Ds. S.W. Janse - Daniël 1 : 8

Vier vrienden in Babel

Verleiding
Genade
Zegen

Daniƫl 1 : 8

Daniël 1
8
Daniel nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 119: 17
Lezen : Daniël 1
Zingen : Psalm 103: 1, 2 en 4
Zingen : Psalm 81: 12
Zingen : Psalm 113: 3 en 4

Gemeente, wij gaan samen een gedeelte uit Gods heilig Woord overdenken. U kunt het vinden in het eerste hoofdstuk van het boek Daniël, en wel het achtste vers:

 

Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

 

We schrijven onder deze tekstwoorden: Vier vrienden in Babel.

 

Jongens en meisjes, we overdenken drie gemakkelijk te onthouden woordjes:

 

1. Verleiding.

2. Genade.

3. Zegen.

 

Dus eerst denken we na over het woord:

 

1. Verleiding

 

Hoe oud zouden die jongens geweest zijn? Misschien een jaar of 14, 15. Denk je eens in dat je op die jonge leeftijd al meegevoerd wordt, gegijzeld wordt. Er wordt niet gevraagd of je wel meewilt, nee, je wordt gewoon op transport gezet naar een onbekend land, het land Babel.

Zoiets is tijdens de regering van koning Jojakim in het jaar 605 voor Christus gebeurd met het volk van Juda. Koning Nebukadnezar heeft met zijn troepen een beleg geslagen rondom de oude stad Jeruzalem. En ja, je begrijpt wel, als die stad valt, valt het hele land.

Alle inwoners worden meegenomen. Van huis en haard verdreven, weg bij ouders, familie en vrienden. Weggevoerd vanuit een veilige beschermde omgeving naar een heidens en afgodisch land, ongeveer op de plaats van het tegenwoordige Irak, bij de Eufraat en de Tigris.

 

Onder de ballingen bevinden zich vier vrienden. Daniël, Hananja, Michael en Azarja, en nog veel andere jongeren. Jongens en meisjes, waarom worden ze eigenlijk weggevoerd?

Wel, omdat ze de Heere niet gediend hebben, omdat ze de afgoden zijn gaan dienen. Omdat het volk van Juda God niet gehoorzaam is geweest.

Dat is nu precies ons beeld als we de Heere niet dienen. Als we andere goden dienen en in huis gehaald hebben, als we God verlaten hebben, als we ongehoorzaam zijn. Wij willen van nature immers niet luisteren naar de levende God, en dan kan het toch niet anders of we moeten vrezen voor zijn straf. Dan zal Hij ons bezoeken met de roede en met bittere tegenhêen.

 

Het volk wordt weggevoerd ter ontdekking van hun schuld tegenover de Heere. Nebukadnezar neemt alles mee, ook de tempelschatten, de schalen, de bekers… Dat gebeurde vaker, want als je de tempel leegroofde, als je het schathuis leegroofde, dan nam je eigenlijk ook de bewoners van het land gevangen, en de god van dat het overwonnen volk werd als het ware onderworpen aan de overwinnaar.

Jongens, meisjes, stel je voor dat soldaten onze kerk binnendringen en het avondmaalstel meenemen. Dat zou toch heiligheidsschennis zijn?

Wel, dat gebeurt in feite. De tempel wordt leeggehaald, ontwijd en ontheiligd. En de inwoners van Jeruzalem worden in een lange stoet naar Babel, dat zo’n duizend kilometer van Jeruzalem lag, weggevoerd.  

We hebben de namen van de vier vrienden, die zich onder hen bevinden, zojuist genoemd. Wat lezen we over hen?

Wel, het zijn niet de eersten de besten; het zijn prinsen. Van koninklijken bloede; blauw bloed in de aderen. Dergelijke jongens kon Nebukadnezar goed gebruiken. Jongelingen, die er goed uitzagen, knap van uiterlijk. Kloek van verstand. Dat betekent: intelligent. Ervaren in de wetenschap. Jongens die ontwikkeld waren. Ja, die neemt hij graag mee!

Nebukadnezar doet dat natuurlijk niet zomaar. Ach, zegt u, daar zit de satan achter. Dat is zeker waar! Wat is de satan tactisch. Wat is hij slim. Hij denkt: laat ik in ieder geval die jongens meenemen. Die prinsen gaan immers leidinggeven aan het volk. Dan neem ik eigenlijk de ruggengraat van Juda weg. Ze zijn nog jong en zullen aan het hof van Nebukadnezar een modelopvoeding krijgen.

 

Gemeente, weet u wat we nu zien in dit hoofdstuk?

Strijd. Eeuwenoude strijd. Babel tegen Jeruzalem. Het slangenzaad tegen het vrouwenzaad. De duivel, de wereld en de zonde aan de ene zijde en de dienst des Heeren daar tegenover. We zien het zo duidelijk in deze geschiedenis: de wereld die het gemunt heeft op de kerk. Het is de praktijk van het leven, ook in onze tijd.

Er is dus een strijd gaande. En er is een volk dat iets verstaat van die strijd. Het zegt: ‘Dominee, als ik me niet vergis ben ik geen vreemdeling van die strijd tussen het vrouwenzaad en het slangenzaad.’

Die strijd zal duren zal tot het einde van de wereld. Het is een strijd die steeds heviger zal worden. Er zal daardoor een scheiding moeten vallen tussen de kerk en de wereld. Want Babel en Jeruzalem staan recht tegenover elkaar. Maar, nu schijnt Babel te winnen. Jeruzalem gaat ten onder. Het lijkt of de duivel het wint!

 

Gemeente, is er eigenlijk nog een Koning – met een hoofdletter – die het voor het zeggen heeft? Het lijkt wel of de wereld steeds meer de overhand krijgt en we vinden het allemaal maar gewoon, we gaan er zelfs in mee. Nee, we lopen niet helemaal voorop maar we lopen desondanks mee.

Er zijn kinderen van God die moeten zeggen: ‘Heere het lijkt wel of de duivel in mijn leven steeds meer de overhand krijgt. Dat vlees, dat alsmaar meer verdorven en tegen uw wet en wil ingaat. Hoe moet dat verder? Er is toch een Overwinnaar? Er is toch een Koning die leeft?’ Soms kunnen zij er niets van bezien. Ook als je het zou vragen aan het volk van Juda.

Maar toch regeert de Heere. Dat blijkt ook in dit hoofdstuk. Gods hand is zichtbaar in deze geschiedenis. In de eerste zes hoofdstukken van het boek Daniël zien we hoe het de vier vrienden in Babel vergaat. Hoofdstuk zeven tot het einde gaat over de eindtijd; over de visioenen die Daniël van ‘s hemels wege ontvangt.

 

We zien in gedachten de vier vrienden naar het land van de vijand afgevoerd worden. In vers twee wordt het het land Sinear genoemd: En hij bracht ze in het land van Sinear. Kinderen, jullie weten misschien wel dat daar, op het vlakke veld, een toren gebouwd werd. De toren van Babel.

Die toren werd gebouwd in hoogmoed. Hij moest tot aan de hemel reiken. Babel staat voor hoogmoed. Voor de mens die zich verzet tegen God en die zich verheft tegen de Allerhoogste. Het volk van Juda wordt naar dát land weggevoerd. Een land waar alles kan, alles mag, niets is er te gek, je mag er doen waarin je zin hebt. Wordt hier niet een beeld van onze tijd getekend?

Wat een bange en donkere tijd breekt er aan voor het volk. De oordelen hangen laag. Van Gods trouw en Zijn beloften schijnt niets terecht te komen. In de berijmde psalm staat: God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken.Maar Heere, waar is dan Uw trouw? Waar is Uw eer?’

Toch gaat de Heere mee met die jongens naar Babel. De wet van God ook; want die is in hun hart geschreven. Dat zal straks blijken. O, de Heere zal de bruid van Christus, dat Jeruzalem, dat Sion, niet vergeten.  

 

We zien die jongeren gaan, naar dat machtige en grote Babel toe. Waarom gaat het nou om die jongeren?

Wel, wie de jeugd heeft, die heeft de toekomst. Dat weet de satan. Het is hem maar om één ding te doen: hun hart!

Jongelui, als je je hart aan de duivel geeft, dan heeft hij alles. Je gedachten, je woorden, je werken, je handen, je ogen… alles. Het gaat hem dus niet alleen om de tempelschatten, want Nebukadnezar had genoeg rijkdom. Het gaat erom de heilige God van Israël te onteren. Het gaat om de tempel, om de kerk.

Dat is nog steeds zo. De satan gaat rond, jongelui. Ik ben blij dat jullie in de kerk zijn. Dat is zo’n voorrecht! Maar besef goed – dat blijkt wel uit deze geschiedenis – dat de satan nog steeds springlevend is. Hij wil de jeugd losweken van de tempel, hij wil je losweken van de dienst van de Heere. Dat gaat stilletjes, geleidelijk, het valt soms niet eens op. Gaan kerk en wereld als het ware niet samen op? Dat was toen zo, en het is nu nog zo.

 

Maar Gods zegen kan daar toch niet op rusten? Hoe krijgt de satan zijn zin?

Wel, dat gaat heel listig, heel subtiel. Hij had die vier vrienden natuurlijk in Babel in een concentratiekamp kunnen plaatsen, achter slot en grendel. Maar dat doet Satan niet.

Waar komen die jongens dan terecht?

Aan het koninklijke hof. In de nabijheid van Nebukadnezar. Te midden van de verleidingen.

O, daar zit de satan achter. Hij brengt ze daar, waar men aan God noch gebod doet. Hij laat Nebukadnezar als het ware zijn gang gaan. En zo gebeurt het. In vers drie en vier lezen we: En de koning zeide tot Aspenaz, den overste zijner kamerlingen, dat hij voorbrengen zou enigen uit de kinderen Israëls en dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeeën. En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings.

Satan pleegt hier als het ware een aanslag op gedoopte kinderen, op gedoopte jongeren. Wat zouden die vier vrienden nog meer willen? Een prachtige positie in het vooruitzicht, een toekomst in Babel die volledig openligt. Geen ouderogen. Je kunt je gang gaan, je hart ophalen. Alle remmen kunnen los. En toch loopt het niet zo.

Er zijn veel jongeren die als het ware zijn ondergedoken in die Babelcultuur. Maar die vier vrienden mogen door genade staande blijven in de vreze Gods.

 

En wat doet koning Nebukadnezar nu? Hij doet er alles aan om ze te infecteren, om ze te beïnvloeden. Druppeltje voor druppeltje.

Drie dingen heeft de koning bedacht. Welke zijn dat?

Wel, ze moeten anders gaan weten, anders gaan eten, en anders gaan heten.

Ze moeten anders gaan weten. Want wat staat er in het vierde vers?

En dat men hen onderwees in de boeken en spraak der Chaldeeën. Ja, die jongens zijn in gevaar. In de kanttekening staat dat ze naar ziel en lichaam in het grootste gevaar zijn.

Jongelui, de satan loert op jullie. Onze oudjes zeiden wel dat hij de ene keer op klompen komt, dan hoor je hem aankomen, maar een volgende keer loopt hij op zijn sokken. Dan is hij het gevaarlijkst. Een briesende leeuw hoor je aankomen, maar als de satan zich aandient als een engel des lichts, dus godsdienstig, is hij vele malen gevaarlijker. Dat brengt hij in Babel in de praktijk.

 

Ze moeten anders gaan weten. Ja, die vier vrienden wisten veel; ze waren onderwezen in het Woord. Ze hadden op de catechisatie gezeten, zouden we zeggen. Of op een vereniging. Ze zijn onderwezen in de Thora, in de wet, ze hebben onderwijs gekregen over hoe de Heere werkt in het leven van zijn volk…

Maar nu wil Nebukadnezar dat het anders wordt. Hij wil ze als het ware onderdompelen in allerlei kennis. Ze worden onderwezen in de boeken, zo lezen we. Het is de bedoeling dat ze hun opvoeding vergeten, zodat er een streep door gaat en ze zullen zeggen: ‘Wat mijn godvrezende ouders geloven en waarover mijn opa en oma spreken is allemaal oubollig. Niet meer van deze tijd. De bijbel? Er zijn zoveel boeken…’

Dus krijgen de jongens les in wiskunde, sterrenkunde, bouwkunde, medicijnen en allerlei wetenschap. Ze volgen allerlei colleges daar aan dat hof; ook vakken die wij onze kinderen niet zouden willen laten volgen. Magie, occultisme, wichelarij…

Vooral om die laatste lessen was het de koning te doen. De wet van God, in het hart geschreven, moest zo snel mogelijk uitgewist en vergeten worden. Want in het Babel der zonde gelden andere regels. In Babel is mijn wil wet…

Ouders, wat komt dat dichtbij. Laten we ons nog leiden door het Woord? Laten wij ons – ik zeg dit ook tegen mezelf – nog leiden door die goede, heilige en volmaakte wet Gods? Of zeggen we: ‘Ik vind dit en ik vind dat?’

 

Welnu, Nebukadnezar wil die jongelingen dus doordrenken met een wereldse geest. Met de geest van de tijd. Ze moeten alles overboord gooien.

Beste vrienden, dat doen jullie toch niet? Als je wellicht ga studeren, gooi je toch niet alles overboord? Het is toch geen ballast? Blijf toch bij Gods Woord en de belijdenis van de kerk. Daar vaar je wel bij. De satan is er immers op uit de geloofsleer naar de achtergrond te laten verdwijnen. Want dogmatiek, dat is allemaal geesteloos. Het gaat toch om het gevoel? Gemeente, het is de satan die u influistert dat u er zich goed bij moet voelen. En als dat niet zo is, als de prediking niet meer goed aanvoelt, dan ga je toch naar een andere kerk?

Zo is nu de satan, gemeente. Ik moet me er goed bij voelen en ik voel me niet meer thuis in deze kerk. Ik voel me niet meer fijn, onder de prediking. Nee? Dan ga je toch naar een andere kerk? Het moet toch makkelijker kunnen en je moet toch je eigen leven kunnen leiden?

 

In vers 4 staat dat Nebukadnezar hen onderwees ‘in de boeken’: de spraak der Chaldeeën. Die jongens moeten dus een andere taal, de taal van de Babyloniërs, gaan spreken. Ze kunnen de taal van hun volk beter maar achter zich laten. Want daar kun je niet mee uit de voeten in Babel. Dan kun je je niet verstaanbaar maken. Die taal begrijpt immers niemand. De spraak der Chaldeeën… Dus die vier vrienden moeten zich volledig gaan aanpassen aan het leven en de taal van de inwoners van Babel. Dat is het doel!

Even terzijde, kent u die taal van Kanaän nog? De Tale Kanaäns, de taal van de Schrift? De taal naar Gods Woord?

Jongelui, het is zo belangrijk dat we iets verstaan van die taal. Die taal naar Gods Woord moet uitgelegd worden. Daarom zitten we in de kerk. We hebben een uitlegger nodig. Het is de taak van Gods knechten om woorden die moeilijk zijn, zoals gerechtigheid, niet weg te vertalen, maar uit te leggen. Ook woorden als heiligheid. En de toorn Gods, wat wordt daar precies mee bedoeld?

Gemeente, u begrijpt toch wel wat ik bedoel? Laat de taal van Kanaän onder ons niet in onbruik raken. De satan is erop uit die taal naar de achtergrond te dringen!

 

Anders weten… Die jongelingen moeten ook anders eten. Lees maar in vers 5: En de koning verordende hun, wat men ze dag bij dag geven zou van de stukken der spijs des konings, en van den wijn zijns dranks.

Jongens, dat voedsel van Babel… Die overvolle tafels. Buitengewoon! Ze kunnen zo aanschuiven. Je zou haast vergeten een zegen te vragen. Zo lekker ziet het er allemaal uit…

Maar wat zeggen die vier vrienden?

‘Wij eten niet van die tafel!’

Je zou toch zeggen dat dit een meevaller is. Ze hadden net zo goed op water en brood in de gevangenis kunnen zitten. De wijn vloeit rijkelijk. Ze kunnen eten wat ze willen.

Maar, ze weigeren…

 

Drie jaar lang moeten de drie vrienden dat voedsel nuttigen. Waar was dat voor nodig?

Opdat ze gezond voor de koning zouden staan, zo lezen we. Maar er zit natuurlijk meer achter.  

Maaltijden zijn over het algemeen gezellig; je ontmoet elkaar, je praat met elkaar. Juist dat beoogt de koning. Aan de tafel van Babel kunnen ze op deze wijze beïnvloed worden.

Zo moet de band met het Joodse volk, en met de God van dat volk, doorgesneden worden.

U begrijpt wel, ze krijgen daar heel ander voedsel. Er wordt hen onrein voedsel voorgezet. Alles wat het volk niet gewend was, werd gegeten. Ook als dat tegen de spijswetten van Mozes inging. Maar… Daniël wil zich niet verontreinigen. De vier vrienden kunnen er niet van eten!

Dus anders weten, anders eten. Zeg, eet jij ook van die tafel, de tafel van de duivel? Hij schotelt van alles voor, jongens en meisjes. Echt waar. En hij zegt: ‘Het smaakt best, en als je ervan gegeten hebt, dan wil je steeds meer, je raakt nooit verzadigd. Nooit, tot in der eeuwigheid niet.’

 

Ze moeten ook anders heten, zo lezen we. Ze hadden van die prachtige joodse namen:

Daniël: mijn God is Rechter. Het woordje ‘el’ in zijn naam betekent: God.

Hananja: de lettergreep ‘ja’ komt van JAWEH; de naam HEERE in hoofdletters geschreven. Hananja betekent: God is genadig. De naam van God klinkt erin door.

Misaël betekent: God is sterk.

Azarja: God is een helper. Ook zijn naam moet veranderen, want de naam van God moet uitgewist worden. Niets mag herinneren aan Kanaän.

En dus krijgen ze andere namen; ze worden vernoemd naar de goden van de Babyloniërs. De afgod Bel, de afgod Sach en de afgod Nego.

Daniël wordt Beltsazar genoemd.

Hananja wordt Sadrach.

Misaël krijgt de naam Mesach.

En Azarja heet nu Abed-Nego.

Dus in plaats van de naam van God komt er nu in hun naam een afgodsnaam voor.

Gemeente, verstaat u er iets van? De namen van de jongens veranderden wel, maar Zíjn naam niet. Zijn trouw ook niet. Niet alleen verleiding, maar ook genade. We lezen dat immers in vers 8: Daniël nu nam voor in zijn hart, dat hij zich niet zou ontreinigen met de stukken van de spijs des konings, noch met den wijn zijns dranks; daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

 

Daar zitten die jongens. Wat een moeilijke situatie. Wat een verleiding, wat een verzoeking. Ach, wie kan dan staande blijven? Ouders, misschien houdt u uw hart wel vast als het gaat over uw kinderen. Maar put eens moed uit deze geschiedenis. Zulke jongeren zijn er ook nu nog. Gelukkig wel. Door Gods genade, door vrije gunst alleen.

 

We letten nu op het woordje:

 

2. Genade

 

Daniël nu nam voor in zijn hart, staat er in het achtste vers. Een voornemen dat bij God vandaan komt. Een eenzijdig Godswerk. Door de Heilige Geest in zijn hart gewerkt.  Jongens en meisjes, Daniel had een nieuw hart, een hart dat God vreesde. Hij nam voor in zijn hárt staat er. Nu komt openbaar wat Gods dienst inhoudt; het is een zaak van het hart.

We zien dat Godsvreze standhoudt, godsdienst houdt het daarentegen niet vol in Babel. Als eenling in de massa ga je zo ten onder. Maar Godsvreze is blijvend als de Heere de beoefening ervan schenkt.

Daniel nu nam voor in zijn hart. We nemen ons ook wel eens wat voor. Dan zeg je: ‘Ik ga stoppen met roken.’ Maar drie weken later rook je weer. Onze voornemens? De weg naar de hel is geplaveid met goede voornemens. Maar zo ligt dat niet bij Daniël. Hij heeft een standvastig voornemen. Het is een besluit van zijn ziel om van de wet van God niet af te wijken, om staande te blijven, en trouw te blijven aan God en Zijn eer.

 

Gemeente, er is toch hier nog wel een volk bij wie de eer van God nog weleens weegt? Echt waar. Dat is niet elke dag zo. Maar als het dan zo is, dan zeggen ze: ‘Heere, wat zult U met Uw grote Naam doen? Mag ik dan ter rechter tijd een woord krijgen om te spreken? Heere, schenkt U mij dan wat nodig is, want ik ben tot alles in staat en ik struikel in vele.’

Als de Heere dat door Zijn Geest in hun ziel werkt, worden ze niet beschaamd. En zo is Daniel met zijn God ook niet beschaamd uitgekomen. Ook zijn vrienden worden niet teleurgesteld. ‘Ik heb mij in mijn nood aan God verbonden, en heb een hoog vertrek gevonden.’ De Heere laat ze niet staan en niet gaan.

Zij verontreinigen zich niet. Aan het slot van vers 8 staat het nog een keer. Hoe men ook aandrong toe te tasten, de vier vrienden, gemeente, staan in de mogendheden des Heeren Heeren.

 

Het is een wonder dat Daniël ‘nee’ mag zeggen. En wij? We zeggen zo graag ‘ja’ tegen de wereld. In het Paradijs was dat al zo. Die keus wordt dagelijks bevestigd wanneer we ‘ja’ zeggen tegen de zonde.

Maar Daniel verkiest door genade de Heere tot zijn deel, tot een eeuwig goed. Hoe doet Daniel dat? Weigert hij dat voedsel zonder meer? Punt?

Nee, dat staat er niet in vers 8. Daarom verzocht hij van den overste der kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

Hij heeft zijn weigering dus toegelicht. Jongelui, dat valt niet mee in de bouwkeet. Het is op de kansel in een zwart pak, gemakkelijk gezegd. Maar het valt niet mee op je werk, in het bedrijf.

Overal op tegen zijn, maar leg je het wel eens uit? Als het om het christelijk geloof gaat weten zo weinig mensen waarom het gaat. Waarom vloeken zo Godslasterlijk is. In zo’n land leven we.

Maar Daniel heeft het uitgelegd. Ouders, het is zo belangrijk om de dingen vanuit het Woord aan je kinderen door te geven. Bij Daniël zien we dat waar de Heere hem ook stelde, het lag in zijn hart, en zijn voornemen was om bij de Heere te blijven. Het onreine wees hij af. ‘Geef ons maar van het gezaaide, gerst, erwten, brood… Dat is meer dan genoeg.’

Maar Daniel, je mag toch wel wijn drinken? Salomo wijst dat toch ook niet af?

Misschien dat Daniel zijn eigen hart wel kende: het blijft vaak niet bij eentje. Misschien dat Daniel besefte, dat als het een keertje niet goed gaat, de Naam van God door het slijk zou gaan. Zo teer lag het in zijn ziel. Nee, niet doen.

En wat lezen we dan?

En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.

Dus hij dwong respect af. Er ging wat van hem uit. Je kon het zien aan Daniel; wat hij zei deed hij ook. Woord en daad gingen samen op. Kijk, we moeten dus niet vreemd doen, maar wel vreemdeling op deze aarde zijn. Ons niet aanpassen en meegaan met de wetten van de wereld. De psalmdichter zingt: ‘Hij die op U vertrouwt, Uw wetten onderhoudt, vindt daarin grote loon.’

 

Jongelui, deze vier vrienden waren de beste vrienden die je hebben kan. In hoofdstuk 2 lees ik dat ze samen hun knieën gebogen hebben. Waarom vroegen zij? In vers 18 lezen we: Opdat zij van den God des hemels barmhartigheden verzochten over deze verborgenheid.

Ik weet niet wie je vrienden zijn, maar zeg me eens wie het zijn. Daniel was ver van huis. Hij vierde geen feest. Hij zette de bloemetjes niet buiten. Nee, hij ging op zijn knieën.

Je zegt nu zeker: ‘Dominee, dat vind ik nogal vroom, hoor.’

Dat is nog waar ook. Het waren vier vrienden met een nieuw hart. Het waren vrienden, die door God tot God bekeerd zijn. En die konden het niet laten om de genadetroon te bestormen.

In de Bijbel staat weinig of niets over hun bekering. Maar uit hun leven en de vruchten is duidelijk dat ze Godsvreze mochten beoefenen. Het Woord was hun lief, de dag van God was hun lief, de Naam van God was hun lief.

De vier vrienden mochten staande blijven. Daniel bleef trouw. Hij protesteerde niet toen hij een andere naam kreeg. Hij bleef niet weg van de colleges en verzuimde geen lessen. Dat had hij kunnen doen. Maar als het gaat over de wet van God, dan staat hij pal voor de waarheid en dan wijkt hij geen millimeter. Dan geeft hij geen vinger, om daarna een hele hand te geven.

 

Gemeente, wat een lessen! Ook voor onze tijd, voor ouders, voor leerkrachten, voor ambtsdragers. Daniel is consequent. Aan het hof weten ze wat ze aan hem hebben. Over die Daniël kun je veel zeggen, maar hij is betrouwbaar en leeft naar de geboden van zijn God. Dat blijkt wel als hij straks in de leeuwenkuil gegooid wordt.

Daniëls vrienden evenzo; ze vallen hem niet af. Het is verdrietig als je vrienden je in de steek laten, of je voorgaan in de zonde. Maar de vrienden van Daniël mogen iets ervaren van Gods genadige tegenwoordigheid waardoor ook zij staande blijven. Laten wij dan ook maar trouw zijn op de plaats waarop de Heere ons stelt: in de collegezaal, op de steiger, of waar dan ook.

Ik weet wel, oprecht zijn en niet meedoen is niet zo gemakkelijk.  We doen zo graag mee. Maar de Heere zegt: ‘Mijn volk zal alleen wonen.’ Vroeger zeiden de oude vromen weleens – misschien klinkt het wat ouderwets – dat een kind van God herkenbaar is aan praat, gelaat en gewaad.

Aan onze praat, aan onze gesprekken, is te horen dat we anders zijn dan de wereld. Niet beter, maar anders. We staan niet boven de wereld, we gaan niet preken.

Ons gelaat… De ernst van de eeuwigheid is weleens van het gezicht af te lezen. Nee, niet door met je gebogen hoofd te lopen, te steunen en te kreunen, want dat is niet zo moeilijk.  

Ons gewaad… Ook aan uw kleding is het te zien als u de Heere en Zijn dienst een warm hart toedraagt.

Praat, gelaat en gewaad. Maar denk ook aan de daad: een voorbeeld zijn voor een ander; onze daden zeggen soms meer dan woorden.  

U zegt: ‘Daartoe ben ik geheel onbekwaam…’

Maar wat staat er?

En God gaf Daniël genade en barmhartigheid vers 9. Dan draag je het lampje op je rug. Zelf zie het niet eens. Anderen verspreiden dan wel eens een goed gerucht.

‘Maar dat is toch onmogelijk? Dat kan toch niet in eigen kracht?’

Nee, dat kan inderdaad niet. Daarom gaan we samen met de kinderen psalm 81 vers 12 zingen:

 

Opent uwen mond;                                                                                   

Eist van Mij vrijmoedig,

Op mijn trouwverbond;

Al wat u ontbreekt,

Schenk Ik, zo gij 't smeekt,

Mild en overvloedig.

 

Vier vrienden in Babel. Verleiding en genade. Ten derde denken we na over het woordje:

 

3. Zegen

 

De vier vrienden moesten meedoen, maar bleven staande. En nu de zegen: de Heere komt erin mee.

Als we eenmaal meegaan, is het einde zoek, dan bevinden we ons op een hellend vlak. Maar Daniël en zijn vrienden blijven door genade staande. Dat kost wel de nodige uitleg en overredingskracht. Daniel spreekt daarover in vers 12: Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.

Daniel zegt dus tegen de overste van de kamerlingen: ‘Geef ons een proeftijd van tien dagen en laat ons in die tijd van het gezaaide, rein voedsel, eten en geef ons maar gewoon water om te drinken. U zult zien dat we gezond blijven en vitaal.’

We lezen in vers 14 dat de overste toestemt: Toen hoorde hij hen, en beproefde hen tien dagen. De man was aanvankelijk niet zo gewillig, want hij zei: ‘Dat kan me mijn leven kosten, dat kan me mijn hoofd kosten.’ Dat staat in vers 10: Alzo zoudt gij mijn hoofd bij den koning schuldig maken. Hij is bang voor de grilligheid van koning Nebukadnezar.

Maar wat lezen we dan in vers 15?

Ten einde nu der tien dagen, zag men, dat hun gedaanten schoner waren, en zij vetter waren van vlees dan al de jongelingen, die de stukken van de spijze des konings aten. Dus, kinderen, die vier vrienden zagen er na die tien dagen beter en knapper uit dan degenen die van dat heerlijke voedsel van de koning hadden gegeten. Men heeft het voor hun ogen neergezet, die drank, die wijn, dat lekkere voedsel, maar ze hebben niet één keer toegetast. Ze hebben afwerend gereageerd. Dat hoeven we niet, dat mogen we niet en dat willen we niet. Toen geschiedde het, dat Melzar de stukken hunner spijs wegnam, mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.

 

Jongelui, de vier vrienden aten niet van de lekkernijen van Babel. Nu denk je misschien: Je mag ook niks. Maar de vrienden willen het niet. Want in hun hart lag: ‘Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.’ De Heere staat garant voor zijn werk, hij zorgt als een koning voor zijn onderdanen, veel beter dan de wereld en de duivel voor hun onderdanen. Die maken van hun buik een god, en ze moeten alles achterlaten. Maar Uw gunst sterkt meer dan de uitgezochtste spijzen. Dan kun je toch veel beter van de tafel van de Heere eten, van de Evangelietafel? Liever van de Verbondstafel dan van de tafel waaraan je alleen maar van honger omkomt.

 

Na drie jaar – vers 18 – moeten de vier vrienden examen gaan doen. Daar staan ze voor koning Nebukadnezar. De koning gaat met hen in gesprek. Hij ondervraagt hen ‘in alle zaken der wijsheid’. Hij vuurt allerlei vragen op hen af. Misschien wel strikvragen.

Hoe loopt het af?

Ze weten alle vragen te beantwoorden. Ze zijn tienmaal verstandiger dan de tovenaars en sterrenkijkers van heel het land. En ze zien er knapper uit dan wie ook!

Gemeente, zo handelt de Heere. Hij maakt af wat hij begon. De werelddienst verteert een mens. De werelddienst vraagt al mijn krachten, maar die liefdedienst, o, die geeft me alles, wat ik nodig heb. Die maakt groen en fris en vernieuwt mijn jeugd als die van een Arend.

Ik zeg het nog wel eens. Vroeger was de slogan van de marine: Zorg dat je erbij komt! Maar zorg ervoor dat je bij de Heere komt. En vraag dan: Heere, leer mij de weg door U bepaald, en leer mij naar Uw wil te handelen. Dat valt niet tegen, echt niet. O, de vreze des Heeren is het beginsel der wijsheid.

De koning staat er versteld van. De vrienden mogen als het ware de gestalte van Christus beoefenen, die vol wijsheid was en die toenam in wijsheid bij de mensen. Ze mogen iets van Zijn beeld vertonen. De dichter zingt ervan: ‘Wat vree heeft elk, die Uwe wet bemint.’

 

Nee, het zijn geen wettische jongens, maar ze leefden wettig, naar het Woord van God. Wettisch is zonder liefde, maar wettig is gedrenkt in de liefde. Kom, weegt de eer van God in uw leven? Weegt de Naam des Heeren, de zaak van de grote Koning, als u op uw werk of waar dan ook bent?

‘Heere, spreek ik waar ik zwijgen moet, en zwijg ik wanneer ik spreken moet?’

U moet maar niet denken dat een dominee dat nooit heeft, hij komt ook weleens beschuldigd thuis van een bezoek in het ziekenhuis, of weleens uit een winkel waar hij zijn mond heeft gehouden.

We zijn zo benauwd om voor de Naam des Heeren uit te komen. Voor de zaak van God. Wat is getrouwmakende genade en verootmoediging toch zo nodig. O, de wereld schaamt zich nergens voor, het moet allemaal kunnen. Moeten wij ons dan schamen voor onze Koning? Wat zijn we toch bevreesd!

Maar gelukkig zijn er ook mensen die het mogen proberen, elke keer opnieuw. Die mogen zeggen: ‘Als ik ‘s morgens naar mijn werk ga, dan buig ik mijn knieën. Heere, och schonk Gij mij de hulp van Uwe Geest.’

Jongelui, doe dat ook maar. Ik weet wel dat dit niet meevalt. Als iedereen ‘ja’ knikt en ‘ja’ zegt, als ze allemaal naar de drankkeet gaan, als ze allemaal naar radio 5-3-8 (vijf-drie-acht) luisteren, dan moet je er toch ook over mee kunnen praten? En als het weer WK of EK is, of hoe het allemaal ook heet, dan moet je toch ook op de hoogte zijn, dan kun je toch geen ‘nee’ zeggen?

Nee? Maar ik geloof niet dat Daniel daaraan meedeed. Ik weet het wel zeker. Die was daar niet te vinden, en daarom, kom, onderwerp je aan Gods wet. Niet alleen op zaterdag maar ook doordeweeks. Ook met mediagebruik.

 

Jongens, meisjes, wat komt er veel op jullie af, maar de God van Daniel leeft nog! Er zijn nog van die Daniels die zeggen: ‘Heere, ik weet niet hoe ik het tegen mijn vrienden moet zeggen. Maar het gaat niet meer, de brug is opgehaald en ik weet niet hoe ik verder moet.’

Kom, luister, deze God leeft nog, en Hij maakt nog getrouw. Hij deelt nog genade uit. Bij Hem is des Geestes te overig. God zal zijn waarheid nimmer krenken.

‘Maar ik zie er niets van.’

Nee, inderdaad, soms niet. Maar er zijn gelukkig nog jonge vrienden en vriendinnen die hun Bijbel lezen, dat weet ik zeker. Jongeren die hun knieën buigen en die voortdurend vragen: ‘Heere, zou U mij willen bekeren, zoals U Uw volk bekeert? Zou U me genadig willen zijn en goed, net als die vier vrienden?’

Kom jongelui, je kan er nog bij. Er is nog plaats. En als er veel schuld ligt in je leven, zoek het maar bij Daniels God.

Wat moet ik dan zeggen?

‘Verzoen de zware schuld, die mij met schrik vervult, en bewijs mij eens genade.’

 

Gemeente, er komt een einde aan die verdrukking van tien dagen. Daniel mocht dienen tot koning Kores kwam. En toen werd het volk naar Sion teruggebracht. Degenen die God mogen vrezen zullen dan met gejuich wederkeren tot Sion. Verlost van alles; ook van te weinig spreken, te weinig Gods eer bedoeld te hebben. Want dan zullen ze God verheerlijken tot in der eeuwigheid en dan zal het waar worden: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.’

 

Amen.

 

Psalm 113 vers 3 en 4:

 

Wie is gelijk aan onzen Heer’?

Aan God, Die, tot Zijn eeuwig’ eer,

Zijn troon gevest heeft in den hemel?

daar Hij ’t wereldrond gebiedt,

Van Zijnen hogen zetel ziet

Op ’t laag en nietig aards gewemel?

 

Wie is aan onzen God gelijk,

Die armen opricht uit het slijk?

Nooddruftigen, van elk verstoten,

Goedgunstig opheft uit het stof?

En hen, verrijkt met eer en lof,

Naast prinsen plaatst en wereldgroten?