Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 18

De hemelvaart van Christus

Zijn werkelijk heengaan naar de hemel
Zijn goddelijk blijven bij Zijn gemeente op aarde
Zijn hogepriesterlijk werk in de hemel
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 3
Lezen : Psalm 24
Zingen : Psalm 24: 1, 2 en 5
Zingen : Psalm 135: 3 en 12
Zingen : Psalm 68: 9

Gemeente, vandaag is zondag 18 aan de beurt. We zullen deze eerst samen lezen.

 

Vraag 46: Wat verstaat gij daarmee: Opgevaren ten hemel?

Antwoord: : Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

Vraag 47: Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?

Antwoord: Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Vraag 48: Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?

Antwoord: Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

Vraag 49: Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Antwoord: Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is.

Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen.

Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods en niet wat op aarde is.

 

Deze zondag gaat over

De hemelvaart van Christus

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Zijn werkelijk heengaan naar de hemel

2. Zijn goddelijk blijven bij Zijn gemeente op aarde

3. Zijn hogepriesterlijk werk in de hemel

 

 

Gemeente, is het in onze moderne tijd van wetenschap en ruimtevaart eigenlijk niet wat naïef om nog te geloven in de hemelvaart van de Heere Jezus? Het is zo’n eenvoudig verhaal uit de Bijbel, uit Handelingen, van een Man op een wolk, Die zomaar, denken wij dan, zonder ruimtepak aan naar de hemel der hemelen gaat.

De hemelvaart roept allerlei vragen op. Hoe moet dat gegaan zijn? Met welke snelheid is Hij het luchtruim doorgegaan? Kan Hij wel aangekomen zijn in de hemel?

De geleerden vertellen ons, dat er sterren zijn, die miljoenen lichtjaren van ons vandaan staan. Hoe kan dat dan allemaal?

Ja, dat zegt inderdaad de moderne mens en zo spot een ongelovige. De moderne mens weet niet meer waar het eigenlijk over gaat. Zo hoor je de moderne theologie verklaren, dat hemelvaart eigenlijk betekent, dat ons leven op aarde een opwaartse richting moet hebben.

Laat het u maar niet aanpraten, gemeente. Probeer de hemelvaart van de Heere Jezus maar nooit wetenschappelijk te bewijzen, want het is een heilsfeit en dat geloven wij. In dat geloof steunen wij op het apostolisch getuigenis van de Schrift en dat is genoeg. De evangeliën zijn er duidelijk in en de brieven van de apostelen niet minder.

 

Op grond daarvan zegt onze Catechismus in de eerste plaats:

Christus is voor de ogen van Zijn jongeren van de aarde ten hemel opgeheven.

Zij hebben het gezien en daarom kunnen zij ervan getuigen. Dat is belangrijk. Ze zijn ooggetuigen geweest. Daarom hebben ze er met grote zekerheid van getuigd. Ze konden zeggen: ‘Mensen, we hebben het zelf gezien. We zijn erbij geweest.’

Stefanus heeft Hem ook gezien in de hemel. Saulus zag Jezus ook, toen de hemel geopend werd. Johannes op Patmos viel, bij het gezicht van de hemelse heerlijkheid en van de Heere Jezus, zelfs als dood aan Zijn voeten. En wat zeiden de engelen direct na Zijn heengaan, toen de discipelen op de Olijfberg naar boven stonden te kijken, tot de wolk Hem wegnam van voor hun ogen? Zij spraken: ‘Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel.’

Hoort u dat? Hij is opgenomen. Hij was niet onderweg. Hij moest er niet heel veel lichtjaren over doen.

 

Gemeente, hier hebben we een totaal andere werkelijkheid dan die van ons. Dit is de wereld van God. Deze Jezus, Die van u is opgenomen in de hemel. Hij is er dus al en die engelen zijn er ook ineens, zo uit de hemel op de Olijfberg. ‘Hij is opgenomen in de hemel en Hij zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren.’

Ziet u, in een ogenblik van de tijd is Hij van de aarde opgenomen in de hemel. Zomaar opeens, zonder belemmering van zwaartekracht of dampkring.

Op al dat spotten en ontkennen van de hemelvaart hebben we een antwoord vanuit de Bijbel en dat is een duidelijk antwoord, een gelovig antwoord:

Zou die God, Die de hemel en de aarde uit niets geschapen heeft en Die Zelf de wetten, ook die van de zwaartekracht, in de schepping gelegd heeft, zou die God niet bij machte zijn om die wetten te negeren bij het naar huis halen van Zijn eigen Zoon?

 

Daarom bewijzen wij de hemelvaart niet, maar we geloven het op grond van Gods Woord, op grond van het apostolische getuigenis.

Dat is het eerste waar onze Catechismus op wijst en waarop we in onze eerste gedachte letten: ‘Christus is werkelijk heengegaan naar de hemel.’ Met lichaam en ziel, zichtbaar voor de ogen van Zijn jongeren, is Hij van de aarde naar de hemel gegaan.

 

Hemelvaart is een verandering van plaats en niet van toestand.

Luther leerde dat de menselijke natuur van de Heere Jezus met de hemelvaart alomtegenwoordig was geworden. Nee, dezelfde Jezus, Die op het kerstfeest in ons vlees gekomen is, Die geleden heeft, aan het kruis gestorven is, Die is ook opgestaan en die Jezus is teruggekeerd naar het Vaderhuis, waar God het ontoegankelijk licht bewoont! Daar dienen de heilige engelen Hem en daar brengen de gezaligden Hem hulde voor het werk van de verzoening, dat Hij op aarde heeft volbracht.

Hij is de hemel der hemelen binnengegaan als de grote Hogepriester en daar zal Hij blijven tot aan de wederkomst. Daar wijst de Catechismus op in het zinnetje: Totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.

 

De wederkomst ligt in het verlengde van de hemelvaart. Dan zullen zich allen voor Hem, buigen, als Hij komt met grote kracht en heerlijkheid, ook zij die Zijn hemelvaart loochenen. In de tijd tussen hemelvaart en wederkomst, regeert Christus, als het Hoofd van Zijn kerk, Zijn lichaam, Zijn gemeente op aarde. Al zien we nu nog niet, dat Hem alle dingen onderworpen zijn, al spot het ongeloof nog zo hard en brutaal, wie in Hem gelooft, mag het de apostel nazeggen door het geloof: ‘Wij zien Jezus, met eer en heerlijkheid gekroond.’

 

Wat een onzegbare vreugde moet het voor de Vader geweest zijn om Zijn geliefde Zoon, nadat Hij Zijn werk op aarde volbracht had en Zijn deugden verheerlijkt, weer op te nemen in Zijn hemelse heerlijkheid!

Wat moet het een weldaad geweest zijn voor de Heere Jezus, om na drieëndertig jaar omzwerven over deze zondige wereld, weer terug te kunnen keren in de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had eer de wereld was!

Wat moet de Heilige Geest Zich onuitsprekelijk verheugd hebben in deze verheerlijking van Christus, want het is juist Zijn werk om Christus te verheerlijken!

Wat zullen de engelen gejuicht hebben toen Hij binnenkwam in de hemel der hemelen en wat zullen ze gezongen hebben:

Verhoogt, o poorten, nu den boog;
Rijst, eeuw’ge deuren, rijst omhoog;
Opdat g’ uw Koning moogt ontvangen.!

 

Maar meer nog dan de engelen, zullen de gezaligde zondaren de verheerlijkte Christus met gejuich hebben begroet! Wat hebben ze verlangend uitgezien naar Zijn komst! Nu is de zaligheid verdiend en ze hebben het gezongen: ‘Gij, o Lam van God, hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.’

De hemel heeft gejuicht van het uitbundige vreugdegeschal en van alle lofliederen, die Hem zijn toegezongen.

 

En u? En jij? Bent u en ben jij ook zo blij, zo verheugd en vol aanbidding, als je hoort over de hemelvaart van Christus?

Of vindt u het misschien juist een verarming? Misschien denkt iemand: ‘Was Hij nog maar op aarde, dan zou ik naar Hem toe kunnen gaan.’

Of interesseert het je niet? Dat zou helemaal erg zijn. Wat ben je dan arm! Dan ken je die ‘Olijfberg-uren’ niet, die uren van gemeenschap met de Heere Jezus door het geloof, waar je hart omhoog wordt getrokken naar Hem, naar Zijn heerlijkheid en genade. Dan zoek je in dit leven ook niet de dingen die boven zijn, waar Christus is. Dan zit je nog vast aan alle dingen van deze aarde. Kom dan alsnog tot inkeer als het zo met u, met jou is, want dan is de hemel je vaderland nog niet! Dan zul je voor eeuwig buiten de heerlijkheid van God moeten wegzinken.

 

Maar dat hoeft niet. Daarom zijn we nu in Gods huis om het Evangelie van hemelvaart te beluisteren. Wat een genade is het, als je hart mag opvaren tot God, om je te verblijden in God, in het licht van Zijn vriendelijk aangezicht! Je mag je verblijden in de thuiskomst van Christus. Dan ken je ook het adventsverlangen naar Zijn tweede komst, om Hem in werkelijkheid met je lichamelijk oog te zien. Dan zie je de Koning in Zijn schoonheid.

Kent u dat wonderlijke heimwee naar de hemel, gemeente? Dan mag u zijn, waar Hij is.

 

In antwoord 46 lezen we:

Christus is ons daar ten goede.

Hij is niet voor Zichzelf opgevaren. Hij is niet opgevaren om er in de eerste plaats Zelf beter van te worden. Voor Zijn sterven heeft Hij het al gezegd: ‘Het is u nut dat Ik wegga. Ik ga heen om u plaats te bereiden. Opdat gij mocht zijn waar Ik ben.’ De Heere Jezus ging naar de hemel in het belang van Zijn kerk, ten goede voor Zijn kerk.

Voor de zaligheid heeft Hij alles aangebracht. Maar wat de toepassing betreft, is er nog veel werk te doen. Er zijn nog een veel mensen in welker hart geen plaats is voor de hemelse heerlijkheid. Vanuit de hemel, door Zijn Geest en Woord wil de Heere Jezus plaats bereiden in het hart van zondaren.

 

Gemeente, in de hemel is plaats voor ons, hoewel we daar helemaal geen recht op hebben. Daar hoef je niet aan te twijfelen Het is door het verzoenend lijden en sterven van Christus.

Maar weet u, wat het probleem is? Bij ons is geen plaats voor de hemel. Zoals we geboren zijn, kunnen we niet in de hemel komen. We zouden het daar niet uithouden bij die vlekkeloze heiligheid en majesteit van God.

En wat doet nu Jezus? ‘Wel’, zegt de Catechismus: ‘Hij is ons daar ten goede.’ Hij maakt plaats voor mensen, voor meisjes en jongens, voor kinderen en ouderen. Dat plaatsmaken doet Hij door de Heilige Geest.

Vandaar dat Hij sprak: ‘Het is u nut, dat Ik wegga, want anders kan de Geest niet komen.’ De Geest ontdekt en vertroost. Hij schenkt een overvloed aan geestelijke zegeningen. De Geest laat ons zien, dat we geen recht hebben op een plaats in de hemel, op een plaats bij God. De Geest doet ons hart hongerend en dorstend uitgaan naar Hem. Hij deelt de schatten en gaven van Christus uit.

Zo worden dode zondaarsharten getrokken tot Christus en levend gemaakt met Hem. Dan komt er droefheid over de zonde. Dan doe je belijdenis voor God en je naaste. Er ontstaat een verlangen naar de Heere, naar de gemeenschap met Hem en naar de verzoening met God, door het bloed van Christus.

Er ontstaat ook blijdschap, als u zien mag, dat er in het huis van de Vader veel woningen zijn. Er is plaats bij de heilige God voor verloren en schuldige zondaren.

Als u dat ziet, dan verandert alles bij u. Dan komt God op de eerste plaats in uw leven. Dan wordt uw hart naar boven getrokken waar Christus is. Dan ga je de dingen zoeken die van boven zijn, die te maken hebben met het Koninkrijk van God, met de verzoening, met de eeuwige heerlijkheid.

 

Waar Hij ons ten goede is, waar Hij in de hemel Zijn doorboorde handen opheft voor de Vader, daar trekt ons hart heen.

 

2. Zijn goddelijk blijven bij Zijn gemeente op aarde

 

Wat een troostrijke belofte heeft de Heere Jezus nagelaten aan Zijn gemeente, aan Zijn Kerk! Hij heeft immers gezegd: ‘En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding van de wereld. Amen.’ Het zal vast en zeker zijn. Vindt u dat niet rijk?

De Heere Jezus zegt het, dus Hij doet het! Hem is gegeven alle macht in de hemel en op aarde.

Wat een rijke belofte: ‘Ik ben met u, zondaar. Elke dag ben Ik er weer in uw blijdschap, in uw verdriet.’! O, er kunnen zulke zorgen zijn, ook in de gezinnen, maar Christus is er ook. Juist dan, als het zo donker wordt in de wereld, als de vijandschap zal ontbranden tegen de kerk van Christus, geen nood, want Christus is met Zijn kerk. Dat heeft Hij beloofd. Hij draagt, Hij bewaart. ‘Ik ben met u.’ Wat is dat rijk!

 

Maar, zo vraagt de Catechismus, breekt de Heere Jezus die belofte dan niet met Zijn hemelvaart? Hij gaat toch weer terug? Dan doet Hij toch niet wat Hij beloofd heeft?

Natuurlijk wel! De Heere Jezus kan nooit van trouwbreuk of woordbreuk beschuldigd worden. Dan zou Hij de Christus niet zijn.

 

Ja, maar hoe zit dat dan?

Wel, Hij is werkelijk naar de hemel gegaan, maar ook werkelijk op aarde gebleven. Lees het maar mee in vraag en antwoord 47:

Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?’

Het antwoord is:

Christus is waarachtig mens en waarachtig tig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

 

Het is dus eigenlijk heel eenvoudig. Zijn menselijke natuur is niet meer op aarde. Met Zijn menselijke ziel en Zijn menselijke lichaam is Hij naar de hemel opgevaren. Maar naar Zijn godheid is Hij nog wel op aarde, want naar Zijn godheid is Hij alomtegenwoordig. Als Mens ging Hij naar de hemel, als God bleef Hij bij Zijn gemeente.

 

Als we dit zo horen, dan is het niet denkbeeldig, dat iemand besprongen wordt door de vraag:

‘Scheuren we op deze wijze Christus niet teveel uiteen? Maken we dan niet eigenlijk twee christussen? Maken we dan geen filosofisch beeld van een lichamelijke Christus in de hemel, terwijl er aan de andere kant een goddelijke Christus op aarde is? Dat kan toch niet?’

Wel, dan kijken we naar het antwoord op vraag 48.

Op de vraag of we Christus zo niet teveel scheiden,

luidt antwoord 48:

Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overaltegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.’

Het is eigenlijk vrij eenvoudig, zoals het hier staat. Naar Zijn goddelijk natuur kan Christus nergens door worden ingesloten, dus ook niet door Zijn verheerlijkte lichaam.

Naar Zijn goddelijke natuur is Christus overal tegenwoordig. Hij is op deze aarde; Hij is bij ons, Hij is in de hemel. Er is geen plaats waar Hij niet is.

In de hemel is Zijn lichaam als het ware het centrum waar de Godheid onscheidbaar met de menselijke natuur verenigd is. In de hemel zijn beide naturen samen verenigd en daar blijven ze verenigd. De goddelijke natuur heeft de menselijke natuur aangenomen. In de Persoon van de Heere Jezus Christus zijn de goddelijke en de menselijke natuur voor eeuwig met elkaar verbonden. Die vereniging is onverbreekbaar. Maar al is in de hemel het lichaam van Christus de plaats van de vereniging, daar is voor de goddelijke natuur niet de begrenzing. Want de goddelijke natuur van Christus is alomtegenwoordig.

Naar Zijn goddelijke natuur heeft Christus de belofte gedaan, om bij ons te zijn, al de dagen, tot aan het einde van de wereld. Van Zijn menselijke natuur heeft Hij heel nadrukkelijk het tegenovergestelde gezegd: ‘De armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd.’ Van Zijn menselijke natuur heeft Hij gezegd: ‘Gij zult Mij niet meer zien. Ik ga heen tot de Vader.’

 

Nu mogen wij die twee naturen niet vermengen, zoals dat in de Lutherse theologie gebeurd is. Er zijn zaken, die alleen op Zijn menselijke natuur slaan, bijvoorbeeld ‘het opgevaren zijn’ naar de hemel. Er zijn ook zaken, die alleen op Zijn goddelijke natuur slaan, bijvoorbeeld dat Hij nog steeds op aarde tegenwoordig is. Als we hier het rechte zicht op hebben, dan begrijpen we ook, dat de Heere Jezus Zijn belofte, om met ons te zijn tot aan het eind van de wereld, helemaal niet gebroken heeft. Natuurlijk doet Christus wat Hij beloofd heeft! Want zovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem ja, en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons.

 

De Catechismus antwoordt op vraag 47 met een prachtige zin. Die zin moet in ons geheugen gegrift staan. Dat kan tot troost zijn, waar u ook bent in deze wereld en hoe verlaten u zich soms kunt gevoelen. Het gaat om deze zin:

Maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Naar Zijn Godheid wijkt Christus nimmermeer van Zijn gemeente. Die Godheid van Christus is overal, maar Zijn belofte: ‘Ik ben met u’, gaat natuurlijk in het bijzonder over Zijn Kerk, Zijn gemeente op aarde. Hij heeft het beloofd: ‘Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen.’ En die belofte is onwankelbaar.

Iedere keer is Hij weer in het midden van Zijn gemeente als het Woord opengaat en Zijn Naam wordt genoemd. Vindt u dat niet heerlijk, gemeente? U mag er dus voor honderd procent vanuit gaan, dat de Heere Jezus nu in ons midden is. Daar hoeft niemand aan te twijfelen.

O zeker, het zou kunnen zijn, dat u straks, als u naar huis gaat, zegt: ‘Nou ja, het zal wel waar zijn, maar ik heb er niets van gezien. Ik heb er niets van ervaren.’ Dat ligt niet aan God, maar dat ligt aan ons. Dat ligt aan de geslotenheid van ons hart, dan hebben we geen ogen om de schoonheid te zien van de Heere Jezus.

Zijn eigen Woord en belofte zegt toe: ‘Hij is hier in de kerk, waar het Woord verkondigd wordt.’ Daar wil de Geest zijn, daar wil Christus zijn, daar gaat Hij de rijen door. Het kan zo zijn, dat als u straks naar huis gaat, u tegen degenen die met u meegaan, mag zeggen: ‘Ik heb God gezien. Ik heb de Heere Jezus ontmoet. Hij was er, Zijn Woord was voor mij. Het raakte mijn hart, het raakte mijn ziel.’  

Kijk, dat is de kracht van de Heilige Geest! Dat heb je niet aan jezelf te danken. Dat is, opdat je zou roemen in de Heere.

 

Gemeente, Hij laat de hemel als het ware zeer laag neerhangen en Hij opent die. De Heere Jezus wil in Zijn gemeente verschijnen onder de verkondiging van het Evangelie. U die Hem liefhebt, hebt u Hem al gezien? Hebt u Hem al ontmoet? Hebt u ooit op uw plaats gezeten en gezegd: ‘Heere Jezus, wat bent U groot! Wat bent U heerlijk! U wil ik dienen! Ik ben Uw eigendom. U wil ik aanbidden.’ Dan word je zó klein in jezelf en dan wordt Hij zó groot, machtig en heerlijk.

Ja, Hij is er, hoor! Dat heeft Hij Zelf beloofd. Het is niet zo, dat dat altijd werkelijkheid wordt voor onze ervaring. Maar het is wel de waarheid, dat Hij er is.

 

Of u Hem ziet of niet, zegt wel iets over uw geestelijk leven. Degenen, die door de Geest worden aangeraakt, mogen dat ervaren en zeggen:

‘Kijk, hier zijn we in Gods huis en hier heeft God tot mij gesproken. De dominee viel weg. De vriend van de Bruidegom ging schuil achter zijn grote Meester. Ik heb Jezus gezien, de Heere sprak tot mij.’

Hij maakt het waar, gemeente: ‘Daar ben Ik in het midden.’ Dan voelen we ons ook niet meer benadeeld in verhouding tot de mensen uit de tijd van Jezus’ rondwandeling op aarde. Nee, onder het Woord hebben we Zijn stem gehoord, hebben we tot Hem mogen roepen, Hem mogen zien en aanbidden. We zijn door Hem aangeraakt en we hebben Hem aangeraakt, net als die bloedvloeiende vrouw. In de kerk ervaren we dat er kracht van Hem uitgaat. Hoe heerlijk is het om Hem te ontmoeten in het kleed van Zijn Woord!

Dan wil je hier ook niet graag gemist worden. Als de Heere er is, zou jij dan weg durven blijven? Dan zeg je niet: ‘Ik kom maar één keer of nu pas ik eens lekker thuis op de kinderen.’ Nee, dan zeg je: ‘Hoe kunnen we samen gaan? Is er een mouw aan te passen? Zouden we samen onder het Woord kunnen zitten, want daar is God in Zijn goddelijke kracht.’

Hij maakt doden levend, Hij heeft goddelijke kracht om ook te verlevendigen wat ingezonken is. Hebt u het nog nooit gehad, dat u naar de kerk ging en zei: ‘Heere, ik ben zo leeg vanbinnen. Het is allemaal op. Ik voel me ellendig. Waar bent U, Heere?’

Je kwam in de kerk en je werd versterkt door het Woord, door het gebed, door het zingen. De Heere troostte u, Hij liet u zien, dat Hij u kent. Hij vergeet u niet, ook al voelt u zich ellendig en arm.

 

Met Zijn godheid is Hij er altijd, maar het gaat verder. Ook met Zijn majesteit is Hij er.

Gods majesteit is die heerlijke, goddelijke uitstraling van Hem, die verootmoedigt en tot verwondering brengt. Je komt onder de indruk, onder het beslag van Zijn goddelijke majesteit, die Hij openbaart in Zijn Woord. Dat dwingt respect en eerbied af in je hart.

Heb je het wel eens gehad, dat het Woord met macht en majesteit op je afkwam? Het gebeurde gewoon; je had er niets tegenin te brengen. Je werd helemaal ingenomen door het Woord. Je moest wel buigen voor God, voor de majesteit van God. Dan hebt je iets van Christus’ heerlijkheid en majesteit mogen zien.

O, wat een verheven, wat een heilige, wat een machtige, wat een heerlijke God openbaart Zich in Christus aan verloren zondaren!

Die majesteit ontmoeten we in de zegen, die op u als gemeente wordt gelegd. Die majesteit ontmoeten we in de psalmen, die we mogen zingen en waarin het hart van de gelovige zo vaak wordt vertolkt. Die majesteit ontmoeten we in de gebeden, die we samen mogen brengen bij de Heere, onze God. Het is een vorstelijke heerlijkheid en majesteit.

 

Het kan zijn, dat je heel bedrukt de kerk binnenkomt en dat je eenzaam, als een schuwe vogel, op je plaats gaat zitten en dat je opeens vorstelijk wordt opgetild en meegenomen in een psalm:

Nooddruftigen zal Hij verschonen;
Aan armen, uit genâ,
Zijn hulpe ter verlossing tonen;
Hij slaat hun zielen gâ.

‘O Heere, weet u dan echt van mij af? Is het dan waar, Heere, dat U, o God, van mij afweet en dat U de kruimels van Uw genade ook vandaag aan mij gaat uitdelen?’

 

Het woord majesteit wijst op een koning. Zo wil Jezus koninklijk wonen en regeren in de harten van Zijn kinderen. Hij regeert rechtvaardig, wijs en zacht. Dan leeft in ons hart de bede: Den alleen wijzen God onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.

 

Naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

Zijn genade.

Is dat geen wonder, gemeente? Hij vervult Zijn belofte om hier te zijn met de volheid en de rijkdom van Zijn genade voor arme zondaren. Zoals Hij met Zijn genade, als de genadige God, als de genadige Christus door Israël ging om Zich te ontfermen over ellendigen en armen, over weduwen en wezen, over verzondigde en gebroken levens, om die te redden, zo is Hij ook met Zijn genade bij ons. Wat een wonder, als je dat zien en ervaren mag!

Gemeente, bij die majesteit hoort aanbidding: ‘O God, wat bent U goed, wat bent U groot.’

De Heere wijkt nimmermeer met Zijn genade. Zonder die genade zou er geen troost zijn in onze verdrukking, geen genezing in ziekte, geen vrijspraak in schuld, geen gunst, geen nabijheid, geen verzoening. Niets!

 

Genade tot vernieuwing van ons leven. Want dat is u inmiddels al wel duidelijk: de weg van Gods kinderen gaat niet over rozen, maar door de diepte, door de woestijn, maar Zijn nabijheid maakt alles goed. Hef in uw zielsverdriet uw smekende blik maar op tot Hem en zing het mee: ‘Ach, blijf met Uw genade, Heere Jezus ons nabij.’

Dat werkt wat uit! Daar gaat kracht vanuit. Hij is in ons midden met Zijn Geest en daarin ligt in feite het geheim van al het andere. Waar Christus met Zijn Geest is, daar wordt het Woord voor ons, dan raakt het ons, dan wordt het toegepast. Dan gaan je ogen open om te zien Wie Hij is en wie je zelf bent. Dan ga je iets proeven en smaken van ‘Wie de Heere is voor mensen’.

 

Ja, dan doet de Geest in ons hart de woorden Gods beamen. Hij brengt het tot toe-eigening, Hij neemt het uit Christus en verkondigt het ons. Dan is het hele Woord voor u bestemd en dan mag je zeggen: ‘Amen, Heere. Dank U, Heere.’

Gemeente, we hebben niets méér nodig dan de Persoon en het werk van de Heilige Geest. Zijn werking in ons hart in de toepassende kracht, in Zijn vertroosting en vermaning, maar ook in Zijn vervulling en verzekering.

Dan mag je weten: Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.

Daar hoeven we niet voor naar de hemel, want Christus zond Zijn Geest naar de aarde en die Geest leidt in alle waarheid. Kan het nog dichterbij? Hij wil wonen in uw hart door Zijn Geest.

 

Eén Geest woont in Christus, het heerlijk Hoofd in de hemel en in Zijn kerk op aarde. Wat een heerlijke werkelijkheid!

Wie zo ooit in Gods huis de nabijheid van Christus heeft mogen ervaren, die weet dat het waar is, dat het echt is, dat het werkelijkheid is.

Alle gelovigen weten dat, want hun eigen geestelijk leven is daar het bewijs van. Ze hebben het zichzelf niet gegeven. Ze hebben zichzelf maar niet een beetje in leven gehouden. Ze weten dat ze zich niet bedrogen hebben. Met een onbedrieglijke zekerheid zeggen ze: ‘Ik heb God ontmoet. Ik heb gezien hoe goed Hij is en hoe genadig. Het is de moeite waard om Hem lief te hebben en te dienen.’

Zij leven vanuit de onwankelbare toezegging van de Heere Jezus: ‘Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten met Mijn Godheid, majesteit, genade en Geest.’

 

Dat was onze tweede gedachte. Onze derde gedachte is: Zijn hogepriesterlijk werk in de hemel.

Maar eerst gaan we zingen uit Psalm 135:3 en 12

 

God is groot; ik weet dat Hij

Hoger is dan alle goôn.

Onze God voert heerschappij.

Hij beheerst van Zijnen troon

Hemel, afgrond, zee en aard’.

God is aller hulde waard.

 

Sion, loof met dankb’re stem

God, uw Heer’, Die eeuwig leeft,

En het schoon Jeruzalem

Door Zijn woning luister geeft;

Loof Hem voor uw heilrijk lot;

Loof al juichend uwen God!

 

3. Zijn hogepriesterlijk werk in de hemel

 

De Catechismus gaat nu de betekenis van de hemelvaart van Christus samenvatten. Het gaat in vraag 49 over het nut van de hemelvaart van Christus. Het antwoord daarop is drie ledig.

We beginnen met het eerste.

Ten eerste, dat Hij in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader onze Voorspreker is.

 

Het is een hele rijke gedachte, die hier wordt genoemd. Een voorspreker is iemand, die voor jou een goed woordje doet. Dat betekent voor ons heel wat! Als je gesolliciteerd hebt naar een bepaalde baan en je kent iemand die in de leiding van dat bedrijf zit en die zegt: ‘Nou joh, ik zal een goed woordje voor je doen’, dan zeg je: ‘Ik ben al bijna aangenomen.’

 

Maar nu ons antwoord. Christus is de Voorspraak in de hemel voor al de Zijnen.

Gemeente, Hij is een rechthebbende Voorspreker, Die verhoord wordt. Voortdurend heft Hij Zijn doornagelde handen tot God omhoog. Op grond van dat bloed van de verzoening pleit Hij voor Zijn gemeente op aarde.

Een aards advocaat kan een zaak verliezen, maar Jezus nooit, want Hij pleit op rechtsgronden, op Zijn zoenbloed, op Zijn offer. En dat heeft de Vader aanvaard. De voorspraak van Christus kan dus niet mislukken. Als Christus tegen Petrus zegt: ‘Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude’, dan ligt daarin de garantie, dat zijn geloof, hoe geschud ook aan alle kanten, niet zal ophouden. Wat een rijke gedachte!

 

Na de hemelvaart is Christus met de tekenen van Zijn offer gekomen voor het aangezicht van Zijn Vader. Let daar op! Hij is niet bij een vreemde terechtgekomen, maar bij Zijn Vader. En die relatie is zo nauw, dat Hij Zelf getuigt: ‘Doch Ik wist dat Gij Mij altijd hoort.’ Wordt Zijn voorbede dan verhoord of niet?

Waarom verhoort de Vader Hem altijd? Omdat Hij kan wijzen op Zijn volbrachte werk.

 

Maar wanneer wil Hij voor ons bidden?

Als wij heel gelovig op Hem zien en als we zeggen: ‘Heere, nu weet ik zeker, dat U voor mij aan het kruis gestorven bent?’ Als het juicht in uw ziel? Ja, dan ook, maar de Bijbel zegt zoiets vertroostend, gemeente, ook als het helemaal niet juicht in uw ziel, ook als u over de grond gebogen gaat en denkt: ‘Wat ben ik toch een ellendig mens!’ Johannes schrijft het zo: ‘Kinderkens, indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige.’

De Vader hoort Hem altijd. Hij wil Zijn mond voor ons openen, waar wij vanwege onze zonde onze mond moeten sluiten, waar wij de vrijmoedigheid moeten missen en wij verloren en schuldig voor God zijn.

Is dat geen rijke gedachte? Als ons geweten ons aanklaagt en de zonde ons verhindert om vrijmoedig tot God te gaan, dan wil Hij bidden.

Hebt u zo wel eens op Hem mogen zien? O, wat een troost, als ik voor de zoveelste keer gestruikeld en ontrouw geweest ben en God beledigd heb! Jezus treedt voor het aangezicht van Zijn Vader in de hemel en zegt: ‘Vader, wees niet toornig op hem, want U bent het op Mij geweest.’ Daarmee is de zonde verzoend, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden.

 

Gemeente, de opgeheven, doornagelde handen van Jezus zijn in de hemel voor het aangezicht van Zijn Vader, als voortdurende herinnering aan Zijn volbrachte werk. Christus bidt een vlekkeloos gebed, een gebed dat verhoord wordt.

Let wel, dat geldt niet alleen voor de verzoening, het geldt voor ook de heiligmaking! Als er weinig vordering is en u bent verachterd in genade, ga dan door Christus tot de Vader, want Hij bidt: ‘Vader, heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid.’

 

En toch is Jezus niet alleen de Voorspraak met betrekking tot het eeuwige leven, maar Hij is het ook met betrekking tot het tijdelijke leven. Dat mag u tot troost zijn. Jezus is ook onze Voorspreker in al onze noden en zorgen.

Wat is uw nood? Bent u met een hart vol nood naar de kerk gekomen? Dan kan. Wat is uw nood? Werkeloosheid? Overspannenheid? Ziekte? Uw kinderen? Eenzaamheid? Weet u het niet meer? Hij wel! Hij weet, wat u naar ziel en lichaam nodig hebt. En Hij bidt.

Zelfs als we in doodsnood zijn, als onze geest bezwijkt en als we geen adem meer hebben om te bidden en als we met ons lichaam zoveel te stellen hebben, dat we niet meer kunnen bidden, dan bidt Hij voor ons ten goede.

 

Wat een Voorspreker is deze Jezus. Wij zijn zo ontrouw en Hij is zo getrouw! ‘Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid’, zegt de dichter.

Dat is het eerste nut van de hemelvaart van Christus. We hebben een Voorspraak bij de Vader, Die bidt: ‘Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.’

 

Het tweede sluit hier direct bij aan.

Ten andere, dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten tot Zich zal nemen.’

Wonderlijk, Jezus nam een pand mee naar de hemel. Welk pand? Ons vlees!

In welk opzicht is de aanwezigheid van Zijn lichaam in de hemel dan een pand? Wel, de aanwezigheid van Zijn menselijke natuur, van Zijn lichaam en ziel, is in de hemel een garantie, dat God ook de zielen en de lichamen van Zijn kinderen in de hemel wil hebben. Zo zeker als de menselijke natuur van Christus in de hemel is, zo zeker als Christus als het Hoofd van Zijn kerk in de hemel is, zo zeker zal mijn lichaam daar ook komen.

Het Hoofd is er al, dan moet het lichaam zeker volgen. De Catechismus zegt: ‘Dat ons vlees in de hemel is.’

 

Onze menselijke natuur is nu al in de hemel en die is daar het onderpand, de garantie. Als het lichaam van het Hoofd er niet komt, dan moet het onderpand terug. Er zal geen lidmaat kunnen achterblijven, want anders moet het Hoofd eruit. En dat kan niet. Omdat Christus in de hemel is, daarom zal ook Zijn lichaam, Zijn gemeente er komen.

 

Dat noemt de Catechismus ook duidelijk als een nut voor ons. Een pand, een tegenpand, dat is het derde. Hij zond Zijn Geest als een tegenpand om in ons hart te bewerken, dat wij Jezus en alles wat daarboven is zouden zoeken. Christus nam als pand van Zijn bruidskerk ons vlees, onze menselijke natuur naar de hemel mee. Daar wilde Hij niet van scheiden als van iets minderwaardigs. Nee, Hij is erin geboren, heeft erin geleden, is erin gestorven, begraven en opgestaan.

Hij heeft die menselijke natuur meegenomen naar de hemel. Ons vlees is in de hemel tot onderpand. Als Hij daarop ziet, dan denkt Hij: ‘Ik ben u trouw, gemeente op aarde. Ik denk aan u. Ik kom terug om ook u tot Mij te nemen.’ Maar Hij wil ook dat wij aan Hem zullen denken en daarom zond Hij dat tegenpand.

 

Ik zal het nog eenmaal lezen.:

Ten derde, dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet dat op aarde is.

Zojuist hadden we het over een pand, dat Hij voor ons meenam naar de hemel. Nu gaat het over een tegenpand. Christus heeft iets van ons meegenomen en Hij laat iets van Zich achter.

Het is net als bij een verloving. Twee jonge mensen die gaan verloven, geven elkaar een pand van trouw, een trouwring, een verlovingsring. Ik een ring van haar, zij een ring van mij. En zo is het eigenlijk ook hier. Dat beeld mag u doortrekken. Wat is Christus’ tegenpand? Dat is Zijn Geest en het pand wat Hij meenam, is onze menselijke natuur.

 

Ja, de Geest van Christus is een echt tegenpand. Hoezo? Wel, die Geest trekt de harten van de gelovigen steeds opnieuw naar boven. Hij doet Christus zoeken aan de rechterhand van de Vader. Zo zeker als de Geest het hart naar boven trekt, zo zeker zal Hij mij ook eenmaal mee naar boven nemen.

 

Dat ik naar boven getrokken moet worden, is een bewijs dat ik daar hoor, dat ik van boven geboren ben. Dat is het bewijs, want een natuurlijk hart trekt niet naar boven. Integendeel. Van nature zitten we met al de vezels van ons bestaan vast aan deze wereld en aan dit leven. En dat naar boven getrokken worden, is een vrucht van de hemelvaart van Christus.

Kent u dat? Trekt uw hart naar God en naar de Heere Jezus? In de kerk komt Hij tot u via Zijn Woord. Daar openbaart Hij Zich. Het Woord mag opengaan en de menigerlei genade mag worden uitgedeeld vanuit de troon van de genade.

Trekt uw hart naar de komende heerlijkheid? Ik heb het over het krachtig getrokken worden en dat doet navolgen.

 

Er is ook een algemene trekking. Die kent ieder mens. De Geest trekt aan je. Je zit in de kerk en denkt: ‘Ja, zo kan ik eigenlijk niet verder leven.’ Je wordt een keer geraakt, misschien zelfs tot tranen toe bewogen, zodat je denkt: ‘Ja, ik moet ook een keer sterven en dan?’ Maar je gaat weer op in je werk en je zoekt de Heere niet. Je laat je Bijbel weer gesloten of het interesseert je niet zo. En je gaat weer verder. Dat is een algemene trekking.

Maar ik bedoel nu de trekking, die van de Geest van Christus uitgaat, opdat we met Hem verbonden zullen worden. Het gaat om dat trekken, dat uitgaan, dat reikhalzend de armen uitstrekken naar de dingen die hooggelegen, hemels, heilig en goddelijk zijn.

 

Dat betekent geen vlucht in het mysticisme. U moet dit voorbeeld in het oog houden. Iemand gaat naar het buitenland. Je kunt het daar best naar je zin hebben en genieten van de fijne en mooie dingen, maar je hart trekt toch naar huis. Als dat zo bij ons is, dan is ook af en toe die hemelse vrede, die hemelse vreugde en die hemelse heiligheid merkbaar in ons hart. Hoe kan dat? Wel, dat is de vrucht van Christus’ hemelvaart.

Het werk van de Geest mag dan uitgelegd worden als een tegenpand van Christus. Hij staat garant voor het wonder, dat we bij Hem zullen zijn omdat we Zijn verschijning hebben lief gekregen. Daarom zullen we straks met Christus, om Christus en door Christus geopenbaard worden in heerlijkheid. Dan wordt het waar wat Jezus sprak: ‘Dan mag ook u zijn, waar Ik ben.’

 

Gemeente, jongelui, kent u, ken jij dat heilige heimwee en verlangen naar Christus en naar het Vaderhuis? Als u dat niet kent, als u altijd met de wereld geleefd hebt, dan zult u ook met de wereld sterven. Dan is je leven zonder verwachting, dan heb je geen perspectief. De Bijbel zegt: ‘We hebben hier geen blijvende stad.’

Hebt u nog geen thuiskomen bij God, geen Vaderhuis waar u verwacht wordt? Wie weet hoe spoedig Hij komt of hoe spoedig Hij u oproept om voor Hem te verschijnen!

Wat ik u bidden wil: ‘Zoek toch in deze Voorbidder gevonden te worden.’ Hij is zo gewillig. Hij is heden in ons midden met Zijn majesteit, Godheid, genade en Geest.

 

Hij strekt Zijn armen tot u uit en zegt:

‘Als u Mij nog niet kent, als u die ‘Olijfberg-uren’ niet kent, als u dat verlangen niet kent, als u de ontmoeting met Mij niet kent, dan ben Ik er heden. Hoor naar Mij en uw ziel zal leven.’

 

Hij is zo gewillig om uw te zaligen. Neem het mee. Laat het u op de knieën brengen om Hem te zoeken. Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

Geef u over in Zijn doorboorde handen, die genadig en barmhartig zijn.

 

Als u de Heere Jezus hebt lief gekregen, laat uw wandel zijn in de hemelen, vanwaaruit wij onze Zaligmaker verwachten.

Onze Heere Jezus Christus zal ons vernederd lichaam gelijk maken aan Zijn verheerlijkt lichaam. Wie zo leeft, kent iets van de Maranatha-roep: Ja, Ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus.

 

Zo liggen hemelvaart en wederkomst in elkaars verlengde. Als u dat ziet, dan gaat het in uw hart meetrillen van verlangen. Dan stemt u in met Guido de Brès:

Daarom verwachten wij die grote dag met een groot verlangen, om ten volle te genieten de beloften Gods, in Christus Jezus, onze Heere.

 

Amen.