Ds. P. van Ruitenburg - Romeinen 8 : 34b

Christus in de hemel

Aan de rechterhand des Vaders
Die daar ook bidt

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 47: 1
Lezen : Handelingen 1: 4 - 14
Zingen : Psalm 24: 5
Zingen : Psalm 47: 3 en 4
Zingen : Psalm 2: 4 en 6

Gemeente,

Het tekstwoord voor deze morgen is uit Romeinen 8 het 34ste vers, het tweede gedeelte: Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.

Zoals u begrijpt, gaat het vanmorgen over ‘Christus in de hemel’. Dat is het thema: Christus is in de hemel, niet alleen met Zijn goddelijke natuur, maar ook met Zijn lichamelijke, Zijn menselijke natuur.

Van Christus wordt gezegd dat Hij daar aan de rechterhand van de Vader is, en dat Hij daar voor ons bidt. We willen dus twee gedachten ontvouwen:

 

            1. Aan de rechterhand des Vaders;

            2. Die daar ook bidt.

 

1. Aan de rechterhand des Vaders

 

Gemeente, wat is het moeilijk voor jonge mensen om te begrijpen wat de hemelvaart eigenlijk betekent. Daarom begin ik met een beeld uit de Hebreeënbrief. Dat is het beeld van een schip. Ik heb het vaak gezien op de rede van Vlissingen. Als je op de boulevard staat, liggen daar schepen voor anker, grote zeeschepen, die dan later de Schelde op geloodst worden. In mijn herinnering lagen die schepen daar soms urenlang, en als het slecht weer was soms zelfs dagen. De ankers waren naar beneden geplonsd en hadden zich vastgegrepen in de zeebodem. Dan konden de golven tegen het schip aanslaan, het kon waaien en stormen, maar zelfs zulke grote schepen hadden dan toch houvast aan de zeebodem. Al waren de golven nog zo hoog, al waren de stormen nog zo ruw; toch was er vastheid en zekerheid voor zo’n schip.

 

Wel, gemeente, is het een wonder dat we in de catacomben van Rome, die onderaardse begraafplaatsen, het symbool van het anker zien? En niet alleen het anker, maar soms ook vissen. Twee vissen, naast een anker.

Wat bezielde deze mensen om op hun graven een anker te zetten? Dat zien we nauwelijks meer. Wel, waarschijnlijk heeft dat te maken met wat we lezen in Hebreeën. In Hebreeën 6 staat dat de Heere Jezus Christus het Anker der ziel is. Begint u het te begrijpen? Het anker van het schip gaat naar beneden en hecht zich vast aan de zeebodem; en daardoor ligt dat schip vast. Maar de Heere Jezus is het Anker der ziel dat niet naar beneden gaat, maar naar Boven. En dat Anker ligt daar vast in de hemelgrond. Dat is verbonden met de kabel, de ankerkabel, aan de Kerk Gods.

Daarover lezen wij in Hebreeën 6:19 en 20. Het staat er zo duidelijk dat Christus het Anker der ziel is: Welke wij hebben tot een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is.

 

Gemeente, dat is wat als u, te midden van al de stormen, verbonden mag zijn door het geloof met dat anker dat vast en zeker is en in de hemel ligt. Dan bedoelen we niet alleen de stormen van ziekten en van moeiten, maar met name de stormen van de toorn Gods, van de schuld. We hebben tegen God gezondigd, we zijn verloren mensen, we kunnen in de storm niet overleven, we moeten verdrinken, verloren gaan. Het is verloren gaan, tenzij … we een anker hebben dat zeker en vast is. Onze kanttekeningen zeggen: ‘… dat vastligt in de beloften Gods, dat vastligt in de hemelen.’ Dat is nu het voorrecht van de Kerk Gods.

Gods Kerk is een schip en dat heeft een anker in de hemelen, namelijk de Heere Jezus Christus Zelf. Wat er daarom hier op aarde ook met de Kerk gebeurt, dat schip ligt vast. Dat is zeker. Dat is de betekenis van hemelvaart!

 

De discipelen zagen de Heere Jezus ten hemel varen. Ze hebben het nog niet goed begrepen, maar daar ging hun Anker de hemel in. Daar kwamen ze vast te liggen. Voor eeuwig zeker en vast in de hemelen. Wat is het een troost als je dat nu voor jezelf mag weten, jonge vrienden, wat er ook in het leven gebeurt en hoe hoog de golven ook gaan en hoe zwaar de stormen ook zijn. Wat is het een troost als je nu voor jezelf mag weten dat je een Anker der ziel hebt, dat zeker en vast is, welke stormen er ook mogen woeden. Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Het gaat hier over Hem Die dat Anker der ziel is.

 

Voor onze jonge mensen nog een tweede beeld, voordat we verder gaan. Denk ook aan de hogepriester. De hogepriester die één keer per jaar, alléén, het Heilige der heiligen inging, het voorhangsel wegschoof en dan daar zomaar naar binnen mocht. En daar sprengde hij het bloed vóór en óp het verzoendeksel. Hij vertegenwoordigde het volk, dat niet naar binnen mocht. In de plaats van het volk mocht híj daar een ogenblik staan: de hogepriester in het Heilige der heiligen, de plaats waar de Heere woonde boven het verzoendeksel. Alsof de Heere zei: ‘Dat volk kan hier niet zijn, maar de hogepriester mag het vertegenwoordigen, zodat er toch de nabijheid Gods is.’

In Hebreeën 6 staat: Welke wij hebben als een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is, en ingaat in het binnenste des voorhangsels; Waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizédek een Hogepriester geworden zijnde in der eeuwigheid (Hebreeën 6:19 en 20).

Dus, waarom is de Heere Jezus ten hemel gevaren? Om dat anker vast te leggen. Als Hogepriester is Hij daar ingegaan om Zijn Kerk te vertegenwoordigen. Nu gaan beelden natuurlijk vaak niet helemaal op. Dat anker ligt op de zeebodem en dat schip drijft op de golven en kan maar beter niet het anker achterna gaan, want dan zou het alsnog zinken. Maar toch, hier is het andersom. Dat schip, de Kerk, zal naar de hemel getrokken worden, want Christus is de Voorloper. Johannes de Doper was voorloper voor de Heere Jezus om de weg te banen, maar de Heere Jezus is de Voorloper Zelf. Hij is de Voorloper, Die vóór de Kerk is ingegaan. Dat anker ligt daar zeer vast en Hij zal de Kerk naar Zich toe trekken. U begrijpt wel: in de menselijke natuur. In de Goddelijke natuur is Christus overal. Maar in Zijn menselijke natuur is Hij ten hemel gevaren.

 

Ik herinner me nog dat ik zo’n beetje van jullie leeftijd was en op de jeugdvereniging zat. Ik dacht bij mezelf na over de hemel, en toen kwam in me op: de hemel is vast een geestelijke plaats, geen lichamelijke plaats, niet een plaats die je kunt aanwijzen, ‘daar ergens’. Een geestelijke toestand, dát was voor mij de hemel. Ik vertelde dat tegen een oude vriend, maar die zei: ‘Nee, jongen, dat is niet waar! De hemel is niet een geestelijke plaats, de hemel ís ergens.’ En ik keek hem aan, verbaasd, en vroeg om uitleg. Hij zei: ‘Het lichaam van de Heere Jezus is er. Het lichaam van de Heere Jezus is echt in de hemel. En de Heere zal ervoor zorgen dat ook de lichamen van Zijn kinderen (en dus niet alleen de zielen) ook zalig zullen worden in de opstanding des eeuwigen levens.’ Even was ik verbaasd, maar ik moest het toegeven: de hemel is ook een plááts waar het lichaam van Christus is. Daar was Luther ook verkeerd in. Maar Calvijn zag het zuiver in, dat de Heere Jezus ten hemel is gevaren, zichtbaar, plaatselijk, lichamelijk, voor de ogen van Zijn discipelen. En daar ging dat anker, naar de bodem, naar de hemelen. Daar ging de Voorloper binnen in de hemelen om daar de zaligheid vast te leggen voor de Kerk, maar ook om Voorloper te zijn, zodat Zijn kinderen konden volgen.

En daarom is het voorhangsel van de tempel ook gescheurd: om duidelijk te maken dat er nu een mogelijkheid is van zalig worden voor de grootste van de zondaren. Niet alleen de Hogepriester mocht ingaan, maar de hele Kerk zal zalig worden. De Voorloper is ingegaan. Daarom is het toch wel heel belangrijk, de hemelvaart.

Het is niet gestopt bij de opstanding. Het ging nog een stapje verder: Christus is ten hemel gevaren met Zijn menselijke natuur. Het zit zo vast in onze gedachten, dat het vooral om de ziel gaat. Gaat het vooral om de ziel of ook om het lichaam? Wel, het is een anker der ziel, zeker! Maar de Heere Jezus heeft een menselijk lichaam aangenomen in Bethlehem. Hij moest in de lichamelijke natuur lijden en in de lichamelijke natuur sterven. Hij heeft niet alleen een menselijke ziel, maar ook een menselijk lichaam aangenomen en tegelijk de goddelijke natuur behouden; want Hij wilde ziel en lichaam beide zaligen. En daarom is de Heere Jezus niet alleen met Zijn ziel naar de hemel gegaan, maar ook met Zijn lichaam. En daar is Hij als een Onderpand van de zaligheid van de Kerk. Want Hij is de Voorloper en Gods kinderen zullen er ook komen.

 

U weet wel, hoe dat de Heere daarvoor plaatsmaakt. De hemelvaart van de Heere Jezus zegt me van nature erg weinig, tenzij de Heere er plaats voor maakt. Het kan interessant zijn om naar een preek te luisteren over een anker en over een Voorloper – daar kun je je wat bij voorstellen – maar toch, gemeente, daarmee verstaan we het niet. Al kunnen we al die beelden aan elkaar schakelen en ons er een beeld van vormen en theologiseren wat de hemelvaart van Christus is, het raakt ons hart niet echt. Tenzij de Heere er plaats voor maakt.

Hoe maakt de Heere er plaats voor? Misschien zijn er onder ons die geen anker hebben. Die zich als een schip op en neer gezweept voelen op de baren van de zee. Geen anker in mijn leven, geen vastheid, geen zekerheid, geen zaligheid. Alleen maar schuld en verlorenheid. Misschien zijn er onder ons wel jongens, meisjes of ouderen, die voelen dat de deur gesloten is. Dat de deur gesloten is voor hén. ‘Die staat open voor Gods kinderen,' zeggen ze, ‘maar die staat niet open voor mij. Ik kan nooit naar binnen. Dat is onmogelijk. Hoe kan de Heere zo’n zondaar als ik ooit in de hemel laten?’

Maar, gemeente, de Heere Jezus Christus is ten hemel gevaren. Weet u waarom? Omdat Hij geen zonde had. Omdat Hij de prijs betaald heeft. Omdat Hij de Vader verheerlijkt heeft in Zijn leven. Daarom ging voor Hem de hemeldeur open, en daarom is er een anker der ziel. O, wat is het nodig om met dat anker verbonden te worden door de ankerkabel, door het geloof.

De Heere geve ook in deze morgen voor zulke door onweder voortgedrevenen en ongetroosten, dat ze Hem mogen zien en door het geloof met Hem verbonden mogen worden. Want die in Hem gelooft, zal niet verderven, maar het eeuwige leven hebben.

 

Christus is nu in de hemel, aan de rechterhand des Vaders. Wat een mooi gezicht: aan de rechterhand! Hoe gaat het ook alweer bij een bruiloft in Nederland? Is het niet zo dat de bruid aan de linkerkant van de bruidegom loopt als het paar de kerk binnenkomt? En als bruid en bruidegom de kerk uitgaan, loopt zij aan zijn rechterhand. Want aan de rechterhand is toch de plaats van eer! Denk aan koning Salomo, die zijn moeder binnen zag komen. En die, hoewel hij op zijn troon zat en koning was – een Oosters koning – toch zóveel eerbied had voor zijn moeder dat hij haar een stoel gaf aan zijn rechterzijde, een plaats aan zijn rechterhand. En zo, gemeente, heeft Christus een plaats ontvangen aan de rechterhand van de Vader. Een plaats van eer, een plaats van heerlijkheid.

 

Om het contrast te zien, zou u dit eens moeten vergelijken met een ander thuiskomen. Christus mocht zomaar gelijk binnenkomen, met eer en heerlijkheid gekroond, als de Rechtvaardige, de Heerlijke, de Zondeloze. Vergelijk dat eens met die andere zoon, die naar huis wilde. Die zei bij zichzelf: ‘Ik ben niet waardig om een zoon genaamd te worden. Maak mij één van uw huurlingen.’ U kent de gelijkenis wel van die jongen, die al zijn geld en goed er doorgebracht had en zijn vader en zijn vaderlijk huis vaarwel had gezegd. Zijn geld had hij doorgebracht met zondaren. Niets had hij meer over. Hij was aan lager wal geraakt en had uiteindelijk honger. Toen kwam hij tot zichzelf en hij wilde naar huis. Maar hij begreep heel goed dat hij geen enkel recht meer had om thuis te komen. En tóch ging hij. Toch kwam hij weer naar huis toe. Al kreeg hij maar een plaatsje achter in de schuur, al was hij maar een dienstknecht en geen zoon meer, als hij maar thuis mocht komen. En, gemeente, uit genade mócht hij thuiskomen en stond zijn vader op de uitkijk om die verloren zoon weer te verwelkomen.

Maar hoe anders was het met de Thuiskomst van Christus! Moest Christus ook zeggen toen Hij naar Huis ging: ‘Ik ben het niet waard om Uw Zoon genaamd te worden’? Moest Hij het ook zeggen: ‘Maak Mij één van Uw huurlingen’? Nee, dat hoefde Christus níet te zeggen. Christus wist dat Hij welkom was, want Hij had de prijs betaald en geen zonde gekend of gedaan. Hij had récht op de hemel. Het was geen vraag voor Hem of de deur open zou gaan. Natuurlijk verwelkomde de Vader Hem. Dat was geen wonder, want Hij had alles volbracht en de volle prijs betaald voor Zijn Kerk. Daarom mocht de Heere Jezus binnengaan en hebben de engelen gejuicht. God vaart op met gejuich (Psalm 47:6).

 

Aan het kruis was Christus van Zijn Vader verlaten en heeft Hij geroepen: Eloï, Eloï, Lamma Sabachthani? Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Markus 15:34). Toen ervoer Hij zó’n afstand! Gods kinderen ervaren ook weleens afstand. Maar deze afstand, gemeente, was zo’n afgrond tussen Christus en Zijn Vader. Daar aan het kruis heeft de Vader Zijn liefde ingehouden. Daar moest Christus helemaal alleen zijn in de helse angsten, en moest Hij de helse smarten doorstaan. Maar Christus is daar doorheen gekomen, heeft alles geleden wat er te lijden is. En aan het einde, daar aan het kruis, kon Hij zeggen: Het is volbracht (Johannes 19:30). Zijn leven volbracht, de wet volbracht, het lijden volbracht, de dood volbracht: alles volbracht. En daar kon Hij Zich overgeven aan Zijn Vader: Vader, In Uw handen beveel Ik Mijn geest (Lukas 23:46).

 

De Heere Jezus Christus, Die de Vader nooit één ogenblik verdriet gedaan heeft, is gestorven. Die geen zonde gekend heeft – Die niet eens wist wat het wás uit eigen ervaring – is daar gestorven en het graf ingegaan. Hoe kon Hij in het graf gehouden worden? Hij móest uit de doden opstaan. Laat ik een eenvoudig Nederlands woord gebruiken – het is eigenlijk iets te zwak, maar later zal ik het versterken: oneerlijk.

Wat is er oneerlijk? Het zou oneerlijk geweest zijn, onrechtvaardig geweest zijn, als Christus niet opgestaan was uit de dood. Hij móest uit de dood opstaan, want Hij had de prijs betaald.

Datzelfde geldt nu ook voor de hemelvaart. Het zou oneerlijk geweest zijn als de Heere Jezus uit de hemel gehouden werd. Het zou onrechtvaardig geweest zijn als er voor Hem geen plaats was in de hemel. Want Hij had de wil van Zijn Vader gedaan. De Vader heeft van Hem kunnen zeggen: Dit is Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik Mijn welbehagen. En daarom, natuurlijk ging die deur open. Natuurlijk was de Heere Jezus welkom, want God is een rechtvaardig God. En omdat Hij een rechtvaardig God is, móest Hij uit de dood opstaan en móest Hij ten hemel varen.

Gemeente, het zou oneerlijk zijn en onrechtvaardig als Gods kinderen niet zalig werden. Het zou onrechtvaardig zijn als zij niet uit de dood zouden opstaan, geestelijk, maar ook lichamelijk. Het zou onrechtvaardig zijn als zij niet naar de hemel zouden gaan, want hun Voorloper is vóór hen ingegaan. En daar is dat anker der ziel, dat zeker en vast is.

 

Maar toch zijn er velen van Gods kinderen die dat anker niet zien liggen, die zo op en neer gaan in hun leven. Dat komt niet alleen door de golven van de gevolgen van de zonde, door de zonde zelf en door de twijfelmoedigheid; maar zij hebben zo weinig houvast aan het anker en zo weinig zicht op de Voorloper, Die vóór hen is ingegaan en voor Wie die deur moest opengaan. Hoe komt dat toch, dat voor velen van Gods kinderen hemelvaart zo weinig betekent? Mag ik u een paar dingen noemen?

In de eerste plaats, gemeente, de tijd waarin we leven is nou niet bepaald erg hemels gericht. Dat geldt niet alleen voor de wereld, dat geldt ook voor de Gereformeerde Gezindte en dat geldt ook voor onze Gereformeerde Gemeenten. We zijn zo aards gericht; het leven is zo aantrekkelijk en zo mooi. En er zijn zoveel dingen te koop en er zijn zoveel dingen die ons aantrekken. Om nou hemelsgezind te zijn…. Zouden tijden van vervolging en van armoede misschien iets veranderen?

Maar er zijn ook zo velen van Gods kinderen die weinig inzicht hebben in deze dingen, omdat ook zij de wereld zo gelijkvormig worden. Als de Geest bedroefd wordt, als de Heilige Geest Zich terugtrekt, als Gods kinderen door eigen schuld, door hun wereldsgezindheid, in het donker komen, dan komt daar de twijfel meer dan ooit. Dan komt er verwijdering, meer dan tevoren, en dan is er zo weinig houvast. Dan is er zo weinig te merken van het anker der ziel.

Ik heb onlangs les gegeven op één van de Reformatorische scholen. Ik heb gevraagd aan de jonge mensen: ‘Wat is het leven voor een vis?’ Ze zeiden: ‘Het water natuurlijk! Een vis kan niet zonder water leven.’ Ik heb ook gevraagd: ‘Wat is het leven van een vogel?’ Ze zeiden: ‘De lucht natuurlijk! Vliegen! Vrij zijn!’ Toen heb ik hen aangewezen: ‘En wat is jullie leven nou? Wat is jullie lust?’

Laten we het eens vragen aan de apostel Paulus. ‘Paulus, wat is uw leven?’ Weet u wat zijn antwoord was? ‘Mijn leven is Christus’. Dat was zijn leven. Als dat nou in meerdere of mindere mate het geval mag zijn – als Christus ons leven is – dan is er ook meer zicht op het feit dat Christus in de hemel is, aan de rechterhand des Vaders, dat Hij het anker der ziel is, de Voorloper, Die vóór ons is ingegaan. Want als Christus ons leven niet is, gemeente, dan kan er ook geen troost zijn, dan kan er geen zaligheid gesmaakt worden. Dan is alles zonder leven, ook voor Gods kinderen.

 

Wat is het kenmerk van een kleine in de genade? Dat is iemand die veel zucht onder het feit dat er zoveel golven en baren zijn, dat er zoveel zonde is. Die ziet uit naar een anker, maar kan het niet vinden. Dat is iemand die voelt dat hij geen recht op een plaats heeft in het Heilige der heiligen, voor wie de deur van de hemel gesloten is. Hij kan de sleutel niet vinden en kan niet naar binnen. Hij vraagt zich af of er ooit wel plaats is.

Maar als de Heere nu wat meer inzicht geeft in die dingen, als de Heere nu dichterbij trekt, dan wordt Christus meer en meer hun leven. Want zij liggen midden in de dood, en ze gaan het leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken. Dan wordt Christus hun dierbaar. Dan zien ze Hem weleens met geestelijke ogen. Dan hebben ze nog nooit zo iets bijzonders gezien: Blank en rood, de banier dragend boven tienduizend ... Dan trekt hun hart naar Hem; dan openbaart de Heere Jezus Zich in Zijn Woord en door de Heilige Geest. Bijvoorbeeld in Zijn hemelvaart. En dan staren ze – met de discipelen – Hem ook na. Als de Heere daar licht over geeft, dan is daar het anker van de ziel!

 

Dus hoe komt het dat er donkerheid is in het leven van Gods kinderen? Er is zo weinig inzicht in Wie de Heere Jezus Christus is. Onder andere, dat Hij is opgestaan en opgevaren en dat Hij zit ter rechterhand Gods. Daar zit Hij, maar daar staat Hij ook.

Jonge vrienden, een voorbeeld. Wanneer heeft een meester in de klas of een leraar op de middelbare school méér gezag: als hij achter zijn bureau zit of als hij voor de klas staat? Uiteraard, als hij staat! Een beginnende leerkracht kan maar beter niet teveel achter zijn bureau gaan zitten en zo proberen de klas te beheersen; die kan maar beter staan en zo alles in de gaten houden wat ze aan het doen zijn. Staande gaat dat beter dan zittend. Het staan heeft iets van autoriteit en laat zien: ‘Je kunt met mij niet spotten. Als je iets doet, ben ik zo bij je; ik sta klaar en heb jullie allemaal onder mijn hoede.’

Zo staat Christus aan de rechterhand des Vaders. Soms staat er, dat Hij zít aan de rechterhand van de Vader, omdat Hij gereed is met Zijn werk. Maar soms staat er ook: Die ter rechterhand Gods staat. Wat zou dat betekenen? Dat Hij kláár staat. Dat Hij de volledige beheersing heeft over Zijn Kerk. Mijn oog zal op U zijn Ik zal raad geven (Psalm 32:8).

Denkt u dat de Heere Jezus Zijn Kerk ooit uit het oog zal verliezen? Denkt u dat Hij niet weet hoe Zijn kinderen zich voelen? Denkt u dat Hij niet weet waar ze mee worstelen? Denkt u dat de Heere Jezus Christus iemand van Zijn uitverkoren Kerk uit het oog verliest? Denkt u dat Hij niet weet hoe ze zich gevoelen? Hij staat kláár! Het is maar één stap, Hij staat gereed. Hij staat klaar voor heel Zijn Kerk.

 

De Heere Jezus is niet alleen het anker der ziel, Hij is niet alleen de Voorloper Die vóór de Kerk is ingegaan, maar Hij staat ook ter ére aan de rechterhand des Vaders – met eer en heerlijkheid gekroond – en Hij heeft ook volledig overzicht over heel Zijn Kerk. Hij bestuurt en regeert Zijn Kerk. Ook is Hij is nog niet klaar met Zijn Kerk. Hij houdt de Zijnen vast met Zijn ogen en Zijn handen. Daarom, hoe moeilijk het voor Gods kinderen soms ook is en hoeveel smart er kan zijn en wat voor nacht er ook voor hen kan aanbreken: Zíjn oog zal op Zijn Kerk zijn.

 

Gemeente, jonge vrienden … Zou je nu kunnen samenvatten wat hemelvaart is? Het anker, de Voorloper, aan de rechterhand des Vaders, met eer en heerlijkheid. Maar ook: dat Hij gereed staat voor Zijn Kerk.

Vraag toch de Heere of die Zaligmaker uw en jouw Zaligmaker mag worden! Want zonder Hem ziet het er niet best uit. Zonder Hem staan we zonder God in de wereld, geen hoop hebbende. Zonder Hem is er geen toekomst. Zonder Hem zijn er alleen maar golven waarin we wegzinken en verlaten zijn van God. Zonder God in de wereld staan is eeuwig verloren zijn.

Denk eens aan iemand op een sterfbed. Er zijn er die mogen sterven in de volle zekerheid van het geloof. Hoe kan dat? Hoe kan iemand sterven, vrouw of man loslaten, kinderen loslaten en kleinkinderen nooit meer zien, alles achterlaten? Wel, gemeente, dat is alleen mogelijk, die enige troost is alleen mogelijk als we oog hebben gekregen voor het anker der ziel, de Voorloper Die ingegaan is. Hij staat aan de rechterhand van God en houdt het overzicht over Zijn Kerk – hij verliest de Zijnen nooit uit het oog.

 

Voor die tijd moeten wij dus voorbereid worden, want ik moet gaan sterven … Ík moet gaan sterven. En ú moet gaan sterven. Jonge vrienden, ouderen, wij moeten allemaal sterven en geopenbaard worden voor de rechterstoel van God, en dan … O, als Hij er dan is voor ons, de Heere Jezus Christus, wat zal het dan meevallen. Maar als we Hem moeten missen, wat zal het dan tegenvallen. En daarom: Zoekt den Heere terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan terwijl Hij nabij is (Jesaja 55:6).

 

De Heere Jezus in de hemel, aan de rechterhand des Vaders. Maar Die daar ook bidt; onze tweede gedachte. Laten we eerst zingen van de tweede Psalm, en daarvan het vierde vers:

 

En Ik, die Vorst, met zoveel macht bedeeld,

Zal Gods besluit aan ’t wereldrond doen horen.

Hij sprak tot Mij: ’k Heb heden U geteeld;

Gij zijt Mijn Zoon, Gij zijt Mijn Eengeboren’;

Zeg vrij Uw eis; Ik zal Uw macht verhogen,

Opdat Uw Naam alom ontzaglijk zij;

Het heidendom ligg’ voor Uw stoel gebogen,

En ’t eind der aard’ erkenn’  Uw heerschappij.            

 

2. Die daar ook bidt

 

Gemeente, in onze tweede gedachte gaat het over Christus, Die aan de rechterhand Gods ook bídt. Het gaat nu dus met name over het bidden van Christus.

Maar laat ik met een vraag beginnen: Weet u wat bidden is? Hebt u weleens gebeden? U zult zeggen: ‘Natuurlijk, dominee, we bidden allemaal. We bidden ’s morgens en ’s avonds, en voor het eten en na het eten; we bidden zo vaak.’ Laat ik toch nog een keer vragen: Hebt u weleens gebeden? De discipelen zeiden: Heere, leer ons bidden (Lukas 11:1).

Want je kunt je handen wel vouwen en je ogen wel dichtdoen en je kunt je uiterste best doen om te bidden en je aandacht erbij houden en heel ernstig bidden. Je kunt mooie woorden zeggen, zodat andere mensen misschien wel onder de indruk zijn, omdat je zo geweldig mooi bidt … Misschien zeggen mensen: ‘Je hebt gebedsgaven.’ Maar heb je weleens gebeden door de Geest der genade en der gebeden, Die spreekt met onuitsprekelijke zuchtingen? Want, gemeente, bidden is niet iets wat je leert, bidden is niet iets wat je zelf kunt, echt niet. We móéten bidden! En ik zou zeggen: Ga ermee door! Maar hebt u ook léren bidden? Want alleen dát is echt bidden: met een verbroken hart en een verslagen geest. Dan ervaar je dat je niets te vertellen en alles verbeurd hebt. De Heere móet niets en je staat overal buiten door je eigen schuld. Dan ben je arm en ellendig, ja, goddeloos.

 

En toch, als er het ware bidden is, dan is er een behoefte aan en een verlangen naar de levende God, om met Hem verzoend te worden. Dan heeft de Heere iets geopenbaard hoe heerlijk en goed Hij is; hoe genadig Hij is; hoe heilig en rechtvaardig Hij is. Dan is er een verlangen geboren naar de levende God: Wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht (Psalm 42:3, 4).

Ja, in dat ware gebed is er niet alleen ootmoed en verlangen, maar ook geloof, gewerkt door de Heilige Geest. Dan is er verwachting van de Heere. Mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn woord (…); meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen (Psalm 130:5, 6). Dan is er soms ook wat rust in dat het bij de Heere te verkrijgen is. Als ik maar de zoom van Zijn kleed zal aanraken, zál ik gezond worden. Het is bij de Heere te vinden.

Gemeente, dat bidden is een bidden, gewerkt door de Heilige Geest, dat voortvloeit uit de verdiensten van Christus. Dat komt omdat er Eén is aan de rechterhand des Vaders, Die bidt. En de Heere Jezus bidt nog steeds. Hij heeft gebeden op aarde, maar nu bidt Hij aan de rechterhand des Vaders. Hij bidt daar als een Rechthebbende. Hier op aarde mogen wij alleen maar smeken en bedelen of het de Heere mocht behagen om mij, arme, verloren zondaar, genadig te zijn. Maar de Heere Jezus is aan de rechterhand des Vaders echt geen bedelaar. Het is echt niet zo dat Hij daar als een bedelaar de hand ophoudt en smeekt of de Vader uit genade, alstublieft, naar Hem zou willen luisteren. Zo is het echt niet!

 

De Heere Jezus bidt, Hij éist: ‘Ik wil… – o, eerbiedig natuurlijk, heilig eerbiedig – Ik wil, dat díe bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt (Johannes 17: 24).

Hij heeft de prijs betaald. Het is eerlijk en rechtvaardig als Hij de Kerk ontvangt. Als de Vader naar Hem hoort, is dat verdiend. Hij heeft zóveel verdiend met het geven van Zijn bloed en met het sterven aan het kruis en met de helse angsten die Hij doorstaan heeft. Hij heeft zóveel verdiend dat de Heere Jezus kan eisen, en dat doet Hij dan ook! Daar bidt Hij, en vanwege Zijn gebed gaan er op aarde ook mensen bidden. Ik bid voor hen (Johannes 17:19). Hij bad voor Petrus dat zijn geloof niet zou ophouden. En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen die door hun woord in Mij geloven zullen (Johannes 17:20).

Vanwege Zijn gebed gebeurt er nog steeds wat hier op aarde. Mensen beginnen echt te bidden met een verbroken hart en een verslagen geest. Met een heilig verlangen, met een geloof dat God Zelf gewerkt heeft. Dat gebeurt nog steeds, omdat Hij bidt.

Misschien denkt u aan uw kinderen, aan uw kleinkinderen, aan de gemeente, aan uzelf; en dan denkt u bij uzelf: Wie kan er nou bidden? Ach, als het van ons gebed zou afhangen, van vaders en van grootvaders, van moeders en van onszelf, dan zou het gewoon verloren zijn. Dan zou er nooit iemand zalig kunnen worden.

 

De Heere is een Hoorder van het gebed. Maar we kúnnen niet eens bidden. De Heere Jezus, Híj kon het en Hij bidt nog steeds aan de rechterhand des Vaders. Is het moeilijk om te bidden? Misschien zegt u: ‘Ik heb er soms niet eens zin in. Ik ben soms zo verdrietig en zo moedeloos en zo boos en zo wars, zo werelds en zo onverschillig. Dan heb ik soms niet eens zin om te bidden.’ Wat moesten we ons schamen. Maar ik denk dat er niemand van ons is, die deze gestalte niet kent: geen zin om te bidden. Ook Gods kinderen hebben soms geen zin om te bidden, geen behoefte in hun hart. Dan kunnen ze er geen gebed uitgeperst krijgen. Dan is het zo doods, zo koud, zo vijandig en zo goddeloos …

Maar de Heere Jezus bidt aan de rechterhand des Vaders altijd door; en dat is het mooiste, het heerlijkste, het volmaaktste gebed dat er is. Vanwege dat bidden worden er nog mensen zalig. Vanwege dat bidden komen er nog nieuwelingen bij. Vanwege dat bidden zijn er nog ouden van dagen bij wie het hart gaat breken. U zegt misschien: ‘Dat komt bij ouden van dagen nauwelijks voor!’ Ik vraag u echter: Hoe oud was Abraham, toen hij geroepen werd? O, het gebeurt nog steeds dat er ouden van dagen zijn, bij wie het hart gaat breken. Niet omdat zij zo goed bidden, maar omdat er Iemand is Die bidt. Die voor overtreders gebeden heeft.

Het is niet zo dat wij met onze gebeden God kunnen bewegen. Het is andersom. Door Gods genade beweegt Hij mensen tot het geloof en gaan er mensen hier op aarde tot God bidden. Omdat God de Eerste was.

 

Die aan de rechterhand Gods zit, Die ook voor ons bidt (Romeinen 8: 34). We hebben nog niet veel gezegd over het verband van de tekst, maar u moet dat thuis nog maar eens nalezen. Het is een zegelied. De apostel Paulus zegt: ‘Niets en niemand zal ooit mij en de Kerk kunnen scheiden van de liefde van de Heere Jezus Christus.’

‘Waarom niet, Paulus?’ Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zo God voor ons is, wie zal er tegen ons zijn? (Romeinen 8:31) Het gaat goed met de Kerk!

Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven; hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? (Romeinen 8:32) God de Vader heeft alle dingen geschonken aan Christus. Na Zijn hemelvaart heeft de Heere Jezus eer en heerlijkheid ontvangen. Hij zal ook aan de Kérk alle dingen schenken. Met Hem alle dingen schenken.

 

Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt (Romeinen 8:33,34).

De apostel Paulus zegt: ‘Het gaat goed met de Kerk! Er komen er alleen maar bij, en er vallen er nooit af. Hebt u daarover weleens nagedacht? Er is geen afval der heiligen. Zo bouwt de Heere de Kerk.

O, soms zijn er zorgen over de gemeenten: ‘Die is van de kerk af, en die is het spoor bijster geraakt …’ Dat zijn erge dingen. Als we maar niet vergeten: er komen er in geestelijk opzicht alleen maar bij.

Aan de rechterhand des Vaders is er immers Eén Die daar bidt: de opgestane Heere Jezus Christus. Zijn gebed verslapt nooit. Zijn gebed is een gebed dat de Vader zeer aangenaam is. Daarom hoop ik, gemeente, dat u uw eigen gebeden hebt leren afkeuren.

 

Zijn er onder ons die redelijk goed kunnen bidden? Bij wie het weleens een beetje gaat? Ik hoop dat u hebt geleerd dat het allemaal niets waard is. Wel móeten bidden – doorgaan, hoor! – maar voelen dat de Heere óm dat gebed niets kan doen. Als het zo in uw leven ligt, blijf dan toch maar tot de Heere zuchten en tegen Hem zeggen: ‘Heere, ik kan niet eens bidden! Ik kan niet eens zuchten! Ik kan me geen stap dichterbij brengen!’ Vanuit uzelf wordt u dan geen goede bidder, geen vroom mens, maar een goddeloze. Maar dan leert u alles van de Heere verwachten.

 

O, er zullen er hier toch ook zijn voor wie het geldt wat wáár was voor de apostel Paulus: die had zoveel gebeden in zijn leven. Die had zo zijn best gedaan voor God met goede werken en ook met bidden. Die man werd stil gezet, en de Heere zei: ‘Wat vervolgt gij Mij?’ (Handelingen 9: 4). Daar had hij helemaal geen erg in gehad, dat Hij God, Christus, vervolgde.

En toen begon hij te bidden. En er staat zo eenvoudig: Zie, hij bidt (Handelingen 9:11). Had hij dat nooit eerder gedaan dan? Jawel … maar toch niet! Hij had goed zijn best gedaan. Maar hij had nooit gebeden. Gemeente, er zullen er hier toch ook zijn voor wie dat geldt: Zie, zij bidt; zie, hij bidt. Ja, de Heere  geeft dat zich onwaardig gevoelen, dat piepen als een zwaluw, dat kirren als een duif, en dat zeggen: O,  Heere, ik word onderdrukt; wees Gij mijn Borg (Jesaja 38:14). O, dat is een gebed waar u zelf niets voor rekent, en toch kunt u soms niet ontkennen dat de Heere dat gebed geeft. Dan voelt u dat het gebed hoger gaat dan het plafond en dat de Heere een Hoorder van het gebed is, Die er geloof bij geeft.

Misschien hebt u het weleens ervaren dat u mocht méézeggen met de apostel Paulus: Die aan de rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wie is het die verdoemt?

 

Gemeente, aan de rechterhand des Vaders is een Voorspraak. In de Engelse vertaling staat iets anders. Het is eigenlijk hetzelfde, maar er staat: ‘Advocaat’. Er staat een Advocaat aan de rechterhand des Vaders. Een Pleitbezorger. Hij rust niet voordat de laatste is ingebracht. Hij gaat door met Zijn werk.

Daarom, zoekt Hem Wie te kennen het eeuwige leven is. Dat ons leven Christus mocht zijn. Alleen dan kan het sterven gewin worden.

Amen.

 

Slotzang: Psalm 2 vers 6.

 

Vreest ’s Heeren macht en dient Zijn Majesteit;

Juicht, bevend op ’t gezicht van Zijn vermogen,

En kust den Zoon, van ouds u toegezeid,

Eer u Zijn toorn verdelg’ voor aller ogen;

U op uw’ weg tot stof doe wederkeren,

Wanneer Zijn wraak, getergd door uw gedrag,

U, onverhoeds, zou door haar gloed verteren,

  Tot staving van Zijn langgehoond gezag.