Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 57 - 58a

Stéfanus' einde nadert

Een indringend gebeuren
Een toepasselijke les
Een totale verwerping
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 54: 1 en 2
Lezen : Psalm 58
Lezen : Handelingen 7: 54 - 58
Zingen : Psalm 58: 1 en 2
Zingen : Psalm 95: 6
Zingen : Avondzang: 5 en 6
Zingen : Psalm 74: 22

Gemeente, in aansluiting op de prediking van de afgelopen weken bedien ik u met ’s Heeren hulp ook vandaag het Woord van God uit Handelingen 7. Ditmaal staan de verzen 57 en 58a centraal. De tekst voor de prediking is Handelingen 7:57 en 58a:

Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtig-

lijk op hem aan, en wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem.

 

Stéfanus einde nadert:

1. Een indringend gebeuren.

2. Een toepasselijke les.

3. Een totale verwerping.

 

  1. Stéfanus’ einde nadert

Ik noem u twee woorden: oorlog en vrede. Met die twee woorden zou je het laatste stukje van het leven van Stéfanus hier op aarde heel goed kunnen samenvatten en typeren. Oorlog en vrede. Aan de buitenkant is er niets anders dan haat en vijandschap. Maar van binnen is het: Als God mijn Schild en Hulp wil wezen, wat zal een nietig mens mij doen? Naar buiten toe is het dreiging en dood, maar naar binnen toe is het:  Er blijft dan een rust over voor het volk van God (Hebr. 4: 9).

Jezus heeft het van te voren gezegd: Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft (Joh. 15: 19 – 21).

 

Stéfanus is er achter gekomen, wat dat betekent. Hoe is hij daar achter gekomen dat hij op vervolging en tegenstand moest rekenen? Daar is hij achter gekomen, doordat hij zijn Meester niet verloochend heeft. Hij stond voor de Naam en de Zaak van zijn Heere en Koning. En hoe kwam dat? Dit kwam doordat zijn Heere en Koning voor hém stond.

Anders was Stéfanus ook nergens gebleven. Het komt van boven, het raakt deze aarde en het keert weer tot God terug. Want let op, als Stéfanus temidden van de wolven staat, die het aanleggen op zijn dood, dan mag hij het Lam zien. Het Lam van God, zijn Heere en zijn Koning aan de rechterhand van God. Datgene wat hij ziet, brengt hem tot de prediking van het Evangelie: Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes en de ogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid van God en Jezus, staande ter rechterhand Gods.  Dan volgt zijn laatste preek hier op aarde. En hij zei: Zie, ik zie de hemelen geopend en den Zoon des mensen staande ter rechterhand Gods.

 

We kennen het verhaal van Stéfanus, ook de kinderen, zeker de grotere kinderen, en we noemen het ook altijd weer een mooi verhaal hè? Vervolgens doen we de kinderbijbel dicht en zeggen we: ‘Was dat geen mooi verhaal?’ Dan begrijpen we wel hoe we dat bedoelen, maar daar speelt nogal wat. Het is inderdaad mooi, sterker nog het

is indrukwekkend dat Stéfanus onder zulke omstandigheden preekt.

 

Maar daar moeten we Stéfanus niet op aankijken. We moeten niet zeggen: ‘Man, man, man, dat je zulke woorden bezigen kunt in zulke omstandigheden. Je zou er toch bij weglopen.’ Stéfanus een geweldig mens? O nee, Stéfanus is helemaal geen geweldig mens, maar hij heeft wel een geweldige God. Stéfanus was ook maar een mens. En als we er vanuit ons menszijn tegen aankijken, dan kijken we veel te laag. Het werk van de Heilige Geest komt hier tot openbaring.

 

Als u dit gedeelte aandachtig leest, dan is het u misschien wel opgevallen, dat hier sprake is van de drie goddelijke Personen in het ene goddelijke Wezen. De jongens en meisjes weten het: God is Eén, God is Drie. De Eenheid en de Drieheid van God belijden wij. Belijden wij. Begrijpen we niet, belijden wij. Hier is sprake van Jezus, staande ter rechterhand van God, namelijk de Vader. En Stéfanus is vol van de Heilige Geest. Merkt u, hoe heel de hemel betrokken is bij Stéfanus en bij alles wat hem overkomt? Heel de aarde en heel de hel keert zich tegen Stéfanus, maar heel de hemel leeft met hem mee. En daarom kunnen we hier lezen dat Stéfanus zei: Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods. Dan preekt Stéfanus zijn Zaligmaker, zijn Heere en zijn Koning.

 

Wat doet de Heere veel om zondaren tot bekering te brengen. Want wat zouden wij zeggen?  Zouden we niet zeggen: ‘Stéfanus spaar je de moeite, om aan zulke goddelozen het Evangelie te brengen; wil je aan Jezus’ moordenaars en aan je eigen stenigers Jezus prediken?’ Wil Stéfanus dat? Ja, dat wil hij. De grote Overwinnaar van dood, hel en zonde, de levende Zaligmaker, Die is aan ’s Vaders rechterhand, wordt hier verkondigd en gepredikt in al Zijn heerlijkheid, opdat de rechters tot inkeer zouden komen. We zongen zonet uit Psalm 58: Wordt alles billijk aangelegd?

 

Het antwoord hierop is: nee. Toch zegt Stéfanus niet: ‘Jullie zijn helemaal fout, dit kan niet, dit mag niet’. Nee, hij ziet de hemelen geopend en hij predikt Jezus aan zijn stenigers en aan zijn rechters. Hij zegt: ‘Hém hebt u nodig.’ Inderdaad, onder zulke omstandigheden kun je alleen preken onder een open hemel, met het zicht op Jezus. Anders lukt het niet. Anders kan het ook niet. Daar is nu echt geloofsmoed voor nodig.

Maar dan vervult de Heere ook Zijn eigen Woord: Wees niet bezorgd, wat u zeggen zult in zo’n ure van verdrukking en vervolging. Want de Heilige Geest zal u geven wat u spreken zult (Matth. 10: 19).

 

Wat toen gold, dat geldt ook vandaag. Als je een klein beetje de krant volgt, dan lees je van martelingen en verdrukkingen op zoveel plaatsen in deze wereld. Landen die er door getekend zijn om juist de christenen te vervolgen en tegen te staan. Als u zich verplaatst in de situatie van die mensen, zou u stand kunnen houden? U, jij, ik. Of zouden we het af

laten weten? Dat is een vraag waarvan u zegt: ‘Ja, maar zover is het nog niet’. Nee, maar als het zover komt, meisjes en jongens, dan moeten jullie er wel klaar voor zijn. Want wie garandeert ons dat het hier niet de werkelijkheid zal worden? Niemand immers. En daarom is er ook voor ons nodig, wat Stéfanus in al zijn rijkdom mag openbaren. Misschien zal het niet altijd op zo’n grootse wijze wezen als bij Stéfanus. Als het maar écht is, zoals bij deze man Gods.

 

Wat is dan de reactie van de mensen? Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren. Wat is dat woordje ‘maar’ hier veelzeggend. Dat woordje zijn we ook tegengekomen in vers 55: Maar hij. En hier in vers 57 staat: Maar zij. Hetzelfde woordje, maar een wereld van verschil. De eerste keer gaat het om een open hemel. Nu gaat het nadrukkelijk om een open hel. Terwijl Stéfanus het Evangelie verkondigt, terwijl hij Jezus verhoogt op de staak van het Woord van God, schreeuwen de leden van het Sanhedrin daar uit alle macht tegenin. Maar zij roepende en dan staat er nadrukkelijk: met grote stem.  Het is toch niet te veel gezegd, als ik dat bestempel als het roepen van de hel? Het is het roepen van de hel tegenover het roepen van de hemel.

 

Kennelijk is het voor de leden van het Sanhedrin onverteerbaar dat Stéfanus hen predikt

dat Jezus in de hemel is. Welke Jezus? Jezus van Nazareth! Maar Die hebben ze toch de dood ingedreven? Golgotha is toch werkelijkheid geworden? Jezus is dood en begraven. Die ‘verleider’ is gekruisigd. Daar willen ze niet meer van horen. En nu komt Stéfanus in de laatste ogenblikken van zijn leven toch weer aandragen met die Jezus. En hij zegt nog wel dat Hij aan de rechterhand van God is? Wil dat zeggen, dat Hij in de hemel is?! Dat Hij de ereplaats heeft ontvangen? De hoogste plaats die je ooit bij God krijgen kunt? Die gehate? Die gevloekte? Die gekruiste? Die gedode? Zou Die aan de rechterhand van God zijn? Dat is meer dan ze verdragen kunnen. Zo’n stem willen ze niet meer horen. Zo’n woord willen ze niet aanhoren. Zo’n stem moet zwijgen. En daarom doen ze hun oren dicht en hun monden open. Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren, want ze willen niet horen wat Stéfanus zegt. En om te voorkomen dat ze toch nog iets zouden horen, schreeuwen ze er hard tegenin. Ze gaan tot de aanval over: en vielen eendrachtiglijk op hem aan. De steniging komt al dichterbij. En dan zegt u misschien: ‘Ja

maar, er is toch nog geen vonnis geveld, en er is toch nog geen uitspraak gedaan?’

 

Ze kunnen niet wachten. Ze briesen van haat tegen het Evangelie. ‘Alsjeblieft, alsjeblieft, laat die man niet nog meer zeggen over Jezus van Nazareth.’ Ze willen het niet horen. Wat een woest tafereel zal het daar geweest zijn. Het was niet het publiek van de straat en het waren ook niet de anarchisten, die daar briesten van haat. Het waren niet de mensen die uit waren op de omkeer van de structuren van de maatschappij. Nee, het waren kerkmensen; leden van het Sanhedrin. Dit waren mensen die het nauw namen met de wet van God. Gaan zulke mensen nu aan het proces voorbij? ‘Inderdaad’, zeggen ze: ‘waarom eigenlijk een proces? Het is net als met die Jezus Die Stéfanus verkondigt.’ Wat was er met die Jezus aan de hand? Wel, de hogepriester zei: Gij hebt Zijn godslastering gehoord. Wat hebben we nog getuigen van node (Mark. 14: 64). Eigenlijk zeggen ze: ‘Waar wachten we nog op? Het kan toch zijn voortgang hebben? Weg met zo Eén, voor eeuwig weg.’

 

Wat speelt hier nu eigenlijk? Ik denk dat Calvijn het treffend verwoordt als hij in zijn commentaar zegt: De verkondiging van de heerlijkheid van Christus heeft hen zozeer gekweld dat zij van woede dreigden te stikken.

Dat is nog al wat. De heerlijkheid van Christus wordt gepredikt en bij deze stenigers is het één en al woede, zodat ze dreigen te stikken. Weet u, we moeten daar zo meteen nog maar eens wat dieper op ingaan en ons afvragen: ‘Wat heeft ons dat nu te zeggen?’ Dan komen we tot onze tweede gedachte: een toepasselijke les. We zingen eerst Psalm 95 vers 6.

 

Psalm 95: 6

 

'k Heb aan dit volk, dat Mij vergat,

Een langen tijd verdriet gehad,

Ja, veertig jaar hun hoon verdragen,

En zei: ‘Dit volk, dat steeds Mij sart,

Heeft een verdwaasd en dwalend hart;

't Schept in Mijn wegen geen behagen.’

 

  1. Een toepasselijke les

Stéfanus’ leven loopt op een einde. We zagen dat dit een indringend gebeuren was. Vervolgens komen we bij ons tweede aandachtspunt: een toepasselijke les. Gemeente, Paulus schrijft aan de Korinthiërs: We zijn Gode een goede reuk van Christus (2 Kor. 2: 15).  Dat geldt zowel voor degenen die zalig worden, als voor degenen die verloren gaan. Paulus schrijft er voor die laatsten bij: een reuk des doods ten dode. Voor die eersten is het een reuk des levens ten leven. Het Woord werkt of het één of het ander. Niet allebei of voor allebei een beetje; geen synthese, dat wil zeggen een samensmelting van het één en het ander. Het Woord is heel radicaal. Dat was toen zo en dat is vandaag nog zo.

Hoe is het vandaag? We vallen voor Christus in het stof, dat is de ene kant, of we koken van vijandschap, dat is de andere kant. Bedrieg uzelf niet door u op een weg te zetten die daar ergens tussenin zit. Zo van: we zijn zulke nette mensen. Dat waren de leden van het Sanhedrin ook. Misschien vindt u dit nogal scherp gezegd. Maar dat is Gods liefde.

 

Liefde is scherp. Dat is ze niet uit hardheid, maar uit bewogenheid. Het is of het één: uw hart wordt doorstoken, doorpriemd, verslagen, zoals bij die drieduizend Pinksterlingen. Of het ander: uw hart wordt doorgezaagd. En dat laatste ziet u overduidelijk bij de leden van het Sanhedrin. Maar door te kijken naar die leden van het Sanhedrin is er het gevaar dat we niet letten op onszelf. Hierom is de tweede gedachte belangrijk. De geschiedenis

van Stéfanus is een toepasselijke les voor u, voor jou en voor mij, heel persoonlijk. We kunnen net als de leden van het Sanhedrin tot de nette mensen behoren. We zijn in de kerk, we lezen uit het Woord, we bidden, en ... we stoppen onze oren toe. Dat staat hier geschreven over die nette mensen. Ze stopten hun oren toe bij het horen van de heerlijkheid van Christus.

 

Dat is nu het leven van ieder mens buiten Christus. Als het gaat om de onbekeerlijkheid van het hart, dan spitst het zich hier op toe. Dat we niet gediend zijn van de heerlijkheid van Christus. We zijn echter wel gediend van de heerlijkheid van de mens en van alles wat de mens kan, mag en doet. Stéfanus heeft de mens niet gepredikt, Stéfanus heeft Christus gepredikt. En bij de prediking van de heerlijkheid van Christus stopten de leden van het Sanhedrin de oren toe. Ik zeg u: dat is nu de onbekeerlijkheid van de mens. Dat is nu onze vijandschap. Dat is de roepstem tot bekering smoren in een antwoord van haat en van afkeer. Daar moeten we toch wel de tijd voor nemen om dat wat naar ons toe te halen. Ik kan het ook zo zeggen: laten we er de tijd voor nemen, opdat de Heilige Geest het bij ons thuis kan brengen. Opdat we ons hier door dit Woord van God heel persoonlijk aangesproken weten. Want dat optreden van het Sanhedrin tekent ten diepste elk mens in zijn vervreemding van God. Onze ogen zitten dicht. Onze oren zijn doof. Onze harten zijn verhard. U zegt misschien: ‘Ja, zo is het.’ Maar wat doet het met ons? Want met het vaststellen van die waarheid komen we natuurlijk geen stap verder. We houden er niet van om zo in onze onbekeerlijkheid te worden aangesproken.

 

God wil ook vandaag uw schuld open leggen. Want kijk, God heeft ons niet geschapen met blinde ogen, gesloten ogen, en verharde harten. God heeft ons goed en naar Zijn evenbeeld geschapen. Zo heeft God ons op deze wereld gezet, niet zoals het nu is en zoals we nu zijn. Hoe komt het dan dat het nu zo anders is? O, we weten het precies. Als ik tegen de jongeren op catechisatie zeg: ‘Nu mag je maar één woord gebruiken, hoe komt het dan dat het zo anders is?’ ‘Ja, dat komt door de zonde.’ Zonde, dat is waar.

 

Schrikken we er nog van, als we dat woord gebruiken? Schrikken we er nog van dat we de zonde gekozen hebben en dat we de dood over ons leven hebben ingeroepen? Dat we God hebben verlaten en gezegd hebben: ‘Heere God, we willen met U niet meer van doen hebben.’ We zijn weggegaan en we hebben gezegd: ‘Heere God, we hoeven U nooit meer te zien, we hebben genoeg aan onszelf.’ We zijn liefhebbers van onszelf geworden. En wat hebben we het met onszelf getroffen. U niet, jij niet? Ze moeten niet aan ons eigen ‘ik’ komen, dan voelen we ons nogal gekrenkt, nietwaar? En zo leven we in rust. Alleen, we moeten wel eerlijk zijn. We leven in een valse rust. We kunnen het

echter wel prachtig camoufleren. En ja, als er wat gebeuren moet in uw leven, dan moet God het doen en als ik niet uitverkoren ben, ach wat maakt het dan allemaal uit, dan kom ik er toch niet. Laat me maar met rust.

 

Als God ons in die valse rust komt storen met de prediking van het Evangelie, als God ons in die valse rust komt storen met de bediening der verzoening, dan is er van ons uit haat en vijandschap.

 

Kijk maar naar die mensen die Stéfanus aanstonds stenigen zullen. Het zijn keurige mensen. De Wet van God, het Woord van God, de dienst van de verzoening van hun zonden kennen ze. Hun onbekeerlijkheid en hun vijandschap vindt daarin de spits dat ze de Zaligmaker der wereld onverbloemd verwerpen en ten deur uit wijzen. Het gaat hier ten diepste om de tegenstand tegen Christus. Stéfanus is maar een verkondiger van Christus, hij is Jezus Zelf niet. Ja, ze koelen hun woede wel op hem. Maar als ze Jezus nog eens in handen konden krijgen… Het gaat dus om Hem. Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan. Het gaat ten diepste om de Zaligmaker der wereld. Heeft Jezus het Zelf niet gezegd: Gij wilt tot Mij niet komen,

opdat gij het leven moogt hebben (Joh. 5: 40).  U wilt niet.  Die stenigers, die keurige mensen, die wilden niet.

 

U zegt: ‘Ja maar de mens kan toch niet en dan houdt toch alles op?’ Dat eerste is waar, maar dat laatste niet. Kijk, onze onmacht dient niet tot onze verontschuldiging, zodat we zeggen: ‘Ja, ik kan het toch ook niet helpen?’ Onze onmacht dient tot onze beschúldiging. Dat is een hemelsbreed verschil; geen verontschuldiging, maar een beschuldiging. Want het Woord zegt niet: ‘Ach mens, ach, dat is toch ook wat, dat je zo’n slachtoffer geworden bent.’ Wat zegt het Woord dan? Het Woord zegt ons: ‘Mens,

dat je  zo’n schuldenaar bent voor het aangezicht van God.’ Dat zegt God. En daarom, God breekt in de waarachtige bekering niet uw onmacht, maar God breekt in de waarachtige bekering uw onwil. Die onwil houdt ons van Christus af. We willen van Hem niet horen, zelfs niet in heel kritieke omstandigheden van ons leven.

 

Jaren geleden bezocht ik een oude broeder in het ziekenhuis en wat doe je dan? Dan probeer je kort iets te zeggen over het Woord van God en over de Zaligmaker der wereld. Daar stuur je wat op aan. ‘Dominee, die man daar in de hoek die heeft vannacht zo liggen hoesten, ik kon er niet van slapen.’ ‘O ja, beste broeder, heb je het bloed van het Lam?’  ‘Ziet u die zuster, dat is toch zo’n aardige zuster.’  Goed, zo kunnen mensen dat uitbreiden, maar ondertussen stoppen ze hun oren dicht als het gaat om de heerlijkheid van het Lam van God. Dat is ons bestaan.

 

Maar als God breekt, dan breekt Hij niet de onmacht maar de onwil, want die houdt ons van Christus af. Onze onwil is hoogmoed. Onwil en hoogmoed liggen in elkaars verlengde. Onze hoogmoed doet ons weigeren om te luisteren naar de klanken van het Evangelie. Het staat hier: Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan’. Hier ziet u wat er leeft in ons aller hart. U zegt wellicht: ‘Ja maar zo bruut ben ik niet en ik zou daar niet aan meegedaan hebben.’ Wel, dat laatste dat zit nog. Maar wat het eerste betreft wil ik u het volgende zeggen. U bent misschien wat minder bruut, wat genuanceerder. Maar nu mag u zeggen wat erger is: zo bruut doen als de mensen in deze tekst of het wat verfijnder doen, met alle netheid en keurigheid die erbij hoort. Misschien zijn wij keurige mensen, die op een keurige manier weigeren dat Christus Koning zal zijn in hun leven. Keurige mensen, die op een keurige manier het Koningschap van Christus in hun leven niet willen. Maar kijk, dat wordt nu juist de schuld van uw leven in de weg van de bekering. God riep, maar dit wordt zo’n schuld als u er achter komt dat u God liet roepen. God heeft gelokt: ‘Kom dan, kom.’ Zoals een moeder haar kind roept: ‘Kom bij mama, kom dan.’ Daar staat God; Hij heeft de ganse dag Zijn armen uitgebreid tot een wederstrevig volk (Jes. 65: 2).. Kom dan, zegt God, ‘laten we samen richten. Al waren uw zonden rood als karmozijn, ze zullen wit worden als de wol (Jes. 1: 18).  God lokte, God riep, maar u ging met een boog om Hem heen. Dat is het ergste wat u gebeuren kan, ook in het leven van elke dag. Het is vergelijkbaar met de situatie dat u iemand tegen komt en dat u zegt: ‘O, die wil ik niet zien’, en u draait uw hoofd om. Dan negeert u iemand. God negeren.

 

Als de Heere u echter breekt door Zijn liefde in uw halsstarrigheid en in uw vijandschap dan gaat u schuld belijden, uw eigen schuld wel te verstaan. De Heilige Geest werkt heel persoonlijk: ‘Heere, dat ik zo vaak op dat plekje gezeten heb in de kerk.’  U kijkt achterom als u de kerk uit gaat. ‘Heb ik hier gezeten? Heb ik steeds maar ‘nee’ gezegd?’ Wat klaagt dat plekje u aan, wat achtervolgt het u als het ware. De zonde van het paradijs was hoogmoed en dat is ook de zonde van het ongeloof. Waar de Heilige Geest echter werkt tot zaligheid daar wordt de mens gebroken, geknakt. Waarin? In zijn eigen hoge ik. Want dat ‘ik’ voert de boventoon in ons leven. God komt in ons levensverhaal niet voor. Maar God breekt uw eigen ik, opdat Hij de hoogste plaats in uw leven zal hebben. God overtuigt u eerst van uw onwil, en dan pas blijkt uw onmacht. Want als de Heere uw hart gebroken heeft, dan ziet u pas goed dat u niet kunt wat God van u vraagt. Dus als God uw hart gebroken heeft, als uw onwil gebroken is, dan ziet u pas hoe de onmacht in uw leven regeert. Wij proberen die onmacht naar voren te halen. U zegt: ‘Ja, de mens kan het niet hè?’ ‘Nee,’ zegt de Heere, ‘u wilt niet.’ En als u daarvan overtuigd bent door de liefde van God in Christus dan zegt u: ‘Heere ik kan niet. O, God wat zou ik moeten doen?’ Dan is het werkelijkheid, anders is het maar napraten. We kunnen er wel een mooi verhaal van maken, maar dan geeft u ten diepste God de schuld.

 

Geeft u, gebroken onder de goedheid van God, uzelf de schuld? ‘Heere ik, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog.’ Of: ‘Ik ben Uw gramschap dubbel waardig, want Heere ik zeg altijd maar nee, nee en nog eens nee.’ En het komt terug. Hebt u weleens verdriet gehad? Kinderen hebben kinderverdriet. Ze komen thuis en mama is er niet en ze hebben verdriet of ze zijn gevallen of wat dan ook. Tranen hè, tranen. Kinderen hebben tranen, maar als je wat groter bent, dan schaam je je voor je tranen.

Maar, hebt u tranen voor God? Verdriet voor God, vanwege de pijn in uw hart? Droefheid naar God, die een onberouwelijke bekering werkt tot zaligheid (2 Kor. 7: 10).Tranen vanwege het feit dat u de roepstemmen van de Heere tegengestaan hebt. Dat u de oren hebt toegestopt, zoals we het hier lezen.

 

Stéfanus preekt met al de liefde van zijn hart. Hij zou niets liever willen dan dat zijn stenigers eenmaal met hem God zullen grootmaken tot in alle eeuwigheid. Ja, dat leeft in zijn hart. Maar ... zij. Kijk, als dat weerklank vindt in uw hart, wat is het dan ingrijpend en smartvol dat u gezondigd hebt. En dat u zich verzet hebt tegen God en tegen Zijn Christus. Dat u zich verzet hebt tegen Hem, Die Stéfanus hier predikt, Die ingegaan is in de diepte van de dood. Waartoe? Opdat Hij zulke mensen zoals u, jij en ik zou kunnen zetten op de hoogten van de genade van God. Hebben we er erg in?

 

Meisjes en jongens hebben jullie er erg in, met name ook in jullie jonge leven? Laat je gezeggen, laat je gezeggen door deze hoge God. Want het is van tweeën één. Wanneer

we ons hart voor onszelf houden, dan is het met ons net als bij de leden van het Sanhedrin.  Maar zij roepende met grote stem, stopten hunoren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan. En dan is er geen houden meer aan. Dan is het net wanneer je een bal legt op een helling. Die laat je los en die pak je niet meer. Dan gaat het van kwaad tot erger. Zo is het hier ook. En zij wierpen hem de stad uit en zij stenigden hem. Dat is het laatste aandachtspunt voor vandaag: een totale verwerping. Daar sluiten

we mee af. Eerst zingen we Avondzang vers 5 en 6.

 

Avondzang vers 5:

 

Bescherm ons, in den bangen tijd

Van zielsverzoeking en van strijd;

Laat nooit den bozen vijand toe,

Dat hij ons enig' hinder doe.

 

Vers 6:

Behoed het ganse Christendom;

Geef dat in kruis Uw vreugd weerom;

Vertroost het neergebogen hart,

En heel in gunst der kranken smart.

 

  1. Totale verwerping

Stéfanus’ einde nadert. Een indrukwekkend gebeuren, een toepasselijke les, maar ook een totale verwerping. Er staat in vers 58: En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem. U vraagt zich misschien af: kan het nu zomaar? Iemand buiten de stad voeren en hem stenigen. God had in Zijn wet ook daarvoor bepaalde richtlijnen gegeven. Iemand mocht gedood, gestenigd worden, als het een valse profeet was. De Heere gaf daarbij ook aan, wie een valse profeet was. Wie moest je nu voor een valse profeet houden? Wel, diegene moest je voor een valse profeet houden, die het volk probeerde te verleiden tot de dienst van de afgoden. Begrijpen jullie meisjes en jongens? Je kunt niet zomaar zeggen: ‘Hé, jij bent een valse profeet.’ Hoe kon je nu vaststellen dat iemand een valse profeet was? Iemand was dus een valse profeet als hij het volk afleidde van de dienst van de ware God. Je leest daarover in Deuteronomium 13. Een valse profeet roept op tot afgodendienst en zo iemand heeft zijn leven verbeurd en verspeeld. De valse profeet gaat de dood in. Ja, nog één keer: een valse profeet moet gedood worden.

 

Kijk nu eens naar deze geschiedenis. Wie gaat hier gedood worden? Stéfanus gaat de dood in. Stéfanus wordt hier dus bestempeld als een valse profeet. Stéfanus wordt gestenigd. De diaken die vol van de Heilige Geest de ware God en Jezus Christus als de Zaligmaker der wereld predikt, krijgt de straf van een valse profeet. Ziet u, hoe de hel

alles omkeert? Hij die het Leven preekt, Stéfanus dus, wordt de dood ingejaagd. Hij die oproept tot de ware dienst aan de ware God, krijgt het stempel opgedrukt van een valse profeet. In felle bewoordingen voeren ze Stéfanus af, roepende met grote stem. De woede straalt er aan alle kanten af. Buiten de stad, buiten Jeruzalem, zal het vonnis worden voltrokken.

 

De leden van het Sanhedrin doen zelf het werk van de gerechtsdienaren. De lasteraar van Gods naam wordt buiten de legerplaats gebracht. Daar ga je Stéfanus. Buiten Jeruzalem. Maar kijk eens goed, Stéfanus, je bent niet de eerste, die de doodsweg buiten Jeruzalem wordt opgedreven.

Vergelijkenderwijs,  symbolisch, ziet Stéfanus daar voetstappen staan. Hier is er Eén geweest en de voetstappen die Hij achtergelaten heeft, blijken de voetstappen van een Lam te zijn. Een heel bijzonder Lam. Het zijn de voetstappen van het Lam van God dat de zonden der wereld wegdraagt. Stéfanus, wat gaat u aan het einde van uw leven al meer lijken op uw Heere en Koning, de Heere Jezus Christus. Wat hebben ze ook Hem onrechtvaardig veroordeeld wegens godslastering. De Zoon van God? Hij is de duivel in eigen persoon. Belial. Hij houdt het met de hel. Jezus kwam uit de hemel, maar voor de Hoge Raad is Jezus de Godslasteraar. Weg met zo Eén, de dood in. Kruis Hem, kruis Hem. Hij, Die het onschuldige Lam van God was, werd ook buiten de stad gebracht.

Ziet u Hem gaan? Christus Jezus? Hij, Die geen zonde gekend heeft. Hij, Die geen zonde gedaan heeft en nochtans wachtte Hem de dood. Ja, daar heeft Jezus bewust voor gekozen. Dat moest naar de raad van God. ‘Is daar Iemand,’ zo vroeg de Vader in de stilte van de eeuwigheid, ‘om Lam te zijn? Is daar Iemand om Borg te zijn?’ Was u er toen? Was jij er? Was ik daar?  Jezus was daar. Het eigen Kind van de Vader. Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands (Ps. 40: 8 en 9).

Hij komt als het Lam van God dat de zonde der wereld wegdraagt (Joh. 1: 29). Hij ging een weg die oneindig veel lager liep dan Stéfanus’ weg. Hij ging de laagste weg. Want terwijl Stéfanus een open hemel ziet, roept Jezus: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mark. 15: 34).  Bij Stéfanus is er verlichting, ondanks alle zwaarte van het lijden. Jezus zoekt naar de hand van Zijn God, maar die is er niet. Jezus zoekt het hart van Zijn God, maar dat blijkt gesloten te zijn. Stéfanus ziet een open hemel, vanwege het feit dat Jezus vrijwillig de dood is ingegaan. En dat deed Hij niet voor vrienden, maar voor vijanden. Ook voor Stéfanus.

 

Nu zeggen de kinderen misschien: ‘Ja, maar Stéfanus is toch geen vijand van de Heere? U hebt zelf gezegd hoe prachtig of hij over de Heere Jezus gepreekt heeft.’ Ja, weet je, er moet één woordje bij. Dat zegt de juf op school ook weleens: ‘Er moet nog één woordje bij, dan is het goed.’ Zo is het hier ook. Stéfanus is geen vijand meer van God en van de Heere Jezus, maar hij was het uit zichzelf ook. Stéfanus was in zichzelf niet beter dan die stenigers. Vandaar ook de ernst van zijn prediking. Hij staat er niet boven.

 

Nee, hij weet wat het zeggen wil om tot de stenigers te behoren. Ook hij was van huis uit een kind van Adam.

Maar wat zien we hier nu? De kracht van Jezus’ bloed. De kracht van Gods genade schittert hier in al zijn rijkdom en heerlijkheid. Christus heeft niet alleen Zijn leven gegeven tot verzoening van de zonden van Stéfanus en tot verzoening van zijn schuld. Jezus Christus trekt Zijn kind en Zijn knecht ook achter Zich aan de lijdensweg op. Dat hoort ook bij de erfenis. Zijn genade blijkt zich niet alleen te openbaren in de verzoening van de zonde. Maar Zijn genade openbaart zich ook als je een kruisweg gaat en als je verdrukking ondervindt in je leven. Smaadheid lijden om Jezus’ wil.

 

Belijden en martelaar zijn is in het Grieks hetzelfde woord. Wie belijdt is per definitie een martelaar en een martelaar blijkt een belijder te zijn. Dit is een harde werkelijkheid en tegelijkertijd een zalig gebeuren. Want weet u, hier neemt alle geredeneer een einde en hier houden alle discussies op. Dit is de laatste ernst en de hoogste vreugde. Wat zal de naam ‘Stéfanus’ nu echt werkelijkheid en waarheid worden. Stéfanus dat wil zoveel zeggen als: de gekroonde, de omkranste. Stéfanus’ naam krijgt aan het eind van zijn leven de diepste inhoud: de gekroonde, de gekranste. Hij wordt uitgeworpen om Jezus’ wil. De geur van Christus komt van hem af. U hebt misschien weleens een Stephanotus thuis staan; een plant die zo in een boog groeit met van die sterk ruikende bloemetjes er aan. Stephanotus, de kinderen kunnen het wel horen, daar zit de naam ‘Stéfanus’ in. Stéfanus, de omkranste, de gekroonde, de geur van Christus komt van hem af. Hoe kan het? Wel direct naast Stéfanus staat de Koning met de doornenkroon. Waarom is de geur van Christus aan Stéfanus? Dat is niet uit hem, maar het is uit Christus Jezus. ‘Ik voor u, Stéfanus. Ik de doornenkroon en u de kroon, de krans van de rechtvaardigheid.’

 

Gemeente, dit moet u maar niet romantiseren. Daar moet je maar niet een mooi verhaal van gaan maken. Dat gevaar bestaat. Martelaar zijn heeft niets met romantiek te maken. Maar het heeft alles te maken met een keiharde, haatdragende werkelijkheid, die nochtans leidt tot een ongekende vreugde. Hier is die vreugde, niet om Stéfanus’ wil maar om Jezus’ wil. Op de weg achter Jezus aan ontvang je geen eer. Je wordt ook niet de beste. De weg van lijden, is de weg van verdrukking. Maar het is ook de weg die leidt tot de drie-enige God. Het is de weg van de Kruiskoning. Hij gaat vooraan en Stéfanus volgt. Stéfanus ziet Hem met het oog van het geloof. Ja, hij ziet Hem heel nadrukkelijk, ook lichamelijk. Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods. We zien Stéfanus in onze gedachten onder een open hemel gaan. Er is ook een open hel, die hem aangrijnst met al haar duizendtallen. Maar de open hemel heeft veruit de overhand. Hij gaat onder een open hemel naar de plaats van de terechtstelling. De eerste stenen vallen al, de regels worden weer gehandhaafd. Daar komen de stenen. Maar voordat de stenen komen, gemeente, is Jezus er al. Dat is het geheim, het genadevolle geheim.

Arme Stéfanus? Nee, o nee. Dat zijn die stenigers die zich verharden. De stenigers die hun woede koelen op deze Godsgezant. Stéfanus is rijk. Hij is zalig. Hij mag het met de apostel zeggen: Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr. 2: 9).  Dat is alles. Is dat ook uw spreken? En het jouwe?

 

amen

 

 

Slotzang Psalm 74: 22

 

Vergeet niet, HEER, dien onverdraagb'ren hoon,

Dat luid geroep van al Uw weêrpartijders;

Het woest getier van Uwe machtbestrijders

Stijgt telkens op tot voor Uw hemeltroon.