Ds. C.G. Vreugdenhil - Zondag 15

Het grote lijden van de Heere Jezus Christus

Verzoening door Zijn lijden
Vrijspraak door Zijn veroordeling
Zegen door Zijn vloekdood
Deze preek is eerder in boekvorm uitgegeven door de Gereformeerde Gemeente van Rotterdam-Zuidwijk.
Te bestellen via:
heterensr@wxs.nl
www.bethelkerkrotterdam.nl
www.jongboek.nl/shop/

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Bedezang voor de predikatie
Lezen : 2 Korinthe 5: 11 - 21
Zingen : Psalm 130: 2, 3 en 4
Zingen : Psalm 97: 6 en 7
Zingen : Psalm 118: 14

Gemeente, aan de beurt is uit onze Catechismus Zondag 15. We lezen de vragen 37, 39 en 39.

 

Vraag 37: Wat verstaat gij door het woordeke ‘geleden’?

Antwoord: Dat Hij aan lichaam en ziel, de ganse tijd Zijns levens op de aarde, maar inzonderheid aan het einde Zijns levens, den toorn Gods tegen de zonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft, opdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf.

Vraag 38: Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden?

Antwoord: Opdat Hij, onschuldig door de wereldlijk rechter veroordeeld zijnde, ons daarmee van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou, bevrijdde.

Vraag 39: Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware?

Antwoord: Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking die op mij lag, op Zich geladen heeft; dewijl de dood des kruises van God vervloekt was.

 

 

Deze zondag spreekt ons over

Het grote lijden van de Heere Jezus Christus

 

Drie gedachten vragen onze aandacht:

1. Verzoening door Zijn lijden

2. Vrijspraak door Zijn veroordeling

3. Zegen door Zijn vloekdood

 

 

Gemeente, in Zondag 15 begint het onderwijs aangaande het grote, diepe, onzegbare lijden van de Heere Jezus. De Catechismus is nog steeds bezig met de verklaring van de Apostolische Geloofsbelijdenis.

Artikel 4 is nu aan de beurt:

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle.

In deze Zondag gaat het over het eerste gedeelte:

Die geleden heeft onder Pontius Pilatus en is gekruisigd.

 

Daar komen de drie gedachten uit voort, die ik u zo straks noemde.

Geleden. Waarom? Tot verzoening!

In de tweede plaats is Hij onschuldig ter dood veroordeeld onder Pontius Pilatus. Tot onze vrijspraak.

In de derde plaats is Hij de vloekdood gestorven aan het kruis. Tot zegen voor ons.

 

Ziet u, hoe wij van meet af aan door de Catechismus betrokken worden bij het lijden van de Heere Jezus? We mogen dat niet vanaf een afstandje beschouwen en zeggen: ‘Zo is het gegaan.’ Jezus’ lijden heeft alles met uw en mijn leven te maken. Want de Heere Jezus heeft de toorn van God tegen het ganse menselijke geslacht gedragen. Wie is hier, die daar niet bij hoort?

 

Ons eerste aandachtspunt is: Verzoening door Zijn lijden.

Dat is een heel belangrijke zaak. Vraag 38 luidt:

Wat verstaat gij onder het woordeke ‘geleden’?

 

De Catechismus wil zeggen, dat er in dat kleine woordje heel veel op gesloten ligt. De inhoud van het lijden van de Heere Jezus is zo onpeilbaar, zo onzegbaar! Het is een bodemloze diepte, een oceaan, die voor ons verstand niet te bevatten is. Het is eigenlijk wel heel opvallend, dat de Apostolische Geloofsbelijdenis direct van de ontvangenis en geboorte overstapt naar het lijden en de dood van Christus. Is Zijn leven dan niet belangrijk geweest? Zijn leven naar Gods wet? Zijn dadelijke gehoorzaamheid, waarin Hij het leven verwierf? O jawel, dat is zeker belangrijk geweest. Maar in deze korte geloofssamenvatting van de Twaalf Artikelen wordt alleen datgene genoemd, wat direct met onze verlossing te maken heeft. Bovendien, Zijn hele leven is niets anders geweest dan één voortdurend lijden. Dat zegt ook antwoord 37: ‘Hij heeft de ganse tijd van Zijn leven op aarde geleden.’ Niet alleen aan het einde daarvan, nee, heel Zijn leven was lijden.

 

Wij zijn zo gauw geneigd om het lijden van de Heere Jezus te concentreren rondom Zijn levenseinde en dan met name te letten op Zijn lichamelijke pijnen, die Hij geleden heeft. Ik denk aan de wrede gevangenneming in Gethsémané, toen Hij als de Leeuw uit de stam van Juda uit Zijn discipelkring naar voren trad en zei: ‘Indien gij dan Mij zoekt, zo laat dezen heengaan.’ Hij werd in boeien geslagen en afgevoerd door mannen met stokken en fakkels, alsof ze gekomen waren om een hond te slaan.

We zijn geneigd om te denken aan die vreselijke slagen met vuisten en aan dat speeksel, waarmee Hij overladen werd in de zaal van Kajafas. We zien Hem gebonden staan met gekromde rug aan de geselpaal, terwijl de zwiepende geselslagen Zijn rug openrijten.

We zien de doornenkroon op Zijn hoofd gedrukt worden. Zijn slapen worden rood van het bloed, dat naar beneden sijpelt. We zien Hem als een gebroken Man onder de zware kruisbalk voortstrompelen door de nauwe straten van Jeruzalem in de richting van Golgotha.

We zien dat de spijkers onbarmhartig door de beulen in Zijn handen en voeten geslagen worden. We zien hoe Zijn bloed wegvloeit als de kruispaal omhoog gericht wordt en Zijn lichaam komt te hangen aan Zijn scheurende wonden. We zien de koortsgloed over Zijn gezicht trekken. We horen Hem roepen: ‘Mij dorst.’

 

Wat een lijden van die dierbare Heiland! En toch, gemeente, is dit alles uiteindelijk alleen nog maar de buitenkant van Zijn lijden. Dit is nog te zien, dit zou je nog vast kunnen leggen op een schilderij.

Als je naar deze buitenkant kijkt en daarbij vergeet waarom Hij zo leed, zou je medelijden met Hem krijgen, zoals eenmaal de dochters van Jeruzalem, toen Hij onder Zijn kruis voortliep naar Golgotha. Een schare van vrouwen uit Jeruzalem kwam wenend en klagend achter Hem aan. Jezus zegt tegen hen: ‘Weent niet over Mij, maar weent over uzelven en over uw kinderen. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?’

Er zullen best wel martelaars geweest zijn in de kerkgeschiedenis, die lichamelijk zwaarder gefolterd zijn dan de Heere Jezus, maar die hebben altijd op het vriendelijke aangezicht van de Vader mogen zien.

Dat moest Christus op het dieptepunt van Zijn lijden ontberen, zodat het ‘waarom’ uit Zijn lippen werd geperst: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

 

Veel zwaarder dan Zijn lichamelijke lijden is voor de Heere Jezus Zijn zielenlijden geweest. Dat zegt de Catechismus ook duidelijk:

Naar lichaam en ziel en dat niet alleen aan het eind van Zijn leven, maar de ganse tijd van Zijn leven op aarde.

Het begon al in de kribbe. Hij moest vluchten voor Herodes. We denken vooral aan Zijn omwandeling op aarde. Wat heeft Christus toen diep geleden in Zijn ziel! Dat was onnavolgbaar en onvergelijkbaar, want de Heere Jezus was zonder zonde. Hij had een tere ziel. Jesaja zegt: ‘Om de arbeid Zijner ziel zal Hij het zien.’ Hij heeft Zijn ziel uitgestort tot in de dood.

Hij, de heilige, reine Mens moest voortdurend ademen in onze zondige dampkring. En in Zijn contact met de zondige wereld is Hij steeds miskend. Hij is door satan verzocht in de woestijn en wat heeft Hij daarna een smaadheid geleden! Wat een haat is er tegen Hem ontbrand, wat een lasteringen en vervolgingen! Als Hij goed deed, zeiden ze: ‘Hij doet dat door de kracht van de duivel.’ Door Zijn eigen volk is Hij verworpen. Daarvan zegt Johannes: ‘Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.’

 

Dat moet u zich eens voorstellen, dat u zoveel voor iemand over hebt, dat u uw leven voor hem wilt geven en het wordt niet aangenomen. In Nazareth wilden ze Hem van de steilte afwerpen. Wat een lijden, al die onbeantwoorde en versmade liefde van Christus!

Hoe meer Hij zegende, hoe meer men Hem haatte. Hij genas zieken, gaf blinden het gezicht, reinigde melaatsen en wekte doden op.

Na de opwekking van Lazarus hebben de oversten van het volk met elkaar beraadslaagd en gezegd: ‘Nu moet Hij dood!’

Wat een tegenspreken van zondaren heeft Hij verdragen. Wat de Joods godsdienstige wereld Hem aandeed, was erg, maar, weet u, wat Zijn zielenlijden nog meer heeft verzwaard? De houding van Zijn eigen discipelen. Want ook zij werden tenslotte aan Hem geërgerd, in Hem teleurgesteld.

Petrus heeft Hem verloochend: ‘Ik ken Hem niet.’ Judas heeft Hem verraden. Dat waren Zijn vrienden. Als de Heere Jezus daaraan denkt voor Zijn lijden en sterven, dan zegt Hij: ‘Nu is Mijn ziel ontroerd.’

 

Wat een angst en benauwdheid had Hij in Gethsémané, toen Zijn zweet tot grote druppels bloed werd, die op de aarde afliepen. Waarom toch die angst? Omdat Hij in Zijn grootste smarten het vriendelijk aangezicht van Zijn Vader moest ontberen, omdat Hij met een vertoornd Rechter te maken had. Daarom! Dat was voor de Heere Jezus het lijden.

Het was ontzettend, dat de vijand Hem haatte, erger nog, dat de discipelen vreemd stonden tegenover Zijn verlossingswerk. De Heere Jezus deed de eerste aankondiging van Zijn lijden nadat Petrus had uitgeroepen: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Toen wist Petrus nog niet half wat hij zei, want hij dacht aan een koning, die de Romeinen zou verjagen en de plaats van Zijn vader David zou innemen in Jeruzalem. Hij dacht aan een koning, een politiek leider.

Maar dan gaat de Heere Jezus zeggen, dat Hij een Lijder is met een lange ‘ij’. De Zoon des mensen moet veel lijden, en verworpen worden van de ouderlingen en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood, en ten derde dage opgewekt worden. En daar begrijpt Petrus niets van! Hij zegt: ‘Dat zal U geenszins geschieden.’

Hij bestraft de Heere Jezus. Wat moet dat voor Hem geweest Zijn, als Hij Zijn hart gaat openen en gaat vertellen, dat Hij Zijn leven en bloed voor de discipelen over gaat geven! En dan zo’n reactie!

 

Maar het allerzwaarste voor Christus is het dragen van Gods toorn geweest. Hij moest ervaren: ‘Mijn God en Vader is vertoornd op Mij.’ Welke toorn? De toorn van God tegen de zonde.

Gemeente, God is zo heilig, dat is niet te zeggen. Hij kan met de zonde geen gemeenschap hebben. Hij haat de zonde, maar Hij heeft de zondaren lief. Nee, Hij had liever Zijn eigen Zoon ervoor over om zondaren te redden, dan dat de deugd van Zijn rechtvaardigheid gekrenkt zou worden.

 

De toorn van God tegen de zonde.

Welke zonden? De Catechismus zegt: ‘De zonde van ons menselijk geslacht.’ Dus die eeuwige toorn, die ongedeelde toorn, die ongetemperde toorn van God. De volle last van Gods toorn tegen de zonde heeft gebrand in Zijn ziel. Dat zit achter dat diepe lijden van de Heere Jezus. De toorn van God heeft ten diepste Zijn handen gebonden en doorspijkerd met die scherpe nagels. De toorn van God heeft de geselslagen op Hem doen komen. De toorn van God was er ook in Gethsémané, op Gabbatha en op Golgotha.

 

Het was dus niet alleen maar lichamelijk lijden, maar Christus voelde in dit alles de toorn van Zijn Vader branden in Zijn ziel.

Dat alles heeft zijn hoogtepunt bereikt in de duisternis van Golgotha, toen God de lichtglans van Zijn goedertierenheid heeft ingehouden. De schepping ontstelde daarvan en werd zwart vanwege de toorn van God over de zonde. De Vader keerde Zijn vriendelijk aangezicht van Hem af. Hij sloot de hemel toe en opende de hel voor Christus. Toen hadden alle duivelen vrij spel om Hem te benauwen. Toen werd het waar: ‘Daar de angst der hel Mij alle troost deed missen.’

 

Zit u nu nog rustig of niet? U droeg bij aan dit lijden, u hebt daar ook deel aan. Het gaat hier over de toorn van God tegen het ganse menselijk geslacht. Hoe eeuwig en onpeilbaar diep is dat lijden van de Heere Jezus geweest! Dat kan geen sterveling doorgronden; daar kunnen we alleen maar van stamelen. Geen mens zal ooit bij machte zijn om dat heel precies te beschrijven.

De volheid van Gods toorn is over Hem uitgegoten. Het Lam Gods droeg de zonde der wereld. O, hoe moet de Heere Jezus die drie lange, bange, donkere uren aan het kruis hebben doorstaan! Het is een eeuwigheid geweest. De toorn van God over al de zonden tot in alle eeuwigheid, is samengeperst in dat korte ogenblik. Wat moet Hij hebben geworsteld aan dat kruis!

Het allerergste voor Hem was om Gods gemeenschap te moeten missen en alleen maar toorn en duisternis te ervaren: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

 

Jezus droeg de toorn van God tegen de zonden van het ganse menselijk geslacht.

U zegt: ‘Wat betekent dat eigenlijk? Wij zijn toch tegen de algemene verzoening? Hoe wil de Catechismus dat dan rijmen? Wat is dan het ‘ganse menselijk geslacht’?’ Wel, dat is de totaliteit van het menselijk geslacht. Johannes de Doper wijst in Johannes 1:29 op het Lam van God, Dat de zonde der wereld wegneemt. Het gaat dus om de totaliteit van Gods toorn en die is ondeelbaar.

Het is onmogelijk om de toorn van God tegen de zonde van degenen die zalig worden te scheiden of los te maken van de toorn van God tegen degenen die verloren gaan. Het gaat om de toorn van God tegen de totale wereldbevolking, van Adam af tot aan de laatste mens toe. Als de tweede Adam heeft Jezus die gedragen.

 

O zeker, wij weten, dat de Heere Jezus Zijn bloed heeft gestort ten behoeve van de Zijnen. U hoeft niet bang te zijn, dat de Catechismus hier een algemene verzoening leert. Het gaat om de som van Gods toorn tegen al die miljarden, die op aarde geleefd hebben, leven en nog zullen leven. En die volle toorn is over Christus uitgegoten. En daaruit vloeit de algenoegzaamheid van het offer van de Heere Jezus Christus voort.

Dat zeggen onze Dordtse Leerregels zo mooi in hoofdstuk 3, paragraaf 3.

De dood van de Zoon van God is de enige en volmaakte offerande en genoegdoening voor de zonde; van oneindige kracht en waardigheid, overvloedig genoegzaam tot verzoening van de zonde der ganse wereld.

 

Gemeente, daarin rust het aanbod van genade. Daarin rust nu het feit, dat de Heere u heden toeroept: ‘Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts en hij bekere zich tot de Heere, want onze God vergeeft menigvuldiglijk.’

Het Lam is geslacht. Nee, dit is geen algemene verzoening, dit is geen alverzoening. Hier staat niet, dat alle mensen een keer zalig zullen worden. Hier staat niet, dat wie wil, zalig zal worden. Nee, het hangt niet af van de menselijke wil, maar het gaat hier over de algenoegzaamheid van het offer van de Heere Jezus. Het gaat over de geldingskracht van Zijn verzoenend bloed en de oneindige kracht en waarde daarvan.

Alle mensen worden dus niet zalig? Nee, maar dat komt niet omdat het offer van Christus niet voldoende zou zijn, want dat offer is algenoegzaam. Echt waar!

 

Wat dat offer betreft, zouden al de mensen uit heel de wereld zalig kunnen worden. Maar hoe komt het dan, waar ligt het dan aan als we niet zalig worden?

De Bijbel zegt: ‘Degenen die verloren gaan, gaan verloren vanwege hun ongeloof.’ En wat houdt dat ongeloof in? Gemeente, dat is als wij aan de gekruisigde Jezus voorbijgaan.

Want de Geest zal de wereld overtuigen van zonde, van de zonde van het ongeloof, omdat ze in Mij niet geloofd hebben. Ongeloof is het onrein achten van het bloed van de gekruisigde Christus, dat waarachtig wordt aangeboden.

Als we Hem niet aannemen, dan worden we niet zalig.

In hoofdstuk 3, paragraaf 6 van de Dordtse Leerregels staat:

Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van Christus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld.

Ziet u, onze belijdenis spreekt heel gewoon de Bijbel na.

 

Gemeente, als u niet zalig wordt, dan ligt dat niet aan God de Vader. Dat ligt ook niet aan God de Zoon en ook niet aan God de Heilige Geest. De drie-enige God heeft Zijn gewilligheid betekend en verzegeld aan uw voorhoofd toen u werd gedoopt.

Het offer van Christus is algenoegzaam. Hij sprak: ‘Het is volbracht.’ Daarom komt de prediking van de verzoening met des te meer klem tot u en tot mij.

We hebben het gelezen in 2 Korinthe 5:

Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.

En Paulus vervolgt:

Zo zijn wij dan gezanten van Christuswege, alsof God door ons bade; wij bidden van Christus wege: Laat u met God verzoenen.

Dat kan nog. Waarom? Paulus schrijft:

Want Dien Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

 

Voelt u, welke geweldige verantwoording wij hebben als we leven onder de prediking van de verzoening? De Heere bidt u door middel van Zijn dienaren om u met Hem te verzoenen.

Gemeente, de Heere Jezus weent, Hij stort Zijn tranen in de prediking der verzoening. Zoals Hij eenmaal wenend stond voor de poort van Jeruzalem en uitriep, terwijl Zijn hart schokte en snikte:

Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de profeten doodt, en stenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb Ik uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kiekens bijeen vergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild.’

Daar zit het op vast. Echt, daar zit het op vast: ‘Gij hebt niet gewild, gij zijt aan Mij voorbijgegaan.’

Hoeveel tekenen en wonderen heeft Hij gedaan? Hoe duidelijk heeft Hij laten zien, dat Hij de Messias is, de van God gezonden en beloofde Verlosser. Christus weent als u Zijn offer afwijst. Om welke reden dan ook.

Waarom weent Hij? Omdat de Heere Jezus de Enige is, Die weet wat ons te wachten staat als wij Hem afwijzen. Hij is de Enige, Die waarachtig weet en ervaren heeft hoe zwaar en vreselijk de last van de eeuwige toorn van God over de zonde is. Des te verschrikkelijker is het als wij Zijn bloed onrein achten. Hoe zullen we ontvlieden, indien wij op zo’n grote zaligheid geen acht geven?

 

Jongens en meisjes, buig voor deze Zaligmaker. Ik bid je in de Naam van de Heere Jezus, ga niet verder met het leven in de zonde, maar zoek de Heere Jezus tot een Verlosser voor je ziel. Als je Hem zoekt, dan zul je Hem vinden. Daar ben ik zeker van, want de Heere Jezus zegt Zelf: ‘Wie Mij vroeg zoekt, zal Mij vinden en wie klopt, zal opengedaan worden.’

Leef niet onverschillig verder en zeg niet: ‘We zullen wel zien waar het schip strandt.’ Want dan strandt het in de eeuwige rampzaligheid. Christus weent als je Hem afwijst.

Buig daarom je knieën en zeg:

‘Heere Jezus, mag ik tot u komen?’

‘Ja’, zegt Hij, ‘je mag zo tot Mij komen.’

‘Maar moet ik dan niet eerst dit of moet ik dan niet eerst dat?’

‘Nee’ zegt Hij, ‘want Ik heb alles gedaan wat nodig is en Ik zal je alles leren. Geef je maar over in Mijn doorboorde handen. Ik heb zoveel geleden; Ik heb zoveel gestreden; Ik heb zoveel doorworsteld. Je kunt zalig worden. Bij Mij is er plaats. 

Ik spreek nog van boven het verzoendeksel.’

Jongelui, koop je tijd uit; leef toch zo niet door, maar bid, zoek, lees je Bijbel. Wees ermee bezig.

 

Heb je wel eens iets voelen branden van de toorn van God in je hart? Want dat is geen vreemde zaak. Dat leert de Heere ons ook. Dan ga je in de eenzaamheid je knieën buigen voor de Heere en belijden: ’k ben, door Uwe wet te schenden, krom van lenden.’

O, hebt u daar wel eens iets van ervaren? Nee, niet alles, dat kan niet. Dat houd je niet uit als mens. Dat heeft Christus wel kunnen uithouden omdat Hij ook God was, vandaar die oneindige waarde van Zijn verdiensten. Maar heb je daar wel eens iets van voelen branden in je ziel? Weet je wat het is om verstoken te zijn van God, van Zijn gunst en gemeenschap gescheiden te zijn en dat je God in de beleving van je hart mist? Dan zeg je: ‘Heere, ik ben zo leeg, zo ongelukkig. De wereld kan me niet meer gelukkig maken. Alleen U kunt dat, maar ik moet U missen, Heere.’

 

Als God Zijn liefde uitstort in je hart, dan kan je niets méér verscheuren, dan de ervaring God te missen. Je kunt Hem dan niet meer missen en dat is bitterder dan de dood! En als dat missen van de Heere al zo erg is, laat staan de ervaring van Zijn toorn.

 

O, dat moet wat voor de Heere Jezus geweest zijn! Maar hoe schittert hierin toch ook de liefde van Christus! Want nog groter dan Zijn toorn is Zijn liefde geweest tot Zijn Vader en tot zondaren, om die onmetelijke last van Gods toorn te dragen. Heb je zo wel eens mogen zien op die dierbare Zaligmaker? Wat een wonder is het als je dan leest in antwoord 37:

Omdat Hij met Zijn lijden, als met het enige zoenoffer, ons lichaam en onze ziel van de eeuwige verdoemenis verloste, en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven verwierf!

Het is eigenlijk wonderlijk, dat de Catechismus hier de lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid van Christus gewoon even door elkaar haalt. Want met Zijn zoenoffer verloste Hij ons van het oordeel, er staat ook: ‘Daar verwierf Hij voor ons het eeuwige leven mee.’ Met Zijn lijden bracht Hij voldoening aan, verzoende Hij de zware schuld waaronder ik gebukt ga, stilde Hij de toorn van God en zo komt voor mij, hoewel met tranen omfloerste ogen vanwege de bitterheid over mijn zonde, de verlossing in zicht.

 

Verlossing, waarvan?

Ja, gemeente, het staat er en ik zeg het maar met de woorden uit de Bijbel: ‘Hij verlost van de eeuwige verdoemenis.’ Zo begint er voor het verdrukte hart toch iets te lichten van de gerechtigheid, de genade en het eeuwige leven, dat Christus voor de Zijnen verwierf. Door Zijn lijden werd Christus het enige zoenoffer. Ten tijde van het Oude Testament legde de gelovige Israëliet zijn hand op de kop van het offerdier, zo droeg hij symbolisch zijn schuld over op dat schuldeloze dier en zo gaf dat offerdier zijn leven tot verzoening met God. Symbolisch, zei ik, want het was een heenwijzing naar het ware offer, naar de Heere Jezus Christus, Die de schuld verzoend heeft.

 

En nu vraag ik u en jou: ‘Heb je zo wel eens je hand mogen leggen op de Heere Jezus, op dat enige, ware zoenoffer? Ging er zoveel liefde van Hem uit en zoveel aantrekkingskracht, dat je niet anders meer kon?’

Je moest gewoon en je zei:

‘Heere, hier kom ik. Als dan alles bij U is wat ik nodig heb, dan kom ik arm en naakt tot U, Die zalig maakt. Als ik dan komen mag zoals ik ben. Heere, hier ben ik en ik leg mijn hand op Uw offer, o Lam van God.’

 

Wat is dat heerlijk, wat is dat een bevrijding om zo met je persoonlijke schuld, zonde, vervloeking en met het oordeel van God te mogen neerknielen aan de voet van het kruis!

Zo proef je iets van de vrede en vreugde, die alle verstand te boven gaat.

Dat leert ons de Heilige Geest. Door die Geest geschiedt het, dat we de toevlucht leren nemen tot het dierbare Godslam als ons enige zoenoffer.

Nee, een ander is er niet. Er is maar één zoenoffer en dat is Jezus. Buiten Hem kan niets van ons de Heere behagen, waar we ook mee aan komen dragen.

We hoeven aan niet één voorwaarde te voldoen. Zijn offer is volkomen en genoegzaam.

 

Daarin ligt genoeg ruimte voor de grootste der zondaren. Waarom? Omdat Christus de eeuwige toorn tegen de zonde van het ganse menselijk geslacht gedragen heeft.

Laat u met God verzoenen! Dat is tot Zijn eer en tot uw zaligheid. Slechts één druppeltje van Zijn zoenbloed, gesprenkeld op ons hart, is voldoende om het te breken.

Dan voel je je doodongelukkig. In plaats van vrede kreeg je onvrede in je ziel. De toorn van God over je zonde wordt gevoeld en misschien zelfs wel de vijandschap in je hart tegen vrije genade, zodat je de dichter moest nazingen: ‘Ik wou vluchten, maar ik kon nergens heen.’

Maar vanuit de verzoening, vanuit dat eeuwige Lam Gods, is er één druppel van dat zoenbloed gebracht in je hart door de Heilige Geest. De vijandschap is gebroken, de haat wordt veranderd in liefde en de schreeuw naar God wordt geboren.

 

En wat doet nu zo’n verbroken hart? Dat buigt voor de Heere en voor Zijn heilig recht. Dan ga je belijden: ‘Ik heb de eeuwige toorn, de eeuwige verdoemenis verdiend. Ik ben het niet waard, Heere, om Uw kind te zijn.’

Dan wordt alles anders. Herkent u dat? Alles wordt anders, je bidden, je leven, je Bijbellezen en je kerkgang. Je hunkert naar verlossing.

En wat doet nu die dierbare Zaligmaker? Hij laat je zien, dat Hij Borg is, dat Hij die zware schuld betaalde en Hij nodigt en zegt: ‘Kom maar naar Mij toe, vermoeide en belaste en Ik zal je rust geven.’ De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden.

Dan vallen de schellen van je ogen en dan kun je echt zeggen: ‘Eén ding weet ik, dat ik blind was en dat ik nu zie, want nu zie ik heerlijkheid in dat kruis, nu zie ik heerlijkheid in de Heere Jezus Christus.’

Och, soms gebeurt dat zomaar onder een preek of onder het Bijbellezen, maar het kan ook langzamerhand geschieden.

 

Dat geloof moet groeien, het is een levend iets. Het is niet statisch, zo van ‘Ik heb het geloof op zak’, maar het is dynamisch, het wordt geoefend, het groeit en bloeit en draagt vrucht. De Heere leert het door Zijn Woord en Geest en zo leren we de verlossing te omhelzen. Hier in beginsel, in de belofte, maar straks wordt het eenmaal volmaakt vervuld in de dag van de wederopstanding der doden.

 

In plaats van de eeuwige verdoemenis verwierf Hij, zo zegt de Catechismus, genade, gerechtigheid en eeuwig leven. Genade is de goede gunst van God, waarop ik helemaal geen recht heb. Hij wil mijn ogen openen voor de dierbaarheid van de Heere Jezus.

Maar ook de gerechtigheid, de gehoorzaamheid die Christus aanbracht, wordt mij toegerekend.

Hij ziet mij aan in Zijn bloed, waardoor ik voor God rechtvaardig ben. Ook bracht Hij het eeuwig leven aan, dat hier reeds begint. Dat is het kennen van God in je hart. Dat zal straks in de eeuwige heerlijkheid volmaakt zijn.

 

Dat was onze eerste gedachte en daarvan gaan we nu eerst zingen, voordat we onze andere gedachten ontvouwen.

 

We zingen van Psalm 97 vers 6 en 7

 

Beminnaars van den HEER’,

Verbreiders van Zijn eer,

Hoopt steeds op Zijn genade,

En haat altoos het kwade.

Hij, Die in tegenspoed

Zijn gunstgenoten hoedt,

Verleent hun onderstand,

En redt z’ uit ’s bozen hand,

Die op hun onschuld woedt.

 

Gods vriend’lijk aangezicht

Heeft vrolijkheid en licht

Voor all’ oprechte harten

Ten troost verspreid in smarten.

Juicht, vromen, om uw lot;

Verblijdt u steeds in God;

Roemt, roemt Zijn heiligheid;

Zo word’ Zijn lof verbreid

Voor al dit heilgenot!

 

2. Vrijspraak door Zijn veroordeling

 

Gemeente, het gaat over het grote lijden van de Heere Jezus Christus. We hebben gelet ‘Op de verzoening door Zijn lijden’. Het tweede punt is: ‘Vrijspraak door Zijn veroordeling.’

We kunnen ons afvragen, waarom Pilatus in de belijdenis van de kerk voorkomt. In de Apostolische Geloofsbelijdenis hadden ze die heidense rechtsverkrachter er toch beter buiten kunnen houden? Jezus heeft toch ook geleden onder de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders Annas en Kajafas en onder koning Herodes? Daar zit dus iets belangrijks achter.

We weten, dat het Sanhederin in die tijd geen enkele bevoegdheid had om een doodvonnis uit te spreken en ten uitvoer te brengen. Daar was een officiële sanctie van de wereldlijke rechter voor nodig en dat is het punt waar het in de Catechismus om gaat. Christus mocht niet zomaar in het geheim door een roversbende of door een volksoproer ter dood gebracht worden, maar Hij is veroordeeld door een, door de overheid officieel beëdigd, rechter, die zijn gezag ontleent aan God.

Pilatus’ gezag als rechter was dus een door God verkregen gezag en daarom was het doodvonnis, dat Pilatus heeft uitgesproken, niet zomaar een Joodse vergissing, maar het gaat hier om een officiële, openbare rechtszaak.

 

Was de Heere Jezus het slachtoffer geweest van een volksoproer, dan zou Zijn lijden geen strafdragend karakter, geen plaatsvervangende betekenis gehad hebben. Nee, Christus is door de officiële rechter in functie veroordeeld. Maar let wel, onschuldig! Tot drie keer toe geeft Pilatus openlijk te kennen: ‘Ik vind geen schuld in deze Mens.’

Dat is juridisch gezien van de allergrootste betekenis. Het Sanhederin beweerde namelijk wél, dat de Heere Jezus des doods schuldig was. En al zou er maar iets van waar geweest zijn, dan zou Christus voor Zichzelf geleden hebben en niet borgtochtelijk. Maar Jezus’ onschuld is aan alle kanten bewezen. En met die onschuld staat of valt onze zaligheid. Onbegrijpelijk is dat en toch waar.

Pilatus heeft, ondanks de onschuld van Jezus waarvan hij overtuigd was, Hem nochtans veroordeeld. En daar blijft hij voor de volle honderd procent verantwoordelijk voor. Willens en wetens heeft hij Christus opgeofferd aan zijn eigen belang. Bovendien is hij ook nog gewaarschuwd door zijn eigen vrouw, die in een droom veel geleden had om Jezus’ wil. ‘Heb toch niet te doen met die Rechtvaardige’, heeft ze gezegd.

 

Maar wat heeft dit gekronkel van Pilatus te maken met onze vrijspraak? Wel, het heeft er alles mee te maken, want dwars door dit kromme handelen van Pilatus heen, werkte de hoogste Rechter van hemel en aarde Zijn eigen recht uit. Daarmee sanctioneerde God niet het gedrag van Pilatus, maar wel het vonnis van Pilatus. Zijn lieve Zoon Jezus Christus moest onschuldig ter dood veroordeeld worden, opdat wij in het gericht van God vrijgesproken zouden worden. Al had Pilatus geen recht om Christus te veroordelen, de Vader had dat recht wel. Want van eeuwigheid af, vanuit de Raad des Vredes, heeft Christus gezegd: ‘Zie, Ik kom, o God, om Uw wil te doen.’ Hij zou met Zijn hart immers Borg worden!

En zo klonk boven het gejoel van de schare: ‘Kruis Hem, kruis Hem’ en boven de rechtsverkrachting van Pilatus toch het rechtvaardige oordeel van God, Die Zijn lieve Zoon Jezus Christus ter dood veroordeelde om onze zonde, om ons daarmee van het strenge oordeel Gods te bevrijden. Streng wil zeggen: in overeenstemming met Zijn recht.

 

Dat is een ernstige zaak, daar valt niet mee te spotten. Het gaat hier over het oordeel van de eeuwige dood. Dat is wat! Daar kun je geen toeschouwer bij zijn. De Heere is rechtvaardig. O, dat leer je als je Jezus hoort bidden voor Zijn beulen en de pijl van Zijn liefde je hart doorsnijdt.

Toen kreeg de moordenaar zicht op Wie Jezus was, zodat hij sprak: ‘Gedenk mijner.’ Deze eigent zich zijn schuld en het rechtvaardige vonnis toe: ‘Wij toch rechtvaardig, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.’ En dan nu het wonder. Christus liet Zich onder dat oordeel verpletteren om ons daarvan te bevrijden.

 

Hebt u, gemeente en jullie, jongelui, dat oordeel van God over je zonde al eens aanvaard, zoals God het ons verkondigt in de prediking van Zijn Evangelie? Heb je ooit op je knieën voor God beleden: ‘Ik heb het verdiend.’ ‘Ik heb het verdiend?’ Heb je ooit met tranen in je ogen gezegd: ‘Heere, ik ben het waard om eeuwig veroordeeld te worden?’

Kijk, in die erkenning ligt nu juist de bevrijding. Want daar leren we onze schuld en doemwaardigheid kennen, erkennen en bewenen. We leren onze doemwaardigheid aanvaarden in geloof aan Christus, Die boog onder het recht van Zijn Vader.

Dan gaan we met Hem buigen onder het strenge oordeel Gods over ons leven. In die weg openbaart de Heere Jezus Zich door Zijn Woord aan ons in Zijn onmetelijke zondaarsliefde. Zo schenkt Hij ons door de toepassende kracht van de Heilige Geest de vrijspraak. Zo mogen we Hem zien als de dierbare Borg en Zaligmaker, Die het oordeel van de eeuwige dood weggedragen heeft in Zijn onschuldige veroordeling.

 

Wat een eeuwig wonder als je dat ervaren mag! Dan glijdt het pak van de zonden van je schouders, zoals bij Christen in de Christenreize van Bunyan.

Dan sta je aan de voet van het kruis om daar, in plaats van het strenge oordeel van God, de gezegende vrijspraak te mogen beleven.

Hij is het dierbare Godslam, Dat onder Pontius Pilatus onschuldig ter dood veroordeeld is.

Gezegend en geprezen is Zijn Naam tot in alle eeuwigheid!

Deze heerlijke vrijspraak zendt Hij tot ons in het Woord der verzoening.

 

Dat was het tweede: ‘Vrijspraak door Zijn veroordeling.’

 

3. Zegen door Zijn vloekdood

 

Tenslotte gaat het nog over de manier waarop Hij gestorven is.

U weet, dat eertijds misdadigers om het leven gebracht werden door steniging. Sabbatschenders, vloekers en doodslagers moesten naar het oordeel van God bloedig gedood worden. Een andere manier om de doodstraf uit te voeren was door wurging of onthoofding. Denk aan Johannes de Doper.

De kruisdood was bij de Joden niet bekend. Het was een Romeinse straf. Pilatus zou niet eens op dit vonnis gekomen zijn als de Joden hem niet op dat idee hadden gebracht. Want toen hij vroeg: ‘Wat zal ik dan doen met Jezus, Die genaamd wordt Christus?’ toen antwoordden ze: ‘Kruis Hem!’ Hij moest gekruisigd worden en een wrede marteldood sterven.

 

Ook hierin wordt Gods raad vervuld, want de Schrift zegt: ‘Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.’ Daar wordt niet de kruisdood mee bedoeld, maar het vonnis, dat het lichaam van een gestenigde, die dus al gestorven was, aan een paal gehangen moest worden. Zo staat er in het Oude Testament: ‘Een gehangene is Gode een vloek.’

Welnu, dat maakt de kruisdood alleen nog maar erger, want daar wordt niet een dode, maar een levende aan het vloekhout gehangen.

 

Alle pogingen om Jezus te doden, de kindermoord te Bethlehem, de poging om Hem van de steilte van Nazareth af te werpen, moesten mislukken. Waarom? Omdat Jezus op Gods tijd gekruisigd moest worden. Omdat de schriften vervuld zouden worden. De kruisdood was van God vervloekt. En zo heeft Christus in Zijn kruisdood de vloek van God ervaren, geproefd, gedragen, maar ook weggenomen.

God vervloekte Hem daar. Dat is wat geweest! De Vader wilde Hem niet meer kennen. ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’

 

En nu zegt de Catechismus, dat Hij de vervloeking, die op mij lag, op Zich geladen heeft.

Gemeente, op u ligt die vervloeking. Dat moet ik u prediken vanuit de Bijbel. Op u en op jullie, jongens en meisjes, ligt de vervloeking van God, tenzij dat u in de Heere Jezus gelooft. Die niet gelooft, is alrede veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God. Wie niet in Hem gelooft, op die rust de vloek van God.

Die vloek heeft Christus gedragen.

Wat een blijde boodschap is dan het kruis van de Heere Jezus!

Daarvan zegt Paulus: ‘Het zij verre van mij dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onze Heere Jezus Christus.’ Aan het kruis heeft Hij de vloek van God op Zich geladen, die u en ik hebben verdiend.

 

Zegt u daar amen op? Wij hebben van het kruis iets moois gemaakt, een versiering, een ornament aan de muur bijvoorbeeld. In sommige kerken zie je dat of op een toren. Er zijn mensen, die een kruisje van zilver of goud aan een kettinkje om de hals dragen. Het kruis heeft dan de functie van versiering, van iets moois. Maar het kruis is niet mooi; het is even gruwelijk en grimmig als de galg.

Het kruis van Christus stond ook niet op een mooie plaats, maar op de vloekheuvel Golgotha. Het kruis is hoekig, afschrikwekkend, afzichtelijk. Het kruis stond haaks op de aarde. Zo stond het daar van Godswege, als een teken van Gods vlammende toorn over alle ongerechtigheid der mensen.

 

En toch, gemeente, toch is dit kruis me lief, want dit kruis is het kruis van onze Heere Jezus Christus. Dat kruis is me liever dan wat-ook ter wereld. Dit kruis is mijn enige hoop en redding. O, was dit kruis niet eenmaal op Golgotha in de bodem gedreven, dan was het aardrijk, dan waren u en ik vervloekt en voor eeuwig verloren gebleven!

 

Maar zegt u:

‘Hoe kan dat dan, hoe laat zich dat rijmen? Hoe kan dat hout nu tegelijkertijd een teken zijn van het toornend gericht van God en ook een teken van Zijn reddende vrijspraak? Hoe kan het kruis tegelijkertijd een teken van Gods vonnis en een teken van de verlossing zijn?’

U voelt, dat er spanning staat op deze vraag. Het antwoord hierop moet u niet zoeken in leerstelligheden of in de dogmatiek, maar het is een heilgeheim, het blijft een mysterie. Het is een huiveringwekkend geheimenis, dat wij niet begrijpen, maar dat ons aangrijpt. Het gaat er in de verkondiging van het kruisevangelie om, dat Jezus Christus ons voor ogen geschilderd wordt als ‘onder ons gekruisigd’ zijnde.

Dat betekent niet alleen, dat Christus vroeger is gekruisigd, ‘maar nu’ zegt de apostel. Nu wordt Christus in de prediking onder u gekruisigd. Dan kunt u namelijk zien hoe afschuwelijk en hoe afschrikwekkend de zonde is en de vloek van God op alle overtredingen van Zijn heilige wet.

 

U voelt wel, zo het kruis prediken kan niemand van zichzelf, maar daar moet de Heilige Geest aan te pas komen. Daar moet de Geest voor afdalen in het hart van de predikant en van de hoorders. Niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden. ‘Het bloed van Jezus drupt vanaf de kansel’, zegt Calvijn, ‘zodat de Gekruisigde onder ons gekruisigd en voor ogen geschilderd wordt.’

Als die Kruiskoning dan zo hoog verrijst, dan wordt één zaak duidelijk en dat is, dat mijn zaak in het geding is. Het gaat over mij. Het gaat over de vervloeking, die vanwege mijn zonde op mij ligt. En die vervloeking, zo zegt de Catechismus, heeft Hij op Zich geladen.

Is dat geen eeuwig wonder? Die vloek heeft Hij verzwolgen in Zijn vloekdood op Golgotha. Daar heeft Hij die vloek tot zwijgen gebracht.

 

O, laten we hieruit leren, gemeente, hoe vervloekt onze zonden zijn voor God!

Maar anderzijds mogen we hier ook door bevestigd zien, dat onze vloek en schuld werkelijk gelegd zijn op de Zoon van God. Zo mogen we Jezus ontvangen uit de handen van de Vader, door het werk van de Geest. Hij is mijn gekruisigde Zaligmaker. Hij is mijn vervloeking.

 

Zo persoonlijk eindigt het hier. Het is de bedoeling, dat we daar ‘amen’ op zeggen. Mijn vervloeking heeft Hij op Zich geladen. Waar zie ik dat? Op Golgotha, aan de voet van het kruis, want God is zo rechtvaardig, dat Hij de zonde maar één keer straft en geen twee keer. En als Jezus mijn zonde droeg, dan hoef ik ze niet meer te dragen tot in der eeuwigheid.

 

Waar ontvang ik die zekerheid? Aan de voet van het kruis en nergens anders.

Maar toen mij Gods Geest al mijn schuld had ontdekt,
Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt, 
Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed; 
Daar werd al mijn deugd een wegwerpelijk kleed!

 

Die zekerheid ligt in Zijn kruis en niet in ons, niet in mij, niet in ons hart, niet in onze ervaring, maar buiten ons in dat dierbare kruis van onze Heere Jezus Christus.

Die troost wordt ontvangen door het geloof als een vrucht, als een werk, als een gave van de Heilige Geest, zodat u mag zingen:

 

In het kruis zal 'k eeuwig roemen!
En geen wet zal mij verdoemen;
Christus droeg den vloek voor mij!
Christus is voor mij gestorven,
heeft genâ voor mij verworven!
'k Ben van dood en zonde vrij!

 

Halleluja!

 

Amen.