Ds. D.W. Tuinier - Filippenzen 1 : 21

Het leven en sterven van Paulus

Levensdoel
Stervenswinst

Filippenzen 1 : 21

Filippenzen 1
21
Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 42: 5
Lezen : Filippenzen 1: 12 - 26
Zingen : Psalm 91: 1, 5 en 7
Zingen : Psalm 84: 4
Zingen : Psalm 68: 2

Geliefde gemeente, Gods boodschap komt tot ons vanuit het Schriftgedeelte dat u zojuist is voorgelezen uit Filippenzen 1. Ik stel voor dat we met elkaar nog eens vers 21, onze tekst, lezen:

 

Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.

 

Het thema van de preek is: Het leven en sterven van Paulus.

Wij hebben twee aandachtspunten:

1. Levensdoel.

2. Stervenswinst.

 

1. Levensdoel

 

U moet niet denken dat in onze tekst een moedeloze en ontroostbare man aan het woord is. Hoewel de omstandigheden, waarin hij zich bevindt allesbehalve rooskleurig zijn, is de apostel goedsmoeds.

Gods knecht en kind bevindt zich in de gevangenis in Rome. Hij is gearresteerd, beschuldigd en gevangengezet. Maar dan verwachten we toch een klaagzang? Paulus weet immers niet wat er boven zijn hoofd hangt. Hij kan niet gaan en staan waar hij wil. Toch horen we geen klaagzang, integendeel. Nee, dat heeft hij niet aan zichzelf te danken. Het is vrucht van het werk van God de Heilige Geest.

 

Paulus is ervan overtuigd dat zijn werk in de gemeente van Filippi niet vruchteloos is geweest. U leest dat vanaf vers 12. Gods knecht roept de Filippenzen op niet al te verdrietig zijn. Dankbaarheid, vreugde en verwondering voeren de boventoon in zijn ziel. Want al wordt hij als goud beproefd in de smeltkroes van de verdrukking, de Heere heeft daarmee Zijn wijze bedoelingen. Hij zorgt voor vrucht. Daarom is het Zijn knecht tot blijdschap om smaadheid te dragen om de naam en de zaak van Zijn Meester en Koning.

God staat voor Zijn eigen werk in. Wat er ook gebeurt, wat er ook met Paulus zal gebeuren, het is goed wat in Gods raad besloten is. Hoe de toekomst eruit zal zien weet Paulus niet. Het hoeft ook niet, als Christus maar zal worden groot gemaakt. Hier ziet u wat Gods genade vermag. Paulus is een kind van God, die hoge en goede gedachten van zijn Koning koestert en geringe gedachten van zichzelf. Christus is zijn leven geworden.

 

Gemeente, onze tekst volgt op vers 20. Daar zien we Paulus in de banden zitten, zingend en jubelend, getuigend van de hoop die in hem is. Hij heeft maar een verlangen: dat Christus alle eer ontvangen zal. Eén ding begeert hij. Dat zal hij zoeken: dat Zijn Meester en Koning zal worden groot gemaakt in zijn lichaam, in zijn leven en in zijn sterven: Want het leven is mij Christus en het sterven is mij gewin.

Paulus, wat bent u gelukkig. Dan kun je zelfs in de gevangenis zitten. Ja, in de grootste smarten, blijven onze harten, in de Heere gerust.

De gevangenis ervaart Paulus als een Bethel. De hemel daalt laag af. Het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij God te zijn, zingt de apostel met Asaf in Psalm 73. ‘k Vertrouw op Hem, op Hem alleen. De Heer’ wiens werk ik roemen zal.

 

U weet wel dat Paulus, naar de mens gesproken, een zwaar leven heeft gehad. Er ligt een veelbewogen leven achter hem. Hij heeft zelfs schipbreuk geleden. Op een gegeven ogenblik is hij in Rome terechtgekomen en gevangengezet. Toch schrijft hij: ‘Filippenzen, mijn leven is geen verloren leven, hoor! Heb geen medelijden met mij! Door goddelijke genade is mijn leven rijk gezegend en Gods genade schittert erin. Mijn leven is Christus. Mijn levensdoel is Christus.’

Dat is niet altijd zo geweest. Nee, God is in Paulus’ leven gekomen. Hij is hem te sterk geworden. Hij heeft hem in Zijn eeuwige en eenzijdige zondaarsliefde opgezocht en stilgezet, naar Zijn welbehagen. U kent die geschiedenis wel. God arresteerde Paulus, op de weg naar Damaskus. Toen heette hij nog Saulus. De leeuw werd een lam. Een vijand veranderde in een vriend en als vrucht van het wederbarende werk van de Heilige Geest werden gebalde vuisten gevouwen handen. 

Op het moment dat God hem neervelde, was er geen sprake van leven. Nee, daar ligt hij, dood in zonden en misdaden, neergeveld, gearresteerd. Een verloren mens voor God. Het is voor Paulus een levende werkelijkheid. ‘O God, ik ben zo ongelukkig, ik ben zo arm. Ik ben onbekeerd. Ik sta schuldig aan Uw geboden, ondanks mijn godsdienstige en wettische ijver. Uw wet klaagt mij aan en veroordeelt me. Als U in het recht treedt, hoe zal ik voor U kunnen bestaan?’

 

Gemeente, het wordt nood voor Saulus. Ook al hoort hij op de weg naar Damascus voor het eerst in waarheid de stem van Jezus Christus, hij kent Hem niet. Ja, Saulus ontmoet Hem als hemelse Rechter: Saul, Saul wat vervolgt gij mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan. Zijn blinde zielsogen gaan open, zijn natuurlijke ogen gaan dicht. Hij wordt totaal afhankelijk, als een blinde naar een huis geleid, het huis van Judas, in de straat De Rechte, in Damascus. Daar ligt hij te worstelen. Daar piept hij als een zwaluw en kirt hij als een duif vanwege de nood van zijn ziel. ‘Uit de diepten roep ik tot U, O God.’

Maar God, in Zijn grote barmhartigheid en ontferming in Jezus Christus, stuurt dan zijn knecht Ananias naar Saulus toe. Deze predikt hem de enige Weg van heil en behoud. In korte tijd openbaart Gods Geest hem Christus. Het leven is hem Christus geworden. Het is hem geopenbaard. Het is hem geschonken. Het oude is voorbijgegaan. Het is alles nieuw geworden.

Dat Godsbegin is zo wezenlijk! De wereld zegt: begin goed, al goed. Zo is het zeker ook in het geestelijke. U ziet het bij Paulus. Als het God behaagt Zijn Zoon in hem te openbaren, predikt hij al vrij spoedig daarna Christus. Het leven is hem Christus geworden. Geworden! Daarin is de mens lijdelijk. Het ware geloof is een gave Gods. Dat blijft het!

 

Als de apostel de woorden van onze tekst schrijft is hij inmiddels rond de 50 jaar oud. In de achterliggende tientallen jaren heeft hij, wat zijn zielenleven betreft, veel geleerd. En wellicht nog veel meer afgeleerd! Dat kunt u weten uit zijn brieven, die hij heeft geschreven. Geliefden, als uw leven Christus is, dan is daaraan een weg voorafgegaan. Met alles wat van uzelf is komt u midden in de dood terecht. Het is dezelfde Paulus, die in de Romeinenbrief schrijft Wie God is, en wie de mens in Adams diepe val in het paradijs is geworden.

De apostel beschrijft echter ook wie de mens blijft na ontvangen genade. Hij schrijft in Romeinen 7 over zijn geloofsstrijd: ‘Als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij nabij. En het kwade wat ik niet wil doen, dat doe ik. Ik ellendig mens wie zal mij toch verlossen van het lichaam der zonde en des doods?’

We horen het Paulus zeggen: ‘Ik sterf elke dag.’ Sterven aan de zonde, sterven aan zichzelf, sterven aan alles wat geen God en wat geen Christus is. De apostel wordt afgebroken. Dat doet pijn. Dan moet u alles loslaten en alles van uzelf kwijtraken. Maar Gode zij dank, u krijgt er veel meer voor terug. U krijgt er alles voor terug. Dat is werkelijk leven!

Wat is de oorzaak van dat leven?

Wel, in dat stervende leven ligt het opstandingsleven uit Hem, Jezus Christus, Die van God de Vader gegeven is om de dood teniet te doen, en het eeuwige zalige leven aan het licht te brengen. In de brief aan de Galaten schrijft de apostel immers: Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, Die mij liefgehad heeft en Zichzelven voor mij overgegeven heeft (Gal.2:20).

Ziet u, dat heeft Paulus geleerd. Hij is met Christus gekruist. Hij is één been van Hem geworden, één plant met Hem; in de gelijkmaking van Zijn dood en de gelijkmaking van Zijn lijden, maar ook in de gelijkmaking van Zijn opstanding. Dat is het wonder! Christus leeft in Zijn kind en knecht. Hij wordt door Christus’ Geest geregeerd. Hij heeft zeggenschap in zijn leven! Omdat de Geest van Christus in Paulus leeft, leeft hij voor Hem.

 

Geliefde gemeente, het gaat om u, om jou, persoonlijk. Mag ik eens vragen waar u voor leeft? Wat is uw levensdoel? Waarom bent u op deze wereld? Hoeveel tijd besteden wij aan ons werk, ons gezin, ons huis, onze hobby, carrière, studie? Het kan zelfs ook ambtelijk werk zijn. Maar hoeveel tijd besteedt u aan Christus? Is uw leven Christus? Kortom: Waarvoor leeft u?

Voor wie leven jullie, jongelui? Wie staat er op de eerste plaats? Met wie sta je ’s morgens op en met wie ga je ’s avonds naar bed? Jongens en meisjes, aan wie denk je het laatst, voordat je gaat slapen? Aan wie denk je het eerst, als je wakker wordt?

Paulus antwoordt op deze vraag: aan Christus.

Jonge stellen onder ons, als je verkering hebt en je houdt van elkaar, dan ga je voor elkaar, toch? Een meisje zegt van haar vriend: ‘Hij is mijn leven. Ik wil met hem mijn leven delen.’ Een jongen zal dat van zijn lieve vriendin zeggen. Maar Paulus zegt: ‘Christus is het leven van mijn leven geworden.’

U die de Heere kinderlijk vreest, hoe is het met u? U houdt in uzelf toch niets over? U kunt uzelf toch niet op de been houden met wat u in het verleden hebt ontvangen, hoe groot ook? U moet alles schade en drek achten om de genade en de uitnemendheid die er in Christus Jezus is. Daarom getuigt Paulus: Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Dat woordje mij – persoonlijker kan het niet.

 

Nogmaals: Wie is de inhoud van uw leven? Wie is de grote inhoud van jouw hart en leven, jonge mensen? Je studie? Uw zaak? Zijn uw gezin, uw kinderen en kleinkinderen alles voor u? Gaat u helemaal op in uw ambtelijke werkzaamheden? Is dat uw lust, uw leven, en uw alles?

Och, gemeente, de tekst stelt ons schuldig. Vlucht tot God, Die in Jezus Christus zondaren ontvangt. De God van Paulus is Dezelfde. Laat u waarschuwen. Laat u hartelijk en welgemeend nodigen om tot Hem te komen, Die in Christus op u wacht om u genadig te zijn. Het leven met en door Hem is een rijk gezegend leven. Het is een vruchtbaar leven. We gaan ervan zingen. Psalm 84 vers 4:

 

Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort;

Elk hunner zal, in 't zalig oord

Van Sion, haast voor God verschijnen.

Let, Heer’ der legerscharen, let

Op mijn ootmoedig smeekgebed;

Ai, laat mij niet van druk verkwijnen;

Leen mij een toegenegen oor,

O, Jacobs God, geef mij gehoor.

 

Het leven en sterven van Paulus. We hebben zijn levensdoel gezien en nu gaan wij letten op onze tweede gedachte:

 

2. Stervenswinst

 

Daar zit de apostel Paulus achter zijn schrijftafel: Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Een onbekende toekomst ligt voor hem. Het kan twee kanten uitvallen: als hij vrijgelaten wordt, betekent dat leven voor hem. Zo niet, dan zal hij sterven. God weet het.

In vers 23 begeert Paulus, door genade, ontbonden te worden en met Christus te zijn. Dat is hem zeer verre het beste. Wat een grote genade! Gods knecht en kind wil niets liever dan het anker van zijn levenschip ophalen en afreizen naar het hemelse Kanaän hierboven. Dan zal zijn geloof verwisseld worden in aanschouwen. Maar, zegt hij in vers 24: ‘Als de Heere het goed acht, dat ik nog een poosje op aarde blijf, dan is het ook goed. Hoe het ook gaan zal, ik geef het over in Zijn handen.’

Bent u niet jaloers op Paulus? Hoe het ook zal gaan, het leven is hem Christus en zijn sterven eeuwige winst. Hem is een beter lot bereid. Zijn heilzon zal gaan dagen.

Nee, Gods knecht is niet levensmoe, dit getuigt juist van levensmoed. Hij ontvangt genade om getroost te leven maar hij krijgt hier ook al stervensgenade. Natuurlijk heeft hij dat niet elke dag. Nee, het geestelijk leven gaat op en neer. Dikwijls meer neer dan op. Voor Paulus is het: Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.

 

Geliefden, wie wil er geen winst maken? Iedereen toch? Wanneer maakt u winst? Als u meer ontvangt dan iets heeft gekost. Wanneer maakt u geestelijk winst? Als u alles, ja, alles van uzelf kwijtraakt. Als u alleen maar schulden maakt, alleen maar verliest en meer en meer in de rode cijfers terechtkomt. Gods Geest leert u dat stervende leven om van uzelf en van alles en iedereen af te zien en op te zien tot Hem, de Heere Jezus Christus, Die rijk was en arm wilde worden om armen rijk te maken in Hem.

In dat stervende leven zit al in beginsel iets van erven. Sterven is erven. Dat wordt zo onuitsprekelijk groot voor u, dat u uitroept:

 

Geef mij Jezus of ik sterf.

Zonder Jezus is geen leven,

maar een eeuwig zielsverderf.

‘k Heb alles verloren,

maar Jezus verkoren,

Wiens eigen ik ben.

 

Sterven is loslaten. Sterven is afscheid nemen. Sterven is achterlaten. Maar Paulus zegt: ‘Voor mij is dat niet erg. Want ik ga erven. Ik houd alles over. Mijn leven is Christus. Daarom is mijn sterven eeuwige winst…’ Niets en niemand kan Paulus scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus, zijn Heere, is. Winst in een weg van verlies.

Maar het is gemakkelijker uitgesproken en bepreekt dan beleefd! We kunnen zo gemakkelijk spreken over ontdekking en een weg van afbraak en verlies, maar als Gods Geest het u persoonlijk leert, valt het niet mee voor uw vlees. Toch ontvangt hierin God de eer en krijgt de Middelaar waarde. Hem te kennen en vervolgen te kennen, is het eeuwige leven. Met Christus te zijn is een volkomen en eeuwige winst; hier op aarde in beginsel en in de hemel voor eeuwig. Verlost van de zonde, verlost van uw eigen verdorven natuur, verlost van uw ongeloof, verlost van uzelf. Dat is winst; eeuwige vreugde en blijdschap, delen in Gods gunst en gemeenschap. U zult dan Hem grootmaken en verheerlijken omdat God drie-enig u heeft gekend, bemind, verlost en toegebracht. Vanuit dit wonder zal Gods Kerk dan God alle eer toebrengen.

De engelen weten niet uit welke nood en dood zij verlost zijn. Zij kennen de vloek van de drievoudige dood niet. Maar Paulus en Gods kinderen weten van die grote, ondoorgrondelijke, eeuwige en eenzijdige zondaarsliefde. Zij bewonderen de Goddelijke barmhartigheid voor de grootste van de zondaren, aan hen bewezen in het offer van Zijn Zoon. Daarom zal het loflied van de triomferende Kerk nog dieper en intenser zijn. Zij zal de ontvangen eerkroon werpen aan de voeten van het Lam. De Borg een doornenkroon, zij de eerkroon. Toch zal Sions gezalfde Koning de kroon weer ontvangen. Hij zal alles zijn, in allen.

 

Gemeente, dit is het diepste verlangen van de apostel Paulus. Als het goed met u is, ligt hierin toch ook uw verlangen? Misschien zingen we soms wel heel gemakkelijk en gedachteloos het Lutherlied mee:

 

Delf vrouw en kinderen het graf.

Neem goed en bloed ons af.

Het brengt u geen gewin.

Wij gaan ten hemel in,

en erven koninkrijken.

 

Maar kunt u dat lied echt meezingen? Kinderen des Heeren, in de strijd, verstaat u de bruid uit het Hooglied: Trek mij Heere, dan zal ik U nalopen? Blijf maar aan Zijn voeten liggen, hoor. Verwacht het van Hem, van Hem alleen.

Geliefde gemeente, wat is uw levensdoel? Waarvoor leeft u? Voor Wie leeft u?  Pak elkaars handen eens vast en bidt! Nee, het hoeft geen lang gebed te zijn. Het hoeft ook geen mooi gebed zijn. Al is het maar een zucht… O God van Paulus, U bent Dezelfde, wilt U mij hiervan ook iets geven, uit louter genade, om Jezus ‘wil.

 

Amen.

 

Slotzang Psalm 68 vers 2:

 

Maar ’t vrome volk, in U verheugd,

Zal huppelen van zielevreugd,

Daar zij hun wens verkrijgen;

Hun blijdschap zal dan, onbepaald,

Door ’t licht, dat van Zijn aanzicht straalt,

Ten hoogsten toppunt stijgen.

Heft Gode blijde psalmen aan;

Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan;

Laat al wat leeft Hem eren;

Bereidt den weg, in Hem verblijd,

Die door de vlakke velden rijdt;

Zijn naam is Heer’ der heren.