Ds. L. Huisman - Jesaja 53 : 12

Onderwerp

Jesaja 53
De dood van Christus is de losprijs voor overtreders
Hoe Hij stierf
Voor wie Hij stierf

Jesaja 53 : 12

Jesaja 53
12
Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 22: 1 en 2
Lezen : Jesaja 53
Zingen : Psalm 69: 1 en 2
Zingen : Psalm 145: 2
Zingen : Psalm 31: 19

Geliefden, het Woord van God dat wij u vanmorgen willen prediken als voorbereiding voor het Heilig Avondmaal, vindt u in Jesaja 53 het twaalfde vers:

 

Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen, en Hij zal de machtigen als een roof delen, omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en Hij veler zonden gedragen heeft, en voor de overtreders gebeden heeft.

 

Deze tekst leert ons:

 

De dood van Christus is de losprijs voor overtreders.

 

Daarbij willen wij overdenken:

 

1. Hoe Hij stierf;

2. Voor wie Hij stierf.

 

Geliefden, dit is het aloude Evangelie. U kunt gerust zeggen – en ik zal het u niet tegenspreken – dat het opschrift boven deze preek en de twee aandachtspunten waarin deze preek is verdeeld eigenlijk boven elke preek kunnen staan. Want de inhoud van elke preek moet zijn: Jezus Christus en Die gekruisigd. De betekenis van Zijn dood en het antwoord op de vraag voor wie Christus stierf kun je boven elke preek zetten.

En toch, al is dit het aloude Evangelie, ik wil het u vanmorgen weer nieuw verkondigen. Want er is geen ander Evangelie! Er is onder de hemel geen andere Naam gegeven door welke wij zalig moeten worden. Ook in deze week van voorbereiding is er geen andere grond van verwachting. Er is geen andere hoop en er is geen ander uitzicht dan het offer van Christus.

 

Wij zijn gewend om in de week van voorbereiding ons hart extra nauwkeurig te onderzoeken. En dat is goed, maar dan ligt het vaak zo verankerd in onze wettische natuur. Want  in plaats van de grond van ons hopen en betrouwen direct te zoeken bij Hem, Die met Zijn volkomen offerande genoeg gedaan heeft voor al onze zonden, gaan we onze grond zoeken in enige waardigheid, in enige geschiktheid, in enige kenmerken en in enige andere grond in onszelf. Opdat we zo, steunende op wat we zijn en bezitten of op wat we ervaren hebben, toch enig vertrouwen zouden mogen hebben om welkom te zijn aan de dis des Verbonds.

Geliefden, dit is op een wettische wijze bezig zijn met het Evangelie van Gods genade. En op deze wijze komen we nooit tot de rust. Nooit! Op deze wijze kunnen we het misschien ver brengen. Dan kunnen we ons misschien in eigen oog wat opknappen door de ruwe takken van onze dagelijkse zonden in deze week wat af te kappen, maar we komen niet tot de vrijheid der kinderen Gods. We komen niet tot de blijdschap van het Evangelie van Jezus Christus. We komen niet tot de ruimte die er is in Zijn werk.

Want zolang we het zoeken in onszelf, geldt het woord van de apostel: ‘Is het uit de werken der wet of is het uit genade?’ Die werken der wet zijn dus niet alleen de farizeïsche levensopvattingen van ‘raak niet en smaak niet en roer niet aan’, maar ook de werkzaamheden der ziel waarin we steunen op vorige ervaringen van Zijn genade, zonder dat we direct die gemeenschap met Christus nodig hebben en beoefenen.

 

Ik zeg natuurlijk niet dat u niet steunen mag op wat God in uw leven gedaan heeft. O, we zouden in de wanhoop wegzinken, wanneer we niet wisten wat God in ons leven gedaan had! Maar die wetenschap mag niet los zijn van de gemeenschap met God. Die wetenschap mag niet iets zijn waarop u steunt zonder dat uw hart zich door het geloof verlaat op Hem, Die u die beloften schonk. Want juist de beloften van God die u met een gelovig hart mocht aannemen, díe moeten u in deze week opnieuw aanvuren en bemoedigen en opleiden tot Hem, Die ze gaf. Opdat u weder mocht keren – dat hebben we toch immers telkens nodig – tot Hem Die u riep. En opdat u zich zo opnieuw in Zijn gemeenschap verlustigen mag.

Als we dan weer terug mogen keren en Zijn stem weer horen, en als Hij ons van al onze dwaalwegen weer op het rechte spoor zet, dan is dit altijd weer het wonder dat al Zijn gaven die Hij ons in het verleden verleend heeft, zegeningen zijn die wij uit Zijn rechterhand verkregen hebben. Dan opent het de deur naar het vertrouwen, ook voor de toekomst. Dan mogen we gesterkt door Zijn spijs, door het eten van Zijn lichaam en het drinken van Zijn bloed, het hoofd weer omhoogheffen en weten dat onze verlossing nabij is.

 

Daarom, God geve dat we vanmorgen Zijn Woord zo mogen verstaan, dat we ons – vòòr alle dingen – mochten schuldig weten. En dat we in dat zich schuldig weten de toevlucht mogen nemen tot Zijn bloed, tot Zijn dood en tot Zijn gerechtigheid. En, geliefden, daar gaat de poort open, waar de dichter van Psalm 118 van zingt:

 

‘Dit is, dit is de poort des Heeren,

daar zal ’t rechtvaardig volk door treên,

om hunne God ootmoedig te eren,

voor ’t smaken van Zijn zaligheên.’

 

En zo krijgt God de eer. Want nog eens: als u uzelf in deze week een beetje opknapt, komt u er misschien goed af. En dan zegt u misschien volgende week zondagmorgen: ‘Gelukkig, ik had toch nog wat vrijmoedigheid om deel te nemen aan de bediening. Ik heb de Heere toch niet hoeven te verloochenen. Ik ben toch maar aangegaan.’ Maar dan bent u niet verblijd in de Heere. Dan bent u niet door de poort des Heeren binnengegaan. Dan bent u door de poort van uw eigengerechtigheid, van uw steunen en van het vertrouwen op iets wat in u is, binnengegaan. En dan kunt u ten hoogste tevreden zijn over uzelf. Maar u bent niet tevreden over uw God.

En nu geve God, dat u zó de week van voorbereiding mag ingaan en vervolgens aan de bediening van het Heilig Avondmaal mag deelnemen, dat u door die poort mag ingaan. Al houdt u dan niks meer over, dat is helemaal niet erg. Want wie de Heere tot zijn deel heeft, die heeft eeuwig alles, in dit en in het toekomende leven.

Nu, zo willen we dan deze tekst ook ontvouwen, tot heil van uw ziel en tot de verheerlijking van God.

 

1.

Jesaja heeft in het bijzonder de Christus getekend als de Koning van Sion, Gods Gezalfde, Die macht heeft over de ganse aarde, tot Wie alle volken zullen komen om aan te bidden en tot Wie alle natiën zich zullen richten om aan Zijn voeten om genade te smeken.

In dit hoofdstuk heeft Jesaja Hem ook in het bijzonder getekend als de Priesterkoning. O, zeker, Hij zal heersen. Want God zal Hem een deel geven van velen en Hij zal de machtigen als een roof delen. Maar dit zal Hij doen door Zichzelf in de plaats van Zijn schapen te geven en onder het strenge recht Gods verloren te gaan en zo Zijn ziel te stellen tot een schuldoffer. Hij zal dit doen om op die manier als een gift van de Vader de einden der aarde tot Zijn bezitting te verkrijgen. Jesaja tekent Hem als door de mensen wel veracht, maar bij God uitverkoren en dierbaar.

 

We staan eerst stil bij het middelste gedeelte van de tekst. Dus bij dat gedeelte waar staat: omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft in de dood. Want we zouden eerst zien hoe Hij stierf. Jezus Christus – want Hij is het, Die hier door Jesaja genoemd wordt – zal Zijn ziel uitstorten in de dood. Er staat: omdat Hij Zijn ziel uitgestort heeft. Dus Hij zal die machtigen krijgen en Hij zal een deel krijgen van velen, ómdat Hij er iets voor doen zal. Hij zal Zijn ziel uitstorten in de dood. De dood van Christus is bittere werkelijkheid geweest. Het hele leven, het geboren worden in Bethlehems stal, het hele lijden van de Heere Jezus Christus, Zijn diepe en zware gang door Gethsemané over Gabbatha naar Golgotha: het zou alles op een pure mislukking zijn uitgelopen, indien het lijden niet zou zijn geëindigd in de dood.

Want aan de gerechtigheid en aan de waarheid Gods kon niet anders genoeg gedaan worden dan door de bittere dood van de Zoon van God. God is rechtvaardig en dat laat Hij Zich door niemand ontwringen. Door geen vloeker en door geen bidder, door geen heiden en door geen christen. God laat Zich door niemand van Zijn wetten, van Zijn gerechtigheid afbrengen.

 

Het is goed dat we hier ten eerste bij stilstaan. Al krommen we ons in deze week als een rietstengel en al kruipen we zó op onze knieën dat het bloed zichtbaar wordt, het zal ons niet baten als een losprijs om ons te bevrijden van het oordeel, waaronder we gekomen zijn.

En nu moet u goed verstaan wat ik hiermee bedoel. Ik zeg dus niet dat uw bidden allemaal niet helpt. En dat uw schuldbelijdenis van geen enkele betekenis is. En dat uw hartelijk berouw toch niet bij God in aanmerking komt. Dat zeg ik met nadruk niet. Maar ik zeg dat al deze werkzaamheden die nodig zijn om vrede te krijgen met God, dat al deze werkzaamheden op zichzelf toch uw ziel niet in de vrijheid stellen. Daar is een hechtere grond, daar is een meerdere gerechtigheid voor nodig dan deze. En die gerechtigheid ligt buiten u, in het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt. Dat is de gerechtigheid die in de dood van Jezus Christus tot stand gekomen is. Daarom wil ik u daar in de eerste plaats bij bepalen, opdat u niet op een verkeerde plaats gaat zoeken. Hier moet u in de eerste plaats uw zaligheid, uw gerechtigheid zoeken. En dan zult u hier ook het verbroken hart vinden. Dan zult u hier ook een toegang vinden tot God met de ganse last van uw verloren leven. Dan zal door deze poort der gerechtigheid ook uw verloren ziel worden binnengedragen.

 

De dood van Christus was het noodzakelijke einde en die behoorde bij de borgtocht die Hij volbrengen moest. In de dood van Christus tekent God ons de vreselijkheid van de zonden en de diepte van onze zondeval. De dood van Christus roept radicaal: ‘Mens, bij u is het niet.’ Daarom moest Hij sterven. Zijn dood was de betaling aan het geschonden recht van God. Alleen door Zijn dood kon Gods aangezicht weer vriendelijk lichten over Zijn schepselen. Door Zijn dood, waartoe God in de stilte der eeuwigheid besloten had, heeft God Adam en Eva weer opgezocht en heeft Hij Abraham doen uitgaan uit zijn land en uit zijn maagschap om hem een plaats te bereiden waar hij met zijn zaad zou mogen wonen. Door Zijn dood heeft David weer gezongen – na al zijn overtredingen – van de wegen des Heeren. Door Zijn dood is het mogelijk geweest dat Petrus niet aan de strop terechtkwam zoals Judas. En door Zijn dood alleen is het mogelijk dat we aanstaande zondag weer door de poort des Heeren mogen binnengaan en het hoofd omhoog mogen heffen.

 

Christus stierf als een overtreder. Dat is het tweede waar we nu over denken willen in dit eerste punt. Hij stierf als een overtreder. Er staat: Hij heeft Zijn ziel uitgestort in de dood en is met de overtreders geteld geweest. Markus zegt in zijn Evangelie: En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Hij is met de misdadigen gerekend (Mark.15:28). Daar verwijst Markus dus naar dit Schriftgedeelte. In onze tekst staat: en Hij is met de overtreders geteld geweest.

 

U weet: men heeft Christus in Zijn leven van vele en erge dingen beschuldigd. Men heeft Hem uitgescholden voor een breker van de sabbat omdat Hij op de sabbat Zijn wonderen deed, de zieken genas, de lammen liet wandelen en de mens behield. Men heeft Hem beschuldigd dat Hij een vriend was van de tollenaren en van de zondaren. Men heeft van Hem gezegd: ‘Soort zoekt soort. Je kunt wel zien wie Hij is. Een vraat en een wijnzuiper, een vriend van tollenaren en zondaren.’ Ze zeiden spottend: Deze ontvangt de zondaars en Hij eet met hen (Luk.15:2). Met andere woorden: Hij wil gemeenschap met hen hebben. Hij wil één met hen zijn. Zo heeft men Hem beschuldigd. Dat was in Zijn leven. Maar Christus is voor overtreders gestorven, door als een misdadiger te sterven.

 

Niet wat de stand van Zijn leven betreft. Wat dat aangaat kan Hij zeggen: Wie van u overtuigt Mij van zonden (Joh.8:46)? Maar wat de staat van Zijn leven betreft. In de stand van Zijn leven is Hij altijd geweest heilig, onschuldig, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Maar wat Zijn staat voor God betreft, is Hij een misdadiger geweest. Hij heeft Zich onder de misdadigers laten tellen. Want de kracht van het grondwoord wijst erop dat het een vrijwillige daad van Hem was. Hij heeft Zich tot de misdadigers laten rekenen. Zo heeft Hij Zich vrijwillig in de rij van de misdadigers gesteld.

 

Kijk, dat kunnen wij nooit. Wij kunnen ons nooit tot de misdadigers laten rekenen, want wij behóren tot die misdadigers. Zo worden we geboren. Zo zijn we ons hele leven. Al zijn we nog zo vroom. Maar zonder God en buiten de gerechtigheid van Christus en in onszelf aangemerkt, zijn wij en blijven wij misdadigers. Of we het erkennen of niet. Al zetten we ons in de rij van de farizeeën en Schriftgeleerden, al zetten we ons in de rij van beste en brave mensen, het helpt ons allemaal niet. Wij horen thuis in de rij van de misdadigers. Daar staan we. En dan moge de één zich als een misdadiger naar buiten openbaren, zodat alle mensen het zien. Dat is erg. En het is genade als we ervoor bewaard worden. Maar laat niemand menen die niet door de mensen als een misdadiger wordt aangezien, dat hij daarom voor God geen misdadiger is.

De Heere heeft immers nadrukkelijk gezegd, dat Zijn wet geestelijk is. En al zouden we nooit in openbare zonden geleefd of ergernis gegeven hebben in de gemeente waardoor ons de toegang tot het Heilig Avondmaal ontzegd moest worden, indien we onboetvaardig daar aan zouden komen, zo weet God dat de gedachten van ons hart misdaden zijn tegen Hem en tegen onze naaste. God weet hoe dikwijls we hard van Hem denken en op misdadige wijze over Zijn Woord oordelen. O, de Heere weet wel hoe misdadig we in ons hart, in onze gedachten kunnen zijn tegenover onze naaste. We kunnen vervuld zijn met haat en nijd, met twist en eerzucht en geldzucht. God weet hoe misdadig ons hart is.

O, als we geen vreemdeling zijn van ons eigen hart en leven doordat de verlichting van de Heilige Geest over ons gekomen is, dan zullen er ogenblikken in ons leven zijn dat we van onszelf walgen. Al vinden de mensen ons nog zo goed en voortreffelijk, dan weet God hoe ons hart is. Want Hij ziet het hart aan! Wat is dat een ontstellende ontdekking voor een mens. Dood te zijn in zonden en misdaden! Dan leven alle ongerechtigheden in ons hart. Dan zijn we misdadigers voor God.

 

Welnu, geliefden, Christus was – wat de stand van Zijn leven betreft – rein, heilig, zonder zonden. En nu heeft Hij vrijwillig een plaats ingenomen in de rij van zulke misdadigers. En God heeft Hem eruit genomen om voor al die misdadigers in wier rij Hij is gaan staan, te lijden en te sterven. Dat is nu het Evangelie voor verlorenen. Dat is de rijkdom van Gods genade voor mensen die zichzelf verafschuwen. Voor mensen die met zichzelf aan een eind komen. Voor mensen die van zichzelf geen verwachting meer hebben. Voor mensen die van zichzelf walgen en moeten zeggen: ‘O God, wanneer, wanneer zal ik van mezelf verlost zijn? Wanneer zal dat hart vol onreinheid Uw lof mogen vertellen? Wanneer zal de goddeloze van de aarde zijn uitgeroeid?’ Dat kan dan wel zo’n sterk verlangen zijn dat ons hart er onder weg krimpt en al onze begeerten er door gaande gemaakt worden. Dan is het verlangen er om eenmaal God in gerechtigheid in Zijn tempel te mogen aanschouwen – wanneer ons ‘ik’, ons goddeloze ‘ik’ van de aarde zal zijn uitgeroeid.

 

Welnu geliefden, hier is het in feite waarheid geworden: En Zijn ziel uitgestort heeft in de dood en met de overtreders is geteld geweest. En nu is het niet het ergste geweest voor de Borg dat Hij door mensen onder de overtreders geteld is. Ik heb straks gezegd: De mensen hebben vaak een heel verkeerd oordeel over Hem gevormd. Ik heb u daar enkele dingen van genoemd. Ze hebben Hem uitgescholden voor een vriend van tollenaren en zondaren, voor een vraat en een wijnzuiper. En dat was Hij waarachtig niet. Dus de mensen kunnen zich in hun oordeel ten opzichte van Jezus ernstig vergissen.

Maar weet je wat het allerzwaarste voor de Borg geweest is? Dat God Hem onder de misdadigers geteld heeft. En dat God Hem als zodanig heeft aangemerkt. En dat Zijn heilige Vader Hem niet meer wilde kennen. En dat God Zijn aangezicht voor Hem verborgen heeft en Hem rekende als een misdadiger. Dat is het ergste, gemeente. Dat is de diepste smart van Jezus’ hart geweest. Daarom heeft Hij gekermd aan het kruis: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Matth.27:46)? Dat heeft het hart van Jezus gebroken.

Ik heb vroeger eens gezegd en ik herhaal het: Jezus is gestorven aan een gebroken hart. Het gemis der liefde kon Hij niet langer dragen en Hij moest het dragen. Want God rekende Hem tot de overtreders en zette Hem in de rij van de misdadigers. Kijk maar, God in de hemel laat het toe. Nee, Hij wil het. God wil dat er aan de ene en aan de andere zijde een misdadiger hangt. Mannen, wier handen met bloed bevlekt zijn. En in het midden van die misdadigers hangt God Zijn eigen Zoon, tussen de hemel en de aarde. En Jezus laat Zich onder die misdadigers rekenen.

 

Dat is nu het Lam Gods. Dat is nu die verhoogde slang in het midden van het volk van Israël. U kent de geschiedenis. Als het volk op die slang zag, werden ze indachtig: ‘Mijn zonden.’ Want doordat ze dat slangenvergif in hun hart hadden laten inspuiten en hun venijn tegen God hadden uitgespoten, heeft God hen bezocht met vurige slangen. En nu laat God een slang oprichten. En als Israël die slang ziet, dan ziet Israël in die slang het slangenvenijn van hun eigen leven. Dan moeten ze zeggen: ‘Heere, dat is het vergif dat we tegen U hebben uitgespuwd in de ontrouw die we tegenover Uw wetten betoond hebben.’

 

En God had er toch geen schuld aan. Hij was toch goed voor Zijn volk. Hij heeft hun een dak boven het hoofd gegeven. Hij heeft hen gekleed en gevoed. Hij heeft hen geleid. En toch is er een tijd gekomen, dat ze zeiden: ‘En nu is het genoeg. We willen niet langer luisteren naar de Heere. We gaan vanaf nu onze eigen weg.’ En toen heeft God hen gestraft. Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij en Hij geselt een iegelijken zoon die Hij aanneemt (Hebr.12:6

En toen ze – zo gebeten door de slangen – tot Mozes gingen roepen en Mozes tot God riep, toen heeft God door een wonder die schuld uit het midden des volks weggedaan. U weet het: Toen heeft God in Zijn eeuwige liefde, in Zijn onbezweken trouw – door het zien op die slang – genezing beloofd aan alle gebetenen.

 

En zo heeft God andermaal een verhoogde Slang in het midden van deze stervende wereld opgericht. Wat eenmaal door Pilatus over Jezus gezegd is, toen Hij met Zijn bebloed gezicht voor de schare stond: Zie, de Mens (Joh.19:5) – dat is door Mozes reeds gepredikt bij die verhoogde slang: ‘Zie de Slang, zie de Mens, de door God gegeven Mens.’

Zo is Hij onder de misdadigers gerekend geworden! En geliefden, zie er uzelf in. Want het gezicht op deze verhoogde Slang, het gezicht op deze Jezus Die onder de misdadigers gerekend is, dat moet uw hart verbreken. Daar zal in eeuwigheid geen traan in Gods fles vergaard worden tenzij deze voortvloeit uit het gezicht van Gods barmhartigheid over u, een verloren zondaar.

 

Maar die tranen, die zullen dan ook in Gods fles vergaard worden. En die smart zal bij God niet vergeten zijn. Dit is de échte smart, de evangelische droefheid, het berouw dat ons tot God bekeert, dat is die droefheid naar God die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid. En die droefheid ontspringt daar waar we de genade en de barmhartigheid Gods verheerlijkt zien aan een zondaar. Als we Christus zien als een Misdadiger in de rij der misdadigers en de bliksem van de hemel treft zondaren, dan treft hij deze Zondaar. Dan treft hij deze Onrechtvaardige. Dan treft hij deze Overtreder. Dan treft hij in deze Misdadiger, in Hem Die met de misdadigers gerekend geworden is, uzelf met uw zonden, uw ongerechtigheid, uw ontrouw en uw misdaden tegen God.

Hier opent zich voor dit verbrijzelde hart, voor dit wenende gemoed, de poort der gerechtigheid. Hier verlies ik alle eigengerechtigheid, hier verlies ik alle gronden, waarop ik betrouwen zou om de Heere welbehaaglijk te zijn. Er is maar één Weg om gunst te ontvangen van God en dat is door te luisteren naar de stem van God, die zegt: ‘Deze Misdadiger is Mijn lieve Zoon; in Hem heb Ik al Mijn welbehagen.’ Dat offer is genoeg voor tijd en eeuwigheid.

 

Hier mogen ze komen: de dieven en de moordenaars, de dronkaards en de hoereerders. Hier mogen ze komen: de farizeeën en de Schriftgeleerden en de onbekeerde Nicodemussen, om zich te laten zaligen. Geen zondaar te arm, geen kind te klein, geen jongen te verloren, geen meisje te slecht. Hier mogen ze komen. En als ze door één blik op die verhoogde Slang, als een misdadiger, deze Misdadiger gezien hebben, ontvangen ze vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. Dan hebben we niet meer ónze gerechtigheid die uit de wet is, maar dan vertrouwen we op de gerechtigheid die door het geloof is. Dan zijn wij aangenaam bij de Vader, want er is geen andere weg om zalig te worden dan de aanschouwing van het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt.

Maar dan is het ook een volkomen weg. Dan is het een weg die een vrede baart die de wereld niet kent. Dan is het een weg die zo recht en zo volkomen is, dat al de heilige engelen zich in lofzangen over die weg verheugen en met al de zaligen tot in eeuwigheid zullen zingen: ‘Het Lam Dat op Zijn troon zit, is waardig te ontvangen lof, eer, aanbidding en dankzegging, want Hij heeft ons gekocht met Zijn dierbaar bloed.’

 

Het tweede deel van de tekst willen we ontvouwen nadat we gezongen hebben uit Psalm 145 het 2e vers:

 

Ik zal, O Heer', dien ik mijn Koning noem,
Den luister van Uw majesteit en roem
Verbreiden, en Uw wonderlijke daân
Met diep ontzag aandachtig gadeslaan.
Elks juichend hart zal Uw geducht vermogen,
De grote kracht van Uwen arm verhogen.
Ik zal mijn stem met aller lofzang paren,
En overal Uw grootheid openbaren.

 

2.

De tweede gedachte wil ik u nog kort toelichten: Voor wie stierf Christus? En dat is dan gelijk de toepassing, dat begrijpt u wel.

 

Voor wie stierf Christus? Er staat in de tekst: Daarom zal Ik Hem een deel geven van velen. Dat is een beetje een moeilijke zinsconstructie, maar het betekent eenvoudig naar het grondwoord dit: Daarom zal Ik Hem velen tot een deel geven. Ik, God, God de Vader, die ook Rechter ben over Christus, Ik zal Hem velen tot een deel geven.

Er staat verder: Hij zal de machtigen als een roof delen. Dat zijn de machtigen die tegen Hem opstaan. Zijn vijanden zijn het, machtige vijanden. En die machtige vijanden zal Hij op zulk een wijze overwinnen dat Hij er volkomen over beschikken zal. Zoals een overwinnende veldheer de roof van de vijand, die hij overwonnen heeft, meeneemt en naar zijn welbehagen over die roof beschikt, zo zal Christus machtige vijanden tot Zich brengen en daar zal Hij zo over beschikken. Helemaal alleen. Hij zal hen naar Zijn wil ombuigen en over hen beschikken opdat ze Hem ten dienste zullen staan. Want er staat: Hij zal de machtigen als een roof delen.

 

Er staat in het laatste gedeelte: En Hij veler zonden gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft. Daar hebt u de bewegende oorzaak, de grondreden. Dus: die velen en die machtigen worden Zijn deel omdat Hij veler zonden gedragen heeft. En omdat Hij voor de overtreders gebeden heeft.

Wij hebben het al eerder gezegd: Christus stierf dus voor de zonden van anderen. En die anderen – dat waren die velen, die machtigen. Hierin is ook duidelijk dat de zoendood van Christus zich uitstrekt tot de verkorenen des Heeren en tot die alleen. Zij zullen zeker de zaligheid beërven. Zij allen zullen de zaligheid beërven. We kunnen dit naar twee zijden zien, dat weet u wel. Van de zijde van God: dan zijn het de voorgekenden van alle eeuwigheid die bij name bij God bekend zijn. Zij zijn in het Boek des Levens geschreven. Eer er iets was, waren zij reeds beminden van de Heere. In de Raad des Vredes zijn zij aan Christus gegeven tot een losprijs voor wie Hij Zijn ziel in de dood zou uitstorten. Zij waren reeds Christus’ bruid met wie Hij Zich eeuwig verheugen zal. Maar die kant is voor ons verborgen. Mozes zegt: ‘De verborgen dingen zijn voor de Heere, onze God, maar de geopenbaarde voor ons en voor onze kinderen.’

 

En wat is dan die geopenbaarde zijde van dit geheim? De geopenbaarde zijde hiervan is dat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet zal verderven, maar het eeuwige leven hebben. (Joh.3:16) Dat is het waar wij naar uit te kijken hebben. Dat is het waar wij ons hart aan te beproeven hebben. We kunnen niet zien of onze namen geschreven staan in het Boek des Levens. Dat laat God aan niemand toe. Niemand heeft in de raad Gods gestaan, zelfs de heilige engelen niet.

Maar hieraan hebben wij ons hart te onderzoeken: behoren wij tot degenen die in Zijn Naam geloven? En als we behoren tot degenen die in Zijn Naam geloven, dan behoren wij bij die velen, bij die machtigen die Christus gegeven zijn. Er staat dat ze Hem gegeven zijn. Ik zal Hem een deel géven. Alles gaat naar recht. Christus heeft het Zelf niet genomen. Hij heeft Zich onder het recht des Vaders gesteld: ‘Niet Mijn wil, maar Uw wil.’ Dat moest Hij doen. Adam had gezegd: ‘Niet Uw wil, maar mijn wil.’ En dat was zijn dood en onze dood en onze eeuwige ondergang.

En dat is nòg onze eeuwige ondergang. Daarvan komt de onvrede en daarvan komt de ellende in ons leven. Als we zeggen: ‘Niet Uw wil, maar mijn wil.’ Dan komen we in het donker. Dan gaan we onze lusten na en onze begeerten en de wereld met al wat er in is. Dan doen we wat goed is in onze ogen. Dan komen we in de dood en in de ellende terecht. Zonder God en zonder Christus en zonder Borg en zonder hoop.

 

Maar nu heeft Christus gezegd voor al die mensen van wie Hij wist dat ze allen dwaalden als schapen en dat een ieder zich keerde naar zijn eigen weg: ‘Vader, Ik zal Mij onder die goddelozen, Ik zal Mij onder die overtreders, Ik zal Mij onder die zondaren laten stellen, in de plaats van zondaren, van misdadigers. En toen heeft de Vader gezegd: ’Dan zal Ik U een deel geven van velen. Dan zal Ik velen tot Uw deel geven. Diegenen namelijk voor wie Gij, Mijn Kind, onder de misdadigers wilt staan. En dan zal Ik U geven de machtigen als een roof te delen.’

Welke machtigen zijn dat? Ach, dat zijn die machtige vijanden tegen God en tegen Christus. Zo’n machtige was Manasse, toen hij in de goddeloosheid voortging en Jeruzalem met bloed vervulde. Maar zo’n machtige was ook Saulus van Tarsen, toen hij meende God een dienst te bewijzen door met een beroep op de heilige wet de slachtschapen van Christus in de gevangenis te werpen. Dat waren die machtigen.

 

En zulke machtigen zijn u en ik van nature. We houden vol! De satan roept ons toe, net als hij deed in het hart van Judas: ‘Houd vol, laat je niet kennen, laat je niet op je knieën dwingen, blijf een man, beken het voor niemand. Tenslotte kun je het zelf wel veranderen, als het nodig is.’ Dat zijn influisteringen van satan. Dat is de macht van ons verdorven vlees tegen God.

Maar nu heeft Jezus Christus met Zijn verhoging bewerkstelligd en van de Vader verkregen dat de machtigen door Hem als een roof geroofd zullen worden, opdat Hij erover beschikken kan.

 

Wel geliefden, dat is nu het punt waar het in uw leven op aan komt. Heeft nu het zien van deze Jezus, Die Zich onder de zondaren gesteld heeft, Die tot de misdadigers gerekend geworden is, heeft het gezicht op deze Man van smarten in uw leven ook wel eens dat gevolg gehad? Heeft dat in uw leven wel eens het gevolg gehad dat u zich als een machtige liet binden door Hem Die sterker is? Is het in uw leven wel eens gebeurd dat u zich aan Hem mocht overgeven toen u zag dat Hij in Zijn eeuwige ontferming uw ondergang niet zocht, maar Zich met u, een verlorene, wilde inlaten door Zich te stellen onder de last van uw ongerechtigheid?

Met andere woorden: is nu dit lijden van Jezus Christus de hoogste vreugde van uw hart? Heeft dat nu uw hart bewogen tot Zijn dienst? Is de goedheid Gods u nu geworden tot verootmoediging, tot buigen aan Zijn voeten? Hebt u de wapenen daarom aan Zijn voeten ingeleverd en gezegd: Zie, Heere, hier ben ik. Doe met mij wat goed is in Uw ogen’? Allen die zalig worden, hebben zich zo overgegeven in de handen van de Heere. En ach, toen is het zo meegevallen. En zo valt het altijd mee.

 

Van de Romeinse keizers is bekend, dat ze hun overwonnenen op de aller wreedste wijze lieten doden, om zo hun soevereine macht over hen die ze overwonnen hadden te laten zien. En ze trapten van degenen die ze overwonnen hadden met hun harde soldatenlaars de halswervels stuk, opdat ze daardoor overwinning konden laten zie.

Maar wie zich nu neerbuigt onder de gezegende aanschouwing van Hem Die Zich in de rij der goddelozen liet stellen, die wordt niet stukgetrapt door Hem aan Wiens voeten hij neervalt. Maar die wordt, waar hij overdekt is met wonden en striemen en etterbuilen, verzorgd door deze allerbarmhartigste Samaritaan, Die zegt: ‘Ik ken al uw krankheên en Ik genees die liefderijk.’

 

Geliefden, wie in de handen van deze Overwinnaar valt, wordt genezen van al zijn ongerechtigheden. Want onder de schaduw van die Boom is het goed toeven. De bruid zingt: En Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet (Hgl. 2:3). Dat is een zalig verliezen. Dat is een zalig prijsgeven. Dat is een zalige ondergang. Dat is de eeuwige winst van je verloren leven. Hier ontsluit zich die poort der gerechtigheid waardoor deze onrechtvaardigen – gerechtvaardigd door het geloof – mogen binnentreden om God, hun Koning, voor eeuwig te eren.

Kom, ligt u wel eens bij die poort? Bent u wel eens wakende aan Zijn poorten, waarnemende de posten van Zijn deuren of deze poort ook voor u zou mogen opengaan? Behoort u tot de hongerigen en dorstigen naar Gods gerechtigheid? Behoort u tot de mensen die er iets van gezien hebben door de traliën van Zijn Woord en die zeggen: ‘Ja, bij deze dingen leef ik. En in alle deze is het leven van mijn ziel’? O, houd dan aan, grijp toch moed, want dan zal uw hart vrolijk leven. Want, nooddruftigen, vergeet Zijn goedheid niet; nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. Dat zijn zij die door dat Woord gegrepen zijn en geen andere vrijheid zoeken dan deze vrijheid.

 

Daarom staat er. Wel, Hij heeft veler zonden gedragen. Dat zijn die velen. Dat zijn die machtigen die Hij als een roof deelt. En er staat: Hij heeft voor de overtreders gebeden. Zie toch, als het ergens in openbaar komt dat Hij als Borg gestorven is, dan komt het hierin openbaar.

Het gebeurt vaak dat iemand die naar de gerechtsplaats geleid wordt om te worden geëxecuteerd op het laatst nog om een dominee of om iemand anders roept die voor hem bidden moet. Dan kan het zo bang worden in het aangezicht van de dood. De voorbeelden uit de geschiedenis zijn bekend. Dat mensen die hun hele leven met God en Zijn dienst gespot hebben, in het aangezicht van de dood nog geroepen hebben om iemand die hen vergezellen moest op de gang naar het schavot. Die man moest dan voor hen bidden. Of ze baden voor zichzelf en misschien hebben ze nog gebeden voor hun vrouwen en voor hun kinderen die ze achter moesten laten vanwege hun ongerechtigheden.

Maar hier is nu de Borg. Er staat dat Hij, stervende op de weg naar het kruis, ja, zelfs toen Hij aan het schandhout hing, gebeden heeft voor overtreders. Voor Zichzelf vroeg Hij geen gunst. Nee, lees maar wat er staat: Hierna Jezus, wetende, dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zou vervuld worden, zeide: Mij dorst (Joh.19:28). Wetende, dat Hij het volbracht had. Hij had het volbracht. En toen Hij het aan het volbrengen was, toen bad Hij niet voor Zichzelf. Toen zei Hij: Vader, vergeef het hún, want zij weten niet, wat zij doen (Luk.23:34).

 

O, geliefden, wat Hij gedaan heeft, dat heeft Hij u ten goede gedaan. Opdat u in het gerichte Gods nimmermeer komen zou. Ik zei: Hij heeft als Borg gebeden. En voor wie heeft Hij gebeden? Voor die mensen die Hem daar aan het kruis hebben gehangen. Voor die ene moordenaar die daar uitriep: En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben, maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan (Luk.23:41). Voor die hoofdman, die uitriep: ‘Waarlijk, deze Mens was Gods Zoon!’ Voor die ellendelingen. Voor die spotters.

Straks leest u het: ‘En een grote schare der priesters werd het geloof gehoorzaam.’ Er werden er toegedaan tot de gemeente die zalig worden. Mensen die hier hebben staan spotten met het lijden en sterven van de Borg, zijn straks door de Pinkstergeest overwonnen. Daar heeft Hij nu voor gebeden. Voor overtreders. En Hij heeft veler zonden gedragen!

 

Zie, geliefden, om nu te weten of u welkom bent aan het Heilig Avondmaal, moet u deze tekst nog eens overdenken in de week die voor u ligt. En dan kunt u niet in de hemel opklimmen om te weten of uw naam in het Boek des Levens geschreven staat. Maar dan moet u aan dit Woord van God uw ziel toetsen: of u nu ook zulk een overtreder bent voor wie Christus gebeden heeft. Dat kunt u weten, hoor. Dat is heel eenvoudig. Dan hebt u God lief gekregen. Niet maar zo met een beetje gemoedelijke liefde, zo van: Waarom zou je God ook haten? Nee, maar met die diepe, intense, hartelijke, goddelijke liefde. Die liefde heeft Hij dan in uw hart uitgestort.

En als God die liefde in uw hart uitgestort heeft, gaat u ter wille van Hem de wereld verzaken met alles wat erin is. Dat is een duidelijk kenmerk. Dan is uw leven op een ander plan gekomen. Dan bent u een gerechtigheid gaan zoeken die u niet meer zelf opbrengen kunt. Dan bent u bij ogenblikken afgedreven van al uw eigen hulp en van al uw eigen gerechtigheid en bereid om uw lege handen om genade tot God uit te strekken. Dan zijn er tijden in uw leven gekomen dat genade u dierbaar geworden is. Ja, wanneer u enige oefeningen in uw leven hebt mogen verkrijgen, dan is de prediking van de gekruiste Christus het centrum van uw verlangen. Dan zegt u: ‘Ja, Hij, in Zijn kruis, in Zijn lijden, in Zijn staan in het midden van de zondaren. Hij is mijn hoop, Hij is mijn enige hoop. O, als ik van Jezus niet hoor, dan hoor ik geen preek! En als ik Zijn kruis niet zie, dan ben ik niet gered. En als ik onder Zijn vleugelen me niet mag neervlijen om in boetvaardigheid mijn schuld Hem te bekennen, dan heb ik geen Avondmaal gevierd.’

 

Welnu, is het zo? Is dat het verlangen van uw ziel? O, ik vraag niet of u er altijd bij leeft. De uitnemendste zal nog moeten zeggen: ‘Heere, Uw volk heeft het maar een korte tijd bezeten.’ Maar dan blijft er toch het verlangen van de ziel: Och, werd ik derwaarts weer geleid. Want dat is toch ons leven. Dat zijn toch de goedertierenheden Gods, waar de dichter van zegt: ‘Want beter dan dit tijdelijk leven, is Uwe goedertierenheid.’ En dan zegt hij: ‘Och, werd ik derwaarts weer geleid. Dan zou mijn mond u de ere geven.’

 

Welnu, er staat bij God niets meer in de weg. Alle sluitbomen zijn door Hem stuk gebroken of opgeheven. Er is een verse en levende weg in het bloed van de Heere Jezus Christus. Wat staat er nu bij u in de weg? Ik denk dat u zelf de grootste hinderpaal bent. Onderzoek het maar in de week die voor u ligt. En als u het dan bemerkt, ach, bedenk het dan dat Hij in de rij der goddelozen, in de rij der overtreders, in de rij der misdadigers gestaan heeft. Ach, u acht uzelf onbekwaam om tot de dis te naderen en u bent ook belast en beladen en er ligt een grote schuld op uw ziel, zodat u zeggen moet: ‘O Heere, zo kan het niet. Zó kan het niet.’ Maar zie dan toch van uzelf af! Zie dan toch op dit Lam Gods! Zie, hoe Hij in de rij van de misdadigers gestaan heeft. Zie, en geloof dat Hij gekomen is, niet om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.

 

En dan zal toch de grond van uw komen tot ’s Heeren dis dit zijn: ‘Ik ben wel arm en ellendig, ik ben een misdadiger, ik ben een overtreder, maar de Heere denkt aan mij.’

Amen.

 

 

Slotzang: Psalm 31 : 19

 

Bemint den Heer', Gods gunstgenoten,
Den Heer', Die vromen hoedt
En straft het trots gemoed.
Zijt sterk, Hij zal u niet verstoten;
Hun geeft Hij moed en krachten,
Die hopend op Hem wachten
.