Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 17

Het nut van de opstanding van Christus

De bron van het leven uit de dood
De bodem van het herstelde leven met God
De kracht van het nieuwe leven voor God
De zekerheid van het leven uit de christelijke hoop
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 21: 1
Lezen : 1 Kortinthe 15: 1-12, 50-58
Zingen : Psalm 118: 1, 11 en 14
Zingen : Psalm 119: 40 en 88
Zingen : Psalm 17: 6

De Catechismus laat de loftrompet horen voor de opstanding van de Heere Jezus.

Aan de beurt is Zondag 17.

 

Vraag 45: Wat nut ons de opstanding van Christus?

Antwoord: Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken.

Ten andere worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.

Ten derde is ons de opstanding van Christus een zeker pand onzer zalige opstanding.

 

Het gaat in deze zondag over

Het nut van de opstanding van Christus

 

Vier gedachten vragen onze aandacht:

  1. De bron van het leven uit de dood

Dat is Christus, want Hij heeft de dood overwonnen

  1. De bodem van het herstelde leven met God

Als de catechismus preekt over de gerechtigheid, die Hij verworven heeft en deelachtig maakt.

  1. De kracht van het nieuwe leven voor God.

Door Zijn kracht worden we opgewekt tot een nieuw leven.

  1. De zekerheid van het leven uit de christelijke hoop.

Want Jezus’ opstanding is een zeker pand van onze zalige opstanding.

 

Gemeente, u heeft vast wel eens Jehova-getuigen aan de deur gehad. Vaak beginnen zij direct over de Nieuwe Aarde en door wie die bewoond zal worden. Heerlijk zal dat zijn!

Ze hebben daar foldertjes over en plaatjes van. Paradijselijk ziet het eruit.

Alleen, voor wie geldt dat? Want zij ontkennen de lichamelijke opstanding van Christus. Zij zeggen: ‘Jezus is opgestaan in de geest. Zijn verschijning aan Zijn discipelen is net zoiets geweest als de verschijning van God onder het Oude Testament.’ Denk maar aan Abraham, toen hij drie bezoekers ontving.

De Jehova-getuigen geloven niet in de lichamelijke opstanding van Christus. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit, dat ze niet geloven, dat Hij de Zoon van God is. Ze zeggen dat Jezus’ gestorven lichaam is weggenomen, net zoals bij Mozes. Zijn lichaam is geofferd. Zijn bloed is gestort. Meer is dus niet nodig.

Zij geloven dat er in de hemel geen opstandingslichaam kan komen, want er staat in de Bijbel, dat vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. Maar dat is een misverstaan van dat Schriftwoord, want met ‘vlees en bloed’ bedoelt Paulus de zwakheden, de nare gevolgen van de, aan de vloek van de zondeval onderworpen, mens.

 

De moderne theologie van vandaag zegt: ‘Jezus’ opstanding heeft plaatsgevonden in de gelovige voorstelling van Zijn discipelen.’ Hij leeft dus nog voort in de herinnering van Zijn volgelingen. U zult wel begrijpen, dat dit een heel gevaarlijke dwaling is, want de opstanding van Christus is een feit, een heilsfeit. En daarmee staat of valt onze zaligheid.

 

De Bijbel tekent ons de opstanding van Christus als het hart van het Evangelie. Het heilsfeit van Pasen is beslissend voor ons heil. In 1 Korinthe 15 blijkt dat alles staat of valt met het geloof in de opstanding van Christus. Indien Christus niet is opgewekt, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. En dan zijn zij verloren, die in Christus ontslapen zijn. Dan is het Evangelie ijdel, dan is onze arbeid ijdel, ja, dan is alles tevergeefs.

 

Het is opvallend, dat de Catechismus in Zondag 17 eigenlijk helemaal niet spreekt over het feit van de opstanding, maar direct begint met het nut van de opstanding. Blijkbaar was het feit van de opstanding in de tijd waarin de Catechismus werd opgesteld geen omstreden leerstuk.

In de apostolische tijd waren het de Sadduceeën, die de opstanding loochenden. Anderen verkondigden, dat de opstanding in geestelijke zin al geschied zou zijn. De ontkenning van het heilsfeit van Pasen, van de opstanding van Christus, begon trouwens al direct op de eerste opstandingsdag van Jezus. ‘Hij is gestolen,’ zeiden de joodse leiders.

Daarom was Christus er alles aan gelegen, om het feit van Zijn opstanding boven alle twijfel te verheffen. Hij is er zelfs veertig dagen voor op aarde gebleven, om het geloof in het heilsfeit van Zijn opstanding te funderen in het leven van Zijn discipelen. Zij zouden getuigen worden van kruis en opstanding in de toenmaals bekende wereld. ‘De Heere is waarlijk opstaan’, hebben ze overal verkondigd.

 

Denk ook aan de engel bij het graf van de Heere Jezus en aan al Jezus’ verschijningen. Denk aan de lange rij van kroongetuigen, die wij hebben horen voorlezen uit het eerste gedeelte van 1 Korinthe 15.

 

De Heere is waarlijk opgestaan. Hij is dezelfde Persoon, Die gestorven was. Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

Jezus Christus, God en Mens! Hetzelfde vlees verrees uit het graf, alleen was het wel bevrijd van alle zwakheid en onderworpenheid aan de zonde en de gevolgen daarvan.

Jezus stond op met een verheerlijkt lichaam aan de overzijde van de doodsjordaan. Hij zette Zijn voeten niet op deze oever van het sterfelijke leven zoals Lazarus, maar aan de andere kant van de rivier, op de oever van het onsterfelijke leven.

Dat kunnen wij met ons verstand niet klein krijgen, niet begrijpen. Zomin als we het allereerste ontstaan van het leven ooit kunnen verklaren, zo kunnen we ook ‘het leven uit de dood’ niet verklaren.

 

Gemeente, het gaat er niet in de eerste plaats om, dat we met ons verstand geloven in het feit van de opstanding van Christus.

Weet u, wat veel belangrijker is? ‘Wie is deze levende Christus voor u?’ Hij leeft! Dat is zeker waar! Maar Wie is Hij voor u? Zou er voor u veel veranderen in uw leven, vandaag, morgen, op uw werk, als de Heere Jezus niet was opgestaan? Het echte opstandingsgeloof komt ten diepste voort uit de ontmoeting met de levende Christus. Het is onmogelijk om alleen maar met je verstand te werk te gaan, want het is een onbevattelijk wonder.

 

Niemand is erbij geweest, niemand kan verslag uitbrengen van wat er gebeurd is in die kamer van de dood waar Jezus lag, toen de steen er nog voor was. Het is alles buiten ons toedoen, dat Jezus de dood heeft overwonnen. Jezus heeft nooit Zijn opstanding verklaard voor ons verstand. Hij heeft het nooit aannemelijk of doorzichtig gemaakt voor Zijn discipelen. Elke poging daartoe moet falen omdat wij daar veel te bekrompen, veel te beperkt voor zijn. Hier wordt het natuurlijke schema doorbroken, ons verstand laat ons bij het bovennatuurlijke wonder van de opstanding geheel in de steek.

 

Daarom, gemeente, is de opstanding een heilsfeit dat we geloven. Alleen de ontmoeting door het geloof met de levende Heere schenkt het rechte zicht op Zijn opstanding. De geloofsontmoeting met Christus bewijst ons, dat Hij leeft.

Herkent u het zo? Hebt u Jezus ontmoet in de Schriften, waarin Hij niet minder werkelijk aanwezig is, dan toen Hij aan Mozes verscheen in de brandende braambos? Zo verschijnt Hij en openbaart Hij Zich telkens opnieuw. Hij maakt Zijn aanwezigheid kenbaar, voelbaar.

Het gaat hier niet om een ‘gewone’ opwekking van een dode, zoals bij Lazarus of de jongeling te Naïn, maar het gaat hier om Gods verzoenend heilshandelen in de gekruisigde en opgestane Christus.

 

De opgestane Christus Zelf maakt ons het nut van Zijn opstanding deelachtig. En weet u, hoe Hij dat doet, gemeente? Dat doet Hij door de verkondiging van het Evangelie, door de prediking van het Woord. Ook nu! Daarin is Hij als de Gekruisigde en Opgestane present, daarin wil Hij u ontmoeten en u doen delen in de kracht van Zijn opstanding.

In feite gaat het daarin net zo toe als bij de discipelen op de eerste Paasdag. Ze zaten achter gesloten deuren vanwege de vreze der Joden en ze werden bestookt door twijfel. Maar Zijn overmachtige, heerlijke tegenwoordigheid breekt hun ongeloof en bouwt hun geloof. De ontmoeting met Hem doet hen uitroepen: ‘De Heere is waarlijk opgestaan!’ Hij kwam binnen bij de discipelen en sprak: ‘Vrede zij ulieden.’ Zo liet Hij zeggen bij het graf: ‘Wat zoekt gij de Levende bij de doden?’

Denk eens aan de Emmaüsgangers. Zij liepen naast Hem, maar hun ogen werden gehouden, dat ze Hem niet kenden. En wat hadden ze het nodig, dat hun ogen geopend zouden worden na het onderwijs, dat Jezus gaf in Zijn profetische bediening, om hen in de Schriften de Christus der Schriften te doen vinden! Ze mochten Hem daarin vasthouden, ook als Hij lichamelijk van hen verdwenen zou zijn.

 

Denk maar aan Thomas. De Heere Jezus trekt hem erbij, roept hem naar voren en herhaalt de ongeloofstaal, die hij geuit heeft: ‘Indien ik in Zijn handen niet zie het teken der nagelen, en mijn vinger steek in het teken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde, ik zal geenszins geloven.’ En dan zegt de Heere Jezus: ‘Kom maar, doe het maar!’ Wat een Zaligmaker!

Wat doet Hij er alles aan, om Zich aan ons als de Opgestane bekend te maken en geloof te wekken in harten van mensen, van ongelovige Thomassen! Thomas mocht naar voren komen en zijn vinger steken in de tekenen van Zijn nagelen en zijn hand leggen op Zijn zijde. Hij bleef niet langer ongelovig, maar Hij werd gelovig. In aanbidding knielt Hij neer aan Zijn voeten met de belijdenis: ‘Mijn Heere en mijn God.’

Denk maar aan Paulus, op weg naar Damaskus. Paulus dacht: ‘Jezus is dood’, totdat de hemel opengaat en hij een stem hoort. Als antwoord op zijn vraag: ‘Wie zijt Gij, Heere?’ klinkt het: ‘Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.’ Dat was de stem van de opgestane en verheerlijkte Christus.

 

Deze opgestane Christus, gemeente, openbaart Zich nog steeds door Zijn Woord en Geest. Dan wordt het een werkelijke ontmoeting met Hem, een kennen van Hem, een omgaan met Hem.

Spreekt u tot iemand, die er niet is? Nee toch? Dus als u bidt tot de Heere Jezus, dan is Hij er toch? Zo komt het tot een werkelijke ontmoeting met Hem. Zo leeft Hij nu ook door het geloof in Zijn kinderen.

Dat was in de oudste christelijke tijden ook zo. In het leven van de gemeente ontdekte men werkelijk de tegenwoordigheid van de levende Heere. Daarom hebben de eerste christenen nooit aan het feit van de opstanding getwijfeld.


Geen graf hield Davids Zoon omkneld,

Hij overwon, die sterke Held,

Hij steeg uit ’t graf door ’s Vaders kracht,

want Hij is God, bekleed met macht!

 

De Catechismus zegt het zo eenvoudig in een kort zinnetje, maar daar zit alles in:

Hij heeft door Zijn opstanding de dood overwonnen.

 

Misschien zijn hier mensen, die bang zijn voor de dood. Dat is geen wonder, want de dood is het loon op de zonde. De moderne theologie heeft geen gelijk als ze zegt: ‘De dood heeft altijd bij het leven gehoord.’ Nee, de Heere heeft duidelijk in het paradijs voor de zondeval gezegd: ‘Ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij de dood sterven!’ Telkens weer lees je in de Bijbel: ‘En Hij stierf.’ De dichter zingt het en wat zingen we het hem vaak na: ‘Wie leeft er, die de slaap des doods niet eens zal slapen? Wie redt zijn ziel van het graf?’

 

Kijk eens om u heen in deze wereld. Lees de krant eens, want het gebeurt steeds weer dat volkeren elkaar afslachten. Je zou bijna zeggen: ‘Heel deze wereld is één grote grafkuil.’ Oorlogen, rampen, honger, ziekte, dood zijn aan de orde van de dag. Wie redt zijn ziel van het graf? Niemand toch?

En toch! De apostel Paulus zet de bazuin aan de mond en hij blaast: ‘Houd in gedachtenis, stervende mensen in een stervende wereld, houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt.

 

Jezus redde de ziel van het graf, door er zelf in neer te dalen. Dat begon al in de kribbe. Zijn hele leven lang worstelde Hij tegen de oorzaak van de dood, namelijk de zonde. En toen, toen kwam de hof van Gethsémané. Daar droeg Hij de toorn van God. Als een loodzware last werd Hij als het ware platgedrukt op de aarde.

Daarna kwam het kruis. Machteloos, zo zou je zeggen, hing Hij daar met uitgestrekte armen. Toen Zijn discipelen met liefde Zijn lichaam hadden afgenomen, nadat Hij het hoofd had gebogen en de geest gegeven, toen kwam het graf. Toen werd het stil in de hof van Jozef.

Plaatsbekledend betrad de Heere Jezus het machtsgebied van dood en graf. De steen ging ervoor. ‘Dit is het einde’, dachten de Joden. ‘Nu is alle hoop vergaan’, dachten de discipelen. De stilte van de dood heerste in Jozefs hof. Maar op de derde dag kwam het nieuwe begin, de graankorrel was in de aarde gevallen en gestorven, maar toen kiemde het nieuwe leven uit de dood.

Toen op Pasen kon de dood Hem niet langer vasthouden. De dood moest in Christus zijn Meerdere erkennen. Op de derde dag schudde Jezus de kluisters van de dood van Zich af en kwam Hij als Overwinnaar tevoorschijn uit het graf.

 

God was tevreden met de betaling voor de zonde. De straf was gedragen, de toorn gestild en de vrede gemaakt. Daarom wekte de Vader Zijn heilig Kind Jezus op uit het graf. Pasen is het ‘amen’ op het verzoenend lijden en sterven van Christus. Pasen is de handtekening op de kwitantie. Alles, alles is voldaan. De dood is gedood en verslonden tot eeuwige overwinning. Nu mogen we zingen: ‘Nu jaagt de dood geen angst meer aan.’ Nu jubelt de apostel: ‘Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning?’

 

Christus overwon de dood niet voor Zichzelf, maar voor Zijn Kerk. Hij is op Pasen de Eersteling, de Voorloper en Zijn volk hoort wezenlijk bij Hem.

En wie zijn dat? Dat zijn allen, die door het geloof op Jezus zien. Waarom vrezen zij dan niet? Omdat Hij voor hen stierf en daarom hoeven zij ten diepste niet meer te sterven, maar mogen zij ontslapen.

Kent u het zicht op die troost? De Heere Jezus stierf als betaling voor de zonde. Hij doorworstelde de volle diepte en verschrikking van de dood en daarom mogen Gods kinderen ontslapen. Dat is geen verzachtende uitdrukking voor de dood, maar dat is werkelijkheid.

Sterven is ondergaan, maar ontslapen is het begin van slapen. Dat heeft iets vredigs. Na een vermoeiende dag van arbeid komt de nacht van rust en dan mogen we rusten op onze slaapstede. Allen die in Jezus ontslapen, doen hier hun ogen dicht, om daarna te ontwaken in het eeuwige licht. Want de dood is overwonnen.

Wat een morgen zal dat worden, de morgen van de verrijzenis, de morgen van het ontwaken!

Eens zal op de grote morgen klinken het bazuingeschal;

Dan zal Jezus wederkomen als de Rechter van 't heelal.

 

Bent u bereid, gemeente? Ziet u daarnaar uit? Weet u, dat de erfenis wacht? Het is normaal voor een kind van God dat je dat weet, dat je dat zeker weet.

Wie bang is voor de dood, moet zich eens afvragen of hij de Heere Jezus wel echt kent als Middelaar en Zaligmaker.

Ik zeg niet, dat dat altijd zo is, dat je geen momenten zou kennen, dat je wel bang bent. Er zijn helaas ook momenten, ook in het leven van degenen die de Heere vrezen, dat ze het zicht op de Heere Jezus missen.

Maar als je het zicht op de Heere Jezus mist, dan heb je toch niets? Dan ligt er nergens meer glans over. Dan is het hier tekort en daar te lang. Dan is het nooit goed.

Maar in het gelovig zien op Hem weten we: ‘Hij komt eraan en dan zal ik eeuwig bij Hem zijn.’

 

Gemeente, als u deze hoop niet kent, als u moet zeggen: ‘Nou, je kan mooi praten, dominee, maar ik zit ermee, want ik mis die troost.’ Dan heb ik u toch het Evangelie te verkondigen. Want dan mag ik u prediken, dat Jezus leeft en dat u nog zalig kunt worden.

Hij wil u door dit woord opwekken uit de dood: ‘Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.’

 

Hij komt ons nog tegemoet in het gewaad van Zijn Evangelie en Hij zegt: ‘Vrees niet, u die zo vreesachtig bent, u die zo kleingelovig bent.’ Jezus komt en zegt: ‘Vrees niet, arme zondaar, want Ik ben de Eerste en de Laatste; en Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels van de hel en van de dood.’

 

Dat was onze eerste gedachte.

 

2. De bodem van het herstelde leven met God

 

Paulus zegt:

Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

De Catechismus zegt het zo:

Hij maakt ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood verworven heeft, deelachtig vanuit Zijn opstanding, door Zijn Geest.

 

Na alle toorn, wraak en duisternis op Golgotha, sprak de Vader bij het open graf als het ware:

‘Nu is het genoeg. De schuld is betaald, de zonde is verzoend. De verhouding, die door de zonde scheef getrokken was, is nu weer recht. Nu kan Mijn volk Mij weer recht in de ogen kijken, nu is er weer een basis om samen verder te leven.’

 

Wat Christus deed, de verzoening en de verwerving van het eeuwige leven, noemt de Catechismus in één woord: gerechtigheid.

Gemeente, dat is een gerechtigheid die redt van de dood. Die gerechtigheid is het draagvlak van het verzoende, herstelde leven met God.

Van nature hebben u en ik een verkeerde voorstelling van Gods gerechtigheid. Luther had dat ook. Daarom kon het ook nooit voor hem, want hij vreesde die angstaanjagende, wrekende, wraakvorderende gerechtigheid. Hij kwam er geen stap mee verder, totdat hij oog kreeg voor de gerechtigheid van Christus. En dat moet u ook zien.

 

Wij denken veel te vlug aan de gestrengheid van God, dat Hij de zonde straft. Dat is ook zo. Maar voor Pasen ligt Goede Vrijdag. Er is een streep door de rekening van schuld en zonde gezet. Vanuit Pasen betekent het woordje ‘gerechtigheid’ dat Christus door Zijn verzoenend lijden en sterven een bodem, een basis heeft gelegd, waarop de verhouding met God weer helemaal hersteld kan worden. Die gerechtigheid is een levensvoorwaarde voor het leven met God.

Kijk, een vis kan alleen maar leven in water. Water is een levensvoorwaarde en zo is de gerechtigheid een levensvoorwaarde voor het leven met God.

Met God kunnen we alleen maar leven op basis van die gerechtigheid. Het is de overeenstemming, de harmonie met de heilige wet van God. Gerechtigheid is dat levenselement waarin het weer vlak ligt tussen God en onze ziel. Het is de bodem van het nieuwe leven met God. Het houdt vrijspraak van schuld in en de daaruit voortspruitende vrijmoedigheid om God weer onder ogen te komen.

Vandaaruit is er ook de troostrijke wetenschap, dat het Vaderhuis openstaat en dat het Vaderhart geopend is voor zondaren, want de vloek van de wet is door Christus gedragen. Het leven en de vrede zijn aangebracht.

Alleen, die verworven gerechtigheid moet wel de onze worden. Dat wel! Dat gebeurt door het geloof, want zo maakt Christus ons de verworven gerechtigheid deelachtig. Dat noemen we de toepassing van het heil. De Catechismus noemt dat ‘deelachtig maken’.

 

Dat is het werk van de verhoogde Christus door Zijn Geest. Hij is niet alleen Middelaar van verdienste, Hij heeft niet alleen alles verworven wat we nodig hebben om met God verzoend te worden, maar Hij is ook de Middelaar van toepassing. Hij deelt Zijn gerechtigheid uit.

Dat doet Hij door Zijn Woord en Geest, via de prediking. Hij schenkt die gerechtigheid in de belofte van het Evangelie. Hij stelt Zijn gerechtigheid voor aan ons. Hij biedt het niet alleen aan, maar Hij deelt het ook uit. Dat gaat verder, voelt u? Zo alleen krijg ik deel aan de onverdiende genade en de eeuwige vrede, die Hij verworven heeft. Zo ontstaat de rechte verhouding met God.

Je kunt het roerend eens zijn met het feit, dat het voorwerpelijke heil klaar ligt op Golgotha en in het open graf. Maar zonder de onderwerpelijke toepassing door de kracht van Woord en Geest in ons hart, missen we toch de troost ervan.

 

En dat is nu precies hetgeen we nodig hebben. Hoe komen we daar dan aan? Zegt de Heere: ‘Grijp nu de kansen, door Mij u gegeven?’ Nee, want de Bijbel zegt een paar fundamentele dingen over u en over mij. Wat bijvoorbeeld? Dat u en ik er niet bij kunnen vanuit onszelf.

U hebt dat, als u de Heere lief kreeg en voor Hem wilde gaan leven, zeker geprobeerd en ervaren, hoe moeilijk dat is. Als je om God verlegen raakt en de rijkdom van de Heere Jezus wordt voorgesteld, hebt u dan nooit gedacht: ‘Ik wou, dat ik het zo kon pakken, maar mijn handen zijn te kort? Ik voel mij zo onmachtig.’ Nee, dan zeg je niet: ‘Kijk eens hier, een mens is nu eenmaal onmachtig en daarom wacht ik maar tot God komt.’ Nee, heel je hart gaat naar Hem uit, er is een honger en dorst en wat word je getrokken naar Hem!

Want, gemeente, de liefde van Christus dringt in het hart van de dienaren, maar die liefde trekt ook. Die dringende liefde trekt naar Hem toe.

 

En wat is er nu aan de hand? Kijk, wat wij nu niet kunnen, dat doet Hij! De Catechismus zegt: ‘Daar is Christus voor opgestaan, opdat Hij de gerechtigheid, die Hij verworven heeft, ons zou deelachtig maken, zou schenken in ons hart.’

Als Hij in de dood gebleven was, zou het heil ons voorbijgaan. Dan zou de schuld wel betaald zijn, maar dan ontvingen we er nooit de troost uit. ‘Maar Hij is, zegt Paulus, ‘opgewekt om onze rechtvaardiging.’ Dat betekent: Hij doet het, Hij schenkt die gerechtigheid weg, Hij opent onze ogen om het te zien.

En dat niet alleen, maar Hij brengt het thuis door Zijn Geest. Hij opent ons hart en we mogen buigen voor Hem en zeggen: ‘Dank u, Heere, ik houd mijn handen maar op en zelfs die handen van het geloof brengt U nog mee. U schenkt die in de verkondiging van het Woord.’ Zo haalt Hij Zijn bruiloftsgasten op uit de heggen en de stegen. Hij haalt ze met Zijn doorboorde handen en deelt Zijn gaven uit.

Zo word je daar deelgenoot van, zo past Hij de verworven gerechtigheid toe. Hij legt het in je hart, zodat je niets anders meer kunt zeggen dan: ‘Dank U, Heere. O, dat U dat voor mij hebt willen doen.’

 

Gemeente, telkens opnieuw komt de levende Christus met al Zijn schatten hier de kerk binnen en zegt: ‘Zie, hier ben Ik, Ik ben uw Heil alleen. Aan Mij heb je genoeg.’ Ik hoop niet, dat u hieronder onverschillig blijft, want dan is er geen plaats voor de reddende gerechtigheid van de Heere Jezus. Ik hoop niet, dat u hier superrechtzinnig zit. Zo op de manier van: ‘Nou ja, het moet de mens gegeven worden. We zien wel waar het schip strandt.’ Want dan is er ook geen plaats voor die reddende gerechtigheid.

 

Ik hoop, dat u hier zit met een hunkerend hart, met een behoeftig hart, met een hongerend en dorstend leven. Misschien bent u wel beschaamd vanwege uw zonden, beladen en gedrukt onder uw schuld en bitter bedroefd omdat de verhouding met God verbroken is.

‘O, hoe moet het toch’, zegt u, ‘met de gerechtigheid van God en met Zijn toorn over de zonde? Ik heb niets verdiend, ik voel me zo ongelukkig. Ik heb geen vrede en toch hijg en dorst ik naar God. Heere, ik hoor van al dat heil, maar ik kan er niet bij.’

Daar is die schakel nodig, waarvan de Catechismus zegt: ‘Hij is opgestaan om ons die gerechtigheid deelachtig te maken.’

Weet u, wat de Heere dan doet? Hij opent uw oog voor Hem, de opgestane Levensvorst. Hij heeft de dood overwonnen opdat u die gerechtigheid zou ontvangen uit Zijn doorboorde Middelaarshanden.

Hij komt tot ons in het gewaad van Zijn Evangelie, in het kleed van Zijn belofte. Daarin laat Hij ook de kracht van Zijn Geest meekomen, om u duidelijk te maken, dat Jezus ook voor u gehangen heeft aan vloekhout der schande. Dat Hij ook voor u Zijn dierbare bloed heeft gegeven, de straf heeft gedragen, het graf is ingegaan en de dood heeft overwonnen.

 

Zo komt Hij als de opgestane Christus naar ons toe in de prediking van het Evangelie en Hij brengt het allemaal mee. Hij draagt het in ons hart. In Zijn doorboorde handen draagt Hij Zijn gerechtigheid, Zijn vrede en Zijn vergeving. Daar mag u het als het ware uit Zijn mond horen, wat Hij sprak tot Zijn discipelen: ‘Vrede zij ulieden.’ Dan smaakt u iets van de vrede, die Hij heeft aangebracht door het bloed des kruises.

Daar doorstroomt de Geest uw hart met geloof, hoop en liefde. Dat hoort allemaal bij elkaar. Hij neemt als het ware uw hand, trekt die open en legt erin wat uw nodig hebt: Zijn offer, Zijn bloed. Uw hart begint sneller te kloppen van hoop, van verwondering, van ootmoed en vreugde, als u dat zien mag. Uw ogen worden geopend voor het feit, dat Hij Zijn gerechtigheid aan u kwijt wil en dat Hij het u schenkt.

 

U kunt niet anders dan geloven in Hem, want Hij is de Paaskoning. Hij komt nabij u. Hij spreekt met macht. Dan buigt u en zegt u met Thomas: ‘Mijn Heere en mijn God.’ Daar zegt een arme zondaar:

‘Heere, hier hebt U me dan. Hier kom ik. Ik geef me helemaal over aan U. Ik heb aan U genoeg, Heere Jezus. Wat zou ik nog zoeken in mezelf? Wat zou ik nog zoeken in mijn vroomheid of in mijn gestalte? U bent genoeg, U hebt alles aangebracht, Heere Jezus.’

O, gemeente, die geloofsvereniging, die omhelzing van de Heere Jezus Christus is zo heerlijk! Uw hart springt op van vreugde en uw mond begint te stamelen:

‘O dierbare Heere Jezus, gezegend Godslam! U voor mij, daar ik anders de eeuwige dood zou moeten sterven. U alleen bent mijn gerechtigheid voor God.’

Dan begint het in uw hart te zingen:

Welzalig hij wiens zonden zijn vergeven;
Die van de straf voor eeuwig is ontheven.

 

En weet u, wat er dan gebeurt? Dan gaat de kracht van Christus’ opstanding in uw leven vernieuwend doorwerken en dat is te zien in onze derde gedachte.

 

Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 119:40 en 88

 

Dat ieder die U vreest, zich tot mij keer’,

Die kundig is in Uw getuigenissen.

Maak dat mijn hart oprecht Uw lessen eer’;

Dat niets die ooit uit mijne ziel moog’ wissen;

Opdat ik niet beschaamd word’, laat, o Heer’,

Laat mij die gunst op aarde nimmer missen.

 

Gun leven aan mijn ziel, dan looft mijn mond

Uw trouwe hulp; stier mij in rechte sporen;

Gelijk een schaap heb ik gedwaald in ’t rond,

Dat, onbedacht, zijn herder heeft verloren.

Ai, zoek Uw knecht, schoon hij Uw wetten schond;

Want hij volhardt naar Uw geboôn te horen.

 

3. De kracht van het nieuwe leven voor God

 

De Catechismus zegt:

Ten andere, worden ook wij door Zijn kracht opgewekt tot een nieuw leven.

 

Want nu de Heer is opgestaan,

nu vangt het nieuwe leven aan,

een leven, door zijn dood bereid,

een leven in zijn heerlijkheid.

Een leven tot eer van Hem, dat bedoelt de Catechismus.

 

Hier ziet u de band tussen rechtvaardiging en heiliging. Zomin als Christus dood blijft in het graf, zomin blijft Hij dood in Zijn volk.

Dat zou u eigenlijk moeten opschrijven: ‘Jezus is niet dood, maar levend.’ Paulus zegt: ‘Christus leeft in mij.’

Welnu, als Christus in je leeft, dan is dat aan alle kanten te zien. Dan straalt dat er aan alle kanten af. Dat is het nieuwe leven voor God, door Zijn kracht, Zijn opstandingskracht.

 

U moet de volgorde van de rechtvaardiging en de heiliging nooit omdraai en. ‘Het is een tweeling-weldaad’, heeft Calvijn gezegd. Maar de rechtvaardiging gaat voor de heiliging. Het is niet zo, dat dit nieuwe leven van gehoorzaamheid en liefdebetoon vooraf moet gaan. Nee, eerst is er de gerechtigheid van Christus. God rechtvaardigt goddelozen en Hij heiligt gerechtvaardigden, in die volgorde. Daarom is het de heiliging, waar het in deze derde gedachte over gaat en waarover de Catechismus hier spreekt.

Die heiliging, dat nieuwe leven, is van A tot Z een gave van God. Het is een genadegift! Hij wekt ons op door Zijn kracht tot een nieuw leven voor Hem.

 

Gemeente, als we dat zeggen, dan begrijpt u wel, dat we van nature dat nieuwe leven niet leven, maar het leven in de zonde. In het graf van de zonde is het ook niet stil, maar daar is alles in beweging, want de dood werkt ontbindend. Over alles hangt de bedorven lucht van de dood. De Bijbel spreekt over: Lasteringen, diefstal, overspel, moord, dronkenschap en noem het maar op.

‘Ja’, zegt u, ‘maar ik leef netjes.’ Daar twijfel ik niet aan, maar hebt u nog nooit gelogen? Hebt u nooit op de één of andere wijze iets gestolen? Of ten onrechte gedeclareerd? Heeft u nooit eens naar een vrouw gekeken met begerige ogen? Al leeft u nog zo netjes, uit deze voorbeelden blijkt wel wat de Bijbel zegt over u en mij, over ons natuurlijk hart.

 

Maar waar nu Christus opwekt tot een nieuw leven, daar staan we op uit de werken van de dood. We zullen niet langer meer vruchten des doods dragen, maar in nieuwigheid des levens wandelen, in gemeenschap met het levende Hoofd in de hemel, door Zijn Geest.

En dan komen die andere werken in ons leven openbaar: liefde, blijdschap, vrede, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, goedertierenheid, matigheid. Dat zijn de werken door de Geest, de vruchten van de Geest.

Dan leef je wel je onvruchtbaarheid in, maar je gaat dan ook heel duidelijk zien, dat de heiligmaking niet afhankelijk is van de sterkte van de rank. Het gaat erom, dat de rank in de wijnstok blijft, in Christus.

 

Het nieuwe leven begint met de wedergeboorte tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Dat zet zich voort in de dagelijkse bekering en dat loopt uit in de eeuwige heerlijkheid. Dat is niet ons werk, maar: ‘Die roemt, roeme in de Heere!’ Het is Gods werk, door Zijn kracht.

De opstandingskracht van de Wijnstok werkt door in de ranken: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen.’

We zijn helemaal afhankelijk, gemeente, van de bediening van Christus. Elke dag weer opnieuw. Het nieuwe leven groeit en bloeit alleen maar op in de geloofsgemeenschap met de Heere Jezus. Paulus zegt: ‘Opdat ik Hem kenne, en de kracht van Zijn opstanding.’

Het nieuwe leven, waartoe de opgestane Christus ons opwekt, is het leven uit de geboorte van boven, door water en Geest. Dat is het leven van de waarachtige bekering.

 

De oude mens wordt met Hem gekruisigd en de nieuwe mens mag met Hem opstaan.

Als u daar kennis aan hebt, dan zult u nooit zeggen: ‘Als ik nu maar eenmaal door die wederbarende kracht van Christus vernieuwd ben, als ik nu maar eenmaal een nieuw hart heb, dan zal ik wel heel goed en heilig voor de Heere gaan leven. Dan zal ik mijn schouders zetten onder de heiligmaking.’

Nee, want dan voelt u immers een andere wet in uw leden, die u gevangenneemt en u zet onder de zonde. Paulus zegt: ‘Want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mens.’

O, dan wil je zo graag de Heere groot maken! Herkent u het? Dat is de vrucht van het nieuwe leven. Dan zeg je:

‘O aanbiddelijke God, o dierbare Zaligmaker, ik zal U hartelijk liefhebben. Jezus leven van mijn leven, Jezus dood van mijne dood. Ik dank U, dat U mij het leven wilt geven door de kracht van Christus’ kruis en opstanding.’

 

Weet u wat zo wonderlijk is van dat opstandingsleven? Dat je bij jezelf altijd weer een stuk onvruchtbaarheid ontdekt en dat Hij Zich telkens opnieuw als de Levensbron bewijst in je leven. Dat is de opstandingskracht vanuit Zijn levenwekkend spreken. Hij heiligt ons leven voor Hem.

Wij komen altijd weer tekort en wij gaan gebukt onder onvruchtbaarheid, maar Christus richt ons op en zegt: ‘Zing vrolijk, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt.’ Hij drukt u er met de neus bovenop: ‘Uw vrucht is uit Mij gevonden.’ Dat is heel verootmoedigend voor ons, want het nieuwe leven kan helaas zo overwoekerd raken door het oude.

 

Zelfs als we voor anderen een leesbare brief van Christus zijn, blijven we in eigen oog altijd zo onder de maat.

Of hebt u dat niet? Wees eens eerlijk. Stel jezelf eens de vraag: ‘Draag ik nu vrucht voor de Heere?’ Dan moet u toch vaak zeggen: ‘Ach, ik zou het nog meer moeten. Ik zou het nog beter moeten. Ik leef onder de maat.’

 

Gemeente, juist Gods heiligen weten van hun onheiligheid voor God. Maar ze weten ook, door de Geest der aanneming tot kinderen, dat Jezus komt, dat de erfenis komt en dat de aanneming tot kinderen eenmaal volmaakt zal zijn. Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.

Daarom worden we in de praktijk van het geloofsleven telkens weer tot de dood gebracht, opdat er voor ons niets anders overblijft, dan een mens die zucht over zichzelf,

maar die roemt in Christus. Want als dat er niet bij hoort, dan ben je geen christen. Want Jezus leeft en wij met Hem.

Zo wordt het geloof geoefend in zelfverloochening, in kruisdragen. Je leert sterven aan jezelf, om op te staan in Hem. Hij moet wassen, maar ik minder worden. Paulus zegt: ‘Als stervende, en zie, wij leven.’

Kent u die strijd?

Het is heel wonderlijk. Iedere dag verliezen we en toch hebben we alles in Christus.

 

4. De zekerheid van het leven uit de christelijke hoop

 

Ten derde zegt de Catechismus, is de opstanding van Christus een zeker pand van onze zalige opstanding.

 

Gemeente, op rouwkaarten lees je nogal eens de zinsnede: ‘In de hope des eeuwigen levens.’ Dat betekent: in de vaste hoop en de zekere wetenschap, dat onze geliefde het eeuwige leven heeft beërfd. We bedoelen niet dat we er het beste maar van hopen of dat we een hoopje hebben.

Nee, het gaat om een vaste hoop, een zekere hoop. Paulus zegt daarvan: ‘Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.’

Ik hoop, dat we het hem na mogen jubelen:

‘Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch overheden noch machten, noch tegenwoordige noch toekomende dingen, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.’

 

Dat is het! Het is dus niet bij gebrek aan zekerheid, maar vanuit het bezit van een zeker onderpand. Op de morgen van de verrijzenis, als de bazuin zal klinken, zullen de graven geopend worden en de doden onverderfelijk opgewekt worden. Dat zal zeker gebeuren, want Christus is de Eersteling, Die opstond uit de dood. Een rijke oogst van eerstelingen garandeert de volle oogst.

Het Hoofd is opgestaan en de leden zullen zeker volgen. Christus was de Eerste en in dat verband zegt de Catechismus:

De opstanding van Christus is een zeker pand van onze zalige opstanding.

Een zeker pand, bewijs, onderpand, garantiebewijs. Dat is misschien nog wel het duidelijkst. Een zeker garantiebewijs herinnert ons steeds aan Jezus’ opstanding en aan de zalige toekomst van Gods kinderen.

En die opstanding is zalig. Het fundament daarvan is de opstanding van Christus.

Niet onze wedergeboorte, niet onze heiliging, niet ons geloof, niet de christelijke hoop, maar het fundament is Christus Jezus, gekruisigd en opgestaan.

 

Nu kom ik tot de vraag: ‘Kent u die hoop ook? Wat zou er op uw kaart gezet kunnen worden?’ In de hope des eeuwigen levens? Zal het straks voor u een zalige opstanding zijn? Is er nooit eens een moment in uw hart, dat u verlangt naar die dag?

O Heer’, wanneer komt die dag,
Dat ik toch bij U zal wezen,
En zien Uw aanschijn geprezen?

 

Kent u dat, gemeente? Guido de Brès verlangde daarnaar. Hij zat in de kerker, in de gevangenis. Hij was ter dood veroordeeld. Hij wist dat de galg klaar stond. Hij zei: ‘Ik verlang daarnaar. Het lijkt wel of mijn ziel vleugels heeft om ter ere van mijn Koning te mogen opstijgen tot Hem.’

Een vriend van hem, die ook in diezelfde gevangenis gevangen zat en ook zou worden opgehangen, ging ’s ochtends zijn schoenen poetsen. Hij trok zijn beste kleren aan en zo kwam hij voor de dag. Toen zeiden de omstanders: ‘Nou, nou, je heb je best nogal gedaan.’ Hij zei: ‘Ja, wie ter bruiloft treedt, is koninklijk gekleed.’ Wat een geloof! Wat leeft het geloof dan, hè?

 

Dat is de werkelijkheid van het geloof. Dat is nu, dat Christus in mij leeft en me nooit meer loslaat. En als het erop aankomt, schenkt Hij mij die levende hoop in mijn hart.

Zo zong Guido de Brès in zijn geloofsbelijdenis, in het laatste artikel, waarin het over de wederkomst gaat:

‘Daarom verwachten wij dien grote dag met groot verlangen, om ten volle te genieten de belofte van God, in Jezus Christus, onze Heere.’

Wat een geloof!

Dan zie je, over de dag van je dood en over het graf heen, naar de toekomst.

 

De Catechismus spreekt daar niet over, maar de Bijbel wel. Er is wel een tweeërlei opstanding. Er is niet alleen een zalige opstanding, een opstanding ter heerlijkheid, maar er is ook een opstanding ter verderfenis.

Ik zeg dat om u te waarschuwen. Het graf zal zijn doden wedergeven en de zee zal ze wedergeven en de hel, het dodenrijk zal zijn doden wedergeven. Johannes zegt daarvan: ‘Ik zag de doden, klein en groot, staande voor God.’ En dan komt het oordeel.

Durft u dat zo aan, zoals u hier in de kerk zit? Is er iemand die deze hoop niet kent?

 

Gemeente, de Heere Jezus gunt het u zo en de Vader en de Heilige Geest ook. Daarom zit u hier en daarom laat de Heere Zijn Evangelie verkondigen opdat u in die hoop wordt meegenomen naar Hem.

Jezus leeft en Jezus komt. Bij deze Paaskoning is nog plaats voor jongeren en ouderen, die bevrijd willen worden van de eeuwige dood.

 

De zalige opstanding is de opstanding tot het eeuwige leven. Zonder vlek of rimpel zullen onze lichamen dan zijn, volmaakt, om God volmaakt te kunnen dienen. Een verheerlijkt lichaam zullen al Gods kinderen ontvangen. Een lichaam, dat net zo heerlijk is als Jezus’ lichaam na Zijn opstanding.

Hoe het precies allemaal zal zijn, behoort nog tot de heilgeheimen van God. Maar het zal heerlijk zijn.

Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben.

 

Daar zal de zonde niet meer zijn, geen ziekte. Geen grijsaard zal meer strompelend zijn weg gaan. Geen gebrekkige, geen kreupele, geen lamme, geen lichamelijk of verstandelijk gehandicapte zal daar zijn, maar daar zal alles volmaakt zijn.

En de dood zal er niet meer zijn.

We kunnen eigenlijk alleen maar zeggen wat het niet is. Dat doet de Bijbel ook. Het is niet te zeggen wat het wel is, want dat gaat ons voorstellingsvermogen verre te boven.

De Heere licht maar een tipje van de sluier op in Zijn Woord.

 

U zult toch niet achterblijven? Dat hoeft niet, want het Evangelie is zó rijk en Christus is zó gewillig.

Als u en ik daar komen, dan zullen we vol verwondering uitroepen:

‘De helft is me nog niet aangezegd.’

We gaan ter bruiloft.

En ze begonnen vrolijk te zijn.

 

Amen.