Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 55b

Stéfanus ziet Gods heerlijkheid

De situatie waarin dat gebeurt
De weg waarlangs dit mogelijk is
De opwekking die daaraan verbonden is
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Handelingen 7 : 55b

Stéfanus zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 93: 1 en 4
Lezen : Exodus 33: 12 - 23
Zingen : Psalm 46: 1 en 2
Zingen : Psalm 37: 19
Zingen : Psalm 96: 6
Zingen : Psalm 48: 6

Gemeente, in aansluiting op de vorige prediking bedien ik u vandaag het Woord van God opnieuw uit Handelingen 7. Het laatste gedeelte van vers 55 is de tekst voor de preek.

In Handelingen 7:55b lezen wij:  Stéfanus zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods.

 

Stéfanus ziet Gods heerlijkheid:

1.         De situatie waarin dit gebeurt.

2.         De weg waarlangs dit mogelijk is.

3.         De opwekking die daaraan verbonden is.

  1. De situatie waarin dit gebeurt

Gemeente, Stéfanus was een man vol van geloof en vol van de Heilige Geest. Dat getuigenis geeft de Bijbel niet van iedereen. Wat is kenmerkend als de Bijbel iemand op deze manier aan ons voorstelt? Dan is kenmerkend dat zo iemand altijd spreekt over de Christus der Schriften. Kijkt u maar naar Stéfanus. Hij trekt in de lange rede die hij gehouden heeft, de lijn door tot op de Heere Jezus Christus. Dat is het Centrum. Daar gaat het uiteindelijk om. Als deze Naam in de prediking ontbreekt, dan kun je het moeilijk Evangelie of moeilijke prediking noemen. Christus prediken, dat is Gods genade prediken. Daar was Stéfanus’ hart vol van. Omdat hij leefde van de genade, had hij geen ander verlangen dan om die genade ook te prediken. Waarschijnlijk is het voor Stéfanus heel moeilijk geweest, dat die prediking van Gods genade afknapt op de hardheid en de weerbarstigheid van de leden van het Sanhedrin.

 

Genade? Preekt die man genade? Maar waar moeten zij dan blijven met hun goede werken en hun prestaties? Dan worden ze aan de kant geschoven. Dat horen ze kennelijk goed. Want dan komt er een spits in de prediking van Stéfanus: gij wederstaat altijd den Heiligen Geest. Met andere woorden: ‘Jullie liggen altijd dwars als God komt met de prediking van Zijn genade in Christus.’ En als hij zo heel rechttoe, rechtaan het Woord gebracht heeft, dan is de reactie: barstende harten en knersende tanden. Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem. U ziet het gebeuren en ook de kinderen kunnen zich wel boze mensen voorstellen. Mensen met gebalde vuisten die roepen: ‘Weg met die Stéfanus.’ We moeten er wel erg in hebben dat die woorden van het Evangelie van Stéfanus ernstig gemeend waren. Hij heeft die tanden-knarserij niet uitgelokt. Integendeel. Hij heeft van harte gehoopt dat het Woord van de Heere zijn werk zou doen in de harten van deze mensen. Zeker, het was scherp, maar het was niet kwetsend bedoeld. Het waren onthullende woorden; ontmaskerende, ontdekkende woorden. Ze legden een stukje bloot van het leven van die schriftgeleerden. En kijk, dat is het heikele punt. Daar wilden die mensen niet aan.

 

Hoe is dat met u, gemeente? Wilt u, willen jullie daar wel aan? Mag God zeggen dat iets in uw of jullie leven niet klopt? Doen we dan niet onwillekeurig een stapje terug? Vinden we dan niet dat het maar niet zo dichtbij gebracht moet worden? We zijn mensen die vanuit onszelf veel liever met rust gelaten willen worden. Dat is altijd zo geweest. In de tijd van Jeremia zeiden de mensen al: ‘Vrede, vrede en spreek ons zachte dingen. Zet het mes er niet zo in, maar doe een beetje kalmpjes aan.’

Wat is de leiding nodig van de Heilige Geest om gebracht te worden tot de waarachtige vrede. Echte vrede is er in het bloed van het Lam van God. Dan heeft een mens troost. Troost in leven en in sterven.

Deze troost zien we bij Stéfanus. De situatie waarin hij terechtgekomen is, kun je niet echt rooskleurig noemen. Je kunt niet zeggen: ‘Stéfanus, dat red je wel en dat komt wel goed.’ Het is veel meer wat de dichter in Psalm 118 zingt, wanneer het over zijn vijanden gaat: Ze hadden mij omringd als bijen. Eén bij kan je al een hoop narigheid bezorgen als je gestoken wordt. Misschien hebt u weleens zo’n zwerm gezien. Maar wanneer u omringd wordt door een zwerm bijen, dreigt het gevaar van alle kanten. Als we een vergelijking willen trekken, dan komen we bij Daniël uit. De kinderen weten dat Daniël in de leeuwenkuil terecht kwam. Als je in de kuil van de leeuwen wordt gegooid, dan ben je er binnen de kortste keren niet meer. Maar God was met Daniël.

 

En Stéfanus? Het is bij hem nog erger dan bij Daniël. Want bij Daniël zijn het leeuwen die hem opwachten. Maar bij Stéfanus zijn het mensen die hem opwachten. Mensen van vlees en bloed. Mensen die hij zo graag bekeerd wil zien tot de levende God en die zich tegen Hem stellen. Stéfanus weet van het proces zoals zijn Meester dat heeft doorgemaakt, ik bedoel de Heere Jezus Christus. Toen is het vonnis uitgesproken: Des doods schuldig (Matth. 26: 66).. Als ze dat met Jezus hebben gedaan, zouden ze dan met betrekking tot Stéfanus zachtmoedigheid betrachten? Stéfanus weet dat hij in het spoor van zijn Meester treedt. Ze zullen er ook nu niet voor terugdeinzen om het doodvonnis uit te spreken.

 

Het is wat, om in zo’n situatie te verkeren. U hebt misschien ook weleens gelezen van mensen in het concentratiekamp die wisten dat morgen hun laatste dag zou zijn. Meisjes, jongens, je zult voor het laatst je eten toegeschoven krijgen door het deurtje dat open gaat: ‘Alsjeblieft, je galgenmaal, morgen is het allemaal achter de rug.’ Als Stéfanus let op de gezichten, op het tandengeknars en op die berstende harten, dan heeft hij weinig goeds te verwachten van de leden van het Sanhedrin. Moet je dan niet verwachten - naar de mens gesproken - dat het hart van deze man ineen zal krimpen van angst? Stéfanus! Stéfanus! Denk er om, de Heere is begonnen met te zeggen: ‘Stéfanus was een man vol van de Heilige Geest.’ Dacht u, als de hel zijn troepen mobiliseert om het aan te leggen op de dood en de ondergang van Stéfanus, dat God Zijn kind en Zijn knecht dan in de steek zal laten? Geen sprake van en dat blijkt ook heel nadrukkelijk uit deze geschiedenis.

Stéfanus kijkt naar boven. En wat ziet hij dan? Dat zegt de tekst van vandaag. Hij zag de heerlijkheid Gods. ‘De heerlijkheid van God’, dat is een typering, die nogal eens voorkomt in de Schrift. Ze wordt gebruikt voor mensen en ze wordt ook gebruikt van God. In de eerste plaats wordt deze typering gebruikt voor mensen. Als Jozef onderkoning geworden is in Egypte dan komen zijn broers bij hem en maakt hij zich bekend. De kinderen weten dat wel. Zo dadelijk gaan de broers terug naar vader Jakob, de oude vader Jakob en wat moeten ze dan zeggen tegen Jakob? Wel, dat heeft hun broer, dat heeft Jozef, gezegd: En boodschapt mijn vader al mijn heerlijkheid in Egypte (Gen. 45: 13). ‘Alle heerlijkheid’, dat wil zeggen: alle gewicht, alles wat je gewichtig maakt, alles wat je indrukwekkend maakt naar je omgeving toe. En zo is het in de tweede plaats ook met de heerlijkheid van God: Gods majesteit, Gods ontzagwekkendheid, Gods hoogheid, we kennen die woorden wel uit de zang van de engelen: Ere zij God (Luk. 2: 14). Dan gebruiken ze het woord dat hier gebruikt wordt voor het woordje ‘heerlijkheid’. Eer en heerlijkheid. De kinderen weten ook dat de herders in Efratha’s velden werden omschenen door de heerlijkheid van God. Ze stonden er middenin en dan staat er weer hetzelfde woord. Met de God der heerlijkheid is Stéfanus zijn rede begonnen. In hoofdstuk 7:2 zegt Stéfanus: Gij mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen onzen vader Abraham. Dat zijn de eerste woorden die je van Stéfanus leest. En wat is één van de laatste woorden die je van Stéfanus leest? Dat is weer dat woordje ‘heerlijkheid’. Die woorden zijn als het ware de twee polen waartussen het leven van Stéfanus zich afspeelt in de laatste tijd die hij op aarde heeft. Hij is begonnen met de God der heerlijkheid en hij eindigt zo ongeveer met te zeggen: Ik zie de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods. Dezelfde woorden sluiten zijn leven af. Eerst spreekt hij God zo aan en dan mag hij God zo zien.

Gods heerlijkheid. Daarvan zegt de Heere Zelf: ‘Niemand zal die heerlijkheid zien en leven’. We hebben zonet samen gelezen uit Exodus 33 waar Mozes zegt: ‘Heere laat me Uw heerlijkheid zien’ en dan - ik vertaal het even vrij - dan zegt de Heere: ‘Mozes dat kan niet, dat kun je onmogelijk verdragen, dat zou je dood betekenen’. Gods heerlijkheid, dat is eigenlijk God Zelf. Is door onze zonde, onze God niet een verterend vuur?  Wie zal er bestaan in de lichtglans van de heerlijkheid van God? Ik zeg u: ‘Dat zal uw dood betekenen.’ Stéfanus echter ziet de heerlijkheid van God, maar sterft niet op datzelfde moment. Er staat niet: hij zag de heerlijkheid van God en hij viel dood neer. Hij blijft nog in leven. Toch ziet hij Gods heerlijkheid!  En dat kan niet, zegt de Heere. Is Stéfanus dan geen zondig mens? Is Stéfanus dan een heilige? Onze kinderen zeggen: ‘Stéfanus was een kind van God!’ Dat is zeker waar. Maar ook kinderen van God doen zonde. Ook zij doen dingen die niet deugen. Stéfanus is geen zondeloze.

 

Hoe zit dat dan? Dat is een geheim in de tekst. Dat is niet geheimzinnig. Het is een geheim waarvan ik op voorhand zeg: ik hoop dat u dat geheim ook kent. Hoor wat Stéfanus zegt. Hij ziet de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods. Dat is de sleutel. Met een sleutel kunt u de deur opendoen. Met die sleutel kunt u ook de tekst opendoen. De heerlijkheid van God zien en toch blijven leven. Stéfanus ziet de heerlijkheid van God én Jezus. Als u alleen de heerlijkheid van God ziet, is dat sterven. Maar wanneer u de heerlijkheid van God ziet én Jezus, is dat leven. Stéfanus ziet Jezus in die heerlijkheid van God! De Zaligmaker van zondaren. De Borg van Zijn gemeente. Hij Die Zijn werk volbracht heeft tot en met Golgotha en Die door de dood heen Zijn plaats ontvangen heeft aan de rechterhand van Zijn Vader. Alleen in Hem kan een verloren mens de heerlijkheid van God in vrede ontmoeten. En dan is het juist uw leven! Jezus immers stilde de toorn van God! Hij bracht vrede aan in een weg van recht en van gerechtigheid. Want Hij heeft het recht van Zijn God volkomen verheerlijkt. Hij daalde af. Waarin? In de diepte van dood en hel, ja in de godverlatenheid. Waar kwam Jezus vandaan? Uit de heerlijkheid, die Hij bij Zijn Vader had. Hij kwam uit die heerlijkheid in de godverlatenheid. Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Ps. 22: 2). Opdat Stéfanus als een blijde boodschap zou kunnen doorgeven: Ik zie de heerlijkheid van God, want ik zie Jezus!

 

Merkt u hoe het kruis in deze geschiedenis centraal staat? Merkt u hoe hier het bloed van het Lam drupt? Dan valt het wonder open. God kan onmogelijk gemeenschap hebben met de zonde. Maar God kan in Christus Jezus wel gemeenschap hebben met een zondaar. Als God je aanziet in jezelf, meisjes en jongens, dan kun je geen moment in leven blijven. Dat is je dood en dat is je ondergang. Voor altijd. Maar nu wil God in Christus Zich inlaten met zondaren uit het menselijk geslacht. Met jongeren en met ouderen. Zonder voorwaarden vooraf. God komt met Zijn genade, onvoorwaardelijk, in alle betrokkenheid en in alle serieusheid. Welmenend, zoals we dat noemen, in het aanbod van Zijn genade en in het aanbieden van Christus. In Zijn Woord betuigt de Heere dat Hij wacht om genadig te zijn.

 

Kinderen zouden dat kunnen tekenen; het wachten van de Heere om genadig te zijn. Maar dan moeten ze er nog wel iemand bij tekenen. Op wie wacht de Heere? Op wie? Zou u uw eigen naam hier invullen? Meisje, jongen, God wacht op jou! Lieve kinderen, God wacht op jullie. Hij wacht, met al de liefde van Zijn hart. Want God wil Zijn schepsel niet kwijt. God wil Zijn mens niet kwijt. En zo roept Hij zondaren, onbeperkt en onbepaald. En Hij kan dat doen. Hij kan dat doen op grond van de volkomen gerechtigheid en de volkomen genoegdoening van Christus Jezus, Wiens dood van een oneindige kracht en waardigheid is: en Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld (1 Joh. 2: 2).

Als u er  over tobt, hoor dan hoe onze vaderen de deur van Gods genade hebben opengezet. Nee, dat zeg ik niet goed: hoe God de deur van Zijn genade heeft opengezet en onze vaderen het Hem hebben nagesproken. Daar is doen aan in het bloed van het Lam en door de dood van het Lam. Daar is doen aan, voor wie dan ook.

 

Daarom spitsen we het geheel toe door middel van een vraag. We lezen hier: Stéfanus zag de heerlijkheid Gods en Jezus. Dat laatste is bepalend met betrekking tot het eerste en zo komt de vraag op ons af: ‘

Hebt u, heb jij de Heere Jezus weleens gezien? Stéfanus ziet Gods heerlijkheid. De situatie waarin dat gebeurt zijn we nagegaan. Het tweede aandachtspunt is:

 

  1. De weg waarlangs dat mogelijk is.

We zingen eerst uit Psalm 37 vers 19:

Let toch, en zie op vromen en oprechten;

Want, wat men denk' van d' uitkomst hunner paân,

God kroont met vreê het einde Zijner knechten.

Maar, durft men stout des Heeren wet versmaân,

Dan zal Gods wraak den berg van hoogmoed slechten,

En 't boos geslacht, ten grond' toe, doen vergaan.

 

We zagen de situatie waarin Stéfanus de heerlijkheid van God ziet. We zagen de situatie waarin dat gebeurt en gaan nu kijken naar de weg waarlangs dat mogelijk is. Dat doen we mede naar aanleiding van de vraag waar we zo-even mee afsloten: ‘Hebt u, heb jij de Heere Jezus weleens gezien?’ Dan zeggen de kinderen misschien: ‘De Heere Jezus kun je niet meer zien, want Die is in de hemel.’ Ze hebben groot gelijk. En daarom moet ik er ook iets bij zeggen. Hebben we de Heere Jezus gezien met het oog van het geloof? We kunnen Jezus namelijk wel zien met het oog van het geloof. Dat is overigens niet een vanzelfsprekende aangelegenheid. Hoezo niet? Weet u dat niet? Zeg niet al te gauw: ‘Dat komt door de zonde.’ Want dat is wel zo, maar hoe zegt u dat?  Tillen we daar ook aan? Is dat ook de zwaarte voor ons in het leven? Hoe zwaar tellen de zonden voor u? We zijn vanuit onszelf zo blind dat we geen enkele schoonheid, geen enkele aantrekkingskracht en geen enkele heerlijkheid in de Heere Jezus zien! En we zien al helemaal geen heerlijkheid in een arm geworden Christus! Heerlijkheid? Ere zij God in de hoogste hemelen (Lukas 2: 14).  Zingt u op Golgotha: ‘Eer aan God’? Heerlijkheid? Hij is dodelijk arm geworden. Gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij arm geworden is om uwentwil, daar Hij rijk was (2 Kor. 8: 9).

 

Maar wie ziet er heerlijkheid in Hem? Iemand heeft eens gezegd: ‘Voordat een mens rijkdom gaat zien in een arm geworden Christus, moet het wel heel erg zijn met zo iemand.’ Hoort u? Voordat u heerlijkheid gaat zien in een arm geworden Christus, moet het wel heel erg met u gesteld zijn. U moet wel dodelijk arm zijn. Om een Bijbels woord te gebruiken: bedelarm. U moet dus zo arm zijn als een bedelaar, die zijn hand op houdt. Ik bedoel dit niet te zeggen als een voorwaarde tot het komen tot Jezus Christus, maar wel om de weg aan te geven, waarlangs de Heere een zondig mensenkind brengt bij de rijkdom van Christus. De weg waarlangs iemand gebracht wordt tot de heerlijkheid, de rijkdom en de volkomenheid van het werk van de Heere Jezus Christus. Nooit zal er gemeenschap en omgang met God zijn buiten Christus om. Nooit zult u de heerlijkheid van God zien en leven of Jezus moet gezien worden.

 

Voelt u het? We moeten juist naar God terug. Meisjes en jongens, dat hebben jullie van kinds af geleerd. We moeten tot God bekeerd zijn. We moeten God weer in de ogen kunnen kijken. Maar dat kan nooit buiten Jezus om. Kijk, wat is het Evangelie dan eenvoudig. Ik bedoel: echt enkelvoudig. Want als je nu alleen weer met God verzoend kunt zijn in de weg van de Heere Jezus Christus, Wie moet je dan prediken? Dan mag u het zeggen. Dan moet je toch Jezus prediken! Hij heeft het Zelf ook gezegd: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh. 14: 6).  Dat is het Evangelie: je kunt tot de Vader komen, maar dit kan alleen via Jezus. God zien, dat is sterven, maar God zien en Jezus zien dat is leven. En daarom gaat het om de prediking van die ene Naam! Er is ook onder de hemel geen andere Naam onder de mensen gegeven, door Welken wij moeten zalig worden (Hand. 4: 12)..

 

Nu de vraag: Is deze Naam een levende werkelijkheid voor u? Hebt u al eens het volgende tegen de Heere gezegd: ‘Heere, dat U nu voor een Zaligmaker gezorgd hebt. Dat er nu Eén is Die mij weer terug kan brengen in het hart van de Vader. Dat er nu één Weg is, een volkomen Weg en een rechte Weg.’ Is je dat tot blijdschap geworden, meisje, jongen? Misschien is je leven vastgelopen. Misschien ben je op een Bijbelse wijze door God Zelf klemgezet, en daar sta je dan, en dan? Ben je totaal verloren? Hoor! Er is een volkomen Naam tot zaligheid. Is het je tot verwondering geworden dat de Heere zegt: Neig uw oor, en kom tot Mij, hoort  en je ziel zal leven (Jes. 55: 3).

 

Hoe moeilijk kan het zijn als de Heilige Geest ons die heerlijkheid van God gaat voorstellen in de weg van het openleggen van het hart. Weet u, Jesaja heeft ons er iets van meegedeeld. Hij heeft die heerlijkheid van God ook een keer gezien toen God hem riep. En toen heeft Jesaja gezegd: Wee mij dat ik een man ben van onreine lippen en dat ik woon temidden van een volk dat onrein van lippen is. Ik verga. Wee mij, ik verga (Jes. 6: 5). Maar Gode zij dank, daar komt een engel met een kool van het vuur van het brandofferaltaar. Die raakt zijn lippen aan en zegt: alzo is uw misdaad van u geweken, en uw zonde is verzoend (Jes. 6: 7). Maar Jesája zegt: Wee mij. Ik verga.

 

Hoe moet het dan met u, met jou en met mij? We willen toch niet zeggen dat we boven Jesaja staan? Hoe moet het dan als het de werkelijkheid van uw leven is dat u Gods eer hebt vertrapt? Hoe moet het dan als het de werkelijkheid van uw leven is dat u de deugden van God hebt gekrenkt? Als uw onbekeerlijkheid schuld blijkt te zijn? Hoe moet het als die majesteit van God op u afkomt en u kijkt straks nog even om naar de plek waar u gezeten hebt. Heb ik daar gezeten? Hoe vaak heb ik daar gezeten en heb ik God laten praten? Hoe vaak heb ik onder het Woord gezeten en gedacht: ‘Ja, God moet het doen, of er is toch geen hoop voor mij’.

 

Hoe vaak hebt u het goed willen praten in uw leven? En even zo vele keren hebt u het bloed van het Lam veracht. Even zo vele keren bent u heengegaan om het kruis van Christus. Hebt u, heb jij, heb ik, hebben wij Jezus geen smaadheid aangedaan? Zat u netjes in de kerk, maar was u ondertussen toch vergrimd en vergramd? Vergis ik mij als ik zeg dat er nogal wat mensen zijn die hier niet aan willen? Mensen die zeggen: ‘Ach ja, al te zwart moet je het ook niet inkleuren, zo erg is het ook niet met ons.’ Als het nu niet zo erg met u is, wilt u dan antwoord geven op de vraag waarom Jezus dan zo diep moest buigen? Als het niet zo erg met u is waarom moest Jezus dan bloed zweten in de hof van Gethsemané? Als het dan niet zo erg met u, met jou is waarom moest Hij dan de heerlijkheid verlaten, die Hij bij de Vader had om te komen wonen op deze, door de zonde vervloekte aarde? Als het niet zo erg met u is waarom moest Jezus dan hangen aan het vloekhout der schande? Als u dat tegenover elkaar zet en u wilt er op afdingen, dan denk ik niet dat u leeft uit de genade van God. Dan denk ik niet dat u leeft uit de liefde van Christus. Dan komt u namelijk nooit uit bij de belijdenis dat uw leven enkel schuld en enkel zonde is voor het aangezicht van God de Allerhoogste. Besef dat de Heere zegt: ‘Ik eis Mijn beeld van u terug. U moet op Mij lijken. Zo heb ik u niet geschapen. Zoals u nu leeft en zoals u nu bent.’ God doet van Zijn recht geen afstand. Hierom mag u Zijn barmhartigheid niet in mindering brengen op Zijn heerlijkheid en op Zijn heiligheid en op Zijn majesteit. Wat kunt u God aanbieden als het bloed van het Lam geëist wordt van uw hand? U probeert misschien wel wat aan te dragen, maar uiteindelijk blijken de beste werken die u hebt, bestempeld te zijn met zonde en ongerechtigheid. Komt u niet alles te kort? Dan dringt het woord van de apostel: Daarom zal uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden, voor Hem (Rom. 3: 20).  Door de werken der wet zal niemand de heerlijkheid Gods zien. En dan vraagt de wet: wat hebt u verdiend? De dood of de ondergang of het verderf? Wat is het aangrijpend, als u wilt vluchten terwijl u nergens heen kunt. Wat heeft u zich waardig gemaakt? De dood is voorhanden aan alle kant. Ze hadden mij omringd als bijen. U kunt geen kant op. Alle deuren zitten dicht.

 

Gemeente, is het dan geen wonder dat er een deur open gaat aan de andere kant? De deur gaat open van Gods kant. Van ’s hemelswege. Is het geen eeuwig wonder van Gods genade als in de heerlijkheid en majesteit van God Zich Eén openbaart Wiens naam Jezus is? Stéfanus zag de heerlijkheid van God en Jezus. Het is onbevattelijk, als er in de nood van uw leven Eén op u af komt, Die treedt uit de heerlijkheid van God om Wiens wil een zondig mens voor God kan bestaan. Wat een wonder als Hij de balsem aanreikt voor uw verwonde hart. Komen jullie er niet uit, meisjes en jongens? Loopt het steeds weer stuk in jullie leven? Wat zouden jullie denken van Hem? Komen er geen onderhandelingen aan het hof van de hemel? Vraagt u: ‘Heere zou ik zalig kunnen worden? Zou ik ook zalig kunnen worden? Ach, Heere Jezus, kan het wel?’ Hij zegt: ‘Hoezo?’ En u zegt: ‘Ik ben zo goddeloos en U bent zo heilig. Ik ben zo zwart en U bent zo rein.’ Dat een ander zalig kan worden, dat gelooft u wel. Want met die ander is het veel beter gesteld dan met u. En u zegt: ‘Heere, ik, zou ik zalig kunnen worden?’

Hoe onmogelijk het ook is, u wordt nochtans tot Hem getrokken. Enerzijds veroordeelt uw zonde u. Alleen al het plekje in de kerk waar u zit, is genoeg om uw doodsvonnis te tekenen. Anderzijds wordt u tot Hem getrokken en kunt u niet los komen van Hem. En waarom niet? Omdat Hij alles heeft wat u mist!

 

Op oude boerderijen zie je soms van die ouderwetse kabinetten staan met grote deuren en een lade erin. God doet de deuren van Zijn kabinet open en Hij zegt: ‘Wat heeft u nodig, kijk eens: alles is voorhanden, zeg het maar.’ In Hem is alles wat nodig is om voor God te komen. Wordt Hij ons dan niet dierbaar? Daar zit het oude woordje ‘duur’ in. Wordt Hij ons niet kostbaar en lief? Wordt Hij ons niet noodzakelijk als Hij Zijn middelaarshart opent, als we al bevende staan voor de heerlijkheid van God? Jezus roept: ‘Kom, genade is op Mijn lippen uitgestort. Bent u vuil? Ik ben rein. Bent u goddeloos? Ik ben heilig. Bent u in strijd? In Mij is de vrede. Staat de dood geschreven op uw leven? In Mij is het leven tot in eeuwigheid.’ Kom, zondaar, bij deze Jezus moet u zijn.

 

‘Ja,’ zegt u, ‘maar Heere Jezus, Uw bloed veroordeelt mij aan alle kanten.’ ‘Ach,’ zegt Jezus, ‘dat bloed bied Ik u nu juist aan tot vergeving van al uw zonden. Hoe zult u anders van uw zonden verlost worden dan door Mijn bloed? Wilt u Mij de eer niet geven?’ Welk bezwaar u ook hebt, welke moeiten er ook liggen; Jezus is het medicijn voor al uw wonden. Hoe goddeloos u ook bent; Zijn genade is nog overvloediger. Hoe onrein u ook bent; de rijkdom van Zijn ontfermen gaat daar ver boven uit. Wat oefent Hij dan een aandrang van liefde uit. ‘Meisje, jongen, geef Mij je hart (Spr. 23: 26). Niemand kan het reinigen dan Ik alleen. En niemand wil het uiteindelijk ook hebben dan Ik alleen.’ Laat dan alles buiten Hem los, om het wonder te ervaren u aan Hem over te geven met al uw ongerechtigheid, met al uw schuld en met al uw zonden.

 

Wat een tedere liefde van zo’n Zaligmaker. Hij wil de Vriend zijn van tollenaren en van zondaren. En het geloof belijdt het met de bruid: Zulk Eén is mijn Liefste, dochters van Jeruzalem (Hoogl. 5: 16). Dan is er alle reden om te  zingen. Wij doen dit met Psalm 96 vers 6.

 

Psalm 96: 6

 

Aanbidt Hem need'rig al uw leven,

Hem, die, in 't heiligdom verheven,

Een Godd'lijk licht van zich verspreidt;

Leer, aarde, voor Zijn majesteit,

Leer voor Zijn aangezichte beven.

  1. De opwekking die daaraan verbonden is

Stéfanus ziet de heerlijkheid van God. We zagen de situatie waarin dat gebeurt, de weg waarlangs dat mogelijk is en sluiten af met de opwekking die daaraan verbonden is.

Gemeente, belijdt u het ook, met betrekking tot die Liefste met een hoofdletter: Hij is blank, Hij is rood? Jezus is blank, dat wil zeggen: Hij heeft nooit één zonde gedaan. Jezus is rood, dat wil zeggen rood van het bloed dat Hij heeft willen storten vanwege de zonde. Nee, niet vanwege Zijn Eigen zonden, want Hij is blank; Hij heeft nooit zonde gedaan. Hij is rood omdat Hij het Lam van God is. Het Lam van God dat de zonden der wereld wegdraagt (Joh. 1: 29). Zingt u het mee met de bruid: ‘Blank is Hij en rood en Hij draagt de banier boven tienduizend’? Dan hebt u geen woorden meer. Hef uw hoofd eens op uit uw gebreken! Misschien zit u diep in de put en bent u zonder verwachting. Hij komt langs. Zie, uw Koning! Stéfanus ziet de heerlijkheid van God en Jezus. Stéfanus heeft Jezus gezien, toen Hij al aan de rechterhand van Zijn Vader in de hemelse heerlijkheid was. En daarom: Hij wordt bóven gezocht. De dichter zong het: ’t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet. ’t Ware leven, lieven, loven is daar waar men Jezus ziet.’ Indien ge dan met Christus zijt opgewekt, zegt de apostel, zoekt dan de dingen die boven zijn waar Christus is aan de rechterhand van Zijn Vader

(Kol. 3: 1).Christus wandelt tussen de zeven gouden kandelaren in het midden van Zijn gemeente. Wie Jezus zoekt, die lette op Zijn stem in het Woord. Het Woord dat het gewaad is, waarin Hij onder ons wil zijn. Is Jezus hier vanmorgen? Ja! Kunt u Hem aanraken? Ja! Zoals die bloedvloeiende vrouw, weet u wel. Er zijn aan alle kanten mensen die Jezus aanraken. Maar merkwaardig genoeg zegt Jezus: Wie van u heeft Mij aangeraakt? En de discipelen zeggen: Meester, de scharen drukken en verdringen U, en zegt Gij: Wie is het, die Mij aangeraakt heeft? En Jezus zeide: Iemand heeft Mij aangeraakt; want Ik heb bekend, dat kracht van Mij uitgegaan is (Mark. 5: 31, 32).

 

Bent u die ene, ben jij het? Zijn wij het hoofd voor hoofd, stuk voor stuk, gemeente, die Jezus’ kleed aanraken? Gaat het ons zo om Hem? Meisjes en jongens, kijken jullie zo ook weleens naar Boven? Verwachten jullie het in jullie jonge leven van de God van de hemel? Die hoge God heeft Zijn Naam uitgeschreven op jullie voorhoofd. En we hebben het zonet gehoord uit de wet: Ik ben de Heere, uw God (Ex. 20:2). Wat vinden jullie van de Christus der Schriften? Het Sanhedrin moest er niets van hebben. De Joodse Raad had een bepaald beeld van Hem en dat kwam niet overeen met datgene wat Stéfanus preekte. De Messias, nee, dat is Jezus van Nazareth niet. En wanneer Stéfanus Hem preekt met al de liefde van zijn hart, dan is het gevolg: berstende harten en knersende tanden.

Genade? En dan geen werken? Daarin ligt nou juist de ruimte! Stel dat het werken zouden zijn, dan bleef de hemel leeg. Maar nu het genade is, mag zelfs tegen de grootste van de zondaren gezegd worden dat er hoop is. Nee, niet vanuit de mens, maar vanuit God en vanuit Zijn welbehagen. En vanuit de verdienste van Christus en het werk van de Heilige Geest. Want daar is een Zaligmaker: Jezus. En daarmee boort de Heilige Geest tot op de bodem van het hart. Jezus preken is het zwaarste wat er is in de dienst der verzoening.

 

Ze zeggen weleens: Jezus preken dat is licht en lucht en dat gaat er makkelijk over heen. Maar het preken van Jezus wil zeggen dat Hij Zijn volk zalig zal maken van hun zónde. Daar hebt u het gewicht. Dat is het zwaarste wat er is. En daarom vraag ik: hebben wij werk voor Jezus, of doen we het zelf allemaal? Als u het zelf wilt doen dan komt u bedrogen uit. U kunt Gods heerlijkheid onmogelijk zien dankzij al uw goede werken. Maar als u het zicht heeft op Jezus, al pleit alles tegen u dan kunt u staan in de heerlijkheid van God. Net als Stéfanus, wilde ik zeggen, maar nee, zoals Stéfanus gestaan heeft, dat was heel bijzonder. Maar als het gaat om het oog van het geloof dan is er in wezen geen onderscheid. Want zonder en buiten Jezus om, is er geen bestaan voor God. Hij heeft de zondeprijs betaald. Alleen in Hem kan God Zijn heerlijkheid en Zijn heiligheid handhaven. Wie omhoog kijkt, wie het daar zoekt waar Jezus is, die zal geen verbond aangaan met de dingen van de wereld. Dan is het: in de wereld, maar niet van de wereld.

U kunt Jezus niet aannemen tot rechtvaardiging en Hem tot heiliging verwerpen! Het één is onlosmakelijk verbonden aan het ander. U kunt niet in Christus geloven tot vergeving van de zonden en nochtans weigeren op te geven datgene wat het wereldse spoor u aanreikt. Het is niet en/en, het is of/of. Het omhoog zien om voor Hem te leven kan dus in het leven niet gemist worden. Dat hoort er heel wezenlijk bij. Sterker nog, dat is bepalend. Anders is het een hinken op twee gedachten. Dan probeert u de Heere wat te geven, maar u probeert zelf ook iets vast te houden wat u niet wilt opgeven. Dan ontbreekt de totale overgave aan Christus. Dan houden we een slag om de arm.

 

Als Christus uw Regeerder is, dan wil Hij volledige zeggenschap over uw leven hebben. Altijd weer zijn er mensen die denken een kind van God te zijn, maar die van het inleveren van de totale vrijheid niet willen weten. ‘Je hoeft toch ook weer niet alles op te geven ter wille van de Heere Jezus Christus?’ Deze mensen schrikken terug voor die totale heerschappij van Christus over het leven van Zijn kinderen. Bedrieg u niet, het is of/of en het is niet en/en. Merk op dat de Zaligmaker Jezus heet en dat is bepalend voor het leven op aarde. Levende onder het Woord komen we van deze Naam nooit af. En Zijn bloed zal ons of voor eeuwig behouden of voor eeuwig veroordelen. En daarom, ook vanuit dit Woord, laat de Heere het horen: ‘Zondaar, daar is tijd, daar is genadetijd. Kijk toch eens wat een kind van God aan zijn Heere heeft en aan zijn Koning, aan zijn Zaligmaker.’

Stéfanus ziet de heerlijkheid van God en Jezus, staande ter rechterhand van God. Die Jezus Die hem heeft liefgehad en Die Zich ook voor Stéfanus heeft overgegeven tot in de diepte van de dood en van de godverlatenheid. En nu hoeft Stéfanus, ziende in de hemel en ziende de heerlijkheid van God, niet te roepen: Wee mij, wee mij, want ik verga (Jes. 6: 5). Nee, hij mag zeggen: Ik zie Jezus. Zoals de apostel later: Wij zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond (Hebr. 2: 9). En wie zal Stéfanus dan scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid of vervolging of zwaard ( Rom. 8: 35) of die mannen die hem als bijen omringen? Wat van dat alles, of wie van die allen? Het antwoord is: niets en niemand.

 

amen

Slotzang Psalm 48: 6

 

Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot,

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden:

Ter dood toe zal Hij ons geleiden.