Ds. R. Kattenberg - Handelingen 7 : 1

Stéfanus gevangengenomen

Een geduchte aanval geopend op Stéfanus
Een zware beschuldiging geuit door Stéfanus
Een uitbarstende haat in de richting van Stéfanus
Deze preek is eerder uitgegeven in het boekje: Onder een open hemel. 7 Preken over het leven van Stéfanus.
© 2007 UITGEVERIJ GROEN - HEERENVEEN

Handelingen 7 : 1

Handelingen 7
1
En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Psalm 121: 1 en 3
Lezen : Handelingen 6: 8 - 7: 1
Lezen : Handelingen 7: 51 - 54
Zingen : Psalm 26: 1
Zingen : Psalm 46: 1 en 2
Zingen : Psalm 53: 4
Zingen : Psalm 113: 3 en 4

Gemeente, het is de bedoeling om de komende weken samen na te denken over datgene wat er over Stéfanus geschreven staat in Handelingen 7.

De eerste preek is, met  ’s Heeren hulp, uit de verzen 1, 51 en 54:

 

En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?

Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.

Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem.

 

Stéfanus gevangengenomen:

1. Een geduchte aanval geopend op Stéfanus

2. Een zware beschuldiging geuit door Stéfanus

3. Een uitbarstende haat in de richting van Stéfanus

 

1. Een geduchte aanval geopend op Stéfanus

 

Gemeente, het is nog maar kort geleden dat Stéfanus gekozen is tot diaken. Met nog zes anderen is hij door de apostelen aangesteld om in het bijzonder aandacht te geven aan de armen van de gemeente. Maar het werk van Stéfanus blijkt zich niet te beperken tot het ambt van diaken. Want de schriftlezing begon zonet met Handelingen 6:8 waar staat: En Stéfanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. Zoals Petrus op de pinksterdag heeft getuigd, zo getuigt ook Stéfanus in de straten van Jeruzalem. Hij spreekt over de grote daden van God, die de Heere door Christus Jezus gedaan heeft tot der mensen zaligheid. Want vol zijn van de Heilige Geest, vol zijn van geloof, dat betekent ook spreken door de Heilige Geest. En dat is altijd de prediking van de Heere Jezus Christus. Dat is altijd de prediking van Zijn naam en van Zijn werk; van alles wat Hij heeft aangebracht tot de zaligheid van zondaren uit het menselijk geslacht. Daarom koppelt zich aan die prediking de oproep tot bekering en tot het geloof in Christus, de Gekruisigde en de Opgestane. Dat ligt altijd in het verlengde van de boodschap van God. Het is geen vrijblijvende aangelegenheid; de Heere komt heel nadrukkelijk met het aanbod van Zijn genade, welmenend en onvoorwaardelijk, in de dienst der verzoening.

Zo is, ook vandaag, de spits van het Woord op onze harten gericht. En als Stéfanus dat gedaan heeft dan is hij daar kennelijk in gesterkt. Dan heeft de Heere hem daarin bijgestaan. Want we lezen in vers 8 niet dat hij tekenen deed, maar dat hij grote tekenen deed onder het vólk. Hij deed grote tekenen in de stad Jeruzalem, waar het getal van de discipelen van de Heere Jezus aan het vermenigvuldigen is. Hier, en daar en ginds. Wat een glorie van de Koning van alle koningen. Wat een heerlijkheid voor Hem, Die gekomen is om zondaren zalig te maken.

Ziet u wel hoe de Vader Zijn belofte vervult in het leven van Zijn Zoon? Heeft de Vader niet Zelf gezegd in: Als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien (Jes. 53:10). Het getal van de discipelen vermenigvuldigde in Jeruzalem zeer. En de kinderen weten - als ze tenminste al een poosje op de basisschool zijn - dat vermenigvuldigen veel meer oplevert dan optellen. Met optellen heb je veel langer werk om tot een bepaald bedrag te komen dan met vermenigvuldigen. Nu, het getal van de discipelen vermenigvuldigde zeer. Het Koninkrijk der hemelen breekt zich baan en maakt zich sterk.

Als dat gebeurt, als dat de werkelijkheid is gemeente, dan is er in ieder geval één die zich mateloos ergert, en die met zijn tanden knarst. Als het goed gaat met de Kerk des Heeren dan weten de kinderen wel wie met zijn tanden knerst. Dat is de duivel. Hij kan het niet hebben wanneer jij goed luistert. Hij kan het ook niet hebben als grote mensen goed luisteren. De duivel is altijd bezig om het werk van de Heere kapot te maken en er tussen te komen. Daarvoor heeft satan mensen in zijn dienst. We lezen in vers 9: En er stonden op sommigen die waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, en der Cyrenéërs, en der Alexandrijnen, en dergenen die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stéfanus. Ze hebben dus woorden samen. Als je die twee partijen tegenover elkaar ziet staan, dan kun je daar zo het verloren paradijs naast leggen. De Heere heeft immers het volgende aangekondigd: een strijd, een oorlog, tussen het vrouwenzaad enerzijds, Christus, en het slangenzaad anderzijds, de vorst der duisternis en zijn trawanten. Christus tegenover satan. Hier staan die groepen die genoemd worden aan de kant van satan en Stéfanus mag de verkondiger zijn van Jezus. Hij staat aan de kant van zijn Meester.

 

Het is een van de twee kanten, ook vandaag. Aan welke kant staat u? Aan welke kant staan jullie, meisjes en jongens? Er is geen grijs gebied van het toeschouwer zijn. Je kunt niet zeggen: ‘Ik sta er tussenin’.  Het Evangelie is heel radicaal en heel confronterend. Het is voor óf tegen. En de tegenstanders roeren zich heftig, zijn druk doende, maar zo lezen we: Zij konden niet wederstaan de wijsheid en den Geest, door Welken hij sprak. Heel eenvoudig gezegd: ze konden niet tegen hem op. Ze moesten het verliezen.

Maar in plaats van dat ze zich nu laten overtuigen, worden ze verbitterd en hun haatgevoelens komen naar boven. Ze kunnen Stéfanus niet weerstaan, maar ze willen niet buigen. Ze willen van hem af; ze willen Stéfanus niet langer aanhoren. En ze worden zo boos dat ze Stéfanus tenslotte grijpen en hem voor de Joodse raad brengen. De beschuldigingen die ze uiten, liegen er niet om. Zo staat Stéfanus dan, als een beklaagde, voor de zeventig mannen van de Hoge Raad. En er is niets nieuws onder de zon. Hebben ze in het proces tegen Jezus van Nazareth indertijd een beroep gedaan op valse beschuldigers, in de geschiedenis van het leven van Stéfanus is het niet anders. Ze willen hoe dan ook van hem af. Het doel heiligt kennelijk de middelen.

 

Gemeente, laten we in onze gedachten wat dichterbij komen, laten de kinderen ook meegaan, meisjes, jongens, wij allemaal, we zien ze daar staan. En we zien met name Stéfanus staan.

Krijgen we geen medelijden met hem? Zeggen we niet: ‘Nu heeft die man zo getuigd van zijn Heere en Koning, zich er helemaal voor over gegeven, en nu is dit het loon op zijn werk? Arme Stéfanus.  Stéfanus voelt zich helemaal niet beklagenswaardig. Hij weet in Wiens dienst hij staat. Als God zijn schild en hulp wil wezen, wat zullen nietige mensen dan uiteindelijk doen? Eén man mét God, heeft Luther gezegd, is altijd in de meerderheid. Dat geldt ook voor Stéfanus. Hij steunt op God zijn Toeverlaat en hij ondervindt de vervulling van het woord dat Jezus Zelf gesproken heeft: Doch wanneer zij u overleveren, zo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dezelve ure gegeven worden, wat gij spreken zult (Matth. 10:19).

 

Zo staat ook Stéfanus daar, vol van de moed van het geloof, ten overstaan van de Joodse leidslieden. Als een man die vol is van de Heilige Geest. We lezen in vers 15: allen die in den Raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels.  Ze hebben daar in de Hoge Raad waarschijnlijk ook nog nooit een engel gezien. Maar Stéfanus’ aangezicht is kennelijk zo hemels en zo aansprekend dat, als ze een vergelijking willen trekken, aan niets anders kunnen denken dan aan een engel. Het aangezicht van een engel, stralend dus en blinkend en vol van heerlijkheid. Een engel doet denken aan de hemel en het zou mooi zijn als zij daar nou ook aan gedacht hadden. Maar nee, de Hogepriester opent zijn mond en zegt: Zijn dan deze dingen alzo? Zo in de trant van: ‘Zijn die beschuldigingen waar? Hebt u inderdaad lasterlijke woorden gesproken tegen de tempel en tegen de wet?’ Tegen de tempel en tegen de wet! U voelt dat de tegenstanders van Stéfanus zich weten aangesproken in hun godsdienst. Het gaat niet zomaar over een onderwerp waarvan ze zeggen: ‘Kom, daarover verschillen we van mening, laten we daar eens over discussiëren.’ Nee, het gaat heel nadrukkelijk over het godsdienstig bezig zijn. Over de tempel en over de wet. Het gaat dus over de dingen van het Koninkrijk van God. Hierom is de tegenstand tegen Stéfanus ten diepste tegenstand tegen Degene Die Stéfanus preekt, namelijk: Jezus. Hij is in het geding. Op Hem richten ze zich uiteindelijk. Het gaat om de Heere Jezus Christus.

 

Nu komen we bij de kern. Hoe komt dat het dat ze zich zo aangesproken weten? Stéfanus heeft nu juist Jezus gepredikt als de enige Weg. En Jezus heeft alles wat van de mens is de deur gewezen. Stéfanus was Evangeliedienaar. Hij predikt het Evangelie van de genade van God. En als het genade is, dan komt mensenwerk niet in aanmerking. Dan is alles wat van ons is, afgeschreven. Je zult maar in de Hoge Raad zitten en het zal je maar gezegd worden. Ondanks je hoge positie hebben al je werken geen enkele betekenis voor God. Je zult maar in de kerk zitten en horen dat al je goede werken, al de dingen waar u zo prat op gaat, geen betekenis hebben voor God, wanneer het gaat om de gerechtigheid die geldt voor Zijn aangezicht. Hoort u? Een Christusprediking is altijd een afsnijdende prediking. En dat wilden ze toen en daar niet. En hoe is het hier en nu? Is het vandaag anders?

 

Er zijn altijd weer mensen, die zalig gesproken willen worden in hun godsdienstig leven. Altijd weer zijn er mensen die zalig gesproken willen worden in hun activiteiten. Ja, maar ik doe dit en wij doen dat en dat hebben we gepresteerd. Ook wij houden er niet van om aangewezen te worden in onze verlorenheid. U wel? Jullie? Ik? Zitten we daar op te wachten? Zitten we erop te wachten dat we aangesproken worden in onze schuld voor God, in ons verderf? Dat we aangesproken worden in onze onbekeerlijkheid? Vanuit onszelf is er niets anders dan bittere vijandschap tegen het kruis van Christus. De Heilige Schrift is daar ook duidelijk over. Het leeft in ons allemaal, het zit ons in het bloed, het is ons bestaan. Van nature is er de haat tegen het Evangelie. We willen niet dat tollenaren gezaligd worden en dat mensen aan de zelfkant van de maatschappij kunnen en zullen ingaan in het Koninkrijk der hemelen. We willen niet dat zondaren de zonden vergeven worden alleen om der wille van de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Liggen we vanuit onszelf niet dwars, wanneer de zaligheid verkondigd wordt aan goddelozen? Er is niets wat zo op weerstand stuit als de boodschap van het Evangelie. Die twee woorden: UIT GENADE. Die paar woorden liggen niemand van nature. Zeker, je kunt je tegenstand tegen die woorden rechtzinnig verpakken en je kunt die met mooie woorden omkleden. Kijk maar naar de leidslieden van het volk van Israël.  Wat nemen ze het nauw en wat komen ze op voor de eer van hun God en voor Gods heilige wet. Zo in de trant van: maar dat gaat zo maar niet. En ze stelden valse getuigen die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazarener, deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft. De Hogepriester zegt: Zijn dan deze dingen alzo?

Dan begint Stéfanus, volkomen rustig, zijn verdediging. We volgen die rede niet in zijn geheel. Ik geef nu een paar korte trekken. Stéfanus gaat de geschiedenis van Israël door. Hij begint bij Abraham, en hij eindigt bij Salomo. Dan vertelt hij hoe de Heere handelde met Zijn volk, het volk van Israël, dat Hij verkoren had uit alle natiën. Maar hij vertelt ook hoe dat volk de Heere heeft tegengestaan en van de Heere is afgeweken. Hij geeft wat voorbeelden. In vers 9 zegt hij bijvoorbeeld: En de patriarchen nijdig zijnde, verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden. Dat is een flinke speldenprik in het leven van die zeventig leidslieden. En die neemt nog toe als hij het in het 39e vers over Mozes heeft en zegt:

Dewelken onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte. In wezen was dit opstand tegen God. Ze hebben zich tegen God verzet. Zo gaat Stéfanus de geschiedenis door. Het is een en al opstand tegen God. Dan zegt Stéfanus ineens (hij prikt als het ware met de vinger op hun hart): Gelijk uw vaders, alzo ook gij. U lijkt als twee druppels water op uw voorvaderen. Wat hebben die zich gesteld tegen de profeten die de wil van God bekend kwamen maken. Ze hebben de profeten die de komst van Christus hebben aangekondigd, gedood. En nu Jezus gekomen is, hebt u zelf Jezus Christus gedood. U hebt Hem verraden en vermoord.

Het is hetzelfde wanneer de kinderen iets gaan bouwen, met blokken of met stenen; met lego of zo. Ze maken er een trapje in en komen al hoger, en … ja, dan komen ze aan de top. Nu, zo doet Stéfanus het ook. Hoger, al hoger en dan, ineens, dan zit hij op de top: jullie hebben Christus Jezus vermoord, verraden, gedood. Dat is de climax. Het is net als met het onweer. Eerst hoor je een beetje gerommel in de verte, dan hoor je het wat dichterbij komen en dan barst de bui los. Zo ook hier. En dan zijn er die indrukwekkende woorden: Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders alzo ook gij. U voelt het, Stéfanus is aan de verdediging begonnen en is tot de aanval overgegaan. Hij staat daar niet als iemand die zichzelf probeert vrij te pleiten. Maar hij staat daar als een levende getuige van Jezus Christus. Voor Hem komt hij op en voor de eer van Zijn naam. En hij doet dat met ontzagwekkende woorden. We gaan die woorden nader bezien in onze tweede gedachte waarin het gaat over een zware beschuldiging door Stéfanus geuit. En dan letten we met name op de woorden uit het midden van vers 51: gij wederstaat altijd den Heiligen Geest.

Voordat we dat doen, gaan we eerst Psalm 53 vers 4 zingen.

            

             Psalm 53: 4

 

Heeft dan dit volk, dat groeit in euveldaân,

Geen kennis? Neen, thans durven die ontzinden

Met gulzigheid Mijn volk als brood verslinden;

Zij roepen op hun godvergeten paân,

Zelfs God niet aan.

 

2. Een zware beschuldiging geuit door Stéfanus

 

Stéfanus uit een zware beschuldiging: Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uw vaderen alzo ook gij. Is dat geen hard woord? Is dat geen scherp woord, van de Christusprediker Stéfanus? Fel klinken de woorden van zijn beschuldiging. Hij windt er geen doekjes om. Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd den Heiligen Geest. Waar blijft in deze woorden de lieflijkheid van het Evangelie? Het is toch geen kleinigheid om tegen mensen te zeggen: Gij wederstaat altijd den Heiligen Geest? Kan zo’n aanpak wel? Ga je niet over de schreef? Gaat de inhoud van de woorden niet te ver? We kunnen weleens tegen de kinderen zeggen: ‘Hé, dat mag je niet zeggen. Nu ga je te ver.’ Meisjes, jongens, er kan weleens iets zijn thuis. Een confrontatie met je vader of met je moeder bijvoorbeeld. Die ander kan dan zeggen: ‘Nee, goed luisteren, dat moet je terugnemen, dat mag je niet zeggen.’ En nu zegt Stéfanus hier: Gij wederstaat altijd den Heiligen Geest. We lichten deze woorden er even uit en vragen: Kan dat? Kun je de Heilige Geest wederstaan? Kun je de Heilige Geest tegenhouden? Kan iemand de Heilige Geest tegenwerken? We spreken toch van de onwederstandelijke werking van de Heilige Geest?’  Dat is voor de kinderen best een moeilijk woord: de onwederstandelijke werking van de Heilige Geest. Dat wil zeggen: de Heilige Geest is niet tegen te staan in Zijn werken. We lezen dit in de Bijbel: de Heilige Geest werkt zonder dat Hij tegen te houden is. Daar hebben we de bewijzen van. We slaan het Woord open. Luister maar goed. Het is nog niet zo lang geleden dat het Pinksteren was. En hoe ging het er daar in Jeruzalem, op de eerste pinksterdag, aan toe? Vijanden van God, goddelozen, tegenstanders van God en van Zijn genade, werden bij duizenden overtuigd en ingewonnen door de Heilige Geest. Wat een blijdschap, wat een vreugde. De één na de ander kwam tot de belijdenis van het geloof en de Heere voegde dagelijks aan de gemeente mensen toe die zalig werden.

Neem Saulus van Tarsen. Wat voor tegenstand had hij te bieden, op de weg naar Damascus als Jezus in zijn leven komt: Saul, Saul wat vervolgt gij Mij (Hand. 9: 4).

Binnen de kortste keren ligt hij op de grond en dan lezen we dat hij zegt: Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal (Hand. 9: 6).Daar gaat er ééntje hoog te paard gezeten, een vervolger van Jezus Christus. En dan hoef je niet zoveel letters te wijzigen om van dat woordje ‘vervolger’, het woordje ‘volgeling’ te maken. Dat is toch onwederstandelijk werk van de Heilige Geest?

En nu staat hier, dat Stéfanus zegt: Gij wederstaat altijd den Heiligen Geest. Zegt Stéfanus in het vuur van zijn rede misschien dingen die hij niet verantwoorden kan? Gaat hij te ver? Moeten we Stéfanus op zijn schouder tikken om te zeggen dat hij dit niet mag zeggen?  Wie zou het durven? We hebben zojuist immers gehoord dat hij vol is van de Heilige Geest? Die leidt hem in zijn spreken en Die gaat hem voor in zijn daden. Stéfanus, vol van de Heilige Geest, wordt heel nadrukkelijk bewaard voor onwaarheden. Dus wat hier staat, is waar.

 

Zeker gemeente, we zijn ervan overtuigd dat, waar God werkt met Zijn Heilige Geest, alles moet wijken. Alles moet er voor aan de kant, alles moet het verliezen. Waar de Heere opstaat en zegt: ‘Ik wil’, daar gebeurt het ook. Dat zie je aan de pinksterlingen, dat zie je ook duidelijk in het leven van Paulus.

Maar daar moeten we niet al te haastig een conclusie aan verbinden. We moeten wel het héle Woord van God laten spreken. Want die voorbeelden van de pinksterlingen en van Paulus belichten de zaak slechts van één kant. Dat is de kant van God. Dan hebt u niets in te brengen en ik niet, en Stéfanus niet, en Paulus niet; niemand. Maar aan het geheel zit ook een menselijke kant. U wordt er dus ook bij betrokken. Het gaat ook ons aan; u en jou en mij. Hoe zijn we er dan bij betrokken?  Wij mensen doen al het mogelijke om ons tegen God te … Nu moeten de kinderen het invullen. Wij doen al het mogelijk om ons tegen God te …? Kent u dat vanuit uw eigen leven? … te verzetten! We komen met weerstand tegen God. Dat klinkt ons misschien vreemd in de oren. U zegt: ‘Waarom zouden we tegen God strijden? God heeft toch het goede met ons voor? Waarom moeten we dan getekend worden als mensen met wapens in de handen? Wij zitten toch als vredelievende mensen in de kerk! Tegen God strijden? Het Woord zegt dat God het goede met de mens voor heeft, en dat God de dood van de goddeloze niet zoekt! En dan tegen God strijden? Waarom?’ Nog een keer… Kent u het vanuit uw eigen leven? Waarom strijdt u tegen God? Omdat we gevallen mensen zijn. Omdat we Adams kinderen zijn. Omdat ons leven teruggaat naar het verloren paradijs. Daar vindt u de wortel van ons bestaan, het uitgangspunt. Daar hebben we gekozen tegen God. Ja toch, meisjes en jongens? We hebben gezegd: ‘De duivel die spreekt de waarheid. Wij zullen als God zijn.’ En God heeft gezegd: U zult de dood sterven (Gen. 2:17).  Welnee, welnee. Daar hebben we satan geloofd. We hebben ons gesteld tegen God, en dat is het stramien van ons leven. Het is schering en inslag. In Juda zeiden ze: ‘Wij zijn heren, en wij zullen tot U niet komen. Wij gaan onze eigen weg.’ Dat zit ons sinds de zondeval in het bloed. We zijn namelijk altijd dwars. Niet zo af en toe, maar altijd! We zijn dwars en staan vijandig tegenover God. Altijd verzetten we ons, altijd weerstaan we Hem. Dat is ons beeld.

 

Dat is wat ik de menselijke kant noemde. Daar moeten we goed oog voor hebben, want zoveel mensen doen eenzijdig een beroep op het werk van God. Terwijl ze eigen onwil en eigen tegenstand ongemoeid laten. Ze kennen, naar het lijkt, maar één kant. En dat is die goddelijke kant. Ze zeggen: ‘Ja, de Heere moet het doen hè? De Heere moet het doen met de onwederstandelijke werking van Zijn Heilige Geest. En als God niet ingrijpt in mijn leven, dan kan ik er niets aan doen.’ Dat zijn werkelijkheden.

Er zijn meisjes en jongens, die zo reageren. Die zeggen: ‘Laten we ons op zaterdagavond maar bezatten.’ En op zondagmorgen? ‘Ja, er zijn maar een paar uitverkorenen en daar hoor ik toch niet bij. Pak dus wat je van het leven pakken kunt. God werkt onwederstandelijk; kom we nemen er nog ééntje.’ Dit klinkt misschien wat wrang, maar ik bedoel het in alle ernst. Want dit blijkt de praktijk van mensen, ook van jonge mensen, te zijn. Meisjes en jongens, ik ben dankbaar dat jullie in de kerk zijn en ik hoop ook dat het aansluit bij wat je gisterenavond gedaan hebt. Laat de liefde van Christus ons dringen. Kom ga met ons en doe als wij, zo zingt de dichter, laat ons Jeruzalem binnengaan. De stad van onze God. Het is eenzijdig. Het verlossingswerk gaat van de Heere uit, laat dat duidelijk zijn. Anders werd er niemand zalig. Iemand zei: ‘Als God mij niet gezocht had, zou ik nooit naar Hem gezocht hebben.’ En dat is de praktijk in het leven van al de kinderen van God. In dat zoeken van God is de mens volkomen lijdelijk. Daar kun je niet aan toedoen, daar kun je ook niet aan afdoen; dat is het werk van God alleen. Lijdelijk. Maar dat wil niet zeggen dat de Schrift zegt: nu moet je er ook maar lijdelijk tegenover staan. Dan moet je maar afwachten of er iets gebeurt in je leven.

 

God heeft ons gemaakt tot verantwoordelijke mensen, die verantwoordelijkheid wordt zoveel te groter bij de aanbieding van Christus Jezus in het Evangelie. Want dat is een werkelijke aanbieding. Onze belijdenis zegt: een serieuze aanbieding. Jezus heeft gehuild over Jeruzalem. Want ze zeiden in Jeruzalem: ‘Nee, nee wij willen niet dat U koning over ons bent.’ En dacht u, dat het krokodillentranen van Jezus geweest zijn?  Dat is diepe ernst geweest. En zo is ook het aanbod van de genade een diep ernstvolle aangelegenheid. Nee, niet om de mensen vermogens in handen te stoppen, alsof het algemeen aanbod van genade hetzelfde zou zijn als algemene verzoening. Daar is een hemelsbreed verschil tussen. Maar de spanning van het Evangelie ontlaadt zich daar, waar God Zijn genade predikt aan zondaren uit het menselijk geslacht. We hebben een verantwoordelijkheid gekregen. En eenmaal zullen we daarvan rekenschap af moeten leggen ten overstaan van God.

Zal een ongelovige op de grote dag van Christus tegen de Heere kunnen zeggen: ‘Het is Uw schuld?’ Durft u dat? Zou u dat durven zeggen? Denk eens vooruit. We staan eenmaal allemaal voor God. ‘Het is Uw schuld, Heere. Want U had mij moeten grijpen en dat heeft U niet gedaan.’ Zal een mens dat zeggen, zult u dat zeggen? Nee, het is mijn schuld. Belijdt u dat ook voor God? Want kijk, zo zal het zijn in het gericht. Zo iemand zal moeten zeggen: ‘Heere, U hebt mij geroepen. U hebt mij ernstig geroepen, U hebt mij welmenend geroepen. Uw stem klonk in de voorspoed van mijn leven en in de tegenspoed. Uw stem klonk, in het bijzonder in Uw huis, maar ik heb niet willen luisteren.’  Zult u dan niet moeten zeggen: ‘Mijn schuld, mijn eigen schuld!’ Wacht dan niet om dat te zeggen. Maar zeg het vandaag! Kom zo voor Zijn aangezicht: het is mijn schuld. Blijft dan het eerste wel overeind staan? Dat eerste namelijk, dat de werking van de Heilige Geest een onwederstandelijke werking is? Halen we dat dan niet omver? Nee, helemaal niet. Wij vinden die twee zaken van Gods soevereiniteit en van onze verantwoordelijkheid naast elkaar in één en dezelfde Heilige Schrift. Aan de ene kant geldt: de Geest is niet te weerstaan, Die werkt vrij en onbekommerd. En anderzijds is het waar wat Stéfanus zegt: gij wederstaat altijd de Heilige Geest. Gods soevereiniteit en de verantwoordelijkheid van de mens; een dubbele rails. Je moet natuurlijk niet op de rails gaan staan als er een trein aankomt. Dat is levensgevaarlijk en dat mag zelfs niet. Maar om zo eens op de rails te gaan staan en in de verte te kijken, dat kan geen kwaad. Dan zie je die dubbele rails van hetzelfde spoor die elkaar in het oneindige raken. Als u één van de twee wegneemt dan volgt er een ontsporing. Zo is het hier ook. Ze moeten naast elkaar blijven. Zo spreekt Stéfanus zijn gehoor ook aan en hij stelt hen in staat van beschuldiging. Terwijl hij nota bene degene is die ter verantwoording is geroepen, gaat hij die zeventig leidslieden ter verantwoording roepen. U merkt dat de rollen inmiddels zijn omgekeerd. De omgekeerde orde. En de spits van het woord van Stéfanus is: Die Jezus, Die ik u predik, Die hebt gij gedood. U, die er zo prat op gaat dat u de wet houdt. U hebt de Christus der schriften gedood. Uzelf hebt de wet niet gehouden.’ Zo is Stéfanus, al prekende de ladder opgegaan, al hoger en hoger, en dan komt de climax: gij wederstaat altijd den Heiligen Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij’. Dan knapt de rede van Stéfanus af. Je ziet het gebeuren: ‘En nu hou je je mond. Geen woord meer, nou is het afgelopen, nu is het uit.’ Ziedend zijn ze, want ze weten zich geraakt. Dat laat de Heilige Geest ons ook weten: Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem. Er is sprake van een uitbarstende haat in de richting van Stéfanus. Met dit derde aandachtspunt sluiten we af.

Eerst zingen we Psalm 7 vers 5.

 

             Psalm 7: 5

 

Laat toch het kwaad der goddelozen

Een einde nemen, straf de bozen;

Maar sterk Uw volk, dat hulp behoeft,

Gij, die elks hart en nieren proeft.

Laat vrij voor U mijn vijand vrezen,

Voor U, rechtvaardig Opperwezen;

Bij U, mijn Bondgod, is mijn schild,

Die 't vroom gemoed behouden wilt.

 

3. Een uitbarstende haat in de richting van Stéfanus

 

De aanval, een verdediging en een uitbarsting van haat. Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem. Berstende harten, dat is de reactie op de woorden zoals Stéfanus die gesproken heeft. Letterlijk staat er: harten die doorgezaagd werden. U moet denken aan zo’n ouderwetse zaag, zo’n handzaag. Daar hebben de kinderen papa thuis misschien weleens mee bezig gezien. Dan hoor je dat raspende geluid: rrrrrrrr, rrrrrrrrr. Zo is het ook hier. Berstende harten zijn harten die doorgezaagd worden. En dan zijn er ook nog knersende tanden. Daar hoef ik verder geen uitleg aan te geven. Deze twee begrippen samen geven de bittere vijandschap aan en de alles doortrekkende haat van de leden van de raad. Ze trekken gezichten wanneer ze in de prediking worden aangewezen als moordenaars van de Zaligmaker der wereld. Het lijkt wel of je in deze woorden hoort: ‘Dood! Dood aan Stéfanus.’

 

En hoort u die woorden ook maar heel nadrukkelijk. Want dan ziet u ineens iets. Dan ziet u opeens op de achtergrond het kruis van Christus. Of niet? Inderdaad, een dienstknecht is niet meer dan zijn heer. En een gezant is niet meer dan degene die hem gezonden heeft. ‘Vreselijk!’ zegt iemand. ‘Vreselijk als je nu zo’n lid bent van die raad van zeventig en je hebt een berstend hart en knersende tanden. Ik ben gelukkig zo niet. Ja, ik ben wel onbekeerd, maar ik ben toch anders dan zo’n lid van de raad van zeventig.’

Hebt u er erg in dat juist in onze onbekeerlijkheid zich de vijandschap tegen Christus openbaart? Sommige mensen zijn van mening: je mag dit niet en je mag dat niet, maar onbekeerd zijn, ach, dat is nou eenmaal zo. Daar kun je ook niets aan doen. Nu zegt de Heilige Geest echter dat het juist het ergste is in uw leven, als uw hart niet vernieuwd is. Al heeft u het zesde gebod heeft overtreden: er is genade en er is vergeving. Maar als u het Woord niet gehoorzaamt, als u het Evangelie van Christus niet gehoorzaamt, dan blijft de toorn van God op u. Juist dan, als u het bloed van het Lam onrein acht, en als u volhardt in uw ongeloof, dan openbaart u de vijandschap tegen Christus. Grotere zonde is niet denkbaar.

 

Ook wij willen altijd zo graag de wet te vriend houden. Een beetje van dit en een beetje van dat. Dat deden die zeventig mannen ook. Nauwgezetter dan iemand van ons. Laten we daar duidelijk over zijn. Wat krijgen we dan? Dan krijgen we nette zondaren. Keurige zondaren. Keurig netjes. Maar, het is uw dood! U zegt: ‘Mijn dood?’ Ja, u hebt toch de wet wel gehoord? Nou wat zegt de wet dan in dit verband? In het eerste gebod is het meteen raak. Ik ben de Heere, uw God, gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben (Ex. 20: 2).  Als u de Heere niet van harte dient, als u Jezus niet van harte liefhebt, dan zegt de Schrift dat u een afgodendienaar bent. Als u Jezus niet liefhebt, als u de Heere niet vreest, dan bent u een afgodendienaar. Dan stelt u uw vertrouwen op iets anders. En dat is afgoderij. U heeft dan naast of in de plaats van God iets anders waarop u uw vertrouwen stelt. Dat zegt de Schrift ons en we belijden dat het ons leven is.

Als u het zo opneemt voor de wet, dan keert de wet zich juist tegen u. O, dat u dat zou zien. Waarom? Opdat u vandaag tot Jezus zou vluchten. U hebt nog nooit gebogen onder de majesteit van de wet? Hebt u Jezus nog altijd aan Zijn plaats kunnen laten? O, weet het, alleen in Hém kunt u voor God bestaan. Hij wordt u gepreekt, Hij wordt u aangeboden, Hij wordt gelegd aan de deur van uw hart in de dienst der verzoening en Hij betuigt: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Joh. 14: 6). Bij Hem is vergeving, gelukkig ook voor de zonde van ongeloof. Dat uw hart toch niet zou barsten van vijandschap, maar dat u zich in uw hart doorstoken zou weten, zoals die drieduizend die tot bekering kwamen op de eerste pinksterdag van het Nieuwe Testament.

Dan lezen we in de kanttekeningen dat er bij die mensen verdriet was over de zonde aan Christus begaan.

 

 Als we het voor de Heere verliezen, meisjes en jongens, dan breekt je hart van liefde en berouw. Dan heb je tranen! Tranen voor God de Allerhoogste. Dan gaan we buigen voor de Heere. Dan gaan we ook buigen onder de rechtvaardigheid van God. We kunnen dan niet zeggen dat God Zijn handen niet van ons mag aftrekken. Nee, wat God doet, dat is terecht. En niemand kan Hem de wet voorschrijven. Maar gemeente, wat openbaart God Zijn genade. Hij zoekt uw dood niet, maar uw leven, uw behoud. Wat een verschil: doorgezaagde harten of verbroken harten.

Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem. Het is eén en al briesende haat. Daar zitten ze, die zeventig leden en daar staat hij, die ene. Stéfanus, is alleen. Op aarde heeft hij niets waar hij zich aan vast kan houden of waarop hij terug kan vallen. Alles om hem heen is leeg. Maar vanbinnen is Stéfanus vol. Want dan staat er in vers 55 nog een keer: Maar hij, vol zijnde des Heiligen Geestes. We zien bij het proces van Stéfanus twee werkelijkheden. Allereerst zien we dat de hel open is. Dat zal u duidelijk zijn nu we daar samen over nagedacht hebben. Maar we zien ook dat de hemel open is. Stéfanus ziet een geopende hemel. Dat is wat. Heel de hellemacht is losgebroken en van alle kanten vallen ze op hem aan. En toch is Stéfanus de rust zelve. Hij schreeuwt niet of roept niet naar zijn rechters om medelijden. Nee, God is er op het snijpunt van zijn leven. Het is zoals we zongen uit Psalm 121: ‘Mijn hulp is van de Heer’ alleen’. Degenen die het van de aarde verwachten en van de mens, die komen voor eeuwig om. Maar dien de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen (Jes. 40: 31).) en zij zullen niet beschaamd worden. Stéfanus ook niet.

 

Er is een doorgaande lijn met het Hemelvaartsevangelie. Ja, er was een deur geopend in de hemel. Johannes zal er later over schrijven in de Openbaring: ook hier is een geopende deur. Stéfanus mag zo naar binnen kijken, omhoog, en het is niet voor het eerst dat hij dat doet. Dat is zijn léven geweest. Het was zijn bestaan om te zien op zijn Heere en op zijn Koning. Hij wordt immers geleid door de Geest. En door die Geest zoekt hij de dingen die boven zijn. Daar heeft Jezus Zich voor gegeven. Jezus ging de weg van de hemel naar de aarde. Hij verliet Zijn heerlijkheid om als Borg het recht van Zijn God volkomen te verheerlijken. Hij kwam, arm en veracht, opdat Hij Stéfanus door Zijn armoede rijk zou maken. Hij tot in de godverlatenheid, opdat Stéfanus tot God genomen en nimmermeer van God verlaten zou worden. Christus is neergedaald ter helle, opdat Stéfanus een geopende hemel zou zien. Christus daalde af in de diepte van de dood, opdat Stéfanus in het uur van zijn sterven, het eeuwige leven zou beërven.

 

 

                                                                                                      amen

       Psalm 113: 3 en 4

 

       Wie is gelijk aan onzen Heer’?

       Aan God, die, tot Zijn eeuwig' eer,

       Zijn troon gevest heeft in den hemel?

       Die, daar Hij 't wereldrond gebiedt,

       Van Zijnen hogen zetel ziet

       Op 't laag en nietig aards gewemel?

 

      Wie is aan onzen God gelijk?

      Die armen opricht uit het slijk;

      Nooddruftigen, van elk verstoten,

      Goedgunstig opheft uit het stof,

      En hen, verrijkt met eer en lof,

      Naast prinsen plaatst en wereldgroten?