Ds. S.W. Janse - Hooglied 5 : 2

Een gaande en komende Bruidegom

Een slapende bruid
Een wakende bruid
De kloppende Bruidegom
De lokkende Bruidegom

Hooglied 5 : 2

Hooglied 5
2
Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 40: 8
Lezen : Hooglied 5
Zingen : Psalm 25: 4, 5 en 7
Zingen : Psalm 63: 2 en 3
Zingen : Psalm 70: 3

Gemeente, met Gods hulp willen we een gedeelte gaan overdenken uit het u voorgelezen hoofdstuk, Hooglied 5, en wel het tweede vers, waar we lezen:

 

Ik sliep, maar mijn hart waakte, de stem mijns Liefsten, Die klopte, was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

 

We zien een gaande en komende Bruidegom:

1. Een slapende bruid. Ik sliep.

2. Een wakende bruid – maar mijn hart waakte.

3. De kloppende Bruidegom – de stem mijns Liefsten, Die klopte...

4. De lokkende Bruidegom – Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte! want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.

 

  1. Een slapende bruid

 

Gemeente, jongens en meisjes, wie of wat heeft de liefde van je hart?

Je zegt: ‘Dominee, wat bedoelt u?’

Waar is je hart mee vervuld? Waar ben je vol van? De vakantie ligt net achter jullie, jongens en meisjes. Misschien was je er wel vol van. Je zag ernaar uit. Misschien ben je vol van je werk, of vol van allerlei zorgen vanwege ziekte.

Vol – een vol hart. Weet je waar de bruid vol van is? Zullen we het haar vanmorgen eens vragen?

Ze is vol van Jezus, vol van haar Liefste, vol van haar Bruidegom.

Wie heeft de liefde van uw en jouw hart?

Als je verkering hebt, of getrouwd mag zijn, wat ben je dan vol van degene van wie je houdt. En waar het hart vol van is, daar loopt de mond van over.

 

Als we aan de bruid vragen waar ze vol van is, heeft ze maar één antwoord: van haar Liefste. Daar gaat het, kort samengevat, over in het Hooglied – het hoogste lied. Er wordt veel gezongen.

In onze tijd wordt er ook veel over liefde gezongen, jongelui. ‘Lege liefde’ noem ik het, holle liefde. Het gaat zo vaak over lust in wereldse liedjes en songs. Maar het Hooglied is van een veel hogere orde. Gods Kerk mag met het Hooglied instemmen. Ze mag weleens iets van de hemel in het hart ervaren. Ik geloof dat er geen zuiverder lied is dan het Hooglied. Ik geloof dat er geen lied ooit zo gezongen is op aarde als dit ‘lied der liederen’, zoals het Hooglied wel genoemd wordt. Zing je al mee? Ken je de klanken van dit lied? Dan ken je ook iets van de Bruidegom. Dan heb je Zijn stem gehoord. Dan mag je vanmorgen instemmen met dat hoogste lied en is je hart vervuld met heilbespiegelingen om het schoonste lied van deze Koning te zingen.

Leeft dat altijd bij de bruid?

Nee, helaas niet! Ze zingt ook weleens een treurlied. Daar gaat het over in ons hoofdstuk. Een van de verklaarders merkt op: ‘Zo’n klaagzang hoort eigenlijk helemaal niet thuis in het Hooglied.’

Maar misschien bent u er wel blij mee dat het toch in Hooglied 5 staat. Ik sliep, maar mijn hart waakte. In dit hoofdstuk gaat het over een bruid die zich niet van haar beste zijde laat zien.

 

Als je trouwt en een bruidspaar vormt, zie je er op z’n best uit. Maar deze bruid is hier aan het slapen. Deze bruid ligt op bed. Ze ligt op het bed van zorgeloosheid, zo zegt de kanttekening. Ze is zonder zorg. Waarom? Ze is de Bruidegom haast vergeten. Ze denkt vooral aan zichzelf. Deze bruid ligt op het bed van stille gerustheid, staat er in de kanttekening. Dat betekent dat het heel stil is, heel rustig. Het stormt niet in haar leven.

Het is wel een gevaarlijke stilte. De bruid ligt op het bed van werelds gemak. Ik citeer alleen de kanttekeningen. Lees je ze nog weleens? Het is toch niet zo moeilijk wat ik nu zeg?

Vleselijk gemak… Dat betekent dat ze het wel makkelijk vindt. Het bed ligt wel goed. Ze komt er niet van af. Ze luistert naar haar vlees. Ze luistert naar haar hart. Ze luistert niet naar haar Bruidegom.

Dat wás anders. Lees hoofdstuk 4 vers 16 maar eens. Toen heeft diezelfde bruid gebeden: Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! Daar lag ze op haar knieën in de binnenkamer. Daar heeft ze gesmeekt om de komst van de Geest.

 

Jongens en meisjes, jullie weten toch wel wat de wind is? Wanneer de wind waait, zie je dat, hoor je dat. De bruid heeft gebeden.

Wat heeft ze gebeden?

Of de wind wakker wilde worden. Ontwaak, noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! De wind was gaan liggen. Het was bladstil, doodstil. Maar ze is gaan vragen om de Heilige Geest.

De Heilige Geest wordt vergeleken met de wind; dat weten onze kinderen ook wel. Denk maar aan het Pinksterfeest. Daar was een geluid als van een geweldigen gedreven wind (Hand.2:2).

De bruid vraagt in dit gebed eigenlijk om iets wat ze niet hebben wil. Want wilt u de noordenwind hebben? Nee toch? Die straffe, koude, allesdoordringende wind is een beeld van de wet die heel mijn leven openlegt. Daarom vraagt ze. Want ze weet dat ze dat nodig heeft; ze kan niet zonder.

Zij vraagt ook om de zuidenwind, die zoele, zachte, vruchtbaarmakende wind. Daarom heeft ze ook gebeden. Ze vroeg of de wind de hof van haar hart en van de kerk zou doorwaaien, opdat de specerijen zouden gaan geuren.

 

Dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame – dat was haar verlangen. En de Heere heeft haar gebed verhoord in Hooglied 5 vers 1.

De hoofdstukindeling is niet geïnspireerd; Gods Woord wel – laat dat duidelijk zijn – maar de hoofdstukindeling is later toegevoegd. Hoofdstuk 4 en 5 lopen dus in elkaar over. Het gebed van de bruid wordt verhoord in hoofdstuk 5 vers 1: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid!

Een hof, kinderen, is een tuin. Misschien heb je in de vakantie wel heel mooie tuinen gezien. Misschien ben je weleens in de Keukenhof geweest. Daar zie je allemaal bloemen. De bruid mag ervaren dat de Bruidegom als het ware in die besloten tuin komt, in die tuin waar voor de rest niemand komen mag. Haar gebed is verhoord.

Misschien zeg je wel: ‘Het lijkt wel of mijn gebed niet verhoord wordt.’ Je gebed wordt wel géhoord. Hij hoort het gebed; wanhoop daar maar niet aan. Tot Hem zal alle vlees komen.

Nu gaat de Heere in Hooglied 5 vers 1 dat gebed vérhoren. Soms kan dat heel lang duren; denk maar aan de Kananese vrouw. Bij de bruid verhoort de Heere het bijna direct: Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Daar in die hof is het goed toeven. Daar zijn specerijen. Daar is honing. Daar is wijn; daar is melk. Daar staat een maaltijd aangericht. De bruid mag eten en drinken en daar wordt ze dronken.

Het woordje ‘dronken’ wil zeggen dat zij vervuld wordt; ze wordt vol gemaakt. Daarom begon ik vanmorgen met aan u en jou te vragen: ‘Waarmee is je hart vervuld? Wie heeft de liefde van je hart?’ Deze bruid is heilig verliefd op de Bruidegom. Wat was het goed in de hof, aan de tafel. Wat mocht ze eten en drinken naar hartenlust. Wat mocht ze in de nabijheid van de Bruidegom zijn.

Wat wil je nu liever als je verkering hebt of getrouwd bent, dan dicht bij je vriend of vriendin, je man of vrouw zijn? Je ziet naar hun nabijheid uit. Het kost geen moeite. Je ziet er niet tegen op. Deze bruid verlangde naar de Bruidegom. Nu is haar verlangen vervuld. Je zou zeggen: nu gaat het goed. Maar wat gebeurt er dan? Ik sliep. Dat staat in vers 2.

 

Drie verzen verder – vers 16 van het vierde en vers 1 en 2 van het vijfde hoofdstuk – wordt het ineens heel anders. Gods kinderen weten wat ik bedoel. Misschien hebt u het boekje Mara en Elim van Octavius Winslow weleens gelezen. Hij schrijft ergens:Juist als de hoogste bergen daar zijn, komen soms de diepste dalen.’ De bruid stond op de toppen van het geloof. Ze had Jezus in haar hart. Ze had Jezus in haar armen. Ze had de Bruidegom in het oog. En nu is Hij uit het zicht verdwenen. Hij is weggegaan. Ze had het niet eens in de gaten, want ze sliep.

In dit hoofdstuk blikt ze terug: Ik sliep. Een slapende bruid. Denk eens met mij mee, kinderen; we moeten het ook voor jullie een beetje eenvoudig houden. Je kent de gelijkenis wel waarin ook mensen sliepen: de gelijkenis van de wijze en de dwaze maagden. Die wijze maagden waren kinderen van God. Maar ze sliepen langs de kant van de weg en hun lampen waren uit. Hier bij de bruid is het hetzelfde: Ik sliep. Bent u ook zo’n wijze maagd die in slaap gevallen is?

 

Ik zie ze liggen… Wie? Die mannen aan de ingang van de hof. Ze slapen. En hun Bruidegom strijdt de strijd alleen. Hun Bruidegom ligt een steenworp verder op Zijn knieën. Kunt gij dan niet één uur met Mij waken? (Matth.26:40). Ze slapen.

Nog een voorbeeld. Daar ligt hij, helemaal onder in het schip. De opperschipper komt naar hem toe: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God (Jona1:6). Dat is een dominee die naar een gemeente moest waar hij niet naartoe wilde. Hij had het schip gepakt en was weggevlucht. Daar lag hij te slapen. Hij wordt wakker gemaakt. Ik sliep.

U die de Heere mag vrezen: slaapt u?

‘Dat is niet zo mooi, dominee, dat dat er staat van Gods kinderen. Moet ik daar jaloers op worden?’

De Heere is eerlijk in de Bijbel. Misschien leest u weleens levensbeschrijvingen, bijvoorbeeld van dominee Hoogerland, van dominee Lamain, of van dominee Van Haaren. Doe dat maar gerust, jongelui. Er zijn heel veel levensbeschrijvingen waarin je leest hoe de Heere Zijn volk bekeert. Je kunt er jaloers op worden. Sommige mensen weten niet eens meer hoe God Zijn volk bekeert. Dat is erg.

Toch zit er ook een andere kant aan het lezen van levensbeschrijvingen. Het zijn vaak mooie boeken, maar zijn ze altijd eerlijk geschreven? In de Bijbel staan de fouten en gebreken van de kerk; in zo’n levensbeschrijving vaak niet. De Bijbel verbloemt de zonden van Gods volk niet, echt niet. Daar wordt niet over uitgeweid; dat begrijpt u wel. Toch is het, zoals ik in het begin zei, misschien tot bemoediging. Tot bemoediging? Ja, zodat u zegt: ‘Staat dat ook in de Bijbel? Ik ben ook zo. Ik slaap.’

 

Een kind van God dat zuchtend naar de kerk gaat, terwijl het vroeger zong: ‘Ik zal met vreugd’ in ’t huis des Heeren gaan.’ En hoe is het nu?

Een kind van God dat nog wel in de Bijbel leest, maar die Bijbel lijkt nu wel een gesloten boek. Dat is slapen. En de zonde lijkt wel als een stroom over hen heen te komen. Het ergste is dat ze er nog geen smart over hebben ook. Ik sliep.

David kijkt vanaf het dak naar Bathséba. Hij doodt Uria. Hij telt het volk. Ik sliep.

Een discipel van Jezus verloochent Zijn Meester met vloeken en eed zweren. Ik sliep.

Gods kinderen op z’n slechtst, in het bijzonder beschreven tot waarschuwing.

Hoe is het nu, traag geworden kinderen van God?

Het lijkt wel of het leven weg is. Het lijkt wel of ze de glans verloren hebben. Waar is dat hartelijk liefhebben van de Heere uit de eerste tijd? Hebt u uw eerste liefde soms verlaten? Waar is de tijd dat u mocht zeggen: ‘Heere, ik kan over geen strootje stappen.’ Nu kunnen ze een paard en wagen keren in hun geweten. Waar is dat nauwe leven: ‘Gods verborgen omgang vinden zielen, daar Zijn vrees in woont’? Ik sliep.

De Bruidegom gaat weg. Het wordt allemaal vlak. Dan leef je misschien op je bekering van twintig jaar geleden, maar is er geen vers voedsel meer. Ik sliep.

 

U zegt: ‘Dominee, het gaat vandaag alleen maar over Gods volk, maar ik ben onbekeerd.’

Dat is aangrijpend! Luister eens: er staat een prachtige preek in De Bron van zaligheid, geschreven door een jonge Schotse prediker, dominee McCheyne. Hij spreekt in deze tekst ook de onbekeerden aan.

Als je nog onbekeerd bent, dan slaap je een andere slaap dan Gods kinderen. Welke slaap?

De slaap van de dood. Wat zijn er velen die deze slaap nog slapen. Gods kind slaapt wel, maar leeft. Als je aan de pols van een kind van God voelt, voel je het hart kloppen; dat zullen we straks in de tweede gedachte horen. Maar als u nog dood bent in zonden en misdaden, dan klopt uw hart niet. Dan is er geen geestelijk leven.

Hoeveel zijn er nog die slapen?

 

‘Wie leeft er, die den slaap des doods niet eens zal slapen?’

Wie redt zijn ziel van ’t graf? Ai, help ons, als tevoren.’

 

Kom, wordt eens wakker, slapers! Zijn er hier die slapen in het opperste van de mast? Kinderen, er waren vroeger van die oude schepen met een kraaiennest bovenin de mast. In die kooi stond een man die alles in de gaten moest houden. Hij moest opletten of er geen vijand aankwam en kijken of er geen kapers waren. Als die man in slaap zou vallen, zou hij op het dek te pletter vallen of in de diepe zee terechtkomen. Hij zou omkomen.

Gemeente, zo zijn we nu als we de Heere niet kennen en Hem niet vrezen. Dan geldt ook voor ons dat we slapen – tegenwoordige tijd. De Heere zegt bij monde van de apostel: Ontwaakt, gij, die slaapt, en staat op uit de doden; en Christus zal over u lichten (Ef.5:14). De Heere schudt u wakker. Hij komt op dit moment langs en zegt: ‘Kom.’ U hebt de slaap als het ware in de ogen. U bent een ‘hardslapende’.

Kan niets u wakker schudden? Kan niets u wakker krijgen?

Ik sliepmaar mijn hart waakte. We gaan naar ons tweede punt:

 

  1. Een wakende bruid

 

‘Dat is ook vreemd’, zegt u, ‘hoe kun je slapen en toch waken?’

Ik las een mooi voorbeeld; ouders herkennen dit wel. Stel dat er een kindje ziek is in het gezin. Moeder heeft er al hele dagen en nachten achteraan gelopen. En dan? Op een gegeven moment zegt ze: ‘Nu moet ons kind maar eens op onze slaapkamer, want nu wil ik ook weleens een nacht slapen. Zo houd ik het niet vol.’ Terwijl ze ligt te slapen, hoort moeder elk geluid. Moeder waakt. Zodra ze maar een kreetje hoort, staat ze op en loopt ze naar haar kindje toe. Ik sliep, maar mijn hart waakte.

 

Het is levensgevaarlijk als een wachter die de stad moet bewaken, in slaap valt. Dan waakt hij niet. Ik heb weleens van Napoleon gelezen dat hij een wachter betrapte die in slaap gevallen was. Die wachter moest eigenlijk de kogel krijgen. Maar de keizer schudde hem wakker en zei: ‘Slaap nu maar verder. Ik zal wel in je plaats gaan zitten. Ik zal wel waken.’ Dat was geen wachter die waakte; dat begrijpt u wel.

Toch staat er hier: mijn hart waakte. Want Israëls Wachter – Christus – slaapt niet en sluimert niet. Hij zorgt, al is het nog zo dodig in het leven van Gods kinderen, al lijken ze wel dood. De Bijbel gebruikt de uitdrukking ‘als dood’. Denk maar aan Johannes, die als dood viel aan de voeten van Christus. Maar hij was niet dood; hij leefde. Zo is het hier ook. Er is toch leven.

 

Een wakende bruid. Lees kanttekening 11 maar: ‘Dat is, ik vergat evenwel mijnen Bruidegom niet, maar hield Hem steeds in mijn hart. Versta hier door het hart den inwendigen mens, of den wedergeboren mens, die gesteld wordt tegen het vlees, of den uiterlijken mens.’

Ik zal het eenvoudig zeggen. Ik sliep, dat is Adams natuur; dat is de oude mens. Maar mijn hart waakte, dat is Christus. Dat is vrucht van de Geest. Dat is de nieuwe mens.

We gaan even terug naar de discipelen in de hof van Gethsémané. De drie jongeren sliepen. Hadden ze Jezus dan niet lief? Toch wel. Was dat vuurtje dan helemaal uitgeblust in het hart van Petrus, daar in de zaal van Kajafas? Nee, zijn hart waakte. Eén blik van Jezus’ ogen en zijn ziel smolt. Toen ging hij naar buiten, bitterlijk wenende.

Was Jona van de genade af gevallen? Je zou zeggen dat Jona geen geroepen knecht is – daarmee worden Gods knechten weleens aangevallen. Jona gaat zijn eigen weg. Jona… ach, dat is allemaal eigen werk geweest. Toch: zijn hart lag ten diepste bij de Middelaar.

Soms ligt alles zo onder de as. Dat zie je weleens, kinderen, als je een vuurtje hebt gemaakt en daarna hebt uitgestampt. Als je goed kijkt, dan brandt er toch nog wat, al lijkt het helemaal te verkolen. Zo is het hier ook: Maar mijn hart waakte.

U die de Heere mag vrezen, hier zien we nu de tweemens. Paulus schrijft daarover: Ik, ellendig mens. En anderzijds: Ik dank God, door Jezus Christus, onzen Heere (Rom.7:24-25). U zegt: ‘Wat een wonderlijke bruid.’ Ja, dat is zeker. Het ligt allebei in haar hart, gemeente. Mijn hart waakte.

 

Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken, en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen (Jes.42:3). Er komt een man naar de Heere Jezus. Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp (Mark.9:24). Gemeente, zo ligt het soms in het hart van een kind van God. Mijn hart waakte – de wedergeboren mens, zo lezen we in de kanttekening, die toch de Bruidegom niet vergeet. Hij is toch in haar hart. Straks veert ze overeind, want Zijn schapen kennen Zijn stem. Straks spitst ze haar oren en kan ze die stem onderscheiden van duizenden andere stemmen. Dan weet ze: Dat is de stem mijns Liefsten.

Dat is toch zo, kinderen? Als je lange tijd weggeweest bent en je komt op Schiphol aan, en je hoort een bekende stem, dan zeg je: ‘Dat is de stem van mijn moeder, dat is de stem van mijn vriend, of die van mijn vriendin.’ Je twijfelt niet of het zijn of haar stem is; dat hoor je.

Zo is het ook bij de bruid, omdat haar hart waakt. De bruid is wel ingezonken; ze is wel verflauwd. Ze is als het ware een bloem die bijna geknakt is. Toch leeft die bloem nog. Ik zeg dit niet om de zonden van Gods kinderen goed te praten. Het is geen vrijbrief om maar te zondigen en om maar te zeggen: ‘Zo is het nu ook bij mij.’ Als het goed is, kunnen Gods kinderen het hier niet bij uithouden. Daarom: mijn hart waakte. Dan is toch de hoop niet geheel vergaan. Dan is de liefde er. Dan is het geloof er, al lijkt het verdwenen. Maar het komt toch op Gods tijd weer in oefening.

 

Gemeente, het is niet de slaap waar de dichter over zingt: ‘Ik lag en sliep gerust, van ’s Heeren trouw bewust, tot ik verfrist ontwaakte.’

Het is een zondige slaap. Toch kunnen ze niet zonder Jezus. Mag ik u eens vragen: kunt u het nu nog zonder Hem stellen? Of ligt toch wat de psalmdichter zingt op de bodem van uw hart?

 

‘Bezwijkt dan ooit, in bitt’re smart,

of bangen nood, mijn vlees en hart,

zo zult Gij zijn voor mijn gemoed

mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.’

 

Dan is de dood misschien wel in de pot, maar toch is de wortel van de zaak er. Die kan niemand wegnemen. Want zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken (Joh.10:28). Overdenk het eens.

 

Een slapende bruid. Een wakende bruid. Staat er dan een punt? Als het van de bruid moet uitgaan, komt er niets van terecht. Maar er is ook een kloppende Bruidegom.

Voordat we de derde gedachte gaan overdenken, zingen we eerst uit Psalm 63 de verzen 2 en 3:

 

'k Heb U voorwaar in 't heiligdom

Voorheen beschouwd met vrolijk' ogen;

Hoe zag ik daar Uw alvermogen!

Hoe blonk Uw Godd'lijk' eer alom!

Want beter dan dit tijd'lijk leven

Is Uwe goedertierenheid.

Och, wierd ik derwaarts weer geleid!

Dan zou mijn mond U d' ere geven.

 

Dan zou ik, voor Uw Godd'lijk oog,

Uw deugden al mijn leven prijzen,

En in Uw naam mijn zang doen rijzen,

Mijn handen heffen naar omhoog.

Mijn ziel zou nieuwe kracht ontvangen,

Verzadigd, als met vet en smeer;

Mijn mond zou U vol vreugd, o Heer,

Verheffen in zijn lofgezangen.

 

Een gaande en komende Bruidegom. We stonden eerst stil bij een slapende bruid. Het is een zegen als een mens goed slaapt. Er zijn mensen die soms niet in slaap kunnen komen. Maar deze bruid slaapt en dat is géén zegen: ze moet juist wakker blijven. En wakker gemaakt worden.

Onze tweede gedachte was: een wakende bruid. Ze hoort de Bruidegom wel komen, ondanks dat ze slaapt. Ze is wel vervallen, maar niet van de genade af gevallen. Dat kan ook niet. Nu komt de kloppende Bruidegom. Dat is de derde gedachte.

 

  1. De kloppende Bruidegom

 

De stem mijns Liefsten, Die klopte. Er komt iemand aan, kinderen. Nee, het is geen onbekende: het is de Bruidegom. Hij klopt.

Vroeger had je kloppers op de deur. Als je de klopper op de deur liet vallen, maakte dat een geluid. Dan wist je dat er iemand aan de deur stond, net als wanneer bij ons de deurbel gaat.

Hij klopte. Misschien deed Hij het met Zijn hand. In elk geval hoort ze dat de Bruidegom er is. Hij is haar niet vergeten. Hij komt haar opzoeken en bezoeken. De stem mijns Liefsten, Die klopte. Ze hoort aan het kloppen dat Hij het is, maar ze hoort het zo meteen ook aan Zijn stem, als Hij gaat spreken. Hij staat aan de deur van haar woning. De bruid ligt op bed en is er niet af te krijgen. Ze is vadsig, lusteloos. De Bruidegom komt haar opzoeken. Dat is nu het wonder, hè. Zijn er mensen die moeten zeggen: ‘Ik ben nu net als de bruid’? Kom dan eens van dat bed af! Ze blijven toch liggen.

Maar nu komt de Bruidegom Zelf. Dat is ook het Hooglied. Want wie heeft nu de Bruidegom lief?

U zegt: ‘De bruid.’

Dat klopt. Maar hoe is dat nu gekomen?

Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde (Jer.31:3).

Wie heeft haar getrokken uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, met touwen der liefde, met koorden van goedertierenheid, met loutere goedheid, liefde koorden? Dat heeft de Bruidegom toch gedaan?

 

Gemeente, het gaat van Hem uit. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft (1Joh.4:19).

U zegt misschien: ‘Liefde moet van twee kanten komen bij een verkering, in een huwelijk; anders gaat het niet goed.’

Dat is waar. Als dat niet zo is, dan strandt het; dan loopt het op de klippen. Maar hier komt het wél van één kant. Het komt bij God vandaan. Het gaat steeds van Hem uit. Bij de bruid is er wederliefde gekomen. Hij heeft die liefde in haar gelegd. ‘U al mijn liefde waardig schatten.’ Hij vat haar rechterhand. Ze heeft het bij ogenblikken uitgeroepen: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte! (Ps.18:2).

 

De stem mijns Liefsten. Ja, Hij is toch van haar. Voor tijd en eeuwigheid is zij van Hem. Ze is het eigendom van die gezegende Bruidegom. Misschien durft u dat niet te zeggen. Misschien gaat daar de strijd over. Misschien hoort u bij die dochters van Jeruzalem, die missende zielen. Maar ik geloof dat die missende zielen gelukkiger zijn dan de bruid toen ze op bed lag, als u begrijpt wat ik bedoel. Die missende zielen, die uitzien naar Christus hebben misschien nog wel een hogere stand in het genadeleven dan de bruid toen ze op bed lag en sliep.

Die bruid wist wel veel van de Middelaar; ze kende Hem. Ze gaat Hem uitstallen. Die dochters van Jeruzalem hadden ook wel iets van Hem geproefd, maar Hij was nog verborgen voor hen in Zijn vernedering en Zijn verhoging. Ze kenden nog zo weinig van Hem. De bruid had veel genade. Wij zouden zeggen: ze had veel oefeningen. Toch is ze in deze doodse stand terechtgekomen.

 

En dan nu een kloppende Bruidegom. Hij klopt, gemeente. Hij wil die bruid voor Zichzelf hebben. Hij wil met haar spreken. Hij wil haar van dat bed af hebben. Hij klopt.

Ik denk aan het laatste Bijbelboek; daarnaar verwijst ook kanttekening: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop (Openb.3:20). Dat wordt gezegd tegen de lauwe gemeente van Laodicéa. En wat is lauw, kinderen? Lauw water spuug je uit. Lauw water – wat moet je ermee? Daar kun je niks mee! De Heere zegt: ‘Ik kan niets met die gemeente. Ik moet haar uit Mijn mond spugen.’ Ze weet niet dat ze ellendig, jammerlijk, arm en blind en naakt is. ‘Nee’, zegt de gemeente van Laodicéa, ‘dit is een handelsstad. We zijn rijk en verrijkt en we hebben geens dings gebrek.’

Je zou zeggen dat de Heere ze zo wegdoet, hè? Wij hebben ook verdiend dat de Heere ons weg zou doen van voor Zijn aangezicht. De Heere moet van ons walgen. Maar Hij zegt tegen die gemeente: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop. Dat is wat?

Als er iemand aan de deur staat te kloppen, dan wil hij niet buiten blijven staan, kinderen. Dan wil hij naar binnen. Dan wil hij welkom geheten worden. Hij wil onthaald worden.

Ach gemeente, wat zegt Christus in de eerste plaats tegen Zijn Kerk? Ik klop! De bruid had moeten kloppen op de hemelpoort. De bruid had moeten worstelen aan de genadetroon. Maar zij sliep! Aangrijpend!

Van Wie gaat het nu uit, zwarte Bruidskerk in ons midden?

Van de Bloedbruidegom, van Hem Die blank en rood is en Die de banier draagt boven tienduizend. En al wat aan Hem is, is gans begeerlijk.

Ik heb weleens van een vrouw met veel oefeningen gehoord dat zij aan de Heere vroeg: ‘Heere, schudt U Uw kind nog eens wakker.’ Dat vraagt de bruid hier helemaal niet. Ze slaapt.

Maar nu komt Christus. Hij wil opnieuw met haar in een verbond treden. Hij wil dat verbond vernieuwen. Hij schrijft Zijn Kerk niet af. Hij zegt niet: ‘Omdat u nu zo bent en zo leeft, wil Ik niet meer met u van doen hebben. Ga maar uit Mijn ogen, gij vuile bruid.’ Lees maar eens hoe Hij haar straks aanspreekt.

 

Als we onbekeerd zijn, staat Christus ook aan de deur van ons hart; lees dat maar in die preek van McCheyne die ik zojuist noemde. Wat heeft de Heere al een werk aan u gehad. Hij klopt: Doe Mij open. Misschien is er wel een ernstige ziekte bij u geconstateerd. Misschien staat u van de week wel bij een graf. Zijn er hier van die roepstemmen?

Kom, de Heere zegt: Doe Mij open. Hij staat aan de deur en Hij klopt. Misschien bonst Hij wel op de deur van uw hart als nooit tevoren. Hij klopt met Zijn milde hand. ‘Nooit’, zegt McCheyne, ‘stond een bedelaar langer aan de deur van een rijke dan Jezus, de almachtige Heiland, staat aan het hart van een zondaar.’

Kinderen, een bedelaar blijft staan aan de deur van een rijke man totdat die deur opengaat, hè? Nu staat de Heere Jezus, de almachtige Heiland, al veel langer aan jouw en uw deur. Hoe lang staat Hij er? Hij bonst met de wet. Hij tikt met het Evangelie. Iedere zondag hoor je het: ‘Vervloekt is een iegelijk...’ Zijn die woorden als het ware weleens door je heen gegaan? Je hoort elke zondag: te kort, te kort, schuld met schuld vermeerderd. De Heere komt met Zijn bedreigingen, maar Hij tikt liefelijk, onophoudelijk en indringend met het Evangelie op de deur van je hart.

Mijn stem is tot de mensenkinderen (Spr.8:4), zo zegt de Heere. Zeg daarom niet dat Hij niet klopt, gemeente. Hij klopt nog aan de deur van slaapwandelaars en Hij lokt hen – daarover gaat onze vierde gedachte:

 

  1. De lokkende Bruidegom

 

Doe Mij open, Mijn zuster. ‘Open Mij, te weten de deur van uw hart’, zegt de kanttekening. ‘Sta op van den slaap der zonde, laat Mij in uw hart wonen door het geloof.’ Zijn stem klinkt. Hij wil haar opwekken. ‘Ja, maar’, zegt u, ‘die bruid kan die deur toch niet opendoen? Ze heeft die deur zelf dichtgegooid…’

Dat klopt. De kanttekening zegt bij dit vers: ‘door het geloof’; geloof dat een gave van God is. Dat heeft God uitgestort in de wedergeboorte, maar het werkt niet meer. Het is niet meer in oefening, zouden wij zeggen. Nu wordt de bruid als het ware opgewekt: Doe Mij open. U zegt: ‘Maar de sleutel zit aan Gods kant.’ Dat is een wonder hè, of niet? De Heere maakt de gevangenen los (Ps.146:7). Hij opent de deuren van de gevangenis waarin de bruid nu zit. Ze ligt als het ware gevangen op het bed van zorgeloosheid.

Toch wijst deze tekst ook op de plicht van Gods kinderen. Ze zijn verantwoordelijk. Doe Mij open. Leef toch niet langer zo, zondaar voor wie Christus dierbaar is geworden. Leef toch niet in de zonde. Daarin ben je toch als het goed is niet meer in je element. Kom toch in de binnenkamer. Bedel toch meer aan de genadetroon. Strijd den goeden strijd des geloofs (1Tim.6:12). Smaakt en ziet, dat de Heere goed is (Ps.34:9). Het is alsof de Heere het weer bij Zijn kinderen legt: Doe Mij open.

 

Hoe noemt Hij haar dan? Mijn zuster. Wat betekent die  uitdrukking? De bruid is toch geen zus van de Bruidegom? Hoe moeten we dat zien?

Het zijn liefelijke namen, die Zijn genegenheid en liefde tot haar aangeven, staat er in de kanttekening. Hier spreekt het hart van de Bruidegom. Je laat je hart toch weleens spreken tot je man of je vrouw, je vriend of vriendin? Dat doet Christus ook, met eerbied gesproken.

Wat ligt er dan in Zijn hart?

Mijn zuster. Zo’n nauwe band is er als het ware. Alsof Hij zegt: ‘Je bent Mijn zuster.’

Ik zie Christus staan. Hij zegt tegen de omstanders: Wie is Mijn moeder, en wie zijn Mijn broeders? En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen, zeide Hij: Ziet, Mijn moeder en Mijn broeders. Want zo wie den wil Mijns Vaders doet, Die in de hemelen is, dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder (Matt.12:48-50).

Hij noemt haar: Mijn zuster. Wij zijn dat niet zo gewend natuurlijk, om elkaar broeders en zusters te noemen. Maar het gaat hier over een kind van de Heere. De bruid is nu in die oudste Broeder een zuster. Dat geeft de band aan. Zij kent die oudste Broeder. ‘Mijn broed’ren ben ik vreemd, door elk onteerd.’ Maar de bruid was voor Hem geen vreemde. Mijn zuster – wat een tere naam! Mijn vriendin. ‘Gods verborgen omgang vinden zielen, daar Zijn vrees in woont’, hebben we gezongen. ‘’t Heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vrêeverbond, getoond.'

Tegen een vriend of vriendin vertel je weleens iets. Aan hem of haar openbaar je weleens een hartsgeheim, toch? Nu gaat Hij hartsgeheimen openbaren. Hij noemt vijanden zelfs ‘vrienden’.

 

Mijn vriendin. Dat is een wonder geweest voor de bruid. Die naam geeft zij zichzelf niet; zo noemt de Heere haar. De Heere geeft er getuigenis van in haar hart.

Er zit een opklimming in de namen: Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive. Een duif was een teken van schoonheid. Denk maar aan Psalm 68. Daarin gaat het over een duif met goudgele veren: gelijk een duif door ‘t goud, dat op haar veed’ren zit, bij ’t licht der zonnestralen pronkt. Mijn duive. Dat ziet op de schoonheid van de bruid.

Maar u zegt misschien: ‘Ze ziet er niet uit, deze bruid. Ze is mismaakt. Ze is afzichtelijk. Ze is zwart, zoals de tenten van Kedar.’

Ach gemeente, dat is de bruid in zichzelf. Maar in Christus is ze schoon.

 

Mijn duive. Een duif is het teken van trouw. Het is een trouw dier. Een duif vliegt niet gauw naar een andere toe. Daar kunnen we als mensen van leren. Trouw – hoe zit dat bij u, kinderen des Heeren? Wat bent u ontrouw, hè? Maar Zijn getrouwheid is veel groter. Uw ontrouw doet Zijn trouw nooit teniet.

De duif is trouw. De duif is ook het beeld van de vrede. Daar ligt de bruid. In haar hart was de vrede weggegaan. Maar nu is hier de Vredevorst. Daar staat Hij. Hij noemt haar zelfs: Mijn volmaakte!

Hoe kan dat eigenlijk? Ze is vol gebrek. Ze ligt daar op bed. Kijk maar: ze zit vol met vlekken en rimpels; ze is bezoedeld. En toch: Mijn volmaakte! Dat kan nu alleen in Christus, door Zijn volmaakte offer, door Zijn gerechtigheid, die redt van de dood. Ze is rein in Jezus. Nu buigt Hij Zich naar haar toe. Hij is volkomen. Er is in Hem geen gebrek en daarom in de bruid ook niet.

Daar staat Hij. Hij lokt. Hij nodigt. Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. Dat is het laatste.

Kinderen, kijk eens naar het hoofd van die Bruidegom. Het is helemaal nat. Zijn haarlokken zijn ook nat. Hoe komt dat?

Wel, Hij staat er al voor dag en dauw. Iemand die voor dag en dauw op is, is vroeg uit de veren. Als hij een wandeling gemaakt heeft, zie je dat zijn haren nat zijn van de nachtdruppels die als het ware in z’n haar glinsteren.

 

U die de Heere mag vrezen: daar staat de Bruidegom. Hij staat er niet zomaar een half uurtje. Hij staat er al zo lang, en zegt: ‘Kom, mag Ik nu naar binnen? Kijk, Kerk des Heeren, Ik sta daar. Ik ben al vroeg op. Ik ben al van de stilte van de eeuwigheid op en Ik ben in de nacht van Bethlehem gekomen voor u, zwarte zondaar. Ik ben in de nacht naar Egypte gevlucht. Ik ben in de nacht van het lijden geweest en Ik heb gekropen in de hof van Gethsémané. Daar werd Mijn hoofd als het ware vol van nachtdruppen, dauwdruppels, van de bloeddruppels. Daar, in de hof, heb Ik uit Mijn poriën gezweten voor u, arme en ellendige.’

Wat heeft u toch een Bruidegom! Hij heeft niet véél, maar Hij heeft álles voor u over. U die Hem mag kennen, zie Hem hier getekend in Zijn lijden, in Zijn vernedering. Hij heeft in de nacht van de Godverlatenheid gehangen, opdat u nimmermeer verlaten zou worden. Daarom: zie eens op Zijn hoofd. Zijn hoofd is vol met dauw. Zijn hoofd is bezweet van het bloed dat Hij vergoot voor hen die het niet waardig zijn.

 

Onbekeerden… U zegt misschien: ‘Ja, maar heeft u voor mij ook nog een woord?’

O, zeker! Daar staat Hij. Misschien al zestien jaar. Misschien al dertig jaar. Misschien al tachtig jaar. Wat is Hij lankmoedig. Dat betekent: Hij is langzaam tot toorn; Hij stelt Zijn toorn uit. Hij staat er in liefde. Hij strekt Zijn armen nog uit tot een ongehoorzaam en wederstrevend volk. Hij zegt: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik (Jes.65:1). Hij laat de klopper nog vallen. Hij laat de aanbieding van genade nog uitgaan. Is het niet Comrie die gezegd heeft dat die aanbieding in elke leerrede naar voren gebracht zou moeten worden?

 

Doe Mij open (…) want Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen. Dat wordt niet alleen gezegd tegen een Kerk die slaapt en waakt, maar ook tegen een zondaar die de slaap des doods slaapt. Daar staat Christus. Hij houdt Zijn hand op de deur van jouw hart. Hij zegt: Doe Mij open.

Zie je Hem staan? Hij staat als het ware – net als bij Jeruzalem – luidkeels te snikken en te smeken: Och, of gij ook bekendet, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! (Luk.19:42). Hij zegt: ‘Nu sta Ik er nog, straks niet meer. Dan is het te laat. Dan is het eeuwigheid.’

In Openbaringen 3 horen we uit Christus’ mond: Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.

Zo stond Hij voor Laodicéa. Kom, onbekeerde zondaar, Hij staat er nog. De hamer van Zijn Woord valt op uw ziel: Doe Mij open.

U haalt misschien de dogmatiek uit de kast en zegt: ‘Maar een mens kan het zelf niet; hier staat het.’

U hebt nog gelijk ook. Dan bent u klaar. Dan kun je naar huis gaan en zeggen: ‘God moet het doen.’

Moet de Heere het dan niet doen?

O, zeker. Maar is het al eens een wonder geworden dat God het doet, dat u vastgelopen bent en dat u moet zeggen: ‘Hier staat het: Doe Mij open.

Maar ik kan de sleutel niet vinden.

Hij heeft de sleutel van het geloof.

‘Ik kan het slot niet vinden.’

Hij zorgt voor het slot; in een ogenblik verbreekt Hij het door Zijn liefde. Maar u bent tóch verantwoordelijk: Doe Mij open. Vraag naar de Heere en Zijn sterkte. Blijf dan liggen aan Zijn genadetroon. Val Hem nederig te voet en zeg maar: ‘Heere, hier staat het. Het ligt niet aan U. U staat klaar. U wacht om genadig te zijn, maar ik wil niet.’

De Heere heeft geen lust in uw dood. Hij wil wel uw behoud, niet uw ondergang. Hij staat nog te wenen – misschien staat Hij er wel voor de laatste keer – en Hij klopt: Doe Mij open.

 

Hoe is het verder gegaan met de bruid?

Is ze opgestaan?

Nee, ze is blijven liggen. Toen is de Bruidegom weggegaan. Maar ze is toch achter Hem aan gegaan. Dat is de Kerk na ontvangen genade. Hij klopt. Hij lokt. Zij blijft liggen.

Onbekeerden, Hij klopt!

Maar u blijft gewoon zitten. U laat Hem spreken.

Voor de laatste keer: Hij staat voor de deur van uw ziel en zegt: Ik sta aan de deur, en Ik klop (Openb.3:20). En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen (Joh.6:37).

 

Amen.

 

Slotpsalm: Psalm 70 vers 3.

 

Ik ben nooddruftig, arm en naakt;

O God, mijn Helper uit ellenden!

Haast U tot mij; wil bijstand zenden;

Uw komst is 't, die mijn heil volmaakt.