Ds. M. Karens - 1 Johannes 4 : 19

Gods liefde drijft tot wederliefde

Schuldige liefde
Ervaren liefde
Volmaakte liefde
Broederlijke liefde

1 Johannes 4 : 19

1 Johannes 4
19
Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 45: 1
Lezen : 1 Johannes 4: 7 - 21
Zingen : Psalm 133: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 116: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 73: 13

Gemeente, we willen nadenken over 1 Johannes 4 vanaf vers 11 tot het einde. We lezen alleen vers 19: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.

 

We schrijven onder dit gedeelte: Gods liefde drijft tot wederliefde.

Daarbij staan we stil bij vier punten:

 

1. schuldige liefde (vers 11-13);

2. ervaren liefde (vers 14-16);

3. volmaakte liefde (vers 17-18);

4. broederlijke liefde (vers 19).

 

Gemeente, met de bede in ons hart om de opening van het Woord, luisteren we in hoofdstuk 4 naar het hooglied van de liefde. Wat klinken er diepe, wonderlijke tonen over de liefde van God door. In de eerste drie hoofdstukken beleed de apostel ook al met diepe verwondering dat God liefde is.

In vers 11 van hoofdstuk 4 gaat hij verder: Geliefden, indien God ons alzo lief heeft gehad, zo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben. De apostel Johannes trekt daar de conclusie dat, wanneer God ons liefheeft, wij ook schuldig zijn elkaar lief te hebben.

Voor het woord ‘indien’ dat hier wordt gebruikt mag je ook lezen: ‘omdat’. Zet daar maar een streep onder. Kanttekening 42 verklaart dit woord met: ‘Dat is, met zulk een grote, uitnemende, onverdiende en onuitsprekelijke liefde.‘

 

Hoe lief heeft God Zijn kinderen gehad? Dat lezen we in de verzen 9 en 10: Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.

De beleving van dat wonderlijke heilgeheim, de Goddelijke liefde, kan ons niet anders dringen dan tot wederliefde. Zo zegt kanttekening 43: ‘Dat is, het is niet alleen betamelijk dat wij het voorbeeld van God als Zijn kinderen hierin navolgen; maar wij zijn daardoor, alsmede door Gods bevel, verplicht om zulks te doen.’

 

Als we elkaar liefhebben, is die liefde anders dan de Zichzelf opofferende liefde van God. Nee, ons liefhebben betekent: elkaar steunen, vertroosten, dienen en verdragen. In de toenmalige maatschappij viel het op dat de christenen elkaar lief hadden. De leer begreep men echter niet. Daarvan hadden ze verkeerde beelden. Ze zagen wel de christelijke liefde tot elkaar. Dat wil Johannes ons ook voorhouden. Kanttekening 44 zegt: ‘Dat is, niet alleen God Die de mensen zo uitnemend heeft lief gehad, maar ook wij mensen elkaar, om Zijnentwil.’ Vandaar ons eerste punt.

 

1. Schuldige liefde

Hebt u persoonlijk iets geproefd van Gods oneindige liefde in de zending van Zijn Zoon? Bent u door Goddelijke liefde levend gemaakt? Dan hebt u geproefd van de zelfopofferende liefde tot verzoening van onze zonden. Volgens Johannes kan dat niet zonder beoefening van de gemeenschap der heiligen. Ons Avondmaalsformulier verwoordt dit op deze manier: ‘Alzo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof in Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde omwille van Christus, onze lieve Zaligmakers wil, Die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, altezamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad aan elkaar bewijzen.’

 

Schuldige liefde als vrucht van Gods liefde in het hart. Niemand heeft ooit God aanschouwd; indien wij elkander liefhebben, zo blijft God in ons, en Zijn liefde is in ons volmaakt.

Het is niet eenvoudig wat de apostel Johannes schrijft in vers 11: Niemand heeft ooit God aanschouwd. De dwaalleraars die in vers 1 van dit hoofdstuk genoemd worden, de valse profeten, spreken van mystieke en religieuze ervaringen. Zij geven voor dat deze van God afkomstig zijn, maar in hun leven is er geen spoor van God te ontdekken. In vers 20 komt de apostel erop terug: Indien iemand zegt: Ik heb God lief en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?

 

Johannes schrijft dat de onzichtbare God zichtbaar wordt in de zending van Zijn Zoon. Daardoor wordt God ook zichtbaar in Zijn kinderen, en in de liefde die er onderling tussen hen is. Zijn liefde in ons is volmaakt. Dat klinkt heel vreemd. Het betekent dat Zijn Goddelijke liefde in Zijn kinderen tot ontplooiing komt. Deze beantwoordt aan het doel, en komt in hen tot Zijn volle openbaring.

Vers 13 gaat hierop door: Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.

Johannes heeft hierover ook in hoofdstuk 3:24 iets gezegd. Soms valt hij in herhaling om de dingen te onderstrepen. Hij zegt daar: En die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En hieraan kennen wij dat Hij in ons blijft, namelijk uit de Geest, Die Hij ons gegeven heeft. Onze vaderen zeggen in kanttekening 90: ‘Dat is, uit de getuigenis, de werking en de drijving van de Heilige Geest.’

 

Waaraan mogen ze kennen dat God in hen blijft en zij in God? Waarin is te zien dat Zijn liefde in ons volmaakt is? Omdat Hij ons Zijn Geest gegeven heeft. Dat is de toetssteen om het onderscheid te zien tussen een kind van God en een leugenaar. De toetssteen tussen Gods kinderen en de ongelovigen lezen we in Romeinen 8:14: Want zovelen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.

 

Mogen we weten dat God ons Zijn Geest gegeven heeft? We wijzen erop dat het werkwoord dat hier gebruikt wordt, wijst op een tijdstip in het verleden, maar tegelijk ook laat zien dat dit doorwerkt tot op de dag van vandaag. Wanneer krijg je deze Geest? Voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3:3). Deze Geest, van Wie we in onze Heidelbergse Catechismus belijden dat Hij ontvangen wordt en ons door het zaligmakend geloof Christus inlijft, maakt ons deelachtig aan Christus en al Zijn weldaden. De Heilige Geest is met de Vader en de Zoon eeuwig God. Deze wordt door de Vader in het uur van de wedergeboorte in het hart gegeven. Hij wederbaart, beschermt, en schenkt het geloof. Hij leidt in al de waarheid en zal eeuwig blijven. Komt dat werk van de Geest openbaar in uw hart en leven?

 

Het werk van de Geest verzekert ook de zaligheid. Paulus schrijft in Efeze 1:7: In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom Zijner genade.

Wij zijn schuldig elkaar lief te hebben. Dat kan alleen als God in ons is en wij in Hem blijven, en Christus ons als genadeoffer Zijn Geest gegeven heeft. Het komt in je hart openbaar door het zaligmakende werk van Gods Geest. Hij maakt mensen zondaar voor God. Als mensen Christus gaan belijden zoals in vers 15 staat: Zo wie beleden zal hebben, dat Jezus de Zone Gods is, God blijft in hem, en hij in God – dan komt dit openbaar in de liefde tot God en de naaste. Wij hebben dit gezongen uit Psalm 133: 1. Kon u meezingen?

Johannes wijst ons hierop. Goddelijke liefde drijft tot wederliefde. Dat is een schuldige liefde. Maar ons tekstgedeelte wijst ook op ervaren liefde.

 

2. Ervaren liefde

En wij hebben het aanschouwd en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.

Johannes en de kinderen van God in de gemeenten van Klein-Azië hebben het gezien. Johannes is zijn brief ermee begonnen: Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben, en onze handen getast hebben, van het Woord des levens (1 Joh. 1:1).

 

Johannes heeft het met eigen, natuurlijke ogen gezien. Hij zegt eigenlijk: Als je het gezien hebt, moet je daarvan ook getuigen. Mag u, kinderen van God, van dit wonder getuigen? Zo staat het in Johannes 1:14: En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader), vol van genade en waarheid.

Geen natuurlijk oog heeft dit gezien, maar het geloofsoog heeft Zijn heerlijkheid aanschouwd. Gods kinderen mogen geloven dat de Vader Zijn Zoon in de wereld gezonden heeft tot een Zaligmaker, niet alleen voor anderen, maar ook voor mij.

‘Wij getuigen’ zegt Johannes namens al de apostelen en allen die door het zaligmakende geloof de Zoon hebben aanschouwd. Weet u wat dit getuigen inhoudt?

‘Mijn hart, vervuld met heilbespiegelingen, zal 't schoonste lied van enen Koning zingen;

Terwijl de Geest mijn gladde tonge drijft, is z’ als de pen van een, die vaardig schrijft.

Beminnelijk Vorst, uw schoonheid hoog te loven, gaat al het schoon der mensen ver te boven’ (Ps. 45:1 berijmd). Hierbij verbleekt alles van de wereld.

 

Wat is de inhoud van Johannes’ getuigenis? Het antwoord is: Dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld (1 Joh. 4:9b). En wat is het doel? Opdat wij zouden leven door Hem (1 Joh. 4:9c). In vers 10 schrijft hij: Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. In vers 14 vervolgt Johannes dan: En wij hebben het aanschouwd en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld.

 

Veel mensen hebben de Heere Jezus met natuurlijke ogen gezien. U weet wat de vier evangeliën hierover vertellen. Ze hebben geroepen: Neem weg, neem weg, kruis Hem (Joh. 19:15). Het is zo nodig, dat Hij in ons leven geopenbaard wordt en met de ogen van het geloof gezien wordt. Dan gaan we instemmen met wat er staat in Mattheüs 3:17: Deze is Mijn Zoon, Mijn Geliefde, in Dewelke Ik Mijn welbehagen heb.

In het Grieks staat voor ‘gezonden’ in vers 9 ‘apostello’. Daar zit het woord ‘apostel’, ‘gezondene’ in. De Vader heeft Zijn Zoon gezonden met een opdracht; Hij heeft Zijn Zoon daarbij een volmacht gegeven. Zijn werk was om Zijn Vader te verheerlijken. De Zoon liet Zich zenden in deze vervloekte wereld om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Luk. 19:10). De Zoon liet Zich vrijwillig en bereidwillig in Zijn diepe vernedering brengen. Hij ging om het volk van Zijn Vader te verlossen. Het doel van Zijn zending was om Zaligmaker en Heiland te zijn voor deze wereld, die zich heeft losgescheurd en vervreemd van haar Schepper.

 

Betekent dit dat heel de wereld zalig wordt? Dat is duidelijk genoeg: Johannes is geen aanhanger van de algemene verzoeningsleer. Je leest dit in de hoofdstukken hiervoor. Het verlossende werk zal de kosmos, Gods schepping, ten goede komen, want hierover staat in Mattheüs 5:18: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied. En in 2 Petrus 3:10: Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden.

Hij is een Zaligmaker van zondaren in deze wereld. Het offer van Christus is genoeg voor de hele wereld. Niemand in de kerk mag zeggen dat het offer van Christus op Golgotha te kort is. Onze Dordtse vaderen belijden in hoofdstuk 2, par. 3 van de Dordtse Leerregels: ‘….van oneindige kracht en waardigheid, overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse wereld’. En in de Dordtse Leerregels hoofdstuk 1, par. 4: ‘…..maar die het aannemen en de Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend geloof omhelzen, die worden door Hem van de toorn Gods en van het verderf verlost en met het eeuwige leven begiftigd (Joh. 3:36, Mark. 16:16).’

 

Zondaren uit de wereld, Jood en heiden, zal Hij zaligen. Zo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zone Gods is, God blijft in hem, en hij in God (1 Joh. 4:15). Niet alle mensen worden dus zalig. Kanttekening 53 verklaart het woord ‘beleden’ aldus: ‘En voorts zal [hij] gedaan hebben hetgeen deze belijdenis vereist, namelijk Hem met waar geloof  aangenomen hebben, en zijn geloof met de werken der liefde getoond.’

Belijden dat Jezus de Zoon van God is, is niet genoeg. Het gaat over de ware geloofsbelijdenis, gewerkt door de Heilige Geest in het hart. Het gaat niet over een mondbelijdenis. Er wordt zoveel beleden en gezegd, maar niet zoals Johannes dit in zijn Evangelie heeft geschreven: Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt; en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven (Joh. 1:10-12).

Het woordje ‘belijden’ houdt ook in dat men in het openbáár belijdt. En dat is geen van buiten geleerd lesje of een nagepraat geloof. Lees de kanttekeningen thuis maar eens door.

 

Hieraan kennen wij dat wij in Hem blijven, en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft. En wij hebben het aanschouwd, en getuigen dat de Vader Zijn Zoon gezonden heeft tot een Zaligmaker der wereld. Zo wie beleden zal hebben dat Jezus de Zone God is, God blijft in hem, en hij in God. En wij hebben gekend en geloofd de liefde, die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem

(1 Joh. 4:13-16).

Daarom de vraag: Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? (2 Kor. 13:5). Want ik zei al dat vele monden belijden en napraten. Maar hebben we Gods liefde ervaren? Heeft Hij ons Zijn Geest gegeven? Hebben we door het geloof kennis gekregen aan onze zonden en schuld, en zijn we met Psalm 32:3 (berijmd) gaan belijden: ‘Maar ik beleed na ernstig overleg mijn boze daân; Gij naamt die gunstig weg? Of: ‘Uit diepten van ellenden roep ik, met mond en hart’ (Ps. 130:1 berijmd). Leerden we voor het Goddelijke recht te buigen en te belijden dat wij om eigen schuld voor eeuwig verloren moeten gaan? Is ons geloofsoog geslagen op de Zoon van God, de Zaligmaker van de wereld? Als door de nevels van twijfel en ongeloof wordt gezien op Zijn heerlijkheid, zeggen we: ‘Wij hebben het aanschouwd.’ Dan mogen we samen met de herders in de kribbe, of met Anna en Simeon in de tempel zien dat de Vader de Zoon van Zijn eeuwige liefde gezonden heeft. Is het zo bij ons?

Matthew Henry schrijft hierover: ‘Deze belijdenis sluit in zich het geloof van het hart als haar grondslag, bekentenis met de mond tot heerlijkheid van God en Christus, en belijdenis in leven en gedrag.’ Het gaat over woorden en daden, over innerlijk beleven en uiterlijk belijden.

Ik las ergens een uitspraak bij deze tekst: ‘Eén druppeltje van dit geloof dat blijkt uit de vruchten, is oneindig meer dan een zee vol wetenschap van Gods Woord.’ Weet je wat er gebeurt in je leven als je de Zaligmaker mag leren kennen? Dan kan volgens jou heel de wereld zalig worden. Paulus schrijft in 1 Timotheüs 1:13: Die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied.

 

Hebt u Met Maria in haar lofzang wel eens mogen zingen: ‘Mijn ziel verheft Gods eer, mijn geest mag blij den HEER’ mijn Zaligmaker noemen’? In vers 15 staat: En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem.

 

Hebt u deze liefde van God weleens ervaren? De wereld kent deze liefde niet. Een onbekeerd mens is hier stekeblind voor. Hier spreekt een kind van God, dat zeggen mag: Wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde. Als daar iets van mag worden geproefd en gesmaakt, dan zal heel je leven hiermee worden doordrongen. Dit ‘gekend en geloofd’ vormt samen de bevinding van de heiligen. Dan zal heel ons leven doordrongen zijn van de Goddelijke liefde, zoals die bleek uit het antwoord van Petrus aan Jezus: Gij weet dat ik U liefheb (Joh. 21:17).

 

Voor we naar onze derde gedachte gaan, zingen we eerst Psalm 116: 1, 2 en 3:

 

God heb ik lief; want die getrouwe HEER’

Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;

Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen;

Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

 

Ik lag gekneld in banden van den dood,

Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen;

Ik was benauwd, omringd door droefenissen;

Maar riep den HEER’ dus aan in al mijn nood:

 

"Och HEER’, och, wierd mijn ziel door U gered!"

Toen hoorde God; Hij is mijn liefde waardig;

De HEER’ is groot, genadig en rechtvaardig,

En onze God ontfermt zich op 't gebed.

 

Gods liefde drijft tot wederliefde. Als we iets van die liefde hebben ervaren in de zending van Zijn Zoon, komt dat openbaar in de vruchten van wederliefde tot God en de naaste. We zijn schuldig, zegt Johannes.

Maar deze liefde komt van God, en daarom is het ook een volmaakte liefde.

 

3. Volmaakte liefde

Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk Hij is, wij ook zijn in deze wereld (1 Joh. 4:17).

De liefde van God in Christus is van Zijn kant geheel volmaakt. In het leven van Johannes en de gelovigen komt deze tot grote geestelijke rijpheid. Er is een opwas, niet alleen in het geloof, maar ook in de liefde en in de hoop. Dit heeft een doel: opdat wij vrijmoedigheid mogen hebben in de dag des oordeels. Kanttekening 59 luidt:

‘Dat is, een vrijmoedig vertrouwen dat wij in dien dag niet zullen veroordeeld worden, daar wij nu de liefde oefenen, en de Heere Christus dan zal tevoorschijn brengen de werken der liefde, niet als verdienende oorzaken der vrijspreking en zaligheid, maar als vruchten en kentekenen van ons geloof.’

 

Het vertrouwen mag in het hart van Gods kinderen leven dat de Heere op de dag van het oordeel de liefdewerken ziet als vruchten van de rechtvaardigmaking. We lezen dat in Mattheüs 25:35-40: Want Ik ben hongerig geweest en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en gij hebt Mij geherbergd. Ik was naakt en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd, of dorstig en te drinken gegeven?

En wanneer hebben wij U een vreemdeling gezien en geherbergd, of naakt en gekleed?

En wanneer hebben wij U krank gezien of in de gevangenis en zijn tot U gekomen?

En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voorwaar zeg Ik u, voor zoveel gij dit een van deze Mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan.

 

Wie zou niet bevreesd zijn voor de dag van het oordeel? Vrees je wel eens in je jonge leven voor de dag van je dood? Of denk je er nooit aan? Gemeente, deze dag zal niemand kunnen ontlopen. Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt (2 Kor. 5:10).

Ik kan hiervan tientallen voorbeelden noemen uit de Bijbel. Een tweetal teksten noem ik u: Want zie, die dag komt, brandende als een oven; dan zullen alle hoogmoedigen, en al wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn (Mal. 4:1a). Want voorwaar zeg Ik u: Totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van de Wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied (Matth. 5:18).

Het is een dag van grote verschrikking voor allen die onbekeerd leven en sterven.

Dit heeft Christus van de dag van het oordeel gezegd. Ook ware gelovigen vrezen soms voor deze dag. De Nederlandse Geloofsbelijdenis vermeldt hierover in artikel 37: ‘….en zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen; dewijl alsdan hun volle verlossing volbracht zal worden, en zij aldaar zullen ontvangen de vruchten des arbeids en der moeite die zij zullen gedragen hebben; hun onnozelheid [dat is hun onschuld] zal door allen bekend worden…...’

Hier wordt verklaard wat Johannes in onze tekst schrijft, dat Gods kinderen door de vruchten van de liefde vrijmoedigheid mogen hebben op de dag van het oordeel.

 

Hoe komt het eigenlijk, dat wij zo weinig oog hebben voor de dag van het oordeel? De mensen in de wereld zijn – door bijvoorbeeld de Jehovagetuigen – niet meer bang te maken voor de oordeelsdag. Vroeger lukte dat nog wel als ze aan de deur vroegen: ‘Houdt u er rekening mee dat de wereld vergaat?’ De meeste mensen hebben God, Zijn Woord en het leven na de dood afgeschreven. Wij zijn misschien ook wel geïnfecteerd door de geest van de tijd. Praten we daarom vaak zo gemakkelijk over de dood en de dag van het oordeel? Waarom raakt het besef van Gods recht en oordeel meer en meer op de achtergrond?

 

Daarom wordt deze vraag door de apostel der liefde ons voorgehouden: hoe sta ik tegenover de dag des oordeels? Mag u die met vrijmoedigheid verwachten, omdat Christus de Zaligmaker is, Die u zo hartelijk lief heeft gehad?

Stemt u in met de Heidelbergse Catechismus in Zondag 19: ‘Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden? Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichte hoofde even Dezelfde, Die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al den vloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit de hemel verwacht, Die al Zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal’?

Vanuit de liefde tot Christus geeft het geloof vrijmoedigheid. Er is in de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten; want de vrees heeft pijn, en die vreest, is niet volmaakt in de liefde.

Voor het woord ‘vrees’ staat in het Grieks ‘fobos.’ Wij kennen dit woord van fobie, angsten. Kanttekening 62 noemt dit ‘een vrees om verdoemd te worden op de dag van het oordeel, welke vrees een slaafse vrees wordt genoemd’. In onze tekst betekent het ook dat liefde en angst niet bij elkaar horen. Waar de liefde heerst, is geen vrees. De liefde drijft of werkt de vrees buiten.

Calvijn schrijft in zijn verklaring dat de liefde van God het verontruste gemoed stilt. Dan is er geen vrees, geen pijn, maar vrede met God, door het bloed van het kruis. Dan geldt: Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus (Rom. 5:1).

Daarom vraagt de apostel van de liefde ons: Hoe sta ik tegenover de dag des oordeels? Mag u die met vrijmoedigheid verwachten omdat Christus de Zaligmaker is, Die u zo hartelijk lief heeft?

 

Gods kinderen, die de Heere en zichzelf hebben leren kennen, hebben vaak bange vrees. Deze vrees bezet hen wanneer zij zien op hun zonden en hun wereldse gezindheid. Daardoor twijfelen ze of ze wel een kind van God zijn. Maar let dan op wat Johannes zegt in vers 19: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.

Het is een kenmerkende tekst: Hij eerst en toen ik. Al Gods kinderen zullen dit beamen. De remonstrant zegt: ‘Ik heb God gekozen; ik heb Hem liefgehad; ik ben Hem gaan zoeken.’ De pelagiaan en de farizeeër zeggen: Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af; wat ontbreekt mij nog? (Matth. 19:20)

Maar Gods kinderen, van alle eeuwen en leeftijden, zullen door genade beamen: Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft. Met een hartelijke liefdeband hebben we Hem lief. Wij hebben Hem lief kan volgens kanttekening 68 ook vertaald worden met: ‘Laat ons Hem, dat is God, liefhebben.’

De vrucht van de Goddelijke liefde in hun leven is, waar Jeremia van sprak: Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid (Jer. 31:3). Die liefde zal altijd wederliefde geven.

 

In de natuurlijke liefde is dit al zo, maar zeker in geestelijke zin. Wij waren kinderen des toorns, die in het rijk van God niet konden komen, haters van God en onze naasten. Maar God heeft ons liefgehad met een vrije, eenzijdige en soevereine liefde. Ik zal Mij ontfermen wiens Ik Mij ontfermen zal (Ex. 33:19). De vrucht is dan dat we Hem lief hebben. Dat komt openbaar in het leven; je kunt het zien.

Hoe komt het openbaar? In het haten en vluchten van de zonde. Dan wordt de zonde zo bitter. Zondag 33 noemt dit: ‘Een hartelijk leedwezen dat wij God door onze zonden vertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.’ Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Rom. 7:24).

We gaan God liefhebben in al Zijn deugden en in alle omstandigheden. Ook als Hij ons slaat en als er wegen van kruis en moeite zijn. David zei het zo: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte (Ps. 18:2).

Dit brengt ons op ons vierde punt.

 

4. Broederlijke liefde

Bij vers 20 van dit hoofdstuk moet je goed opletten: Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en haat zijn broeder, die is een leugenaar; want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft? Het woord ‘haat’ betekent hier twee dingen: iemand werkelijk haten, maar ook: niet liefhebben.

Als je zegt God en je naaste (de ware gelovigen) lief te hebben, maar je broeder haat, dan lieg je. Zo was het bij de dwaalleraars in de tijd van Johannes. Daarom zijn ze leugenaars. De vruchten van hun leven laten het zien.

 

Johannes drijft in deze brief de zaak op de spits: het is de toetssteen van uw liefde tot God. U bent er niet alleen met woorden en degelijke taal, maar uw hart komt openbaar in de liefde tot de naaste. De Heere Jezus zegt zelfs: Hebt uw vijanden lief (Matth. 5:44).

Johannes ontmaskert hier de kerkelijke leugenaars. Zij zeggen namelijk, dat God onzichtbaar is. Daardoor maken zij duidelijk God niet te kennen. Want die zijn broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft, hoe kan hij God liefhebben, Dien hij niet gezien heeft?

In Gods kinderen zien we iets van het beeld van God. Als iemand hen haat, heeft hij de onzichtbare God niet lief. Hij is niet wedergeboren en kent de liefde van God niet. Calvijn schrijft in zijn verklaring dat als ze goed gekeken hadden, zij in hun medebroeders het beeld van God gezien hadden. En Matthew Henry zegt: ‘Hoe zou dan de hater van een zichtbaar beeld van God kunnen voorwenden dat hij het onzichtbare Origineel, de onzienlijke God, liefheeft?’

 

Johannes houdt ons in deze brief veel zaken voor om te overdenken. Hij vat deze samen in vers 21: En dit gebod hebben wij van Hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijn broeder liefhebbe.

Christus geeft dezelfde opdracht in Johannes 13:34: Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Paulus schrijft ook over de liefde in 1 Korinthe 13:13: En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie; doch de meeste van deze is de liefde.

 

Gemeente, Gods liefde drijft tot wederliefde. Neem dat eens mee. Hoe staat dat bij u?

Hoe staat dat bij jou? Hebben we God lief? Komt dit openbaar in het liefhebben van onze naaste? Hebben we het wonder ervaren dat de haat tot God en Zijn dienst door wedergeboorte, door herschepping  in liefde veranderd werd?

Zal Christus in de dag des oordeels tegen ons zeggen wat ik zojuist uit Mattheüs 25 heb voorgelezen? De liefde tot God kan niet anders uitwerken dan liefde tot Zijn kinderen. Want wie veel vergeven is, heeft veel lief. Daarom zeggen we met Johannes in vers 16: En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde; en die in de liefde blijft, blijft in God, en God in hem. Zo zal de Kerk straks zingen met het lied dat Jan Scharp dichtte:

 

Alle roem is uitgesloten,

onverdiende zaligheên

heb ik van mijn God genoten,

Ik roem in vrije gunst alleen!

Ja, eer ik nog was geboren,

eer Gods hand, die alles schiep

iets uit niets tot aanzijn riep,

heeft zijn liefde mij verkoren:

God is liefde, o engelenstem,

mensentong, verheerlijkt Hem!

 

Zult u meezingen in dit koor – met zijn ontelbare zangers – vóór de troon van God, aan de glazen zee? Kijk maar naar uw leven. U kunt het weten!

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 73:13

 

Wien heb ik nevens U omhoog?

Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog

op aarde nevens U toch lusten?

Niets is er, waar ik in kan rusten.

Bezwijkt dan ooit, in bittere smart

of bange nood, mijn vlees en hart,

Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.