Ds. C.J. Meeuse - Jesaja 45 : 22

Gods roepstem tot hen, die ver van Hem zijn

Jesaja 45
Wie geroepen worden
Tot Wie geroepen wordt
Waartoe ze geroepen worden

Jesaja 45 : 22

Jesaja 45
22
Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 89: 19
Lezen : Jesaja 45
Zingen : Psalm 65: 4 en 5
Zingen : Psalm 34: 3 en 4
Zingen : Psalm 98: 2

Gemeente, er zijn er velen, wellicht ook onder ons, die denken dat het een moeilijke en lange weg, ja een bijna onmogelijke weg is om bekeerd te worden, tot God te komen en genade te krijgen. Daardoor denkt een mens daar toch meer aan en is daarmee bezet. Hij hoort van het geluk van Gods volk en van de heerlijke toekomst die hun wacht bij de Heere en van de geestelijke rijkdom en de ware blijdschap. Als daar indrukken van zijn, lijkt het wel steeds verder weg te zijn. Hoe krijg ik daar ooit deel aan? Ik ben Gods kind niet en hoe kan ik het ooit worden?

Gemeente, de oorzaak van dit denken is eigenlijk dat we altijd denken in de weg van het werkverbond. Dan is het inderdaad onmogelijk. We denken altijd in de weg van doen. Als wij wat moeten doen en het zo naar ons toe willen halen en we kunnen het niet, is het dus onmogelijk. Dan zitten we gevangen in de gedachten van een verbroken werkverbond. Dat zal ons inderdaad nooit zalig maken.

 

Toch is zalig worden in wezen een eenvoudige zaak. Maar… het is Gods werk, krachtig, onweerstaanbaar. O, God werkt het zelfs in een ogenblik. Kinderen des Heeren, weet u nog van die roepstem die kracht deed? Doden zullen horen. Wie kan het begrijpen?

Maar dat is niet door ons, dat is door Hem. Hij kan er kracht in leggen. We zongen het zojuist in Psalm 65: ‘Gij zijt omgord met macht’. De Heere is de Machtige. En Hij kan door een krachtdadige roeping, door Zijn Woord, zondaren trekken.

 

Mocht het vanmorgen zo zijn, als we zijn Woord gaan beluisteren zoals u het vindt in Jesaja 45 vers 22, uit het u voorgelezen hoofdstuk in de Schrift, het 22e vers. Wij lezen daar het Woord des Heeren en de woorden van onze tekst:

 

Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God, en niemand meer!

 

Het thema van de preek is: Gods roepstem tot hen die ver van Hem zijn.

We gaan eerst zien wie er geroepen worden: alle gij einden der aarde. Dat is ver weg.

Vervolgens zien we tot wie geroepen wordt. Tot God: wendt u naar Mij toe. Ik ben God en niemand meer.

En ten slotte zien we waartoe ze geroepen worden: Wendt u naar Mij toe.

Drie zaken dus, bij deze roepstem van God tot hen die ver van Hem zijn:

  1. wie geroepen worden;
  2. tot Wie geroepen wordt;
  3. waartoe ze geroepen worden.

 

Wat het verband betreft, gemeente, Jesaja 45 is een hoofdstuk dat ons spreekt over verlossing door God. Hij gebruikt daarvoor koning Kores, de Perzische vorst. Die is een instrument in Zijn hand. Zo begint het hoofdstuk al: Alzo zegt de HEERE tot Zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik vat.

Ja, deze heidense vorst hoort eigenlijk bij de einden der aarde; zo kun je het wel zeggen. Maar God kan hem wel gebruiken als een instrument in Zijn handen. Het gaat om het heil voor Zijn uitverkorenen. Die zullen het krijgen. Maar Kores moet het middel zijn, een instrument om het uitverkoren volk terug te brengen bij het altaar, terug te brengen uit de ballingschap bij een herbouwde tempel. Daarover gaat het ten diepste. Dat is de achtergrond van deze geschiedenis, gemeente. Joden mogen uit de handen van de heidenen ontkomen en verlossing ervaren. Er is een overblijfsel naar de verkiezing van Gods genade. God heeft hen op het oog en Hij zal hen met Zijn kracht toebrengen. Het lijkt onmogelijk te zijn om de ruïnes van stad en tempel te gaan herbouwen, maar God zorgt voor Zijn kerk. Dat is heel indrukwekkend.

 

U zit misschien ook wel eens te kijken naar de ruïnes van het christendom. Ik hoop maar dat u er oog voor hebt en er een diep gevoel van hebt. Zo vergaat het mij in ieder geval wel. Je reist wat in de vakantietijd, en dan kom je bijvoorbeeld ook in het noorden van het land, in Friesland, Groningen of Drenthe. Je vraagt je af: waar is het christendom hier? Hier en daar nog een oude kerk. ‘Ja, dat is een monument geworden, meneer; dat is een museum,’ zeggen ze dan. Ja, maar de boodschap? Waar is het christendom hier gebleven? Wat is er uit gegroeid? Wat is de kerk toch een puinhoop. Als we dit zien, moet er altijd verdriet bij ons zijn. En ook moedeloosheid?

Nou, dat hoeft niet. Ja, als je op jezelf ziet, als je op mensen ziet… maar God kan juist dáár werken waar het een puinhoop is geworden. Misschien wel in uw gezin, in uw huwelijk, of bij uw kinderen. Is het een puinhoop? O, God kan herstellen door Zijn kracht, Zijn genadewerk. Ja, dat lees ik toch wel steeds in Gods Woord en dit hoofdstuk spreekt er helemaal van. Van dat grote wonder van Gods zorg om Zijn uitverkorenen te herstellen, bij elkaar te brengen, Zijn kerk te bouwen.

 

1. Wie geroepen worden

 

Maar laten we onze tekst ordelijk overdenken en nu eerst zien wie geroepen worden.

De Joden mogen terugkeren uit de ballingschap. Ze zullen uit de handen van de heidenen ontkomen. Ze mogen terug naar hun land en naar Jeruzalem. Maar dan moeten ze wel vertrekken uit Babel. Ze mogen toch niet achterblijven. Want dat is niet best. Ze zouden zich daar vermengen met afgodendienaren. Lees vers 16:  Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; tezamen zullen zij met schande heengaan die de afgoden maken.

O, dat zijn de heidenen, maar ook de Joden die met hen meedoen. Wij noemen dat in onze tijd secularisatie. Dan doen we mee met alles uit de wereld, dan zijn we wereldgelijkvormig geworden. Sport en spel en vermaak en allerlei dingen die de wereld doet, doen wij ook. We willen meedoen, we willen er bij horen. Waarbij? Bij de wereld. Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, staat er dan van hen die dit doen. Toen en nu. Zij die achterbleven, omdat het geld hen meer waard was dan de tere Godsvreze, ja die waren er toen ook. Hun wacht geen geluk, geen heil.

In onze tekst worden de joden allereerst geroepen. Wendt u naar Mij toe en wordt behouden. Maar het gaat wel verder, want er staat: Alle gij einden der aarde.

 

Ook heidenen worden ook geroepen. Zeker wel. Daar hebben we ook ons zendingswerk voor. Het Woord moet de wereld door, ja tot aan de einden der aarde. Dat is Gods wil. Hier, Kores, daar begint het al mee. Een heidense Perzische vorst. Maar ja, kijk in vers 14. Alzo zegt de HEERE: De arbeid der Egyptenaars en de koophandel der Moren en der Sabeeërs, der mannen van grote lengte. Daar heb je ze: Egyptenaren, Moren, Sabeeërs, ja die worden ook geroepen. Ze zullen in u zijn. Ze zullen u navolgen. Straks gaan ze ook nog zeggen: Gewisselijk, God is in u. En daar is anders geen God meer. Ook heidenen worden dus geroepen. Het moet ons vreugde doen dat God dat wil en dat Hij belooft dat daar zegen op zal rusten. Het is al vaak gezegd: zendingswerk is niet enkel een hobby van enkelingen, maar een roeping van Gods kerk. God zal het zegenen.

 

De kanttekeningen zeggen: ‘Ze zullen overwonnen worden door de kracht van de hemelse waarheid.’ Dat zijn altijd woorden die je hoort, maar ik hoop dat het voor u zaken zijn en dat u weet wat dat is: overwonnen te worden, door de krachten van de hemelse waarheid. Dat is wat anders dan allerlei beschouwelijk wetenschappelijk denken, waar je door geschud en geslingerd kunt worden. Overwonnen te worden. Het woord krijgt heerschappij door de kracht die de Heilige Geest erin legt. Het is een hemelse waarheid. Wat staat er dan veel in die paar woorden, ook van onze kanttekenaren. ‘Ze zullen overwonnen worden door de kracht van de hemelse waarheid en van de Heilige Geest in hun consciënties overtuigd zijnde’, zeggen die kanttekenaren.

 

Zie hoe de Heilige Geest kan overtuigen. En als je overtuigd wordt, ben je overtuigd. Dat houd je niet tegen. Dan leer je dingen, ook al wilde je ze niet weten. Dan zúl je ze weten. Want je wordt overtuigd, je ondergaat het. O, zo werkt de Heilige Geest. Zo werkt Hij ook geloof. Dat is een werk van God, in de weg van overtuiging en overbuiging, die je niet tegen kunt houden. Wat een wonder dan!

Verzamelt u en komt, treedt hier toe tezamen, gijlieden die van de heidenen ontkomen zijt. Zij weten niets, die hun houten gesneden beelden dragen, en een god aanbidden die niet verlossen kan (Jes. 45:20). Je wordt met de wereld niet gelukkig. En de afgoderij van de wereld dan? Dan weet je eigenlijk nog niets. Dan ken je God niet. Het moet hun verkondigd worden. Verkondigt, zo staat in vers 21, en treedt hier toe. De boodschap moet uit gaan, met gezag, bij God vandaan.

Ik wil eerst een toepassing maken, gemeente, bij onze eerste gedachte. Want we moeten nu niet met onze gedachten in de tijd van Kores en van het volk in de ballingschap blijven steken, maar het gaat ook echt wel over ons en over onze tijd. Waar moet ik een eerste toepassing maken? Ik denk bij Gods verstrooide kinderen. Met ‘verstrooid’ bedoel ik natuurlijk: afgedwaald. Waarvan? Van hun Herder, van de Heere.

 

Kinderen des Heeren, hoe lang is het geleden dat je aan Zijn voeten lag? Dat je tot Hem op mocht zien? Dat je Zijn zoete vertroostingen mocht ervaren? Dat de woorden uit Zijn mond je zoeter waren dan honing, ja, honingzeem? Hoe lang is het geleden? Waar ben je heen gezworven? Waartoe ben je zo afgedwaald? Wat heb je op het oog? Jaag je andere dingen na dan Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid? O, heb je een beter goed gevonden dan wat Christus verworven heeft en wat Hij verdiend heeft? Beter goed is er niet. Zoek je eer in de wereld? Zoek je grootsheid van dit leven? O, wat ben je afgedwaald. Ga je op in ijdel vermaak? Laat je je meezuigen door anderen? Dit is een roepstem voor je, kinderen des Heeren. Hier: Wendt u naar Mij toe. Het is een roepstem voor je. Bij Mij van den Libanon af, o bruid, kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amána, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden. (Hooglied 4: 8). Bij Mij, van de Libanon af, zo roept de Liefste. Dat is de eerste toepassing.

 

Een tweede, onbekeerden: u bent nog veel verder weg dan afgedwaalde kinderen Gods. U bent niet alleen afgedwaald, u bent nog nooit terechtgebracht. U kent die plek aan Zijn voeten niet. Wellicht beseft u niet eens hoe ver weg u bent. Hoe ver weg van God. Misschien troost je jezelf met de inbeeldingen: o dat valt wel mee. Ja, wat vormengodsdienst, maar dat is het dan ook. Denkt u dat het wel meevalt straks? We zijn begonnen met afdwalen in het Paradijs, toen we God verlaten hebben om niet meer naar Hem terug te keren. En overzie nu toch je weg eens. Zie je de heerschappij van de zonde in je? Ja, we spreken over schuld en over smet, over de erfzonde. O, die verdorven natuur! Je doet eigenlijk niet anders dan wegvluchten van God. Je vlucht niet naar Hem toe, maar je leeft van Hem weg. Nu, je wordt hier bijzonder geroepen. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. Ben je ver weg, heel ver weg, dan word je toch geroepen.

Onbekeerden, ga je door ondanks die welmenende roepstemmen? Verhard je je? Wat zal je dat een keer opbreken. Onbekeerden worden geroepen.

 

Moet ik het nog verder uitbreiden? Dan denk ik aan buitenstaanders, aan heidenen. Ik weet niet of ze hier in de kerk zijn. Mensen die het lidmaatschap verachten. O ja? Ja, dan heb je geen verplichtingen. Het is een slechte zaak als je zo leeft, hoor! Of sommigen zijn misschien toevallig hier, naar de mens gesproken dan, want God bestuurde het. Buitenstaander, u zegt: ‘Nou, ik hoor er helemaal niet bij, hoor! Dacht u dat? Als het over de roepstem gaat, hebt u het mis. Dan hoort u er wel bij. Weet u waarom? Omdat die ook naar u of naar jou komt, die niet bij de gemeente hoort en die ver van de waarheid leeft. Einden der aarde, dat is toch een uitdrukking!  Het stond ook in de Psalm die we lazen: Die de einden dezer aard’ bewonen. De einden der aarde. Maar dan word je dus echt wel geroepen.

 

De verst verwijderden worden geroepen. Al ben je de grootste zondaar, al heb je het langst gezondigd, al ben je het meest verhard… Je wordt toch geroepen. Einden der aarde. Er is hier niemand in de kerk die niet geroepen wordt. Echt waar, je wordt allemaal geroepen. Door de Heere Zelf. Want het is Zijn Woord. Hij spreekt. O, u moet wellicht zeggen: ‘Ik ben al heel vaak geroepen. Al heel veel keren.’ O ja? En wat heeft het u gedaan?

Er zijn wel mensen die genoeg hebben aan de roeping. Die willen dat wel vaak horen. Een ruim Evangelie en een hartelijke roeping, een welmenend aanbod van genade. Er zijn er die zeggen: ‘Nou, dat hoor ik wel heel graag.’ Maar ze doen er niets mee. Ze doen het met de beschouwing, alsof je er over kunt beschikken op jouw eigen tijd. Nu, u vergist zich. U kunt zo’n roepstem niet straffeloos, zomaar naast u neerleggen. Doet u dat, dan verhardt u zich, tegen alle roepstemmen in. O, het is noodzakelijk dat er een uitwerking komt van de roeping. Wij zeggen dan dat ze inwendig wordt. Dat ze krachtdadig wordt. Moet ik het anders zeggen? Dan zeg ik dat er bekering komt. Dat is onmisbaar. Vraag u het zich eens af: wat heeft de roeping in mijn leven uitgewerkt?

 

2. Tot Wie geroepen wordt

 

Onze tweede gedachte is: tot wie er geroepen wordt.

In onze tekst staat: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, Ik ben God en niemand meer.

Naar Mij toe, dat is niet onduidelijk, hè?

 

De Heere is aan het Woord, de Verbondsgod. Hij zegt: Ik ben God, en niemand meer. O, het gaat met de roeping van het Evangelie altijd om een komen tot de Heere en tot Zijn goedheid. Ik denk dan aan Hosea 3 vers 5, waar staat dat ze bevende zullen komen tot de Heere en tot Zijn goedheid in het laatste der dagen. Tot de Heere en Zijn goedheid komen, daar moet het om gaan. Het gaat niet om mensenzaken. Het gaat niet om de boodschapper. Al is het Johannes de Doper, al zijn het apostelen, al zijn het Gods knechten, de eeuwen door, tot vandaag de dag toe.

Zij roepen je niet om tot hen te komen. Ze moeten de mensen niet aan zichzelf verbinden. Het zou een slechte zaak zijn, als een bruidswerver met de bruid wil trouwen. Een gruwelijke vorm van overspel, kun je wel zeggen. De bruidswervers, de predikers, begeren niets anders dan de bruid bij Christus te zien. Ze roepen in Zijn naam. Maar het is Gods roepstem, en de ziel moet vluchten tot de Heere. Daarom neemt de Heere Zijn knechten weleens weg, omdat mensen teveel op hen bouwen en zich teveel aan hen verbonden voelen. Ze vergeten dat ze tot de Heere moeten vluchten. Maar daar gaat het juist om. Wendt u naar Mij, dat is de Heere, wendt u naar Mij toe, wordt behouden. Predikers zijn slechts instrumenten. Van hen mag je zeggen: een ander is het die zaait en een ander die maait. Laat dat maar aan de Heere over. Maar het gaat om een komen tot de Heere.

 

Wendt u naar Mij toe. Nu moet ik eigenlijk iets uitleggen, wat ik toch niet echt uitleggen kan, niet duidelijk maken kan. Wat is dat dan? Als God je naar Zich toeroept, die grote God, die Heilige God, Die een verterend vuur is en een eeuwige gloed voor de zonde. Naar Hem toe, wat zie je in God? Misschien ziet u weinig in Hem. Kijk, dat is het! Dan snap je het al helemaal al niet. Misschien hebt u geen enkele liefde voor God. Weinig gedachten aan Hem. Eigenlijk geen kennis van Hem. Naar Hem toe, naar God toe, u weet eigenlijk niet eens waar het over gaat. God roept tot Zijn gemeenschap. Maar ja, dat is misschien voor u ook maar een uitdrukking. Dan zeg je: ‘Wat bedoelt u daarmee?’ Ik bedoel eigenlijk dat we uit Gods gemeenschap gevallen zijn in het Paradijs, waar de mens heel dicht bij God leefde. Adam en Eva leefden vóór de zondeval in onmiddellijke gemeenschap met God. Ze beleefden Zijn liefde. U weet wat het is om gekoesterd te worden door de zon, maar het is veel meer als je gekoesterd wordt door de liefde van God. Het is beeldspraak die ik gebruik, maar wel een Bijbelse. De mens baadde in Gods liefde, ervoer Zijn nabijheid met grote, diepe vreugde en beantwoordde aan Zijn roeping. Hij kon dat ook: God dienen. Ach, kinderen des Heeren, u krijgt er enige indrukken van als u deze dingen hoort, want het is uw verlangen geworden.

 

God dienen in heiligheid, in gerechtigheid, al de dagen uws levens. Zegt Zacharias het niet in zijn lofzang? Dat kon in het Paradijs. Daar beantwoordde de mens aan zijn roeping en leefde hij in Gods nabijheid en gunst en liefde. Daar was, ja dat mag je zo noemen: zaligheid. Volkomen geluk. Dat was er in het Paradijs, en daar zijn we uitgevallen. We zijn ballingen geworden. Zwervers op deze wereld. Weglopers van God. Zonder God in de wereld.

Hebben we daar indrukken van? Indrukken van wat het is om zonder God in de wereld te zijn? En is er dan een weg terug? God is een verterend vuur en een eeuwige gloed voor de zondaar, een doodschuldige!

Christus, Christus roept. De Zaligmaker roept. God roept door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon. Hij roept zondaren tot Zich, om bij Hem vergeving, om bij Hem verzoening en vernieuwing te vinden. Dat alles is bij Hem te vinden. O, geroepen uit een leven zonder God, tot Hem Die van God is uitgegaan.  Die de zondaren vriendelijk tot Zich nodigt: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Mat. 11:28).

 

Ja, dit zijn wel woorden die weerklank vinden in een levend gemaakte ziel. Die krijgt ook zo’n gevoel dat je zo moeilijk kunt benoemen en toch zo wezenlijk is. Dat verlangen naar God. Dat dorsten naar God. Naar de levende God. Wie kan nu zonder God leven? Dat is de dood. Weet u niet hoe u Hem moet vinden? Voelt u zich veraf? Dan voelt u zich ook veraf van God. O, die zoekt God, die zoekt bij dat Woord toevlucht, bij wat in de Bijbel staat: de naam van Christus. Mag je dan vluchten tot Hem? Vluchten tot God?

God roept tot Zijn gemeenschap. Hij roept tot herstel. Hier in dit hoofdstuk geeft Hij Zijn volk een belofte van wederkeer, naar het altaar – ja ik noem het toch maar zo – naar de tempel, naar Zijn tegenwoordigheid, die ze in ballingschap zo niet konden ervaren. Maar in Jeruzalem had God Zijn tempel gehad. Daar stond Zijn altaar. Daar wilde Hij Zijn gunst betonen. Nu wil Hij de Eerste zijn in Zijn opzoekende liefde, in Zijn roepstemmen.

 

Dar begon het toch mee, in het Paradijs. Onbekeerden, ik zeg ik het tegen u nog een keer in het bijzonder. Daar begon het toch mee in het Paradijs. Toen God Adam en Eva riep, die bevend van Hem wegvluchtten: Waar zijt gij? Zo klonk Zijn stem in de hof. Het begon met Zijn roepstem en God heeft hun ogen geopend voor hun wegvluchten. Hij heeft hen stilgezet en omgekeerd. Dat noem je bekering.

 

Dat is in het Paradijs al begonnen. En zo doet God nog. God roept. Opzoekende liefde. Ik kan zeggen: begrijpt u dit wonder? Dat kunt u niet begrijpen. Zoekt God zulke weglopers, zulke zondaren? Roept Hij die tot bekering? Wil Hij de eerste zijn? Dat was Hij eigenlijk al in het sacrament van de doop. Een zichtbare roepstem. Hij roept zondaren tot bekering. En nu geldt dat hier allereerst Israël, dat volk in ballingschap. Dat heb ik zojuist al gezegd. Om Jakobs, mijn knechts wil en Israëls, mijns uitverkorenen, ja, Ik riep u bij uw naam en toenaam, hoewel gij Mij niet kendet, staat er in vers 4.

 

Dat geldt van Gods kinderen ook. In hun natuurstaat kenden ze God ook niet. Hij was de Eerste. Maar Hij komt terug op Zijn werk. Dat doet Hij steeds weer. Dat wonder wordt voor een kind des Heeren steeds groter: dat God het nog niet moe wordt, om je weer te zoeken, om je weer te roepen. Ja, afgedwaald schaap, ben je de Herder weer kwijt? Zoek je Hem nooit meer op? Hij zoekt jou op. Hij zoekt de Zijnen wel weer op. O, Ik riep u bij uw naam. Wat een wonder toch, als de Heere zo roept. Maar Israël wordt verlost door de Heere, met een eeuwige verlossing, lees ik in vers 17. Gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden, tot in alle eeuwigheden (Jesaja 45: 17b).

 

Kinderen des Heeren, dit kunt u niet begrijpen, daar is het wonder veel te groot voor. Israël wordt verlost door de Heere God, in Christus, de Verlosser, met een eeuwige verlossing. Dat is geen vergankelijk goed. Heel veel dingen waar je misschien vreugde in schept, zijn vergankelijk. Misschien heb je er wel je afgoden van gemaakt, ben je er door in het donker terecht gekomen. Maar er is een onvergankelijk goed, met een eeuwige verlossing. Gijlieden zult niet beschaamd en niet te schande worden. Wat een belofte toch! Tot in alle eeuwigheden. Zo zorgt God voor Zijn kinderen. Dat zal Hij doen. Hij zegt het Zelf. Dat geldt dus Zijn volk Israël, Zijn uitverkorenen, mag je zeggen in de toepassing.

 

Maar in de Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen,  het ganse zaad Israëls (vs. 25). Het hoofdstuk eindigt er mee. Als we kijken naar het oudtestamentische Israël, zeggen we: Wat hadden ze een zonden over zich gebracht. Wat was die ballingschap verdiend. Maar God wil herstellen. Het gaat van Hem uit. Daar heeft Hij lust in. Ik mag het noemen: welbehagen. Dat is Zijn welbehagen. Daartoe verheerlijkt Hij Zijn deugden, dat Hij Zijn werk onderhoudt. Hij wil Zijn volk bij zich hebben. Wendt u naar Mij toe. Hij wil henzelf bij Zich hebben. En kinderen des Heeren, u ervaart dat soms heel bijzonder bij het Heilig Avondmaal. Dan is er niet alleen een verlangen in je hart gelegd naar de tegenwoordigheid van Christus, maar mag je soms voelen, dat er een verlangen in Zijn hart is, naar de komst van Zijn bruid aan Zijn voeten. Hij verlangt het ook. Een verlangen bij God! U kunt het niet begrijpen, ook dat niet. Het zijn allemaal wonderen. Welbehagen. Hij zoekt Zijn volk bij Zich en Hij formeert Zich Zijn volk. Ze zullen dan ook Zijn lof vertellen.

 

Hij roept Zijn volk. Maar Hij roept ook heidenen, die Hem niet kennen. En inderdaad, dan merken we dat al aan Kores. In vers 3 staat: En ik zal u geven de schatten die in de duisternissen zijn en de verborgen rijkdommen; opdat gij moogt weten dat Ik de HEERE ben, Die u bij uw naam roept, de God Israëls.

Ook heidenen, buitenstaanders, die Hem niet kennen. Wat doet God dan met hen? Ja, dat is niet altijd eender. Kores… ik weet het niet, ik kan niet zeggen dat hij een kind des Heeren geworden is, maar wel een knecht, een instrument. O, dat kan ook nog, dat je dan het kindschap mist, maar wel knecht bent. Dat kan ook. Dat is goed voor Gods knecht om zich daarin goed te onderzoeken. Kores, een instrument in Gods hand. Maar Hij kan mensen gebruiken als steigerwerk bij Zijn kerk. Dat kun je in Jesaja 60:7 lezen: De rammen van Nebajoth zullen u dienen. God heeft allerlei instrumenten ten goede, voor Zijn kerk. Voor Zijn koninkrijk, voor Zijn werk.

 

Maar ik moet verder gaan, want Hij roept heidenen toch ook tot waarachtige bekering. En zo gaan we met de boodschap de zendingsvelden op. Kijk maar in onze tekst: Wendt u naar mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde. Daar vallen de heidenen zeker onder. Die kunnen ook behouden worden. Zij moeten het leren, wat wij trouwens ook moeten weten, dat er buiten God niets is. Buiten die grote God, de Schepper van hemel en aarde. O, dat we er toch alle dagen indrukken van mochten hebben. Ik ben de HEERE en niemand meer. Buiten Mij is er geen God. Het is u ook voorgelezen. En dat zijn wezenlijke zaken. Opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten Mij niets is, Ik ben de HEERE, en niemand meer (vers 6). Hij is de Schepper. Ik formeer het licht, en schep de duisternis; Ik maak den vrede en schep het kwaad, Ik, de HEERE doe al deze dingen (vers 7). Dat staat er om duidelijk te maken, in ieder geval om te verkondigen hoe groot God is in Zijn hemelse, Zijn eeuwige Majesteit, met al Zijn oneindige deugden. De Heilige Geest kan je leren ernaar te verlangen, om daar indrukken van te krijgen. God geeft ze Zijn kinderen wel en ze willen ze altijd weer en meer. Denk aan Paulus bij het begin van Zijn bekering. Wie zijt Gij, Heere? Kennis van God. Meer kennis van God. Meer beleving van God. Dat wordt hier uitgesproken

 

U weet dat God Zijn kinderen daarin blijft onderwijzen. O, de grootheid Gods, Hij formeert alles. Lees vers 12: Ik heb de aarde gemaakt en Ik heb den mens daarop geschapen; Ik ben het, Mijn handen hebben de hemelen uitgebreid en Ik heb al hun heir, bevel gegeven (vers 12). Het wordt hier in dit hoofdstuk nog met nadruk aangewezen. Want alzo zegt de HEERE, Die de hemelen geschapen heeft, Die God Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft haar niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft haar geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de HEERE en niemand meer (vers 18). Dus heel nadrukkelijk worddt ons in dit hoofdstuk de grootheid van God voorgehouden. Buiten Hem is er niets. Alles wat er is, is van Hem afkomstig. Het is door Hem geschapen. Het is Zijn bezit. Het is er tot Zijn eer en Hij kan het gebruiken. Dat zijn grote gedachten en grote zaken, waarbij we zouden moeten leven. Hij is die grote en alles regerende en besturende God, Die soeverein is.

 

Dat laatste is moeilijk voor ons, gevallen mensen. Dat is heel moeilijk. Dat Hij soeverein is. Dat Hij handelt, niet naar mijn wil, maar naar Zijn wil. Dat buigen onder Zijn wil krijgt hier ook nog een accent. Kijk naar vers 9 en 10: Wee dien, die met zijn Formeerder twist, gelijk een potscherf met aarden potscherven. Zal ook het leem tot zijn formeerder zeggen: Wat maakt gij? Of zal uw werk zeggen: Hij heeft geen handen? Wee dien die tot den vader zegt: Wat genereert gij? En tot de vrouw: Wat baart gij?

God is soeverein: Alzo zegt de HEERE, de Heilige Israëls en deszelfs Formeerder: Zij hebben Mij van toekomende dingen gevraagd; van Mijn kinderen, zoudt gij Mij van het werk Mijner handen bevel geven? (vers 11).

Wij willen zo bauw boven God staanen denken het beter te weten en willen over Hem regeren. Wat past ons ootmoed. Wat hebben we dat nodig. Ja, de soevereiniteit moet geëerbiedigd worden, gemeente. Dat verborgen zijn van God krijgt hier ook nog een accent, op verschillende manieren.

Onbekeerden, inderdaad, u kent God niet. Hij is voor u een God Die Zich verborgen houdt. Er staat in vers 15:  Voorwaar, Gij zijt een God Die Zich verborgen houdt, de God Israëls, de Heiland (Jesaja 45:15). De Heiland, staat er achter. Een God Die Zich verborgen houdt. Onzichtbaar. Sommige mensen willen alleen geloven wat ze zien. U weet wel, de eerste Rus die in de ruimte kwam, was Joeri Gagarin. Hij was een klein eindje van de aarde geweest en toen kwam hij terug op de aarde en zei: ‘God bestaat niet hoor, want ik heb Hem niet gezien.’ Wat een dwaze hoogmoed. Alsof onze ogen uitmaken wat waarheid en wat werkelijkheid is. God, de onzichtbare, onbegrijpelijke God. Die een ongenaakbaar licht bewoont.

 

Voorwaar, Gij zijt een God die zich verborgen houdt. Ook voor de heidenen is het geheim van Zijn bestaan verborgen. Daarom wordt het hun verkondigd. Verborgenheden worden geopenbaard. En dat gebeurt op het zendingsveld, dat gebeurt in de Evangelieverkondiging, dat gebeurt in de kerk, maar dat gebeurt ook in je hart. Kinderen des Heeren, daar gebeurt dat ook. Sommige zaken kunnen zo toegesloten zijn. Zo ontzaglijk toegesloten, dat het je wel eens beangstigt. En dan is dit inderdaad waar: Gij zijt een God Die Zich verborgen houdt. Wat ben je dan verlegen om dat de Heere een glimp van zichzelf vertoont en dat je indrukken krijgt, dat je leiding krijgt. Noem het maar gerust: dat je een openbaring krijgt van wie Christus is. Openbaring van de Middelaar. Dat vergeet je niet, hoor. Dat staat hier in dat woord ‘Heiland’.

 

Heiland. Die naam wordt hier in dit hoofdstuk een paar keer gebruikt. Het betekent: Hij die heelt. Heiland, daar zit het woord ‘helen’ in. Heelmeester. Het woord genezen. ‘Hij heelt gebrokenen van hart en Hij verbindt ze in hunne smarten, die in hun zonden en ellenden tot Hem zich ter genezing wenden(Ps. 147:2 ber.).’ Hij kan helen, Hij kan de dodelijke kwaal van de zonde bloot leggen, maar ook genezen. Schuld vergeven. Smet reinigen. In die naam Heiland ligt zoveel opgesloten. Het kan zo verborgen zijn, maar het kan ook zo geopenbaard worden! Daarom staat het hier zo. Wat hebben we die kennis nodig. Kinderen des Heeren, Gods verlossingshandelen met u kan zo bedekt liggen dat u er geen zicht op hebt. Komt het ooit goed? Maar God kan het u tonen, op Zijn tijd en wijze. Hij kan u laten zien hoe dat er bij Hem herstel, redding, genezing is. Behoud heet het hier zelfs. Behoud! Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. Maar daarover straks in onze derde gedachte.

 

Nu gaat het er eerst nog over dat God, die almachtige God, hier aan het woord is. En dat Hij het door Christus geeft. Openbaart. Dan kan het voor die afgedwaalde kinderen Gods weer. Toch wel! Dat God je opzoekt, je bij de hand vat, en je weer leidt door Zijn raad. Zie Asaf, in Psalm 73.

Dan word je in het heiligdom geleid. Maar het kan ook voor onbekeerden. Ja, die macht is bij Hem. Hij Die roept, heeft de macht. Wij hebben de macht niet, zelfs niet om te luisteren, maar het Woord kan met zoveel kracht komen, dat je overtuigd wordt. Dat de Heilige Geest werkt, en dat je toch verstaat wat je niet hoorde. Dan is het: Wie oren heeft om te horen, die hore wat de Geest tot de gemeente zegt. En dan kan de Heere bij onwetenden binnenkomen. Bij van-verre-staanden ook. Bij heidenen, bij onverschilligen, bij hardnekkigen, bij liefdelozen, bij trotsen… ieder wordt geroepen. Wie heeft de kracht om ze stil te zetten? God! Wendt u naar Mij toe. O, hebt u die almachtige kracht van de Heiland al ervaren? Meer erover in onze derde gedachte, maar we gaan eerst zingen, Psalm 34 vers 3 en 6.

 

            Zij sloegen ’t oog op God;

            Zij liepen als een stroom Hem aan;

            Hij liet hen nimmer schaamrood staan;

            En wendde straks hun lot.

            Hij die door smart op smart

            Gedrukt werd, zond tot God zijn beê;

            Terstond verdween ’t ondraagbaar wee

            Uit zijn benepen hart.

 

            Komt, kind’ ren, hoort naar Mij;

            Neemt mijn’ getrouwen raad in acht;

            Ik leer, opdat g ’uw plicht betracht,

            Wat ’s Heeren vreze zij.

            Hebt gij in ’t leven lust,

            In dagen, daar men ’t goed’ in ziet,

            Waarin men vrij is van verdriet,

            Daar niets ons heil ontrust?

 

3. Waartoe ze geroepen worden

Onze derde gedachte is: waartoe worden ze geroepen.

We hebben al gezien, door Wie en tot Wie ze geroepen worden. Dat is al overdacht. Maar nu toch nog aandacht voor die eerste woorden: Wend u naar Mij toe. Het is een roepstem om te komen, maar eigenlijk ook om te zien.De kanttekeningen melden dit ook en de Engelse Bijbel heeft dat ook zo vertaald. In de Engelse Bijbel staat: Ziet op Mij, alle gij einden der aarde. Onze kanttekenìngen zeggen dat men het ook vertalen kan met: ‘Ziet Mij aan’. Dus ja, die bekering is een wonderlijk Godswerk.

 

De Heere is de Machtige om je te overtuigen en om je over te buigen en om dat te werken. Het is ook als het openen van de ogen. Trouwens, dat  ‘Ziet Mij aan,’ zoals onze kanttekeningen melden, betekent wel dat de mens van nature God niet aanziet, van God wegkijkt. Dus het gaat toch wel om die omwending. Je wendt je blik van God af en je ziet Hem niet, je zoekt Hem niet en je hebt Hem niet nodig. Dat moet veranderen. Ziet Mij aan. Zo mag je het dus ook vertalen. Zo mag de oproep ook gehoord worden. Het aangezicht hebben wij van God afgewend. Maar de Heere kan de blinden doen zien.

 

De jongens en meisjes kennen de voorbeelden wel. Denk aan de blindgeborene. De Heere heeft vaak de ogen van blinden geopend. Soms deed Hij dat door slijk. Denk aan Bartimeüs, de blinde. ‘Wat wilt gij dat Ik u doen zal?’ (Luk. 18:41).Wat zou je zelf zeggen, als de Heere dat vroeg? Heere, dat ik ziende mag worden? O, dat dit toch het verlangen van ons hart eens zou zijn. Wat erg als dat het niet is. Als je genoegen schept in je blindheid, je duisternis, je afkering. Mocht het onze verzuchting eens zijn, als we thuiskomen en we op de knieën vallen in de eenzaamheid: ‘Heere, dat ik ziende mag worden. Geef dat ik ook eens mag zien hoe ik van U weg geleefd ben. U vergeten ben. U eigenlijk niet ken en U niet zoek. Maak het eens anders, dat ik ziende mag worden.’

Ziet op Mij, alle gij einden der aarde. Dat is die omkering. Dat is die omwending. Tot God opzien en behouden worden, dat staat er ook. Daarin ligt heel nadrukkelijk, gemeente, wat God te geven heeft. Wat Hij de zondaar aanbiedt: behoud, redding.

 

Als je het Hebreeuws zou kennen, zou je in de grondtaal hier een woord zien staan, dat te maken heeft met de naam Jezus. Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden – dat is door de engel tegen Jozef gezegd. Maar dat zit hier ook in het grondwoord: wordt behouden. Je hebt die Zaligmaker nodig en Ik heb Hem. Je kunt bij Mij die zaligheid krijgen. Tegen betaling? Nee! Om niet. Om niet! O, zie op Mij en word behouden. Ja, wij kennen beelden uit de Schrift, gemeente, waarbij de beleving zichtbaar wordt gemaakt op een manier dat je het nog niet kunt begrijpen. U denkt natuurlijk aan de koperen slang in de woestijn. Als gebetenen op hem zagen, ging daar kracht vanuit. Dat kun je niet begrijpen, maar dat gebeurde. Christus zegt: Zo moet de Zoon des Mensen verhoogd worden, opdat een ieder die in Hem gelooft, dus op Hem ziet, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Ja, wie zal het je geven? God! Die de ogen der blinden opent.

 

Kinderen des Heeren, u weet het: die openbaring van Christus, die je kreeg toen je op Hem mocht zien. Toen ging er kracht van Hem uit. In Hem is al mijn heil, mijn eer, mijn sterke Rots, mijn tegenweer. O, als Hij je alles toch wordt… Kijk, daar word je naar terug geroepen, afgedwaalde kinderen des Heeren, vanuit je onvruchtbaarheid en afdwalingen. Deze roepstem is allereerst ook voor u. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden. Dat is ook herstel van die afgedwaalde kinderen Gods.

Maar onbekeerden, God kan dit ook gebruiken om u nu stil te zetten. Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde. De apostel zegt in Filippenzen 2: Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid Gods des Vaders (vers 10 en11). Zo werkt God. Zo leert Hij buigen.

 

O afgedwaalde kinderen Gods, ik zeg het u nog eens: Zie Hem aan. U hebt Hem weleens gezien. De Heere kan het herstellen. Niet door je afzien, niet door je meegezogen worden! Dan mag je best wel vragen: Heere, open mijn ogen, opdat ik weer aanschouw de wonderen van Uw wet. Opdat ik het weer mag zien. Herstel het. Een blik op die lijdende en stervende Zaligmaker. Voor mij? Wilde Hij genoeg doen? O, als de Heere er iets van toont en iets laat zien, dat mag je Hem toch vragen om weer tot Hem te vluchten door Zijn kracht, om zo vernieuwd te worden. Want dat is het dan: hersteld te worden. Wat een wonder!


Maar onbekeerden, de roepstem is tot u, bijzonder tot u, tot bekering. De kracht daarvan is bij de Heere. Die mag je van Hem vragen. Daar mag je Hem heilig om lastig vallen. Heere, U beveelt het; geeft U dan wat U beveelt. O, val Hem te voet, thuis, in de eenzaamheid, en bid om geleid te worden op de weg waarop God al Zijn kinderen leidt.

 

En buitenstaanders? Er was een woord voor u. Misschien moest u daarom wel in de kerk zijn. Ik lees bij Jesaja: De HEERE heeft Zijn heiligen arm ontbloot voor de ogen aller heidenen (Jes. 52:10).

Het ging in de tekst over de einden der aarde, o, dat is ver weg. Wie het verste weg zijn, zullen het heil van onze God zien in die Heiland. In Christus. O, de Heere gebruikt het. Gemeente, ik weet het. Want het staat in ons hoofdstuk – en ik eindig er mee – in vers 24: De Heere zegt: Men zal van Mij zeggen: Gewisselijk, in den HEERE zijn gerechtigheden en sterkte; tot Hem zal men komen; maar zij zullen beschaamd worden, allen die tegen Hem ontstoken zijn. (Jesaja 45: 24).

Amen.

 

Psalm 98: 2

 

Hij heeft gedacht aan Zijn genade,

Zijn trouw aan Isrel nooit gekrenkt;

Dit slaan al ’s aardrijks einden gade,

Nu onze God Zijn heil ons schenkt.

Juich dan den Heer met blijde galmen,

Gij ganse wereld, juich van vreugd!

Zingt vrolijk in verheven psalmen

Het heil, dat d’ aard’ in ’t rond verheugt!