Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 16

Het waarom van Christus' dood en graf

De verlossing uit de dood
De betekenis van het graf
De kruisiging van de oude mens
De troost in mijn aanvechtingen
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Gebed des Heeren: 1
Lezen : Johannes 12: 20 - 36
Zingen : Psalm 85: 1 en 4
Zingen : Psalm 16: 3 en 5
Zingen : Psalm 56: 6

Gemeente aan de beurt is Zondag 16 van de Catechismus. We gaan deze samen lezen.

 

Vraag 40: Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?

Antwoord: Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door de dood des Zoons Gods.

Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden?

Antwoord: Om daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven was.

Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?

Antwoord Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?

Antwoord: Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

Vraag 44: Waarom volgt daar: ‘Nedergedaald ter helle’?

Antwoord: Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikkingen en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

 

Gemeente, u hebt gehoord, dat er nogal wat vragen beginnen met waarom. Daarom is het thema van de prediking van deze Zondag:

Het waarom van Christus’ dood en graf

 

Vier punten vragen onze aandacht:

1. De verlossing uit de dood

2. De betekenis van het graf

3. De kruisiging van onze oude mens

4. De troost in mijn aanvechtingen

 

 

Gemeente, zojuist hebben we in de schriftlezing gehoord over de Grieken, die heilbegerige zoekers, die tot Filippus kwamen en zeiden: ‘Wij wilden Jezus wel zien’.

In deze vraag ziet de Heere Jezus een eerstbeginnende vervulling van de profetie, dat ook de heidenen naar Hem zullen vragen en dat alle knie zich voor Hem zal buigen.

 

Zo is het uur van Zijn verheerlijking aangebroken! Maar die verheerlijking komt niet anders dan door het lijden en de dood heen. Lijden en verheerlijking zijn voor Hem onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze vallen samen als het begin- en eindpunt van één lijn. Dit heeft Luther de Theologie van het Kruis genoemd. Dat houdt in, dat God Zijn doel bereikt, de verheerlijking van Zijn Naam, door een weg, die het tegendeel is van Zijn heerlijkheid.

Via het kruis gaat het naar de kroon. Het lijden is voor de Heere Jezus de weg tot de heerlijkheid.

Christus kondigt Zijn gang in het lijden, de dood en het graf aan met dat bekende woord over het tarwegraan: ‘Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft het alleen, maar indien het sterft, zo brengt het veel vrucht voort.’ Dit geheimvolle wonder zien we iedere lente en zomer buiten op het veld gebeuren. De boer zaait de tarwekorrel in de aarde. In die vallende en stervende tarwekorrel gaat een leven onder, maar door de ondergang heen ontkiemt een nieuw leven. Het brengt veel vrucht voort. Zo ziet de Heere Jezus in deze goddelijke wet over het tarwegraan, dat alleen stervende leeft en stervende leven geeft, de grote levenswet voor Zichzelf en voor de Zijnen.

 

De Heere Jezus houdt zijn discipelen voor: ‘Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen; en zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.’ Ook voor ons geldt: ‘Door de dood naar de heerlijkheid.’ In het verlies ligt de winst.

 

Maar de Heere Jezus was ook waarlijk Mens en Hij had het leven lief. Daarom huiverde Hij als Hij de diepte van Zijn lijden op Zich af zag komen. We horen Hem in Johannes 12 zeggen: ‘Nu is Mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure? Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen. Vader, verheerlijk Uw Naam.’ Dan geeft Hij Zich, nadat de gedachte om het lijden bespaard te worden even door Zijn ziel heeft geflitst, volkomen over om naar de wet van het stervende graan onder te gaan in dood, graf en hel.

Hij weet, dat door Zijn dood het nieuwe leven ontkiemt voor Hem en voor de Zijnen. Een andere weg tot verheerlijking van de deugden van Zijn Vader is er niet.

De tarwekorrel moet in de aarde en sterven, anders is er geen vrucht. Als de tarwekorrel op de graanzolder blijft liggen, dan is er geen vrucht te verwachten. Alleen als wij sterven, zullen we het opstandingslichaam in alle heerlijkheid kunnen ontvangen.

Laten we dit beeld vasthouden in het onderwijs van deze Zondag.

 

1. De verlossing uit de dood

 

We lezen nog een keer vraag en antwoord 40:

Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen?

Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door de dood des Zoons Gods.

 

Vindt u dat niet een ontroerende vraag, gemeente? Waarom moest Christus Zich tot in de dood toe vernederen?

Als wij het zware lijden van de Heere Jezus Christus op ons laten inwerken, kunnen we vragen: ‘Waarom moest het zo tot het uiterste?’ In de vorige Zondag zijn we Hem gevolgd in Gethsémané, waar het zweet Hem uitbrak en als grote druppels bloed op de aarde afliep. Hij werd naar de zaal van het Sanhedrin gebracht, waar Hij onschuldig ter dood veroordeeld werd. Daar hebben ze Hem geblinddoekt en met vuisten geslagen. We volgden Hem naar Herodes en Pilatus, waar Hij beschuldigd werd en bespot, waar Hij de doornenkroon op het hoofd kreeg, het spotkleed om Zijn lichaam en de rietstok in Zijn hand.

 

De Man van Smarten heeft Zich door de vloek en de toorn van God geheel laten verteren. U zult misschien zeggen: ‘Nu is het wel genoeg.’ Maar het is nog niet genoeg. De Heiland gaat door met het dragen van het lijden. Het gaat tot in de dood, tot in het graf toe.

 

Waarom toch, waarom toch die diepte, die dood en dat graf? ‘Wel’, zegt het antwoord, ‘mensen, het kon niet anders.’ Er was geen andere weg. Het moest. Er kon niet anders voor onze zonden betaald worden, dan door de dood van de Zoon van God.

Hier zien we wat onze zonde teweeg gebracht heeft. Ziet u het? Voelt u het hoe erg de zonde is? Het avondmaalformulier zegt het zo:

Hier bedenke een ieder bij zichzelf zijn zonde en vervloeking, opdat hij zichzelf mishage en verootmoedige voor de Heere, aangezien de toorn van God tegen de zonde zo groot is, dat Hij ze, eer Hij ze ongestraft liet blijven, eer Hij ze ons kon vergeven, ze gestraft heeft aan de Heere Jezus met de dood des kruises.

 

Het kon op geen enkele andere wijze. Waarom niet? ‘Wel’, zegt het antwoord, ‘vanwege de gerechtigheid en vanwege de waarheid van God.’ Je zou dus kunnen zeggen vanwege Gods deugden.

Wat zijn dat? Ik kan me voorstellen, dat de jongens en meisjes daar best moeite mee hebben. Wat zijn de deugden van God? Nou, wat ondeugend is, weten jullie wel, hè? Dan deug je niet, dan is het niet in orde in je leven. ‘Je deugt’ betekent dat het goed is.

Een andere naam voor Gods ‘deugden’ is Gods ‘eigenschappen’. Je zou kunnen zeggen: het karakter van God, Zijn inborst, wat typerend is voor Hem. Gods deugden, dat is God Zelf. Hij zegt: ‘Ik kan niet anders vanwege Mijn gerechtigheid.’

Gemeente, God is rechtvaardig. De wereld mag het ontkennen en de godsdienstige mensen mogen denken, dat het wel mee zal vallen, maar de Bijbel zegt: ‘In Hem is geen onrecht.’ De Heere heeft het recht lief, dat hoort bij God.

Volgens het goddelijk recht stond op de zonde de doodstraf. De bezoldiging, het loon op de zonde is de dood.

 

Je moet eens een maand lang hard gewerkt hebben, jongens en meisjes, en aan het eind van die maand krijg je geen loon. Hoe zou je dat vinden? Ik weet zeker, dat je dan zou zeggen: ‘Dat is niet eerlijk, dat is gemeen.’

 

Nu, zo is dat hier ook. Het loon op de zonde is de dood moet uitbetaald worden, anders is het niet eerlijk, niet rechtvaardig. Als de zonde niet met de dood gestraft wordt, krijgt ‘de deugd van Gods gerechtigheid’ een deuk. Dan wordt Zijn recht gekrenkt.

Maar de Heere Jezus heeft Zich Borg gesteld voor de Zijnen. Hij wilde in hun plaats treden, voor hun zonden betalen.

Daarom heeft God, eer Hij de zonde ongestraft liet blijven, ze gestraft aan Zijn Zoon Christus met de bittere en smadelijke dood des kruises.

 

Daarom zien wij de Zoon van God Zich zo gewillig vernederen tot in de dood toe. Hij draagt het loon op de zonde. Dat doet Hij uit liefde. Uit liefde buigt Jezus, uit liefde strekt Hij Zijn handen uit, uit liefde bidt Hij voor Zijn beulen, uit liefde ervaart Hij de toorn van God. Uit liefde tot de deugden van Zijn Vader en uit liefde verwerft Hij de zaligheid voor al Zijn kinderen.

Zie Hem eens buigen aan het kruis in de diepe duisternis.

Hij spreekt het uit:

 ‘Ja, Vader, het is rechtvaardig. Het kan niet anders, het recht mag niet gekrenkt worden. Ik geef Mijn leven voor Mijn schapen.’

Nee, Hij stierf niet door een ziekte of van ouderdom, maar bewust en gewillig vernederde Hij Zich tot in de dood aan het kruis toe.

Het kon niet anders, want Adam moest sterven als hij van die verboden boom zou eten. Adam heeft gegeten en nu eist Gods gerechtigheid genoegdoening. Zonder genoegdoening is er geen zaligheid voor zondaren.

 

Christus heeft aan het recht Gods voldaan en voor de zonden betaald. Zondaren kunnen met God worden verzoend. Hij kan Zijn liefde betonen aan Zijn uitverkorenen, waarvan Hij zegt: ‘Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde.’  De kerk zingt daarvan: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen.’

 

Gods liefde en recht ontmoeten elkaar op Golgotha. Gods liefde en recht kruisen elkaar in het kruis van de Heere Jezus Christus. Daarom heeft Christus gezegd:

‘Vader, als het dan niet anders kan, neem dan Mijn leven. Ik aanvaart de straf en zal die dragen. Ik zal Me vernederen tot in de dood, het graf en de hel toe.’

Hij verzoent vijanden met God.

Dan wordt genâ van waarheid blij ontmoet;
De vrede met een kus van ’t recht gegroet;
Dan spruit de trouw uit d’ aarde blij omhoog;
Gerechtigheid ziet neer van ’s hemels boog.

 

We mogen ons neerzetten aan de voet van het kruis, gemeente. God wil onder de verkondiging van het heilig Evangelie het bloed van Jezus laten druppen op uw hart, tot verzoening met God, tot vrede in uw ziel.

 

Bent u al vol verwondering neergezonken voor het kruis? Daar zien we hoe Hij geheel vrijwillig de dood inging, hoewel ik die dood verdiend had.

Hebt u dat weleens gezegd tegen de Heere:

‘O God, als ik zie wie ik ben en hoe heilig U bent en dat U rechtvaardig bent, dan heb ik de dood verdiend.’

Tegen zulke mensen, tegen zulke meisjes en jongens, tegen zulke kinderen zegt God:

‘Nu mag je leven, eeuwig leven, want Ik heb Mijn Kind, Mijn Liefste, Mijn enige Zoon gezonden in deze wereld en Ik heb Hem gegeven aan het kruis onder Mijn toorn, tot in de dood toe.’

 

Antwoord 40 noemt nog een eigenschap van God, namelijk Zijn waarheid.

God had gezegd:

‘Mensen, Adam, Eva, luister! Ten dage dat gij van de vrucht van boom der kennis des goeds en des kwaads eet, zult gij de dood sterven.’

En God liegt niet. Hij haat de leugen. God is de Waarheid Zelf. Hij een God van Zijn Woord, een Man van Zijn Woord. Hij houdt Zich aan wat Hij gesproken heeft. En al moet het dan de dood van Zijn eigen lieve Kind Jezus Christus kosten, van wat Hij gezegd heeft, laat Hij geen woord vallen. Zo lief heeft God de waarheid.

Daarom heeft de Heere Jezus Zich tot in de dood toe moeten vernederen, zelfs nog dieper dan de dood. U zegt: ‘Kan dat dan nog dieper?’ Ja, dat kan, want Hij moest Zich vernederen tot in het graf. Dat maakte Zijn vernedering nog dieper.

 

Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft het alleen. Het tarwegraan, de Heere Jezus, is in de aarde gevallen en is gestorven, niet om daar te blijven, maar om op te klimmen in eeuwige heerlijkheid. Want zo heeft Hij het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.

 

Dat brengt ons op onze tweede gedachte.

 

2. De betekenis van het graf

 

Waarom moest Hij begraven worden? God de Vader had Zijn Zoon toch wel op kunnen wekken direct al nadat Hij gestorven was aan het kruis? Waarom moest Hij nog begraven worden? De Catechismus antwoordt:

Om daarmee te bewijzen, dat Hij waarlijk gestorven was.

 

Dat is natuurlijk maar een heel klein facet, want er is heel wat meer te overdenken. Dat de Heere Jezus echt dood was, hoefde niet meer bewezen te worden. De speerstoot van die Romeinse soldaat in de zijde van Jezus, waar bloed en water uitvloeide, was al genoeg bewijs, dat Hij waarlijk gestorven was.

Ursinus geeft in zijn verklaring in het Schatboek nog meer redenen voor Jezus’ begrafenis.

Nadat hij het bewijs van Jezus’ dood gegeven heeft, zegt hij: ‘Christus is hierin nog veel dieper vernederd, namelijk dat Hij begraven is, want begraven worden is een diepe vernedering.’ Gold het in de Bijbel als een vloek om onbegraven te blijven, een begrafenis zelf is toch een diepe vernedering, een smaad. God had gezegd: ‘Gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren.’

Daar komt, zegt Ursinus, nog een derde belangrijk argument bij: ‘Door begraven te worden, heeft de Heere Jezus het graf van Zijn kerk geheiligd.’ Zo is het graf niet alleen een bewijs van Zijn dood, maar vooral een bewijs van Zijn liefde voor Zijn Kerk. Jezus wil hiermee zeggen: ‘Ik heb niet alleen uw wieg gedeeld, toen Ik in de kribbe van Bethlehem ben neergelegd, maar ook uw graf. Ik ben ten volle uw Plaatsbekleder, ook in het graf!’

 

Gemeente, jongens en meisjes, denken jullie wel eens aan het graf, waar je straks ingelegd zal worden? Het is goed om eens stil te staan bij de dood. Soms ben je aan de rand van de dood. De Heere spaarde je leven tijdens een ongeluk; je bent aan de rand van het graf geweest. ‘Ons leven is maar een handbreed gesteld’, zegt de Bijbel.

Denkt u er wel eens aan hoe het dan zal zijn? Misschien is het voor u wel een beklemmende gedachte. Dat zal ook wel! Voor wie eigenlijk niet?

Gemeente, eenmaal wordt ook uw graf gedolven. Dan gebeurt wat de Heere gezegd heeft: ‘Gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren.’ U moet nu weten waar u dan zult zijn. Hoe het dan zijn zal?

 

Is dat dan het einde? Nee, Christus zegt tegen allen die Hem liefhebben:

‘Wees niet bevreesd, want Ik heb als Borg uw graf geheiligd. Ik ben niet alleen gestorven aan het kruis, zodat u verzoening ontvangt door Mijn bloed, maar Ik ben ook uw Borg in het graf.’

Zo heeft Hij voor allen die geloven de verdervende macht van dood en graf overwonnen. Daarom kan de dichter zingen:

Ook zal Mijn vlees, thans afgesloofd, ten spijt
Des vijands, in den grafkuil zeker wonen.

 

Christus waakt over het stof van de Zijnen. Het graf is geen bodemloze put waarin we voor altijd zullen wegzinken. Integendeel, het is een akker, een dodenakker. Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo blijft het alleen; maar indien het sterft, brengt het veel vrucht voort. Het zaad wordt gezaaid om te ontkiemen tot de oogst.

Die dag van de oogst is er als Jezus komt op de wolken des hemels. Heb daarom goede moed, want dood en graf hebben niet het laatste woord, maar Jezus heeft het laatste woord.

Straks komt Hij en dat zal de vreugdevolste dag van ieder kind van God zijn. Dan zal Hij zeggen: ‘Opstaan, kinderen, de morgen is aangebroken, de eeuwige zaligheid, de bruiloft begint.’

Paulus zegt in dat schitterende loflied op de opstanding in 1 Korinthe 15: ‘Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid’. Ja, al mijn verdorvenheid en ziekten gaan het graf in. Maar, zo zegt hij, ‘het wordt opgewekt in heerlijkheid.’ Het eeuwige leven zal mijn deel zijn. Het sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen en het verderfelijke moet verderfelijkheid aan doen. En dat kan niet anders, dan door het graf heen. Want indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zo is er geen vrucht. Het graan ontkiemt door de dood heen tot nieuw leven.

 

Zo heeft Christus door Zijn graf de stille vensters van ons graf geopend naar de dag van de wederopstanding der doden. Dan zullen de bazuinen klinken en dan zal Hij de oogst binnenhalen. Dan zullen we opstaan tot eeuwige heerlijkheid. Dan zal het woord geschieden: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus. Hij, Die Zelf gestorven is en begraven en het graf met de Zijnen heeft gedeeld.

 

Gemeente, wat erg als je die hoop mist! Wat ben je arm, ook al heb je tonnen op de bank, als je zeggen moet: ‘Ik zou het niet weten waar mijn ziel zal zijn als ik sterven moet.’!

Gemeente, we leven nog, het is nu nog de dag der zaligheid. Zoek dan de Heere, want Hij laat Zich nog vinden. Als we sterven, is het te laat.

De Heere roept ons en Hij zegt:

‘Zie op Mijn doorboorde handen! Zie op Mijn gewilligheid om niet alleen te sterven, maar zelfs ook om begraven te worden. Ik wil alles zijn voor de liefhebbers van Mijn Naam.’

Kom! Waarom leeft u zomaar door, waarom zou u uw ongeluk tegemoet gaan?

Waarom wilt u niet gelukkig zijn?

Waarom zoek je de Heere niet, terwijl Hij te vinden is?

Ook als je God niet vreest, is de dood het einde niet. We zullen allen opstaan op de jongste dag.

De Bijbel zegt in Johannes 5:

De ure komt in welke allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen en zullen uitgaan: die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

De eeuwige verdoemenis, dat is wat! Als we daar een goed besef van hadden, dan zouden we niet meer rusten voor we God kennen als een verzoend God en Vader in Christus Jezus.

 

Gemeente, crematie neemt hand over hand toe in ons land. Crematie is een heidens gebruik. In de Bijbel is lijkverbranding een straf, een vloek. Denk maar aan Achan en aan de priesters van de kalverendienst te Bethel. In de Bijbel vinden we uitsluitend dat mensen begraven worden. Wat heeft Abraham veel moeite gedaan om een familiegraf te kopen!

Een christen kiest op Bijbelse grond voor het graf ondanks allerlei mooiklinkende argumenten als: ‘Het is veel goedkoper en het is hygiënischer.’

Ursinus zegt: ‘Wij volgen het voorbeeld van Christus. Hij is begraven.’ Een discipel van Christus wil Hem volgen in alles.

 

De Catechismus schrijft verder:

Als Christus nu voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan eigenlijk nog sterven?

Hij is toch Borg? Hij betaalde voor de zonde en droeg de straf op de zonde weg. Als Hij de straf op de zonde gedragen heeft, dan is de dood niet meer nodig. Want al het strafrechtelijke is dan voor Gods kinderen uit de dood weggenomen.

‘Maar hoe komt het dan’, zo zegt de onderwijzer, ‘dat wij ook nog moeten sterven?’ De Heere zou ons toch rechtstreeks in de hemel kunnen opnemen, zoals Henoch en Elia? En straks bij de wederkomst van de Heere Jezus zullen de mensen ook niet meer sterven en begraven worden, maar dan worden ze in een ‘punt des tijds’, in een oogwenk veranderd. Waarom dan toch nog sterven?

Ja, de Catechismus geeft geen rechtstreeks antwoord op deze vraag. Toch is het een heel mooi antwoord, want het is alsof de Catechismus zegt: ‘Let er nu eens op, wat Christus van uw dood gemaakt heeft!

Uw sterven is geen betaling voor de zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

 

Uw dood is dus een hemelvaart. Met de dood zijn we voorgoed van de zonde af. De dood is geen muur, maar een poort. Het verderfelijke kan alleen maar zo de onverderfelijkheid aandoen. Alleen via de dood raken wij onze oude mens kwijt. Gods gewone weg blijft dus de weg van het stervende tarwegraan. Het behaagt God om ons door de dood naar de hemel te leiden, om ons rijp te maken voor de hemel. Zo wil de Heere ons steeds dieper inleiden in de grootheid van Zijn genade.

De Catechismus zegt: ‘Het is een afsterven van de zonde.’ Zo houdt de zonde helemaal op, dat wil zeggen: mijn verdorven aard, mijn zondige bestaan houdt dan op.

‘Als je het zo bekijkt’, zegt de Catechismus, ‘dan is sterven zelfs genade.’ Wat zou het erg zijn om altijd in deze wereld te moeten blijven voortbestaan met het lichaam der zonde en des doods!

Paulus spreekt dan:

‘Zolang ik leef, leeft de zonde nog in mij, maar als ik sterf, sterft de zonde voorgoed. Bij mijn laatste snik ben ik voor honderd procent van de zonde af. Dan zal niet één zondige gedachte ooit nog in mijn hart opkomen’.

 

Zo is sterven geen verlies, maar winst. Dan kunnen ze aan het graf zingen:

Zo laat Gij, Heer’, Uw knecht,

Naar ’t woord, hem toegezegd,

Thans henengaan in vrede.

Dan kunnen ze het ook aan het graf zingen:

Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.

 

Het sterven is geen muur, maar een poort, een doorgang tot het eeuwige leven. Het is een doortocht door de doodsjordaan, om aan de andere oever, op het strand van de eeuwige zaligheid, onze voeten te zetten.

De dood is niet het einde, maar een nieuw begin! Het nieuwe leven, het eeuwige leven, dat door de wedergeboorte als een beginsel van de eeuwige vreugde in het hart is ontkiemd, zal dan in volle heerlijkheid doorbreken. Zo zegt Paulus: ‘ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.’ Paulus bedoelt: dan ben ik van de zonden en van de strijd af. ‘Maar’, zo vervolgt hij, ‘als de Heere me nog nodig heeft in dit leven, als ik nog in het vlees moet blijven, dan is dat beter om uwentwil.’

 

Het zal wat zijn om nooit meer zonden te doen en door de poort van de dood het eeuwige leven tegemoet te gaan! Kijk, als je het zo ziet, dan is de dood een weldaad voor een moegestreden zondaar.

Jakob vouwt op zijn sterfbed zijn voeten samen op bed en zegt: ‘Op Uw zaligheid wacht ik, Heere.’ Hoevele kinderen van God hebben niet boven het bruisen van de golven in de doodsjordaan, reeds iets mogen horen van de klokkentonen van het nieuwe Jeruzalem, dat boven is? Dat zal neerdalen, toebereid, zoals een bruid voor haar man versierd is. Hoevelen van degenen, die de Heere hebben liefgekregen in dit leven, zijn niet met een psalm op hun lippen gestorven?

Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheden.

 

Laten we uit Psalm 16 vers 3 en 5 gaan zingen over die troost, voor we verder gaan met de twee andere aandachtspunten.

 

Getrouwe Heer’, Gij wilt mijn goed, mijn God,

Mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen;

Gij onderhoudt gestaag het heuglijk lot,

Dat Gij, zo mild, voor mij hebt uitgelezen.

De schoonste plaats mat Gij met ruime snoeren;

O heerlijk erf, gij kunt mijn ziel vervoeren.

 

Daarom heeft zich Mijn kwijnend hart verblijd;

Mijn tong, Mijn eer, zingt Godgewijde tonen;

Ook zal Mijn vlees, thans afgesloofd, ten spijt

Des vijands, in den grafkuil zeker wonen.

Gij zult Mijn ziel niet in de hel vergeten;

Uw Heil’ge zal van geen verderving weten.

 

3. De kruisiging van onze oude mens

 

We lezen samen vraag en antwoord 43:

Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?

Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

 

De kruisdood van Christus is tot kruisiging van onze oude mens. Want we hebben gezien, dat uit het stervende tarwegraan nieuw leven ontkiemt. Dat nieuwe leven brengt vrucht voort, nieuwe vruchten of nuttigheid, zoals de Catechismus het noemt.

Christus’ dood heeft niet alleen betekenis voor ons sterven, maar ook voor ons leven. Het gaat om het leven hier en nu, het leven voor God. Het gaat hier over de heiligmaking, de heiliging, als vrucht van Christus’ lijden en sterven.

We willen allemaal graag in de Heere sterven. Iedereen die naar de kerk gaat, zegt: ‘Als ik sterf, wil ik toch wel graag naar de hemel.’ Ja toch? Sterven met hoop en uitzicht op het eeuwige leven, dat willen we wel. Maar dat zal niet gaan, als hier ons leven niet met en voor Hem is geweest, als we hier niet met Hem hebben geleefd.

Zonder heiligmaking zal niemand God zien.

 

Christus’ dood brengt ook vrucht voort voor ons leven. De Bijbel legt op veel plaatsen dat verband. Ik denk aan 2 Korinthe 5 vers 15: ‘Hij is voor allen gestorven, opdat degenen die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar Dien Die voor hen gestorven en opgewekt is.’

Voor wie leeft u? Voor u zelf? Voor je plezier? Of leeft u voor God? Daar gaat het om.

Onze Catechismus zegt: ‘De oude mens moet met Hem gekruisigd worden.’

Wat is dat eigenlijk de oude mens? Wel, ik zal proberen het eenvoudig uit te leggen. Als de Heere ons leven vernieuwt, als je een nieuw hart krijgt, jongens en meisjes, dan komt er een nieuw levensbeginsel in je leven. Dat nieuwe beginsel richt zich tot God, op de Heere Jezus en op het leven naar Gods geboden. Want Christus verlost niet alleen van de schuld en de straf van de zonde, maar Hij breekt ook de macht van de zonde in het leven van Zijn kinderen. Dat noemen we de heiligmaking.

Dat is niet omdat je er zelf de schouders onderzet, maar dat is door Zijn kracht. Het nieuwe leven gaat niet meer uit naar de wereld, noch naar de dienst van de zonde, maar naar de Heere.

 

Na de inlijving in Christus is onze oude natuur helaas nog wel springlevend en daardoor blijven we nog steeds zonden doen. U hebt dan wel een nieuw hart van de Heere gekregen, maar u merkt iedere keer, dat uw oude hart nog niet weg is. Dat is het!

En dat is geen praatje. Als u dit werkelijk beleeft, dan is het bittere werkelijkheid, dan wordt het bitter voor je.

Is het ook uw smart, dat u iedere dag uzelf weer tegenkomt, dat u iedere dag de oude mens weer tegenkomt? Zucht je daaronder: ‘O God, als ik het goede wil doen, dan ligt het kwade mij zo bij, want ik doe iedere keer weer dingen, die ik eigenlijk helemaal niet wil, maar ja...’

Zie je wel, hoe gebonden je nog bent onder de zonde? Paulus zegt: ‘Wie zal mij verlossen?’ Gelukkig is dat voor hem geen vraag gebleven, want hij zegt: ‘Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.’ Kijk, dan heb je last van je zondige begeerten en lusten. Dan breken je zondige daden je hart in stukken.

Dan ben je er bedroefd over en zeg je:

‘O God, ik wil U zo graag liefhebben en heilig voor U leven. Maar het lukt me niet! Tenminste niet zoals ik het wil, niet voor honderd procent. Steeds doe ik het weer verkeerd. Heere, help me toch, geef me kracht om te strijden tegen de zonden, die op me afkomen en die uit mijn hart voortkomen? Heere Jezus, laat Uw bloed toch mijn hart reinigen, zodat ik het niet meer doe?’

 

Heb je daar nooit last van? U mist de nieuwe mens, als u nooit last hebt van de droefheid over uw zonden. Want anders zou je bedroefd zijn over de oude mens, om het zo eens te zeggen. Dat is datgene wat nog van Adam is overgebleven in ons leven: de zonde, de zondige begeerte, de oude natuur, de vleselijke verlangens, de zucht naar geld, roem en eer, de zucht naar seks, drank en noemt u maar op. Alles in ons, wat van deze wereld is, dat is de oude mens.

 

De nieuwe mens, gemeente, is datgene wat door Christus, door waarachtige wedergeboorte, door de genade van God, in ons hart tot stand komt. Het nieuwe leven wil tot eer van de Heere leven en naar Zijn geboden. Dat kost strijd. Je voelt de oude mens en nieuwe mens. Dan voel je dat er van twee kanten aan je getrokken wordt.

Maar weet u wat het beste medicijn is tegen de zonde? Het zien op de lijdende en stervende Zaligmaker. Van Zijn bloed gaat kracht uit. Eén druppel daarvan in ons hart is genoeg. Dan krijgen we een droefheid over de zonde en een begeerte om heilig voor de Heere te leven.

Dat bedoelt de Catechismus ook, als er staat: ‘Door Zijn kracht.’ Let er eens op, wat het Hem gekost heeft om de zonde te verzoenen! Het kostte Zijn dood, Zijn bloed en het verlaten worden door Zijn Vader. De oude mens zijn we zelf en die moet gedood en gekruisigd worden.

 

Er staat niet: ‘de’ oude mens, maar de Catechismus is heel persoonlijk, want er staat: ‘onze’ oude mens. De vinger gaat naar u en naar jou. Wij moeten met Hem gekruisigd, gedood en begraven worden. Dat zijn allemaal andere woorden voor heiligmaking. Kruisigen wil zeggen: onze zondige begeerten moeten aan het kruis, onze zondige gedachten moeten gedood worden, onze zondige daden begraven.

Wij moeten sterven aan onszelf, aan ons egoïsme, onze wereldgezindheid, onze hartstochten.

 

Dat is pijnlijk, maar het is nodig. De kruisdood is een smartelijke dood. Het is een proces. Er staat niet: gekruisigd ‘is’, maar gekruisigd ‘wordt’. Dat ‘is’ is ook waar, hoor! Maar hier gaat het over het heilsordelijke aspect hoe wij dat beleven, over de bevinding. En dan staat er: ‘gekruisigd wordt’. Het is een voortdurend proces en pas met onze laatste snik sterft ons eigen ik, onze oude mens.

 

Wat een strijd, gemeente! Kunt u dat in eigen kracht? Nee? Ik ook niet. De Catechismus zegt: ‘Door Zijn kracht.’ We moeten onze oude mens meenemen naar het kruis en het graf van Jezus en dat iedere dag weer opnieuw. Want als we niet op Hem zien, dan komt er van de heiliging niets terecht. Dat bloed, gemeente, hebben we nodig, ook in de heiligmaking. Het bloed van Jezus breekt de kracht van de zonde. Als we op Hem mogen zien en op Zijn kruis, hoe Hij daar hing voor mij, dan roeren onze vleselijke lusten en begeerten zich nog wel, maar dan regeren ze niet meer over ons. Ze zijn niet meer de heersende macht, ze geven niet meer de toon aan.

Kijk, buiten de gemeenschap met de Heere Jezus zitten die boze lusten op de troon van ons hart. Maar door de gemeenschap met Hem is Hij de Baas geworden en worden die begeerten en lusten onttroond. Dan staat Christus aan het roer van uw levensschip en dan zeggen we met Paulus: ‘Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal?

Zo brengt het stervende tarwegraan van Christus’ zoenoffer in ons leven vruchten der dankbaarheid voort. Dan staat heel ons leven tot Zijn beschikking.

 

4. Tot troost in mijn aanvechtingen

 

Zo lezen we in vraag 44:

Waarom volgt daar: ‘Nedergedaald ter helle’?

Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

 

Op zich is het een wonderlijk artikel de nederdaling ter helle.

Bij veel oude kerkvaders ontbreekt dit artikel. Ik denk aan Ireneüs, Origines, Tertullianus en Augustinus. Alleen bij Athanasius komt het voor. Dat werpt de vraag op of dit artikel over de nederdaling ter helle er eigenlijk wel bij hoort.

Die gedachte kan nog versterkt worden als ik u wijs op de volgorde. Snapt u de volgorde? Ja, als je het letterlijk neemt natuurlijk wel. Na Zijn dood is Hij begraven en nedergedaald ter helle. ‘Dat klopt’, zeggen de Lutheranen, ‘want Jezus is neergedaald in de hel, in de plaats van de verdoemden, om daar aan de doden en de duivel Zijn triomf te laten zien.’

Zo ziet Luther de nederdaling ter helle als de eerste trap van Zijn verhoging.

Christus is Triomfator!

De Roomse kerk zit ongeveer op dezelfde lijn. Jezus is in het voorgeborchte van de hel afgedaald om de gestorven gelovigen uit het Oude Testament daaruit te verlossen.

 

En wat zegt nu onze gereformeerde belijdenis?

De Catechismus geeft dit artikel uit de Catechismus een figuurlijke uitleg. Dat doet ze in navolging van Calvijn.

En zo lezen we hier in onze Catechismus over helse smarten en kwellingen, die Jezus geleden heeft vòòr Zijn dood.

Iemand zegt: ‘Ja, maar zit u dan niet met de volgorde? Het moet toch zijn: dood, graf en hel?’ ‘Nee’, zegt Calvijn, luister maar: ‘Eerst horen we in de twaalf artikelen wat Christus voor het oog der mensen geleden heeft. Naar het lichaam heeft Hij geleden, is Hij gestorven en begraven. Daarna horen wij, hoe Christus het oordeel voor Gods aanschijn gedragen heeft, namelijk het onzienlijke, onbegrijpelijke zielenlijden, toen Hij onze verdoemenis en dood, ja, de eeuwige dood gedragen heeft.’

Ursinus volgt in zijn Schatboek letterlijk Calvijn. Hij neemt het woordje hier niet in de betekenis van graf of dodenrijk en ook niet in de betekenis van de plaats der verdoemden, maar als de eeuwige pijn van de hel, de kwelling van de hel.

 

Christus is niet alleen de lichamelijke en tijdelijke dood gestorven, maar ook de eeuwige dood. Dat slaat op de gestrengheid van Gods wraak. Die heeft Jezus gevoeld en de vloek van Gods toorn heeft Hij ervaren. De eeuwige dood, het hellelijden, de verschrikkingen aan het kruis en de aanvechtingen van de duivel heeft Hij gedragen. De angst der hel deed Hem alle troost missen. Het woordje ‘hel’ slaat op Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, toen Hij kroop in Gethsémané en zei: ‘Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. Vader, Ik kan niet meer! Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.’

Dan slaat het woordje hel op de smarten van de Man van smarten, van Wie Jesaja geprofeteerd heeft: ‘Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten, die heeft Hij gedragen.’

 

Het woordje ‘hel’ slaat op de verschrikkingen, toen Hij onder al de folteringen aan het kruis om Zich heen greep en steun zocht bij Zijn God en Vader. Het was tevergeefs, want Zijn Vader had Hem verlaten. Toen schreeuwde Hij het uit: ‘Eli, Eli, Lama Sabachthani? Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’ De helse kwellingen, de vloek van Gods toorn over de zonde werd op Hem geladen., de eeuwige verdoemenis.

 

Gemeente, ik gun het u niet, dat de toorn van God voor eeuwig op uw ziel zal branden.

Als je ziet wat het Christus heeft gekost om de toorn van God te dragen, hoe denkt u dan, dat u het maken zult om eeuwig zonder Hem te zijn?

Hij is zo gewillig, gemeente. Hij strekt Zijn handen tot u uit en Hij roept: ‘O, kom dan als u bevrijd wilt worden van de toorn die op u rust.’

Wie kan hier onbewogen onder blijven? Wat een liefde van de Heere Jezus, dat Hij stierf voor zondaren!

Voor vijanden gaf Hij Zijn leven en daarom klinkt de oproep:

‘Kom tot Hem!

Leef niet door!

Overdenk hoe uw dood zal zijn, hoe uw graf zal zijn en waar uw ziel zal zijn.’

De Heere roept u en het is nu nog genadetijd.

 

Waarom is Christus in die helse pijn en dat lijden neergedaald? De Catechismus zegt: ‘Om mij van de helse benauwdheid en pijn te verlossen.’ Omdat wij tot God zouden genomen en nimmermeer van Hem verlaten zouden worden. Kijk, daarvan mag ik nu in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zijn en mij ganselijk vertroosten.

Ziet u, dat de Catechismus steeds persoonlijker wordt? Eerst was het dood en graf en daarna ‘onze’ dood en de kruisiging van ‘onze’ oude mens, en tenslotte ‘mijn’ hoogste aanvechtingen en ‘mijn’ Heere Jezus Christus.

 

Mag u dat al zeggen: ‘Mijn Heere Jezus?’ Dan bent u een gelukkig mens! Dan bent u het eigendom van die getrouwe Zaligmaker.

‘Hij ging de hel van de eeuwige dood in voor mij.’ Zegt u dat na?

In al mijn aanvechtingen. Welke gelovige kent ze niet? De hemel is met zwarte wolken bedekt en we voelen ons verlaten, als de Heere Zijn aangezicht voor ons verbergt. Dat is bitterder dan de dood. Wat een vreselijk iets is dat!

Luther heeft het ook meegemaakt. Mensen die veel genade ontvangen, maken dat mee. Ook Kohlbrugge is hevig aangevochten geweest. O, wat kan de vorst der duisternis je in zulke omstandigheden benauwen en je soms haast wanhopig maken. Duizend zorgen, duizend doden, kwellen mijn angstvallig hart.

Wat een smart en verschrikking als wij eens de blik slaan in onze eigen verdorvenheid en onwaardigheid!

 

Dan komt satan en die wijst mij op al mijn zonden. Hij zegt:

‘Voor jou genade? Dat had je gedroomd, zeker! Dan zou het wel anders met je zijn. Zomaar betrouwen op de Heere Jezus. Ja, ja, maar dat gaat zomaar niet. Dan zul je toch eerst dit en dan zul je toch eerst dat...’

De wereld beangst me en maakt me uit voor vrome kwezel, of weet ik wat allemaal. Mijn eigen geweten zegt:

‘Voor jou kan het niet meer, de duivel heeft gelijk. God heeft je losgelaten, anders zou je je nu niet zo verlaten voelen’.

Maar dan komt vanuit de diepte van het hart toch die schreeuw van het geloof naar Jezus omhoog:

‘Mijn Heere Jezus heeft mij van de helse pijn en benauwdheid verlost. Heere, in al mijn aanvechtingen heb ik het het meeste nodig om op U te zien en U te omhelzen met de armen van het geloof.’

 

Wat een onuitsprekelijke troost, dat Hij die angsten der hel als Borg heeft doorleefd, om mij daarvan te verlossen!

Voor Hem de hel, voor mij de hemel.

Dat is de enige troost in leven en sterven.

 

Is dat ook uw troost? De Heere biedt u die troost, dat eeuwig houvast.

Zeg het dan:

‘Ja Heere, hier kom ik.

O Lam Gods!

Ledig kom ik, arm en naakt,

Tot den God, die zalig maakt.’

 

Amen.