Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 59 - 60

Stéfanus' laatste woorden

Stéfanus' geest
Stéfanus' stenigers
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Handelingen 7 : 59 - 60

Handelingen 7
59
En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest.
60
En vallende op de knieen, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 109: 2 en 15
Lezen : Psalm 116 en Handelingen 9: 59 en 60
Zingen : Psalm 26: 2
Zingen : Psalm 31: 4, 11 en 15
Zingen : Psalm 3: 2
Zingen : Psalm 116: 5

Gemeente, met ’s Heeren hulp, bedien ik u vandaag het Woord van God uit Handelingen 7:59 en 60. De tekst voor de preek is Handelingen 7:59 en 60:

En zij stenigden Stéfanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijn geest. En vallende op de knieën riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij.

 

Stéfanus’ laatste woorden, met betrekking tot:

1.         Stéfanus’ geest.

2.         Stéfanus’ stenigers.

 

  1. Stéfanus’ geest

Gemeente, het leven van Stéfanus loopt op een einde. Althans, zijn leven hier op aarde. Zijn rechters hebben hem buiten de poort gesleept en dan volgt de steniging. Het is een pijnlijke aangelegenheid en ook een heel beledigende dood. Wat schrikken wij niet van tijd tot tijd op, als we in de krant lezen hoe iemand letterlijk doodgeschopt is. Nu, houdt u die gedachte maar een beetje bij u als het gaat om datgene wat ze ook met Stéfanus gedaan hebben. Maar de Heere zal genade en eer geven. Hij vervult Zijn woord, zoals Jesaja dat eeuwen geleden sprak: Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de Heere, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland (Jes. 43: 2 en 3).

 

Hoe duidelijk blijkt dat in Stéfanus’ leven. Wat krijgt de man Gods een rijke stervensgenade. Moet je nagaan, lieve kinderen. Ze zijn ze bezig om Stéfanus dood te gooien. Dat kun je je niet voorstellen hè, wat dat is, maar dat het heel erg is dat weet jij ook wel. Maar let op, Stéfanus gaat op dát moment bidden. Dat is heel bijzonder. Hij riep de naam van de Heere aan en hij zei: Heere Jezus, ontvang mijn geest. Hoe kan het, dat iemand dat doet in de laatste ogenblikken van zijn leven? Nu, ook dat is een weldaad. Dat is een daad van weldoen van God. Het is een weldaad die over Stéfanus komt. Niet omdat Stéfanus zo goed is. Niet omdat Stéfanus zegt: ‘Nee, maar nu zal ik eens wat laten zien.’ Dit gebeurt vanuit het volbrachte werk van Christus. Er loopt een lijn van deze stenigingsplek naar het in de buurt gelegen Golgotha. Daar heeft het kruis gestaan van Hem, Die geroepen heeft: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk. 23: 46). Vanuit dat werk van Christus, vanuit die bede van de Zoon van God, mag ook Stéfanus zich richten tot de hemel. Terwijl de hel is losgebarsten, houdt Stéfanus zijn Heere en zijn Koning over en zegt hij: Heere Jezus, ontvang mijn geest.

‘k Beveel mijn geest in Uwe handen’, zongen wij uit Psalm 31. En vroeger baden de kinderen in Israël voordat ze naar bed gingen: ‘Heere wilt U mij bewaren, in Uw hand beveel ik mijn leven.’ Stéfanus gaat slapen. Het is de slaap van de dood. Hij ontsliep en op dat moment doet hij het laatste gebed. Wat een rijke en gezegende geloofsbelijdenis. Van alle kanten vallen ze op hem aan en Stéfanus geeft zich over in de hand van de Heere. Hoe rijk is dit, kind van God.

 

Het is ook hier de praktijk van het leven: in de grootste smarten, blijven onze harten in de Heere gerust. We hebben al verschillende keren nagedacht over deze geschiedenis en dan weten we wat er komen gaat. Dan hebt u in de afgelopen tijd vast ook weleens gedacht en gezegd: ‘Als ik eens zo behandeld zou worden. Hoe zou ik mij dan gedragen? Ik zou nooit kunnen wat Stéfanus hier doet.’ Ja, wat moeten we daar mee aan? Welnu, een paar dingen. Bedenk het volgende. Zoals het nu is, zoals u hier zit, vraagt de Heere het ook niet van u. U kunt u dus niet gaan instellen op de gedachte: stel eens dat. Dat kan niet en dat hoeft ook niet, want zover is het nog niet. Dat is één. En het tweede is: de Heere geeft Zijn genade pas als het nodig is. De Heere geeft geen genade op voorhand. U kunt daar, mag ik dat zo zeggen, niet een reservevoorraad van aanleggen. Als moeders in de gezinnen hebt u uw voorraadkast en daar staat het één en ander in. En als het nodig is, zegt u: ‘O, pak maar even, het staat daar en daar.’  Zo is het met de genade niet. Wij zijn nog al eens geneigd op de dingen vooruit te grijpen en dan kan de angst ons overvallen: stel nou eens dat.

 

Welke verwachting kon Daniël hebben toen hij in de leeuwenkuil gegooid werd? Zeker, hij uitte zijn vertrouwen op God, maar wat er precies ging gebeuren, dat wist hij ook niet. En als die drie jongens weggeleid worden naar de vurige oven dan hebben ze wel gezegd: ‘Als onze God ons helpen wil, dan kan Hij het hoor.’ Maar ze hebben niet gezegd: ‘Dat zal zeker gebeuren.’ Merkt u wel, het is niet iets waartegen u zich van tevoren kunt indekken. Dat is ook niet het belangrijkste. Veel belangrijker is het dat God Zijn belofte waar maakt, hoe dan ook: En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28: 20). Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten (Joz. 1: 5).

 

En daarom is de vraag niet: zou ik er door kunnen komen? Maar: vertrouwen we op het Woord van Gods belofte? Is dat Woord een levend Woord in ons hart? Hebben we vanuit dat levende Woord de levende Christus ontmoet? Hebben we waarde leren zien in Hem, Die de dood heeft overwonnen en hebben we Zijn bloed nodig tot verzoening van al onze zonden? Kijk, en dat is een aangelegenheid voor nú. Dat is een vraag voor vandaag. Daarom is de vraag: hoe ligt dat in ons leven? Zijn er vandaag ook hier mensen die zeggen: ‘Heere, dat ik in dat geloof nu zou mogen delen, dat ik zou mogen weten dat de Heere Jezus ook voor mij gekomen is.’ Want nietwaar, wat leert de praktijk van de heiligen Gods ons dat dat een aangelegen punt is. En dat dat worstelingen geeft aan de troon van Gods genade. Dat is geen rekensommetje: ik ben zondaar en bij God is genade, dus ik heb ook deel aan die genade. Nee, de vraag is veeleer: ‘Heere, hoe krijg ik er deel aan en hoe wordt het mijn eigendom?’ Dan ervaart u en belijdt u dat u het niet verdiend hebt, maar dat u tegelijkertijd ook doorleeft dat u het niet missen kunt. Dat u het nodig hebt boven en voor alles. Dat het er om gaat dat u Hem kent. Want God te kennen en Jezus Christus Die Hij gezonden heeft, dat is het eeuwige leven. Dan is uw gebed. Misschien zijn het maar een paar woorden: ‘Heere help.’ Niet meer? Nee, niet meer. De hulp en de nabijheid van de Heere zijn genoeg.

Wellicht denkt u bij uzelf: als ik  eens een klein beetje had van wat Stéfanus had, dan zou ik niet zo in de zorg zitten en al redelijk uit de problemen zijn. Weet u, bij Stéfanus kunt u niet terecht. Dat valt u misschien tegen, maar dat is wel het Evangelie. Dat is een blijde boodschap. Bij Stéfanus kunt u niet terecht. Hoe rijk begenadigd hij ook is en hoe gezegend ook, hij kan u ook niet helpen. Maar hij wordt ons getekend in de Schrift als een toonbeeld van Gods genade. En daarom moet u een stap verder zijn dan bij Stéfanus. U moet bij zijn Heere zijn.

 

U moet bij de Koning van Stéfanus zijn. Van Hem spreekt Stéfanus tot het laatste toe. Christus Jezus is bepalend in het leven van Stéfanus. In Hem ligt zijn kracht, zijn sterkte, zijn moed en zijn verwachting. ‘Met onze kracht,’ zong Luther, ‘is het niets gedaan, die gaat al haast verloren. Maar de Enige Die ons bij kan staan, God heeft hem ons verkoren. Vraagt gij Zijn naam, zo weet dat Hij de Christus heet.’ Bij Hem moet u zijn. Bij Hem, Die de laagste weg is gegaan. En wat is dan de laagste weg? Dat is de weg van de godverlatenheid.

Stéfanus ziet een open hemel, maar de Heere Jezus zag een open hel. Er was duisternis op de aarde, drie uur lang. Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mark. 15: 34).Dat is de laagste weg. De weg van de godverlatenheid en de weg waarin Hij Zich openbaart als de Borg van het verbond. Vrijwillig, uit liefde tot Zijn Vader, uit liefde tot Zijn Gemeente. Hij ging die laagste weg tot in de diepte van de dood en tot in de werkelijkheden van de burchten van de hel.

 

 

Daarom, hoe diep een mens zijn dood ook doorleeft, zoals Stéfanus hier, en hoe moeilijk het ook is, nooit zal een mens zo diep buigen als Jezus gebogen heeft. En dat wordt nu juist het genadewonder. Want daar in de diepte vindt u Hem, Die de laagste weg is gegaan. Jezus zegt tegen Stéfanus: ‘Stéfanus, zo diep als Ik afdaal, zo diep daalt u niet af. Ik ben voorgegaan op de laagste weg en Ik betuig het: Ik, Ik ben er geweest, in de godverlatenheid.’ Hij van God verlaten, opdat wij nimmermeer van God verlaten zouden worden. Eén heeft het geroepen: Het is volbracht (Joh. 19: 30). Eén is de dood ingegaan, en dan zegt Kohlbrugge in een van zijn preken uit Openbaring als Johannes als dood aan Christus’ voeten valt: ‘Vrees niet Johannes, twee hoeven er niet dood te zijn.’ De opgestane Levensvorst zegt: ‘Ik ben dood geweest, en daarom, hoeft u niet af te dalen in de diepte van deze dood. Ik heb de weg voor u afgelegd. Ik heb geroepen: het is volbracht. Het werk is volkomen gedaan.’

Het gaat om Christus’ werk: Zijn offer, Zijn bloed, Zijn gerechtigheid, Zijn doornenkroon, Zijn kruis en Zijn godsverlating. Laat dan alles los wat buiten Hem is en vlucht tot deze Heere, Die Stéfanus preekte in de laatste ogenblikken van zijn leven. Vlucht tot Hem met heel uw verzondigde leven. Hij roept u vandaag. Het is niet de vraag of u er morgen of overmorgen tegen opgewassen zult zijn, als er iets met u zou gebeuren, zoals met Stéfanus.

 

Vandaag is de vraag: bent u met God verzoend? Leeft u voor God, dient u Hem, is Hij het hoogste van uw blijdschap? Nog wil Hij zich in de prediking laten zien als die Zaligmaker, Die hing aan het vloekhout der schande, om de zonden van velen te dragen. Wie zal ooit Zijn borgtochtelijk lijden ook maar enigermate kunnen invoelen? U kunt het lijden van Stéfanus al niet omvatten, laat staan het lijden, het borgtochtelijke lijden, van het Lam van God.

Want in het leven van een mens, is altijd sprake van zonde. Maar kijk eens naar het leven van het Lam van God. Er is geen enkele zonde in Jezus’ leven. Paulus zegt: Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5: 21). Hij de Schuldeloze voor schuldigen, de Heilige voor onheiligen. En wie nu door het oog des geloofs op deze Borg en Zaligmaker zien mag, wie zijn betraande ogen leert opslaan tot deze Man van smarten, die wordt vervuld met de liefde van Christus. Dat zien we zo duidelijk, zo overduidelijk, in het leven van Stéfanus. En wie in het zien op Hem de vergeving van al zijn zonden geproefd heeft, die belijdt met de bruid uit het Hooglied: Alles wat aan Hem is, dat is gans begeerlijk (Hoogl. 5: 16).

Stéfanus ziet het Lam van God in de geopende hemel. De Heere Jezus Christus aan Wie hij zich in zijn leven verbonden heeft geweten tot het laatste toe, verlaat hem niet in het uur van zijn dood. Jezus zegt niet: ‘Ja, Stéfanus, je hebt Mij trouw gediend en Ik ben altijd bij je geweest, maar nu die laatste overstap gemaakt moet worden, moet je het zelf maar proberen te doen.’ Nee, alzo Hij de Zijnen, die in de wereld waren, liefgehad had, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde (Joh. 13: 1), tot in de diepte van de dood. Van daaruit is het dat Stéfanus zijn gebed doet voor zichzelf: Heere Jezus ontvang mijn geest.

Wat lijkt de martelaar op zijn Middelaar. Jezus heeft het op Golgotha geroepen: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk. 23: 46). Nu doet Stéfanus dat ook. Terwijl de vijanden zijn lichaam proberen te vermorzelen en hem doodgooien, geeft Stéfanus zijn geest in de handen van zijn Heere en Koning. Christus Jezus verloste hem uit alle heerschappij van de duivel. Dat is een onderdeel van zondag 1 uit de catechismus, weet u wel? Wat is uw enige troost, Stéfanus, in het leven en in het sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn maar mijns getrouwen Zaligmakers JEZUS CHRISTUS eigen ben , die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft …

 

Als u hier nu in gedachten bij stil staat, dan vraagt u: ‘Is dat wel waar? Verlost Hij wel uit alle heerschappij van de duivel? Hoe zit het dan met die stenen en die vijandschap?’ Ach, wie Jezus in het oog heeft, die heeft van de duivel geen last. Dan is er zelfs nog een vervolg. Heeft de Heere Jezus op Zijn lijdensweg niet voor Zijn vijanden gebeden? Sprak Hij niet de volgende woorden: Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen (Luk. 23: 34).Terwijl Hij de laagste weg ging en terwijl de toorn van God Hem drukte, bad Hij voor degenen die Hem geweld aandeden. Was het een open hemel voor Jezus? Nee, het was een gesloten hemel. Was er een uitgestoken hand van Zijn Vader uit de hemel? Nee, de hemel was dicht. De godsverlating is in Jezus’ leven aanstonds volkomen. Maar zo overwint Hij en zo is het Evangelie in Hem en uit Hem. En zo heeft Jezus ook het avondgebed gebeden: Vader in Uw handen beveel Ik Mijn geest (Luk. 23: 46). Zie dan, hoe Stéfanus uit die volheid van Christus hier bediend wordt. Terwijl zijn hart vol is van de liefde tot God, van de liefde tot de Heere Jezus, is het hart van de vijanden vol van haat, afkerigheid, dood en geweld; dood aan Stéfanus! Ja dat komt van de kant van de vijanden. En wat komt er van de kant van Stéfanus? Maar trouwe God, Gij zijt, het schild dat mij bevrijdt, mijn eer, mijn vast betrouwen. We zingen nu Psalm 3 vers 2.

 

Psalm 3: 2

 

Maar, trouwe God, Gij zijt

Het schild, dat mij bevrijdt,

Mijn eer, mijn vast betrouwen;

Op U vest ik het oog;

Gij heft mijn hoofd omhoog,

En doet m' Uw gunst aanschouwen.

'k Riep God niet vrucht'loos aan;

Hij wil mij niet versmaân

In al mijn tegenheden;

Hij zag van Sion neer,

De woonplaats van Zijn eer,

En hoorde mijn gebeden.

 

  1. Stéfanus’ stenigers

Stéfanus’ laatste woorden hebben niet alleen betrekking op zijn geest, maar hebben ook betrekking op zijn stenigers. We lezen namelijk: En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe! Gemeente, wat werkt de Heilige Geest hier krachtig. Dat moet u goed zien. We hebben de vorige keer gezegd dat er in dit Schriftgedeelte sprake is van de Vader, van de Zoon en van de Heilige Geest. De majesteit van de Heilige Geest zien we ook in deze tekst heel duidelijk. Want Stéfanus valt op zijn knieën, niet omdat hij niet meer kan, vanwege uitputting of krachteloosheid. Hij valt heel bewust op zijn knieën. De kinderen zeggen weleens: ‘Dat heb je expres gedaan, dat deed je met opzet.’ Nu, zo valt Stéfanus expres op zijn knieën om te bidden. In het uur van zijn dood smeekt hij voor zijn vijanden, voor zijn stenigers. De liefde van Christus die zijn hart vervult, doet de naaste geen kwaad. Wie zelf iets van de liefde van God in Christus heeft gesmaakt, die gunt ook de naaste de zaligheid, al gedraagt die naaste zich nog zo vijandig. Al neemt hij zelfs stenen op.

U hebt er vast ook weleens over gelezen, bijvoorbeeld in een boek over de tweede wereldoorlog, hoe mensen in concentratiekampen baden voor hun bewakers. Op hun gebed deed God wonderen: zulke mensen kwamen tot bekering op het gebed van de gevangenen. En in de Kerk in de verdrukking weten ze van Gods werk in de harten van beulen en folteraars. En kinderen, meisjes en jongens, hebben jullie weleens boeken gelezen over de tachtigjarige oorlog? Dat moeten jullie eens doen. Dan lezen jullie het, hoe mensen biddend de dood in gingen en dat hun gebed niet ongezegend is gebleven. Hoe kan dat? De liefde, anders kan het niet. De liefde is mededeelzaam, en zegt Paulus: De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet (Rom. 13: 10). Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was (Fil. 2: 5). Zijn werk blinkt uit in het optreden van Stéfanus.

 

Jesaja profeteerde over de komende Messias: Die voor de overtreders gebeden heeft (Jes. 53: 12). Welnu, Stéfanus gaat in dat spoor; heel concreet en heel indringend. Als Stéfanus namelijk op zijn knieën is gevallen, expres dus, dan lezen we dat hij roept met grote stem! Als er gestaan had dat hij nog net iets kon zeggen of dat hij fluisterde. Maar nee, er staat dat hij riep met grote stem. Hij gebruikt zijn laatste krachten voor een laatste gebed; een gebed voor zijn stenigers. Dat is immers vreugde voor de heiligen Gods, als ze zien dat hun Koning geëerd wordt. Er is immers blijdschap in het hart als mensen tot bekering komen. Er is vreugde als we merken dat de Heilige Geest werkt in de harten van kinderen, van meisjes en jongens, van ouderen en van wie dan ook. Bent u een heilige Gods? Ben jij zo’n jongere? Stéfanus laat het zien: met Christus in het hart, gunt u de duivel er niet één. De Heere Christus is aan Stéfanus niet alleen gegeven tot rechtvaardiging, dat wil zeggen dat zijn zonden vergeven zijn en dat hij een recht heeft ontvangen op het eeuwige leven, maar de Heere Christus is aan Stéfanus ook gegeven tot heiligmaking. O Zoon, maak ons Uw beeld gelijk.

‘Mag ik lijken op U, Heere Jezus, op U, Die gebeden hebt voor de vijanden op het vloekhout der schande?’

 

Zo is Stéfanus ook. Hij bidt voor zijn vijanden. Doet u dit ook? Bidt u in het bijzonder voor de mensen die u niet zo liggen? Hebben zij de eerste plaats in uw gebed? Of kijkt u ze liever met de nek aan dan dat u ze opdraagt aan de troon van Gods genade? Merkt u het? Deze tekst is heel ontdekkend en confronterend. Stéfanus bidt voor zijn vijanden en wij staan voor de vraag: doen wij dat ook? Terwijl de stenen vallen, bidt de man Gods om vrijspraak, om vergeving voor zijn moordenaars. Hij vraagt het voor hen allemaal. Dat is nu echt een invulling van een welmenend aanbod van de genade van God. Stéfanus zegt niet: wel voor die, maar niet voor die. Nee, zijn liefste wens is dat hij eenmaal met al die doodslagers God eeuwig zal mogen groot maken. Dat verlangen leeft in zijn hart. En of de Heere dat doen wil, hoe of de Heere dat doen wil en ten opzichte van wie de Heere dat doen wil, laat hij aan de Heere over. Dat is zijn werk ook niet. Zijn werk is in priesterlijke bewogenheid tot openbaring brengen wat God in Zijn Woord heeft meegegeven. En zo strekt hij als het ware zijn handen uit naar zijn vijanden. Hij wil ze meenemen Want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebr. 11: 10).

 

Kijk, zo ziet u wat het geloof vermag. Dat is het geloof dat de wereld overwint en dat doet ingaan in ’s Konings paleis, achter de Koning aan. Achter de Heere Jezus Christus aan, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof (Hebr. 12: 2).

Dit waren Stéfanus’ laatste woorden. Vanaf nu is de mond van Stéfanus gesloten, want zo besluit de tekst: Als hij dat gezegd had, ontsliep hij. Ontsliep hij. Dat is toch een merkwaardig woord op deze plek. Als we nu het woord ‘sterven’ gelezen hadden zou ik zeggen: ja, zo stierf hij. Maar nee, er staat ontslapen. Wat betekent dat? Dat betekent inslapen met de hoop, de verwachting en de gedachte weer wakker te worden.

 

Als jullie ’s avonds naar bed gaan, kinderen, dan hopen jullie de volgende dag wakker te worden. Nu, Stéfanus gaat inslapen met de hoop, met de verwachting, dat hij weer wakker zal worden. Past dat woord ‘inslapen’ wel bij al die stenen en bij deze marteling? Let op, hier zien we hoe voor een kind van God de dood van gedaante verandert. ’t Is nu een ontslapen naar het lichaam bij de mens en ’t is een ontwaken naar de geest bij God. Dan treuren we als mensen, maar als Christenen zijn we getroost. Het Sanhedrin verplettert Stéfanus onder een regen van stenen, maar op z’n gezicht ligt de uitdrukking van de hemelse vrede. Ontslapen in Christus, dat is ingaan in de eeuwige heerlijkheid. Stéfanus is verlost, God heeft hem welgedaan. De Heere heeft hem thuisgehaald, want als hij de laatste adem hier op aarde uitblaast, staan de engelen klaar om hem te ontvangen en te brengen voor de troon van God en van het Lam. Daar is zijn Heere, daar is zijn Koning, Die voor hem gestorven is, opdat het sterven van Stéfanus een doorgang tot het eeuwige leven zou zijn. Nu is deze eerste martelaar, Stéfanus, werkelijk de omkranste. Stéfanus is met de kroon van de rechtvaardigheid gekroond, omdat Jezus gekroond was met de doornenkroon.

 

Zo mag het kind van God vanuit deze geschiedenis ook moed scheppen op zijn pelgrimstocht. Pas er op die pelgrimstocht voor op dat u niet verstrikt raakt in de zonden die de welvaart van deze tijd in het bijzonder, met zich kunnen brengen. Met de wereld door één deur gaan, sluit het martelaarschap uit. Vanuit dit woord van God is het niet en/en maar is het of/of. U mag het martelaarschap ook weer niet zoeken, maar het Woord zegt ons duidelijk: ín de wereld, maar niet ván de wereld. Dan is er het wenkend perspectief van het Koninkrijk van God. Daar gaat het naar toe met al de heiligen Gods. Speuren we zo de einder van de tijd af of Hij komt? Maranatha, de Heere komt.

 

Hoe vreselijk is het om buiten deze Zaligmaker te moeten sterven. Wie zonder het bloed van het Lam voor Christus moet verschijnen, die moet voor eeuwig omkomen. En daarom, vanuit die laatste woorden die er over Stéfanus geschreven staan, klinkt de roepstem: ontwaakt gij die slaapt en staat op uit de doden en Christus zal over u lichten. Wie hier niet weet van de strijd van het geloof zal straks geen deel hebben aan de eeuwige vrede Gods voor al de heiligen. Zie hoe het in dit laatste ogenblik van Stéfanus’ leven zijn begeerte is om het kruis van Christus in het middelpunt te zetten. Dat is bepalend geweest in het leven van Stéfanus en dat is ook bepalend in het sterven van Stéfanus. Het kruis van Christus. Vanuit Christus’ verdienste is Stéfanus’ dood een ontslapen, een inslapen. Een inslapen met de verwachting wakker te worden. Dat is heengaan met Jezus in het oog en met de zaligheid in het hart.

Amen.

 

Slotpsalm Psalm 116: 5

 

Gij hebt, o HEER, in 't dood'lijkst tijdsgewricht

Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen,

Mijn voet geschraagd; dies zal ik, voor Gods ogen,

Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht.