hij was de zoon van Abia die weer een zoon was van Rehabeam, dus van David af het vijfde geslacht. David, Salomo, Rehabeam, Abia en dan deze Asa. Het rijk was intussen onder Rehabeam in tweeën gedeeld. Tien stammen waren afgevallen en hadden Jerobeam gevolgd. Twee stammen waren overgebleven. Voortaan worden die twee stammen ‘Juda’ genoemd en de tien stammen ‘Israël’ of ‘Efraïm’. Over dat Israël of Efraïm heb ik het nu niet. Ik heb het nu in deze tekst over Juda, het tweestammenrijk, eerst onder de regering van Rehabeam, later onder de regering van Abia en nu onder de regering van Asa.

Asa is heel lang koning geweest: eenenveertig jaar heeft hij over Juda geregeerd. Hij heeft veel goeds gedaan voor het aangezicht des Heeren. Hij heeft een hele reformatie bewerkt onder Juda. Want, hoe schoon het rijk in de dagen van Salomo bloeide, in die dagen al kwam (vooral aan het eind van Salomo ’s leven) het verval onder het volk van God. En dat zette zich voort onder Rehabeam en dat is ook niet weggenomen onder Abia.

Maar dan komt deze zoon van Abia: Asa, een man die de Heere vreest. Hij werpt al de altaren voor de heidense afgoden omver en al die ashera of heilige bossen – letterlijk vertaald: de heilige palen – waarbij het volk de meest vuile ongerechtigheid bedreef. Hij houwt die uit, hij kapt die weg en verbrandt ze. Maar ook: hij roept het volk op niet alleen om de afgoden weg te doen, maar ook om de levende God weer te gaan dienen.

Hij gaat het volk vóór in de dienst des Heeren en heeft de eerste tien jaren van zijn regering grote rust.

 

Asa weet echter dat zijn volk en land omringd is door vijanden. Daarom roept hij in die tijd van rust die de Heere hem geeft en waarin het land en het volk gereformeerd werden, een heel leger van mensen op om de vestingsteden in Juda te versterken. Want hij weet het: de vijanden liggen aan de grenzen. En het Sion Gods was ook in die dagen een verachte fakkel in de ogen van degenen die gerust waren. Ook toen sprak men al: ‘Het is Sion, niemand vraagt naar haar’ (Jer. 30:17). Juda bestond nog maar uit een hoopje amechtige joden.

Daar komt al een groot leger, samengesteld uit Moren, Egyptenaren en Libiërs. Het leger wordt aangevoerd door de zeer gevreesde en machtige koning en veldoverste Zerah, de Moor. En het was geen klein leger. Daar staat een leger van duizend maal duizend man met driehonderd strijdwagens. Dus een leger van één miljoen soldaten. En daarbij driehonderd machtige strijdwagens. Dat leger komt op en stelt zich in slagorde tegen Juda.

Koning Asa is ontroerd als hij hoort over het machtige leger dat zich opstelt om Juda onder de voet te lopen. Haastig blaast hij de bazuin en roept alle mannen van Juda en Benjamin samen. Het zijn er bij elkaar ruim een half miljoen. Maar dan is het toch altijd nog twee tegen één; dan is het nog altijd een overmachtige vijand. En denk eens aan de machtige strijdwagens die Zerah de Moor kan inzetten tegen het leger van Asa!

 

Wat zal Asa doen? Asa is een goed krijgsheer. Hij weet wat ‘ora et labora’ betekent: bid en werk. Hij zit niet met de handen in zijn schoot en begint niet tegen zijn oversten te kermen: ‘Het is verloren, het is verloren.’ Hij begint met zijn leger bijeen te roepen. En hij begint er mee de vaste stad Marésa die hij tot een vesting heeft gemaakt met veel militairen te bezetten. De muren zijn sterk en het leger is goed toegerust in de dagen van Asa. Hij heeft dus gewerkt. Hij heeft alles gedaan wat in zijn vermogen was om de vijand te keren.

Hier ziet u dat de Heere niet alleen het gebed vraagt van Zijn volk en dat Hij het gebed zegent, maar ook dat Hij de arbeid van Zijn volk wil zegenen. Daarmee bedoel ik: de werkzaamheden die wij hebben op zowel natuurlijk als geestelijk gebied.

Maar toch, al heeft Asa tijdens de rust in die tien jaar de steden versterkt en al heeft hij een machtig leger dat hij in die steden legert, toch is dat niet het enige wat hij doet. Integendeel. Hij doet zijn werk biddend. Asa vlucht in zijn nood tot God. En als hij alles gedaan heeft wat zijn hand vindt om te doen, zegt hij niet: ‘Ziezo, we redden het wel.’ Nee, want tenslotte is de feitelijke situatie nog altijd zo dat ze toch maar een leger hebben dat half zo groot is als het leger van Zerah, de Moor, met zijn driehonderd strijdwagens. En daarom, Asa weet het: als hij alleen op dit leger zou moeten vertrouwen, op de kracht van zijn manschappen en op de sterkte van hun ar – dan was hij verloren. Maar Asa weet ook: er is een God die wonderen doet. De God Israëls alleen is God!

 

Zerah, de Moor, mag dan één miljoen mensen tot zijn beschikking hebben, maar hij kent Israëls God niet! Hij strijdt wel in de naam van zijn goden. Natuurlijk doet hij dat, want dat roepen de vreemde volken steeds. ‘Zijn wij zonder god opgekomen?’ roepen de knechten van Sanherib, als ze heengaan om Hizkia te benauwen. ‘Zijn wij zonder god opgetogen? Hebben onze goden ons niet de overwinningen gegeven over al die volkeren?’ Maar Asa weet het: de goden van de Egyptenaren, van de Moren en van de Libiërs zíjn geen goden. Het is een vertrouwen van mensen op hout en steen. Asa weet vast: onze God is Israëls God, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft en in Wiens hand alle dingen zijn. Daarom vlucht hij in zijn nood tot deze God.

 

2. De inhoud van dit gebed

Er staat dat Asa riep tot de Heere, zijn God; hij zei: ‘Heere, het is niets bij U te helpen, hetzij de machtige, hetzij de krachteloze.’ Hij wil hiermee zeggen: Heere, al hebben wij veel mensen, al zou het leger met miljoenen verdubbeld zijn, maar als U dat leger niet helpt, waren we nog machteloos. De machtige vermag niets zonder Uw kracht. Maar Heere, als het dan alleen van U afhangt – dan kunt U ook de krachteloze de overwinning geven. Als nu toch de overwinning niet is aan het paard en zijn ruiter of aan de menigte van strijdwagens; als de overwinning van Uw genade afhangt, Heere, dan is het voor U hetzelfde te helpen, hetzij de machtige of de krachteloze. Dan staan we niet gelijk, zeker niet, maar dan zijn wij sterker dan zij. Al hebben wij dan maar de helft van de manschappen van Zerah, de Moor – de overwinning is aan ons als wij Uw gunst mogen ervaren en Uw hulp mogen ontvangen. Dan staan we in de kracht en in de mogendheid van Hem, bij Wie het niets is te helpen, hetzij de machtige, hetzij de krachteloze. Help ons, o Heere, onze God. ‘Onze God’, hoort u het? Daar hebt u het vertrouwend toegaan tot de troon van Gods genade!

 

Geliefden, wij maken ons op om het Heilig Avondmaal te vieren in het midden der gemeente. Dat zijn bijzondere tijden. Dan naderen we inzonderheid voor Gods heilig aangezicht. Ik weet wel, zo behoort het elke dag zondag te zijn. Ja, het behoort in ons leven elke dag zo te zijn dat we gemeenschap hebben met de Heere, met het geslachte Lam. Ja, zo behoort het te zijn.

Maar daarboven heeft God ons bijzondere tijden en bijzondere gelegenheden en bijzondere middelen gegeven die boven het gewone leven van alledag uitstijgen. Ook onder Israël gaf de Heere tijden, elke dag weer, dat ze het offer moesten brengen. Maar eenmaal in het jaar – dán was het een bijzondere dag, de Grote Verzoendag waarop iets gebeurde dat de andere dagen niet gebeurde. Dan naderde de hogepriester namelijk tot voor Gods aangezicht. Dan ging hij met het bloed in de ark, in het heilige der heiligen, om verzoening te doen voor zichzelf, voor de priesters en voor het volk. Dat was de grote dag.

Zo heeft God ons ook van die grote dagen in ons leven gegeven. Wij hebben alle dagen het Woord van God. De Heere roept ons alle dagen op om ons te verootmoedigen voor Zijn aangezicht en onze sterkte in Hem te zoeken. En gelukzalig is de mens die zó met de Heere wandelt. Maar er zijn ook van die bijzondere dagen dat de Heere ons samenroept, heel dicht bij Hem. In Zijn bijzondere gemeenschap.

 

Dat zijn echter ook gevaarlijke dagen, en vreselijke dagen. Want God is daar vol majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid tegenwoordig. Nee, de Heere handelt niet meer zo zichtbaar als onder het Oude Testament dat Hij ieder die ook maar de sluier van het heilige der heiligen oplicht, zal doden. In het Nieuwe Testament lezen we niet meer zo’n verhaal als van Uzza die alleen maar zijn hand uitstrekte om de ark te bewaren, maar daarom gedood werd. Maar toch … al doet God het nu niet meer op zo’n wijze, de God van het Nieuwe Testament is geen andere God. Al laat Hij het niet meer op zulk een zichtbare wijze openbaar komen, Hij is dezelfde heilige God. Onze God is een verterend vuur! Dat geldt ook nu nog.

Daarom zeg ik: als wij op zo’n bijzondere dag samenkomen rondom de dis des Heeren, is dat groot; het is verheven, het is heerlijk. Dan kan je hart daarnaar uitzien! Maar het is ook een gevaarlijke dag. We komen dan zo dicht bij God, zo vlak bij God. Deze God Die tussen de cherubs woont, is een verterend Vuur! Er staat niet voor niets in het Avondmaalsformulier dat degene die onwaardig eet en drinkt zichzelf een oordeel eet en drinkt. Dat staat niet geschreven van het komen onder Gods Woord. Ook dat is tot voordeel of tot oordeel, zeker. Maar de waarschuwing over onwaardig eten en drinken geldt in het bijzonder voor het Heilig Avondmaal. Onze God is een verterend Vuur.

 

We maken ons op om het Heilig Avondmaal te vieren. En nu komt het op ons hart aan. ‘Zalig zijn de reinen van hart want zij zullen God zien.’ Hoe is ons hart? O zeker, die reinen van hart – ik heb het zojuist al aangestipt en ik zeg het hier uit de tekst verder – zijn geen mensen die geen strijd kennen. Die reinen van hart zeggen niet: ‘Ziezo, ik ben bereid om God te ontmoeten.’ Dat zijn geen mensen die zeggen: ‘Ach mensen, mijn zaak ligt klaar in de hand van God, wat zou ik nog vrezen?’ Die reinen van hart zijn mensen die, zolang ze hierbeneden zijn, midden in de strijd verkeren. Want die strijd van Asa, van Juda tegen de heidenen – dat blijft de strijd van Gods Kerk op de aarde. Die strijd is geen teken van onoprechtheid of een teken van onreinheid. Juist waar die strijd níet is, is onoprechtheid.

Misschien zegt u: ‘Ja maar, ik bén oprecht, want ik zal me niet bedriegen. Ik weet dat ik onbekeerd ben. En ik weet dat ik geen recht heb om aan het Avondmaal te komen. O nee, u hoeft dat niet te denken, ik kom niet aan het Avondmaal. Ik ben oprecht, ik ben nog onbekeerd.’

Meent u dat? Dacht u werkelijk dat u oprecht bent als u deze strijd niet kent en blijft zitten? Meent u werkelijk dat u oprecht bent, als u niet aan het Avondmaal komt en duizendmaal zegt: ‘Ik ben nog onbekeerd, dus ik mag niet aan het Avondmaal’? Dacht u werkelijk dat déze oprechtheid uw schuld voor God wegneemt? Dacht u dat? Dacht u werkelijk dat u zonder schuld kunt wegblijven van het Avondmaal? O mens, wees toch niet zo dwaas. Bedenk toch dat u in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren bent. Besef toch dat de boom van heel uw leven bittere, bittere vruchten voortbrengt. Onbekeerd in uw gaan naar het Avondmaal, onbekeerd in uw blijven zitten in de bank, onbekeerd in uw thuisblijven. Het zijn bittere vruchten die groeien aan de onreine boom van uw leven, aan de onvruchtbare boom van uw leven. Dacht u werkelijk, als u niet in deze strijd gewikkeld was, dat u dan eerlijk kunt zijn? Nee!

 

Gezegend zijn zij, die, net als Asa, de strijd in moeten en die de strijd ingeleid worden. Gezegend zijn zij die zulk een overmacht zien zoals Asa die zag, en dat was werkelijkheid: duizend maal duizend man en driehonderd strijdwagens. En dan een veldheer die al menig volk aan zich onderworpen had.

Kent u vijanden in uw leven? Vijanden die komen tegen God, tegen Zijn dienst en tegen Zijn volk? Vijanden tegen het nieuwe leven dat naar God uitgaat en aan God verbonden is. Kent u zulke vijanden in uw leven? Uw vlees bijvoorbeeld? Begin dicht bij huis. Begin in uw eigen hart. Uw vlees, zeg ik, dat steeds door het kwade verrast wordt waardoor u wordt weggetrokken van de wegen des Heeren. Het kwade, waaronder we bedolven liggen. De wereld met haar geoorloofde dingen, die echter een grote vijand kunnen zijn. Al die geoorloofde dingen, die mooie dingen, die goede dingen, die ik op zichzelf wel hebben mag, waar ik zelfs voor werken moet. Ik heb een zaak, een naam, een eer. Ik moet toch geld verdienen om door de wereld te komen, en God heeft me dat werk toch toevertrouwd. De wereld waar ik in leven moet. Allemaal geoorloofd, maar wat kan het ons een vijand worden.

Als onze schat in deze wereld ligt, zit ons hart eraan vast. Laten we op dat punt nu eens ons hart onderzoeken, ’s morgens als we opstaan en ’s middags en ’s avonds. Als de Heere nu eens aan ons vroeg: ‘Waar is je schat?’ Want waar ons hart is, daar is onze schat. Ga het voor uzelf eens na. Waaraan denkt u het meest? Waar bent u het meest mee bezig? Wat heeft het meest de bekoring van uw hart? Wat overlegt u, als u wakker bent, als u opstaat en als u naar bed gaat? Waar bent u mee bezig?

Die wereld, zeg ik, kan ons tot een machtige vijand worden. En al die geoorloofde dingen kunnen onze ziel zó opslokken dat er voor iets anders bijna geen plaats meer is. Dan leven we zó dat we nog wel een beetje godsdienstig zijn, maar dan is het niet het wezenlijke van ons leven.

 

Zo is het voor mensen die geen genade kennen, maar zo is het ook vaak in het leven van hen die wel genade gevonden hebben in de ogen van God. Wat wordt het leven dan droevig en uitzichtloos en ellendig. Dan is het goed als God vijandschap zet tussen die geoorloofde dingen en ons, onze ziel, ons nieuwe leven. Maar dan is er ook nog die grote vijand die nooit ophoudt ons hier op aarde te bestoken: de duivel, die rondgaat als een briesende leeuw. Soms doet hij dat met een verschrikkelijk misbaar als hij ons toeroept: ‘Je hebt geen heil bij God, de hel is voor je bereid, je bent geen verkorene, je zult eeuwig van God verstoten worden.’ Dan weer doet hij dat als een engel des lichts om ons op rustgronden te doen neerzitten buiten Jezus’ bloed, buiten die onwankelbare gerechtigheid die in het Lam van God gevonden wordt. Maar hij is altijd verraderlijk, altijd onoprecht, altijd in de aanval. Hij gunt geen ogenblik rust. Zo zijn er machtige vijanden.

Nu, ik hoop dat u ze deze week ontmoet. Ze zijn er. Het zou veel erger zijn als u géén strijd had dan dat u deze week midden in de strijd doorbracht. Ik hoop dat u de vijanden tegenkomt. En dat u ze zó groot ziet dat u zegt: ‘Heere, het is minstens twee tegen één.’ Het is vaak tien tegen één en misschien nog meer. Maar als u ziet dat het minstens twee tegen één is, zeg dan: ‘Heere, daar kan ik nooit tegen op. En daar kom ik nooit overheen. Die overwinning kan ik nooit behalen.’

 

Asa heeft gedaan wat hij doen moest. Hij heeft de steden versterkt, de bazuin geblazen en het volk samengeroepen. Maar al heeft hij dat allemaal gedaan, hij is toch niet bereid om zó slag te gaan leveren. Zo hoop ik dat u deze week uw knieën zult buigen. En ik hoop dat u vlijtig de middelen zult waarnemen, die God gegeven heeft om uw hart te onderzoeken. Dat moet u – en ik zeg het u in alle ernst – dat  moet u doen. U moet deze week, zeker deze week, de middelen gebruiken die God gegeven heeft. Zoek maar een goede preek. Zoek een goede verhandeling over het Heilig Avondmaal. Lees die boeken die onder ons algemeen bekend zijn en die u de weg kunnen wijzen. Het zijn trouwe leidslieden van uw zaligheid.

Maar, al hebt u dit nu allemaal gedaan, denk dan niet dat u aanstaande zondag bereid zult zijn, dat u daardoor bereid zult zijn om de overwinning te behalen en het aangezicht van de Heere in gunst te aanschouwen. Nee, al die bezigheden maken niet dat u bereid bent om Gods lieflijk aangezicht te aanschouwen.

Asa heeft dat alles gedaan maar hij heeft nog méér gedaan. Hij heeft dat éne gedaan dat u en ik niet missen kunnen. Hij is gevlucht tot God en hij heeft gezegd: ‘Heere, het is niets bij U te helpen, hetzij de machtige, hetzij de krachteloze, help ons, o Heere, onze God!’

Onze God, daar hebt u het. Hij vertrouwde op God. Hieruit spreekt vertrouwen. Zeker, hij verootmoedigt zich voor God, want hij zegt: ‘Wij kunnen het niet aan, het is twee tegen één, Heere. De overmacht is verpletterend.’ Maar hij wordt niet moedeloos.

 

Denk erom, ‘moedeloosheid’ en ‘hopeloosheid’ zijn geen tekenen van geloof. Sommige mensen houden dat ervoor, en als ze dan meters diep in de put zitten, denken ze dat ze kostelijk door de Heere onderwezen worden. Maar ze weten niet dat ze in de strik van de duivel zitten. Ze zitten met hun beide voeten verstrikt in de netten van de satan.

Ootmoedigheid is heel wat anders dan mismoedigheid en troosteloosheid, moedeloosheid en hopeloosheid. Ootmoed komt ook uit een heel andere wortel voort. Ootmoed komt uit het geloof voort. Moedeloosheid en mismoedigheid komen voort uit het ongeloof. Ik zeg niet dat die twee – ootmoed en moedeloosheid – niet in hetzelfde hart kunnen zijn. Je kunt namelijk hartelijk verootmoedigd zijn voor God en toch dat ongeloof als een macht in je leven ervaren. Maar ze hebben tweeërlei grond, tweeërlei wortel. Er is ook tweeërlei vrucht. Want ootmoedigheid die als vrucht van het geloof gewerkt is door de Heilige Geest, brengt ons steeds dichter bij God. Maar moedeloosheid doet ons steeds harder denken over God. Dan gaan we ergens in een hoekje zitten en zeggen: ‘Nu, het zal toch wel niet voor mij zijn, en het wordt ook nooit wat. Het is niet waar geweest.’

Nu ja, u weet wel: die hele reeks die de duivel je altijd weer opnieuw met alle graagte influistert, want daarin is hij doorkneed. Net als Zerah, de Moor, hij heeft op die manier al zoveel overwinningen behaald!

 

Maar die gestalte was er nu in het hart van Asa niet. Nee, hij is verootmoedigd. Dat buigt ons naar God toe. Dat doet ons zeggen: ‘Heere, U bent toch onze God. Al zie ik er nu niets van. Al is die vijand nu twee keer zo groot als mijn leger, maar U bent tóch onze God. Ach, U hebt het in oude dagen betoond, Heere. We hebben het wel verzondigd en wij zijn het niet waardig om Uw volk genaamd te worden, maar, Heere, Gij hebt toch Uw Naam aan ons verbonden. Toen wij niet naar U zochten, hebt U ons opgezocht. Toen was U onze God in al ons zielsverdriet. Toen hebt U ons geholpen, Heere, onze God.’ Daar spreekt het geloofsvertrouwen.

Ik hoop dat u ook in deze week iets van dat waarachtig geloofsvertrouwen mag beoefenen. Dan gaat u niet moedeloos in een hoekje zitten, maar zegt u in die waarachtige verootmoediging: ‘Heere, mijn vijand is groter dan dat ik ben. Ze zijn machtig vele. Misschien wel tien tegen één. Maar, Heere, ach, Zerah kent God niet. En al die vijanden strijden in naam van hun eigen goden, maar Heere, Gij zijt toch míjn God. U bent toch een God Die wonderen doet.’

 

De moedeloosheid ziet de vijand groot, maar God klein. Dat is de macht van het ongeloof en van de zonde in ons leven. De ootmoed en de verootmoediging zien de vijand óók groot, want de vreze Gods verhindert ons niet de macht van de vijanden te zien. Maar – en dat is nu het eigenaardige van het geloof – al is die vijand nog zo groot en al heeft die Zerah driehonderd strijdwagens en wij niet één, dan nóg zegt het geloof: ‘Maar Heere, Gij zijt toch onze God. Gij geeft toch de overwinning. Heere, het is bij U niets te helpen de machtige, maar ook de krachteloze. En nu, Heere, hier is een krachteloze. Maar dat is voor U toch geen belemmering. Want de overwinning wordt toch niet bevochten door het paard en zijn ruiter? God is het toch Die de één vernedert en de ander verhoogt?’

Dat zegt het geloof. Ik zei: dat is het eigenaardige van het geloof. Het geloof krijgt in de duisternis altijd zijn rechte kans – en dan niet in de verkeerde maar in de goede zin. Dat is de voedingsbodem van het waarachtige geloof.

Welnu, laat het dan donker worden. Toets u aan het Woord des Heeren. Ga met de schamelheid van uw leven voor God staan en zeg: ‘Heere, ik kan niet bestaan. Ik zie het recht en de eis van de wet; ik zie de heiligheid van Uw dienst, de grootheid van het Heilig Avondmaal en de veelheid van mijn zonden. Heere, ik zie het helder en duidelijk: het kan zo niet. Maar, Heere, U kunt tóch verlossen. Het is toch niets bij U te helpen, Heere.’

 

Daar moeten we heen, naar die andere kant. Daar heeft Asa het gevonden. Daar hebben trouwens al Gods kinderen het gevonden. Daar moet Asa het van hebben, daar moet u het van hebben en daar moet ik het ook van hebben. Daar hoopt hij op en daar bidt hij om. ‘O Heere, onze God; want wij steunen op U, en in Uw naam zijn wij gekomen tegen deze menigte.‘

In Uw naam! Hoorde u wat ik straks gezegd heb? Zerah kwam in de naam van zijn goden. Maar Asa zegt: ‘Heere, wij zijn in Uw naam gekomen.’ En zo mogen wij zeggen: ‘Heere Jezus, het is toch de dienst die U ons bevolen hebt te dienen. U hebt toch gezegd: ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis. Heere, het is toch geen instelling van mensen. U hebt toch Zelf gezegd, Heere: ‘Totdat Ik kom’. Welnu dan, het is Uw instelling, Heere Jezus. U wordt erin verheerlijkt. De Naam des Vaders zij geloofd en geprezen.’

En – dat is ook waar – de Heere heeft er zalige vruchten voor onze ziel aan verbonden. Maar laten we het eerste éérst voorop laten staan, en dat is: ‘Heere, wij komen in Uw Naam. Omdat U het ons opgedragen hebt.’ Het was het liefdesbevel dat met stervende lippen werd gesproken: ‘Doe dat tot Mijn gedachtenis.’

 

Geliefden, er zijn mensen die altijd proberen God aan hun kant te krijgen. Er zijn ook mensen die proberen aan Gods kant te gaan staan. Nu weet ik wel dat er in de Psalmen staat: ‘Want God stond aan mijn zij.’ Dat weet ik wel, maar dan toch niet zo dat ik eerst mijn zaak moet regelen en er dan God bij betrek. U en ik weten wel dat er in heel die onheilige strijd die er in de kerk en in ons hart gevoerd kan worden, vaak wordt gezegd en gedacht: ‘Ja maar, de Heere staat aan mijn kant.’ Daar is zoveel vlees bij. Nee, het moet zó worden dat we door Gods Geest aan Góds kant gaan staan. Dan spannen we – ik zeg het met eerbied – dan spannen we God niet voor onze wagen, maar dan gaan wij voor Gods wagen staan. Dan zeggen we: ‘Heere, wat moet ik doen? Wat wilt U dat ik doen zal?’

Nu zegt de Heere hier in de eerste plaats: ‘Dat moet je nu om Mijnentwil doen. Ik ben het waard, want Ik heb Mijn bloed gegeven – niet voor rechtvaardigen maar voor goddelozen. Ik ben het waard.’ O, als uw hart beklemd is door zorg, door ongeloof, door moedeloosheid, denk dan eens aan deze Asa met een machtig leger voor zich. Denk eens hoe hij hier bidt. Hij zegt: ‘Heere, wij doen het toch om U. Het is toch Uw volk! U zou toch, om David Uws knechts wil, aan Juda een lamp geven die niet uitgeblust zal worden? Het gaat toch om Uw lieve Zoon en om Zijn Offerande en om Zijn Naam in het midden van deze duistere wereld?’

 

Ja, geliefden, dan verbindt God daar een zegen aan. ‘O Heere,’ zegt Asa, ‘Gij zijt onze God. Laat de sterfelijke mens tegen U – hij zegt niet: ‘tegen ons’, maar ‘tegen U’ – niets vermogen.’ Begrijpt u het? De zaak van God was ook de zaak van Asa geworden. Het volk waarover Asa koning was, was het volk van God. En als het nu zo in ons leven mag zijn dat we zeggen: ‘Heere, breng nu Uw eigen werk eens openbaar, want Gij hebt gezegd, Heere: Dat volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Als ik nu niet aan het Avondmaal kom, dan kan ik Uw lof niet vertellen. Dan zullen de heidenen niet weten dat Gij God zijt. Dan zullen de mensen niet zien dat U een machtige en een genadige en een barmhartige God bent. Dan zullen de mensen geen getuigen hebben die van het Offer zullen spreken. Heere, maak me toch een getuige van dat Offer. Al was het maar zonder spraak. Al was het maar alleen door dat brood te nemen en die wijn te drinken. Laat ik zo voor God en voor de engelen en voor alle mensen mogen getuigen dat dát mijn deel is en mijn eeuwig goed, mijn hoop tot in der eeuwigheid.’

 

Zo hoort de Heere het gebed. Daarover een enkel woord tot slot, wanneer we gezongen hebben uit Psalm 68, het 6e vers:

 

De koningen, hoe zeer geducht,
Zijn met hun heiren weggevlucht;
Zij vloden voor Uw ogen.
De buit van 't overwonnen land
Viel zelfs de vrouwen in de hand,
Schoon niet mee uitgetogen.
Al laagt g', o Isrel, als weleer,
Gebukt bij tichelstenen neer,
Toen gij uw juk moest dragen,
En zwart waart door uw dienstbaarheid,
U is een beter lot bereid;
Uw heilzon is aan 't dagen

 

3. De verhoring van dit gebed

‘En de Heere plaagde de Moren voor Asa en voor Juda. En de Moren vloden.’ Als de zaak van Asa parallel loopt met de zaak van God, is het niet meer de strijd tussen Zerah en Asa. Dan is het niet meer de strijd tussen de wereld en u; dan is het ten diepste zelfs niet meer de strijd tussen de duivel en u. Maar dan is het de strijd tussen de satan en Jezus Christus, Die Zijn Naam aan Zijn volk heeft verbonden. En wanneer die Naam van Jezus onze zaak wordt, ook in het Avondmaal, dan doet God wonderen.

Er staat: ‘En de Heere plaagde de Moren.’ Hoe dat gebeurd is, weet ik niet. Maar ik weet wel dat God plagen kan. Kijk maar eens hoe Hij eens de farao en zijn leger geplaagd heeft. Dat deed Hij met tien plagen, zodat de farao het niet meer kon uithouden. En als hij zich ondanks die plagen blijft verzetten, verdrinkt de farao met heel zijn leger in de Schelfzee. Dan brengt God Zijn volk door een wonder in Kanaän.

 

Gemeente, deze God leeft nog. Hij wil nog door wonderen werken. Hoe Hij dat doen zal voor u, weet ik niet. Maar ik weet dat God het doen zal! Hij zal het doen door dat ene wonder waardoor Hij het altijd doet: door het wonder van het bloed. Want daardoor is Israël bevrijd; daardoor is Israël uit Egypteland uitgeleid. Daardoor is Israël Kanaän binnengekomen; en daarvan moeten we leven, u en ik. Dat wonder heeft ons oog niet gezien en het oor niet gehoord. Dat wonder is nooit in het hart van een mens opgekomen, maar dat openbaart God door Zijn Geest in het hart van Asa. Dat wonder werkt Hij ook in het hart van ons, wanneer Gods zaak ónze zaak wordt. Dat is wanneer we zeggen: ‘Heere, U bent het waardig. Kom ik om, dan kom ik om. Al zou ik sterven aan Uw voeten. Maar krachtens Uw Naam, Die mij lief geworden is en krachtens Uw zaak die ook mijn zaak is, zal ik komen. Al staan er een miljoen mensen tegenover mij alleen. Want, Heere, het is voor U niets te helpen, hetzij de machtige, hetzij de krachteloze. Als het dan toch van Uw kracht afhangt, dan komen wij tot U gevloden. En als U het dan doet door het wonder, Heere, wie ben ik dat U aan mij zou gedenken?

 

ik zet mijn treden in Uw spoor,

opdat mijn voet niet uit zou glijden.

Wil mij voor struikelen bevrijden

en ga mij met Uw heillicht voor.’ 

 

Zalig zijn de reinen van hart – daar hebt u ze, want zij zullen God zien. Door het wonder!

‘En de Heere plaagde de Moren voor Asa en voor Juda, en de Moren vloden.’ Lees dan ook de laatste verzen maar: toen mochten ze de buit delen, tot zelfs de schaapstenten en de schaapsstallen toe. Ze werden het eigendom van Asa. Er bleef geen vijand meer over. Want de koningen – hoe zeer geducht – zijn met hun heiren weggevlucht, zij vloden voor uw ogen. En de buit van het overwonnen land (we hebben het net gezongen) viel zelfs de vrouwen in de hand, schoon niet mee uitgetogen.

Laat Israël dan tussen de bakovens liggen, maar God plaagt de Egyptenaren en verlost Zijn volk – achter het bloed. Laat Juda dan tegenover een sterke overmacht staan in de persoon van Zerah, de Moor, met zijn miljoenen. Maar Asa overwint in de kracht des Heeren. Laten wij dan ook, verloren in zonden en schuld en zonder gerechtigheid voor God, met machtige wederstrevers te maken hebben, maar als die God ónze God geworden is door het geloof, als die God ons leven geworden is, als Zijn Woord de adem van ons hart is, als Zijn dienst een liefdedienst is waaraan wij onze ziel verbonden hebben – dan zullen wij niet achterblijven. Laat dan niemand achterblijven. Laat het kleinste lammetje van Christus’ kudde komen om het brood uit Zijn hand te nemen en om van de wijn te drinken.

 

Want Hij zegt: ‘Zalig zijn de reinen van hart.’ En ‘de buit van het overwonnen land, viel zelfs de vrouwen in de hand.’ Opdat die roemt, roemen zou in de Heere!

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 111:5

 

't Is trouw, al wat Hij ooit beval;
Het staat op recht en waarheid pal,
Als op onwrikbre steunpilaren.
Hij is het, die verlossing zond
Aan al Zijn volk; Hij zal 't verbond
Met hen in eeuwigheid bewaren.