Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 56

Stéfanus' laatste preek

Een open hemel
De Zoon des mensen
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Handelingen 7 : 56

Handelingen 7
56
En hij zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 99: 1 en 8
Lezen : Psalm 2
Lezen : Handelingen 7: 54 - 56
Zingen : Psalm 118: 3 en 10
Zingen : Psalm 13: 5
Zingen : Psalm 2: 6
Zingen : Psalm 125: 3

Gemeente, met ’s Heeren hulp vervolgen wij de prediking uit Handelingen 7. Ik bedien u het Woord van God naar aanleiding van vers 56. Handelingen 7:56 is de tekst van de prediking. Hierin lezen we dat Stéfanus zegt:

 

Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods

 

Stéfanus’ laatste preek, daarbij is sprake van:

1.         Een open hemel.

2.         De Zoon des mensen.

 

  1. Een open hemel

 

Stéfanus wordt wel de eerste bloedgetuige van de christelijke kerk genoemd. De eerste martelaar om Christus’ wil. Getuige en martelaar. Het Grieks heeft daar geen verschillende woorden voor, maar één en hetzelfde woord. Wie getuigt is per definitie martelaar en een martelaar blijkt getuige te zijn. Zo ook Stéfanus. Maar nu staat de geschiedenis van Stéfanus gelukkig niet in een zogenaamd martelarenboek. In die boeken staan geschiedenissen van martelaren door de eeuwen heen beschreven. Ze zijn indrukwekkend en aansprekend. De geschiedenis van Stéfanus gaat duidelijk een stap verder. Die geschiedenis staat namelijk beschreven in het Evangelie; het Evangelie van de verhoogde Christus. En daarom is deze geschiedenis niet zomaar een verhaal, maar is deze geschiedenis heilsgeschiedenis. Wat is heilsgeschiedenis eigenlijk? Heilsgeschiedenis is geschiedenis van het heil.

 

Waar denken jullie aan, kinderen, als ik het woordje ‘heil’ uitspreek? Zou dat Heiland kunnen zijn? Ja, dat is het. Heil en Heiland houden ten nauwste verband met elkaar. Heil is eigenlijk: heel. Het gaat om de heling, om de Heiland, om de Heelmeester. U voelt dat het in de geschiedenis van Stéfanus ten diepste gaat om het heil, de redding, het behoud, de zaligheid van zondaren. Het gaat ten diepste om Christus.

En dan is het van belang er op te letten dat Stéfanus de verhoogde Messias niet alleen heeft gezien, maar dat hij Hem ook heeft gepredikt. U moet deze twee dingen heel nadrukkelijk bij elkaar houden.

 

Eerst wil ik u iets vertellen over dat zien. En hij zei: Ziet, ik zie de hemelen geopend. De man Gods is ingesloten aan alle kanten; overal zijn vijanden, links, rechts, voor en achter. Maar wat blijkt nu? Terwijl Stéfanus aan alle kanten is ingesloten en alle deuren dicht zijn, gaat de deur van de hemel open en laat de Heere Zich zien om te zeggen: ‘Stéfanus hier ben Ik. Ik ben uw Heil. Dat is toch wel heel bijzonder, vindt u niet? Sterven onder een geopende hemel. Stéfanus staat als het ware al met één been in de hemel. Hij is er bijna, hij ziet de hemelen geopend. En dat geeft uitzien en verlangen om helemaal bij de Heere te zijn. Soms laat de Heere in het leven van Zijn kinderen zoveel van Zijn heerlijkheid zien, dat het leeft in het hart wat de dichter in Psalm 17 zingt: Maar blij vooruitzicht dat mij streelt, ik zal, ontwaakt ,Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Uw Godd’lijk beeld.

De kinderen kennen dat versje misschien wel. Een kind van God zegt: ‘Heere wat ben ik al gelukkig hier op aarde, als U dicht bij mij bent. Maar, wat zal het dan zijn als ik helemaal bij U mag zijn?’ Als de volheid van de zaligheid werkelijkheid zal blijken te zijn. Meisjes en jongens, dan begrijpen jullie Paulus ook als hij zegt: ‘Ik zou best nog een poosje op de aarde willen blijven, als ik zie op de gemeentes die mijn hulp en mijn prediking nodig hebben, maar als ik zou mogen kiezen, dan zou ik zeggen’: hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste (Fil. 1: 23).  Als Jakob aan het einde van zijn leven is gekomen en hij zijn voeten heeft samen gelegd dan lezen we: Op Uw Zaligheid wacht ik, Heere (Gen. 49: 18).

Hiermee bedoelt hij: Heere, U hebt mij er klaar voor gemaakt, komt U me nu ook maar halen. Maar niet alleen als het gaat om het einde van het leven, ook in de praktijk van het leven van elke dag, kan de Heere het geven om te mogen zien op de onverderfelijke en onverwelkelijke kroon die Hij geven zal aan al de Zijnen.

 

Ik hoop dat U daarvan af weet. Zomaar; onder uw werk, onder het bezig zijn in de keuken, achter uw computer of in de auto. Ook in uw vakantietijd mag u uitzicht hebben op de hemelse heerlijkheid. Het gaat altijd in het spoor van het Woord. En het gaat alleen maar om Jezus’ wil, omdat Hij Zijn bloed gaf tot verzoening van de zonden. Buiten Jezus om kan het niet. Job, in het Oude Testament, wist er ook van. Job heeft gezegd: Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job 19: 27). De nieren zijn voor de oosterling de plek waar de genegenheid zich in het bijzonder openbaart, hierin zetelt de liefde. Mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot, Heere, om bij U te mogen zijn.’ En Johannes schrijft: Geliefden nu zijn we kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem zullen gelijk zijn; want we zullen Hem zien gelijk Hij is (1 Joh. 3: 2). Dit speelt al heel nadrukkelijk in het leven van Stéfanus. Hij ziet immers een geopende hemel.

Stéfanus is vol van de Heilige Geest en wat hij ziet, dat preekt hij ook. Wat betekent dat? Dat betekent dit: het betreft niet alleen Stéfanus zelf, maar het wordt een zaak die betrekking heeft op allen die die preek horen. Eerst lezen we dus dat hier sprake is van het zien door Stéfanus van het Woord van God en de Zoon van God. Dat is het eerste wat onze aandacht vraagt. En het tweede is hier dat hij datgene wat hij ziet ook doorgeeft aan zijn omgeving. Hij mag er de prediker van zijn. Het is dus niet een zaak die alleen voor hém geldt, maar het is ook een zaak voor zijn omgeving. Zo mag Stéfanus boodschapper zijn van het heil des Heeren. Wat hij mag zien, mag hij doorgeven: ik zie de hemelen geopend.  Dit is een heel bijzonder woord. Niet alleen voor Stéfanus, maar ook voor anderen. Het is net als wanneer je de kraan opendraait, het water komt en verspreidt zich dan. Van zien gaat het naar zeggen. Bij u ook? Gaat het bij u ook van zien naar zeggen? Wie werkelijk door het geloof op Christus mag zien die zal toch goed van de Heere spreken? Heeft Jesaja het, als de mond van de Heere, niet gezegd: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen (Jes. 43: 21). En zegt David niet: Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond Uw lof verkondigen (Ps. 51: 17).

 

Anders zouden zelfs de stenen gaan spreken. Het gaat om de eer van God, het gaat om de Naam van God en het gaat om het werk van God. Want kijk, wat Stéfanus ziet dat laat de Heere in het midden van het Sanhedrin als een boodschap neerleggen. Een boodschap die ook voor hen van het allergrootste belang is, afgezien van de vraag of ze ernaar luisteren zullen of dat ze dat Woord naast zich neer zullen leggen. Dat laatste is het belangrijkste. Ze zijn onder het Woord. Ze zijn onder het Evangelie. De boodschap wordt hen overhandigd, opdat ze niet te verontschuldigen zullen zijn. De mensen aldaar hebben nooit kunnen zeggen: ‘Ik heb het niet geweten.’ Waarom laat de Heere Zijn boodschap prediken? Niet alleen opdat ze niet te verontschuldigen zouden zijn, maar opdat ze zich bekeren zouden. Het is immers heilsgeschiedenis. Het is de prediking van de Heiland voor de oren van de stenigers van Stéfanus. Zo spreekt de verhoogde Christus uiteindelijk Zelf door middel van Zijn dienaar. Zo spreekt Hij tot deze rechters van kwade zaken. Wat Stéfanus ziet, moeten zij horen en moeten ook wij horen. En de gedachte die daar achter ligt, is: Hoort, en uw ziel zal leven(Jes. 55: 3).. Wat een indrukwekkend Evangelie predikt Stéfanus hier.

 

‘Een geopende hemel’ is een uitdrukking die haaks staat op ons leven. Een geopende hemel en ons leven horen in principe niet bij elkaar. Die hoorden wel bij elkaar. Die waren bij elkaar in het paradijs. Zie je dat kinderen? Wie was het ook al weer die daar in het paradijs liep? Adam. En wie nog meer? Eva. Adam en Eva liepen onder een open hemel. Maar gemeente, dan weten we van de ernst van Genesis 3: een gesloten hemel. De hemel is dicht vanwege onze zonde. Er is geen weg meer van de aarde naar de hemel. En toch blijkt er een weg te zijn. Sterker nog: de Weg is er. Dat wil zeggen: de Heere Jezus Christus is er. God Zelf heeft die Weg geopend naar Zijn welbehagen. Vanuit de aarde naar de hemel is geen weg.

 

U kunt gaan waar u wilt en reizen wat u wilt, maar die weg vindt u niet. U hoeft er niet voor op reis te gaan, ook vandaag niet. Want God zegt: ’Ik openbaar vanuit de hemel naar deze aarde de Weg des levens in Christus Jezus.’ Daar hebt u het welbehagen van God. Vandaag legt God Zijn hart open en Hij zegt: ‘Zie je wel meisjes en jongens, Ik roep je niet zomaar, Ik vraag u niet zomaar om uw hart aan Mij te geven. Want er is een Weg. Er is een Weg die Ik Zelf geopend heb.’ Deze Weg, dat is Jezus, die moet gepreekt worden. Die mag ook gepreekt worden. Die zal ook gepreekt worden. Hoe? Zomaar? Vrijblijvend? ‘Nee,’ zeggen onze vaderen, ‘met bevel van geloof, en met bevel van bekering.’ U bent hier vandaag dus niet vrijblijvend. Als het Evangelie u gepredikt wordt, als Jezus gelegd wordt aan de deur van uw hart, dan is dat met een bevel; met de eis van Godswege van bekering en van geloof. Dit is de weg, zegt de Heere, wandelt in denzelven (Jes. 30: 21).  En aan wie wordt die weg gepredikt? Aan allen, zonder onderscheid. Het gaat de hele gemeente aan. Welmenend, serieus, vanuit het hart van God, opdat we weten zullen: er is een Weg, bij God vandaan.

 

Dan is er een groot onderscheid. Stéfanus ziet Jezus staan in glorie en heerlijkheid, maar die stenigers niet. Die kijken niet in de hemel en die zeggen niet: ‘Ik zie Hem ook’. Nee, Stéfanus verkondigt de Heere Jezus aan zijn omgeving. Dus door de prediking, door de bediening van het Woord, worden die mensen van het Sanhedrin aangesproken. En zo ook wij. En waar de Heere dat doet, komt onze schuld openbaar. Onze onbekeerlijkheid wordt openbaar als u bij de prediking van de Heere Christus dezelfde blijft in uw afwijzen van Hem. Als u dezelfde blijft in uw vijandschap, in uw tegenstand. In het niet willen dat Jezus Koning zal zijn over uw hart. Zo heeft Jezus het Zelf gezegd tot Jeruzalem: hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeenvergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeenvergadert onder de vleugels; en gijlieden hebt niet gewild (Matth. 23:37).

 

Heb je dat wel eens gezien, kinderen? Een kloek met kuikens? Weet je, als er gevaar is, dan slaat die kip de vleugels uit. Al die kleine kuikentjes gaan dan onder de vleugels van de kip zitten; daar zitten ze veilig. Zo, zegt Jezus, heb Ik nou ook willen doen met de mensen van Jeruzalem. Ik heb ze genodigd: ‘Hier is Zaligheid en hier is veiligheid maar u hebt niet gewild.’ Wee ons als het Evangelie ons een zaak is waar tegenover wij ongehoorzaam blijven. Er staat in de Schrift: wee u, als u het Evangelie ongehoorzaam bent. Dat is de ergste zonde. Stéfanus houdt tot het laatste toe een roeping en een opdracht van Godswege. Het is een laatste preek en het is als een laatste appèl: een geopende hemel. Waarom blijft bij het sterven voor zoveel mensen de hemel gesloten en de hel geopend? Omdat zovelen buiten Jezus leven en geen acht slaan op de grote zaligheid die in Hém verkondigd wordt. En hoe zullen we dán ontvlieden, als we op zo’n grote zaligheid geen acht geslagen hebben? O, weet in alle ernst: buiten Jezus is de hemel verboden terrein. Buiten Hem is er geen toegang tot God. En daarom is Stéfanus in dit uur van gloeiende haat van de leden van het Sanhedrin, de prediker van Gods zoekende zondaarsliefde in de Heere Jezus Christus. En hij predikt niet voor mensen die hem welgezind zijn. Maar hij predikt voor mensen die zeggen: ‘We kunnen zijn bloed wel drinken. Dood aan Stéfanus.’ En terwijl zij hem willen doden, zegt Stéfanus: ‘Mensen daar is leven, eeuwig leven in Hem Die ik hier zie en Die ik aan u verkondig.’ Dwars door de moeite heen, en dwars door die aanvallen van zijn vijanden heen, is er een getuigenis van de genade van God. Daar sluit Psalm 13:5 op aan.

 

Psalm 13: 5

 

Maar, in dit smartelijk verdriet,

Mistrouwt mijn hart Uw goedheid niet;

Neen, 't zal zich in Uw heil verblijden.

Ik zal den Heer’ mijn lofzang wij - den,

             Die mij genadig bijstand biedt.

Stéfanus’ laatste preek: We zagen allereerst een open hemel. Vervolgens geven we onze aandacht aan het tweede gedeelte van de tekst, waarin gesproken wordt van de Zoon des mensen.

 

  1. De Zoon des mensen

Stéfanus zei: Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods. Gemeente, de open hemel is voor Stéfanus het één en het al. Waarom? Omdat hij daar Jezus ziet; zijn Heere en zijn Koning. Daarom komt er ook geen klacht over Stéfanus’ lippen; geen afkeuring van de weg die de Heere met hem gaat. Hij is zo vol van de hemel, dat hij van de aarde eigenlijk geen enkele last heeft. De Heilige Geest trekt zijn ogen af van alles wat om hem heen is. Zo kijkt Stéfanus naar boven. Probeer het maar eens, kinderen. Als je naar boven kijkt, dan kun je niet tegelijkertijd ook opzij kijken. Je kunt maar één kant opkijken. Als Stéfanus naar boven kijkt, kan hij niet zien, en ziet hij ook metterdaad niet, wat er om hem heen allemaal gaande is. Hij heeft er Eén in het oog en daar is zijn hart vol van. Die Ene is Jezus en Die is voor Stéfanus alles. Hij kijkt naar boven en hij roept de leden van het Sanhedrin toe: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des mensen, staande ter rechter hand Gods.

 

Heeft u er wel erg in, gemeente, dat hier staat: den Zoon des mensen? Dat is een heel gerichte naam. En misschien denkt u dat dit niets uitmaakt. In de tekst hiervoor staat dat hij Jezus ziet, en nu lezen we van de Zoon des mensen, maar er had ook Christus kunnen staan of Gezalfde of Messias of de Heere of de Koning der Koningen. Hoeveel namen heeft de Heere Jezus wel niet in de Heilige Schrift? Ja, dat is enerzijds wel waar, al die namen betreffen één en dezelfde Persoon. Het gaat steeds om de Heere Jezus Christus. Maar toch wordt in de veelheid van die namen de rijkdom van Christus uitgesproken. En bij elke naam valt de nadruk op een bepaald facet van het middelaarswerk van de Heere Jezus Christus. Zo is het ook wanneer de Heilige Geest Stéfanus hier de naam laat gebruiken van de Zoon des mensen. U zegt misschien: ‘Hoezo dan?’ Laten we eerst eens kijken waar die benaming vandaan komt.

 

Die benaming vinden we voor het eerst in het Oude Testament, bij de profeet Daniël. Daniël schrijft daarover in het zevende hoofdstuk. Dit hoofdstuk gaat over het gezicht van de vier dieren. Ik lees er een paar verzen uit. Verder zag ik in de nachtgezichten, en zie, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen Zoon, en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen. En Hem (dat is dus die Mensenzoon) werd gegeven heerschappij en eer en het Koninkrijk, dat Hem alle volken, natiën en tongen eren zouden; Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet vergaan zal, en Zijn Koninkrijk zal niet verdorven worden (Dan. 7: 13 en 14).Wanneer Daniël het heeft over die Mensenzoon, dan wijst hij dus heen naar de glorie, de macht, de heerlijkheid en de heerschappij, die een eeuwige zal zijn. Daniël spreekt hier profetisch over de komende Messias, de Heere Jezus Christus. Wanneer we nu het Nieuwe Testament lezen en letten op de woorden van de Heere Jezus Zelf, dan merken we dat de Heere Jezus naar aanleiding van deze profetie, deze titel gebruikt voor Zichzelf, met name als het gaat om Zijn verheerlijking. Maar ook als het gaat om Zijn glorie en om de volheid van Zijn heilshandelen. Op de dag van Zijn heerlijkheid komt de Zoon des mensen om Zijn glorie ten volle te openbaren. Dat is het eerste.

Nu het tweede. De naam van de Zoon des mensen vinden we ook wanneer het gaat om het lijden van de Heere Jezus Christus. Dan spreekt de Heere Jezus meer dan eens over Zichzelf als de Zoon des mensen. In Lukas bijvoorbeeld lezen we: de Zoon des mensen moet veel lijden(Luk. 9: 22).. En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee dien mens, door welken Hij verraden wordt! We voegen het nu samen. Wanneer de Heere Jezus Zichzelf de Zoon des mensen noemt, dan gaat het over Zijn lijden én over Zijn verheerlijking. Over de staat van Zijn vernederingén over de staat van Zijn verhoging. In één zin: de Zoon des mensen, gaat door lijden tot heerlijkheid.

 

Van nu aan, zo heeft Jezus gezegd, van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.

Hoort u het? De benaming ‘Zoon des mensen’ heeft alles te maken met Zijn vernedering, maar ‘Zoon des mensen’ heeft ook alles te maken met Zijn verhoging en dan in het bijzonder met Zijn komen op de wolken des hemels. Een wereld van gedachten gaat open bij deze geopende hemel, die zicht geeft op de Mensenzoon. Ze geeft dus zicht op de Heere Jezus Christus; ‘de Zoon des mensen’.

Waarom noemt Stéfanus de Heere Jezus nu juist zo? Wel, hij ziet in Hem in de eerste plaats de komende Rechter. Want als Jezus komt, op de wolken des hemels, wat zal Hij dan komen doen? Hij zal de levenden en de doden oordelen. Hij komt, Hij komt, om de aarde te richten. En dat moet u eens even goed op u laten inwerken. Want dat is de sleutel op de vraag: Waarom noemt Stéfanus de Heere Jezus hier nu: ‘De Zoon des mensen’? Hier zit dus de volgende gedachte achter: Hij komt om te richten. Hij. En wat zal dát een bemoediging voor Stéfanus geweest zijn dat hij de Heere Jezus op deze manier mag benoemen. Want kijk eens naar die vervolgers rondom Stéfanus. De kinderen kunnen ze wel tekenen.

Overal zijn de vijanden van Stéfanus en die zeggen: ‘Wij jagen jou de dood in. Wij maken de dienst uit. Wie zal ons tegenhouden? Wij vellen het oordeel en wij hebben het laatste woord. Wij hebben het voor het zeggen en ons woord is wet. Het laatste woord is aan ons.’ En dan zegt Stéfanus: ‘Nee, het laatste woord is niet aan u. U bent wel rechter en u velt wel een oordeel, maar het laatste oordeel is aan de Zoon des mensen. Hij komt, Hij komt, en u bent ondergeschikt aan Hem. Uw oordeel, Sanhedrin, is het laatste niet, maar Zijn oordeel. Het eindoordeel ligt in de handen van de Zoon des mensen. Daarboven, daar staat Hij, Die alle macht heeft in hemel en op aarde.’ Merkt u het? Stéfanus doet een beroep op het hoogste gerechtshof. Sterker nog: hij laat zien dat het hoogste gerechtshof in de hemel het laatste woord zal hebben.

 

Dat is het eerste en dan is er nog iets. Hoor maar! Zoon des mensen wil ook zeggen: Hij Die ons menselijk vlees heeft aangenomen. Christus Jezus, Die ons menselijk vlees heeft aangenomen. Hij was de Zoon van God en de Zoon van Maria, opdat Hij de last van de toorn van God tegen de zonde van het ganse menselijke geslacht zou dragen. En zo ziet Stéfanus Hem ook als zijn Borg. De Zoon des mensen is Stéfanus’ Middelaar. Het gaat om Hem. U voelt hopelijk, dat die woorden dan ook een laatste waarschuwing inhouden voor de vijanden. ‘Mensen, jullie zitten verkeerd. Jullie denken: Jezus de Nazarener is dood en begraven. Het is Goede Vrijdag geweest en er is een graf geweest in de hof van Jozef van Arimathea. Maar het is Pasen geworden en Hij is opgestaan. Hij leeft. Ik zie Hem. Ik zie Hem als de levende, als de Zoon van God aan ’s Vaders rechterhand. Ik zie Jezus met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr. 2: 9).  O weet het toch, rechters, Hij is de van God gezonden Messias en de zaligheid is in geen Andere. En de zaligheid is in geen Anderen; want er is ook onder den hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden (Hand. 4: 12). Ik zie de Zoon des mensen. Het is dus een laatste appèl van Stéfanus: ‘Bekeer u toch en buig u neer aan Zijn voeten. Straks komt Hij om te oordelen de levenden en de doden. Want u hebt het laatste woord niet, maar Hij heeft het laatste woord. Bekeert u daarom, rechters, waarom zou u sterven?’ Wanneer u in Stéfanus’ hart leest, dan ziet u daar het verlangen om samen met deze stenigers eenmaal God te mogen grootmaken en het Lam, voor de troon van God in de hemel. Hij wil ze als het ware meenemen. Als de liefde van Christus in uw hart is, dan heeft u geen vijanden. Dan zegt u niet: ‘Die niet of die niet, nee dan is het: kom maak God met mij groot!’ Dan schrijft u niemand af. De liefde van Christus, zegt Paulus, die dringt ons (2 Kor. 5: 14). Zo is het ook bij Stéfanus wanneer hij ze het bloed van de Heere Jezus Christus predikt. Het bloed dat ze nog niet zo heel lang geleden tevoorschijn geroepen hebben in de kruisiging van het Lam van God. Het bloed van het Lam, het bloed van Jezus Christus, Zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde (1 Joh. 1: 7). Dat bloed, dat hebt u tevoorschijn geroepen, mensen van het Sanhedrin, maar ik predik u dat bloed als de Weg des levens, want de Zoon des mensen leeft. Blijft u Hem verwerpen en blijft u zich tegen Hem verzetten? O, weet het toch en hoort: Verhardt u niet, maar laat u leiden.’

 

Is God niet lankmoedig? Is God niet uitermate lankmoedig en groot van goedertierenheid, ook naar deze rechters toe? Dat ziet u toch heel nadrukkelijk? Maar dat ziet u niet minder als u let op uw eigen leven. Het is lankmoedigheid van God. Hoe lang bent u al onder de prediking van een gekruisigde en opgestane Christus? Hoe lang staat de Heere al met uitgebreide armen om genadig te zijn in uw leven? Hoe vaak is God al langs gekomen, en zegt Hij: Bekeert u, bekeert u (Ez. 33: 11).

 

U zegt: ‘Ja maar een mens kan zichzelf toch niet bekeren?’ Laat God het dan doen. Want God kan het wél. Zijn er hier ook mensen die zich al zoveel jaren verhard hebben onder de bediening van het Evangelie van de genade van God in Jezus Christus? Heeft een lijdende en een stervende Zaligmaker uw hart niet kunnen verbreken? Heeft de prediking van een Jezus, Die staat aan de rechterhand van God, uw hart niet week kunnen maken? Gaat u door op uw eigen weg? De Heere zou ons met één machtige armzwaai van Zijn aardbodem kunnen wegvagen. Ons allemaal. Want het leeft in ons aller hart. De Heere zou er op dit moment voor altijd een eind aan kunnen maken. Bij die stenigers van Stéfanus had God ook kunnen zeggen: ‘Stéfanus houd je mond maar, zeg maar niks meer tegen die mensen, want het is toch paarlen voor de zwijnen werpen, houd er maar mee op.’  God deed het hier niet, God doet het nu niet. God doet het ook vandaag niet. God zegt niet: ‘Mens, ga maar naar huis, Ik wil je nooit meer zien.’ Wat doet God dan? God laat u zeggen dat Hij ook nu wacht om genadig te zijn. Hij lokt en Hij roept dwars door al uw vijandschap heen. Hij nodigt u tot het uiterste en Hij dringt aan.

 

In Stéfanus’ woorden horen we dan ook de echo, van datgene wat we zonet samen gelezen hebben uit Psalm 2: Kust de Zoon opdat Hij niet toorne en gij op de weg vergaat als Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Stéfanus laat het ook vandaag horen: De Rechter staat voor de deur (Jak. 5: 9). ‘Maar Hij Die straks de Rechter zal zijn van levenden en van doden, laat zich vandaag prediken als de Redder van zondaren.’ Paulus was er diep van onder de indruk toen hij tegen de Korinthiërs zei: Wij bidden u van Christuswege, laat u met God verzoenen (2 Kor. 5: 20).Kan dat dan Paulus? ‘Ja, Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Kor. 5: 21). Paulus zegt evenals Stéfanus: ‘Daar is een Weg, een Weg vanuit de hemel naar deze aarde. Dit is de Weg, wandel daar in.’ Psalm 2 vers 6 laat het ons horen als we daar van zingen.

 

Psalm 2: 6

Vreest 's Heeren macht en dient Zijn Majesteit;

Juicht, bevend op 't gezicht van Zijn vermogen,

En kust den Zoon, van ouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg' voor aller o - gen;

U op uw' weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

Tot staving van Zijn langgehoond gezag.

 

In het kader van de tweede gedachte wil ik u met nadruk nog op het volgende wijzen. We moeten letten op het ogenblik waarop Jezus Zich openbaart als de Zoon des mensen. Want dit is de eerste keer dat Christus Zich vertoont en dat Hij Zich laat zien als Degene Die zit aan de rechterhand van God, Zijn Vader. Zeker, de discipelen wisten het wel en zij hebben dat Evangelie ook met kracht gepreekt. Ze wisten het, omdat Jezus dat Zelf gezegd had. Ik noemde u zonet die tekst al: En gij zult de Zoon des mensen zien, zittende ter rechterhand Gods. De discipelen hebben deze tekst gepreekt, maar ze hebben het niet gezien. Dat is nog een wit veld in de godsopenbaring. Niemand heeft het nog gezien. Ze hebben Hem gezien als de opgestane Levensvorst. De discipelen waren erbij toen de Heere Jezus vanaf de Olijfberg ging naar het Vaderhuis met zijn vele woningen. Van dat alles zijn ze ooggetuigen geweest. Maar niemand heeft Hem nog gezien als de Verhoogde aan ’s Vaders rechterhand. Zo heeft de Heere Jezus Zich aan Zijn Kerk nog niet geopenbaard.

 

Kijk, dat gebeurt nu, op dit moment. De Heere heeft met deze openbaring gewacht, tot het grote moment waarop het bloed zou vloeien van de eerste martelaar. Voordat de eerste de dood zou worden ingejaagd om der wille van de Naam en de Zaak van de Heere Jezus Christus. Dat is heel menselijk gezegd, maar zo moet u het toch zien. Menselijk gezegd zegt de Heere Jezus dus: ‘Nu is het zo ver. Nu gaat de hemel open en laat Ik Mijzelf zien als Degene Die zit en Die staat aan ’s Vaders rechterhand.’ In dit crisismoment geeft Hij het gezicht van de verhoogde Mensenzoon in Zijn gekroonde majesteit en heerlijkheid.

En dat is niet zomaar. Wat is dan het bijzondere en wat is dan de betekenis? Wel, vanaf dit moment zal de Kerk des Heeren haar bloed moeten geven. Vanaf dit moment zal de Kerk des Heeren gewikkeld worden in de bijzondere strijd die zich ontwikkelen zal, totdat de grote dag van de Zoon des mensen daar is. Stéfanus, zo zijn we zonet begonnen, is de eerste bloedgetuige. Stéfanus is de eerste martelaar. Hij is de eerste, maar niet de laatste. Hij is de eerste in een lange rij van zonen en dochters van de Kerk, die hun leven hebben gegeven voor de Naam en de Zaak van de Heere Jezus Christus. De bloedstroom van de getrouwe getuigen zal van nu af aan beginnen te vloeien. Stéfanus is de eerste. Hier gaat de Kerk des Heeren door de poort die toegang geeft tot de bloedweg en dan bedoel ik dus het eigen bloed van de kinderen van God. Dat was tot nu toe anders geweest. Nog nooit had de vijand zoveel macht ontvangen over de kinderen van God in het Nieuwe Testament. Ja, de vijanden waren altijd nog op een afstand gebleven, die konden nog niet die grote doorbraak forceren. Steeds had de Heere Zijn kinderen wonderlijk gered. Maar nu moet de Kerk de weg op van het martelaarschap. Hier ontvangt de vijand een macht die dodelijk schijnt te zijn voor het volk des Heeren. Nu komen ze aan het leven. Het leven van Stéfanus.

 

Juist op dit moment openbaart Jezus Zich als de Zoon des mensen. Als de Kerk aan de ingang van de bloedweg staat, dan ziet ze Christus staan aan ’s Vaders rechterhand. Jezus zegt: ‘Nu is het zover, nu is het nodig. Nu vloeit het bloed van de eerste martelaar. Nu openbaar Ik Mij vanuit de hemel als zijnde aan ’s Vaders rechterhand, opdat het tot sterkte zal zijn voor hem en voor allen die na hem komen zullen.’ Want, gemeente, de weg loopt hier niet dood. Die bloedweg gaat verder. Dan zien we in onze gedachten de kinderen van God als fakkels roken in de tuinen van Nero, wanneer hij zijn feesten hield. En de kinderen weten wel uit boekjes over de tachtigjarige oorlog, hoe de kinderen van God op het schavot gebracht werden en onthoofd werden of hoe ze aan een galg werden opgehangen. Het spoor loopt door, gemeente, naar de verdrukking van vandaag. Lees maar wat er plaats vindt in China, in Korea, in Indonesië en op zovele plaatsen in deze wereld.

 

Wat zullen wij dan zeggen? Wie van ons wordt er met de dood bedreigd om Jezus’ wil? Wie loopt het risico de dood ingejaagd te worden om der wille van het getuigenis van Hem? We hebben zonet gezegd: belijden en martelaar zijn is één en hetzelfde woord. Hoe is dat in ons leven? Belijden? Martelaar zijn? U, jij? Het bloed geven, uw leven geven ter wille van de Naam en de Zaak des Heeren? Wij, in deze welvaartsstaat waarin God ons geplaatst heeft, zullen heel ingetogen moeten zijn met onze woorden. En toch, we weten het, het kan moeilijk zijn in het leven van het geloof. Er zijn aanvallen of aanvechtingen van mensen in de straat bij u, mensen in de flat, mensen op de camping of mensen thuis misschien. ’s Mans huisgenoten zullen zijn vijanden zijn (Micha 7: 6). Ook de mensen in de kerk moeten we niet onderschatten. Maar we mogen sterkte en steun ontlenen aan het Woord zoals dat vandaag tot ons kwam in het strijdperk van dit leven. Ik weet niet hoe of het u vergaat, maar voor mij blijven er wel vragen liggen. Ik denk dat ik deze vragen het beste kan weergeven met een voorbeeld. Iemand kwam vanuit een land waar de christenen ten dode toe vervolgd worden om de Naam en de Zaak van de Heere Jezus Christus. Die man kwam hier in Nederland en sprak een van de kinderen van God aan. Toen haalde hij de volgende tekst van Paulus aan: Allen die godzalig willen leven in Christus Jezus zullen vervolgd worden (2 Tim. 3: 12). Hij vroeg aan die man: ‘Kent u die tekst?’ Ja, die man uit Nederland kende die tekst wel. Toen zei die ander :‘En wat doen jullie daar mee in Nederland?’

Gemeente, het staat er toch? Allen die godzalig in Christus Jezus willen leven, zullen vervolgd worden! Dat is toch niet zo maar een beetje aan de marge, het gaat dan toch om de spits van uw leven? Zij die met Jezus willen leven, zullen vervolgd worden, het moeilijk hebben, uitgeworpen worden, en wat al niet? De vraag van die man was: ‘En wat doen jullie daar nu mee in Nederland?’

 

Mijn vragen aan u, gemeente, zijn: Weet u het? Wat doet u met dat woord?

 

amen

Slotzang Psalm 125: 3

 

 

Want hoe de bozen zich doen schromen

Door wrede heerschappij,

Nog zal hun dwing'landij

Niet rusten op het lot der vromen,

Opdat zij nooit, van 't recht geweken,

Zichzelven wreken.