Ds. M. Karens - 1 Johannes 4 : 1 - 6

Beproeven van de geesten

De opdracht tot dit beproeven
De kenmerken waaraan we de geesten kunnen beproeven
De uitkomst van dit beproeven

1 Johannes 4 : 1 - 6

1 Johannes 4
1
Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.
2
Hieraan kent gij den Geest van God: alle geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God;
3
En alle geest, die niet belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld.
4
Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want Hij is meerder, Die in u is, dan die in de wereld is.
5
Zij zijn uit de wereld, daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen.
6
Wij zijn uit God. Die God kent, hoort ons; die uit God niet is, hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid, en den geest der dwaling.

Delen & Download

Download preek

Leespreek tekst

Zingen : Morgenzang: 5 en 6
Lezen : 1 Johannes 4
Zingen : Psalm 26: 1, 2 en 3
Zingen : Psalm 119: 47
Zingen : Psalm 25: 2

Gemeente, onder biddend opzien om de leiding van de Heilige Geest openen we voor de elfde keer de brief van de apostel Johannes. Wij overdenken vandaag de eerste zes verzen van hoofdstuk 4 waarvan wij u alleen het middelste gedeelte van het eerste vers lezen:

 

            Maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn.

 

Wij schrijven onder deze tekstwoorden: Beproeven van de geesten

 

We letten op drie aandachtspunten:

Ten eerste overdenken we de opdracht tot dit beproeven. Want vers 1 zegt: Geliefden, gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.

In de tweede plaats letten we naar aanleiding van vers 2 op de kenmerken waaraan we de geesten kunnen beproeven: Hieraan kent gij den Geest Gods en vers 3: Dit is de geest van den antichrist.

In de derde plaats zien we de uitkomst van dit beproeven in de verzen 4 tot en met 6, want Johannes schrijft: Kinderkens, gij zijt uit God. De apostel besluit dit gedeelte met de woorden: Hieruit kennen wij den geest der waarheid en den geest der dwaling.

 

1. De opdracht tot het beproeven

 

Gemeente, we luisteren naar de apostel Johannes. Hij is op hoge leeftijd gekomen, maar staat toch nog als een wachter op de muren van Sion. We hebben al vaker gezegd dat hij niet alleen de apostel der liefde is, maar ook de door Christus genoemde ‘zoon van Boanerges’. Wat kan hij de geesten scherp onderscheiden en oordelen.

Zou Johannes af en toe niet jaloers geweest zijn op de broeders die hem zijn voorgegaan? Jacobus is allang in de hemel en ook Petrus heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Maar Johannes staat nog op zijn post, getrouw en vol liefde. Mijn tijden zijn in Uw hand (Ps.31:16). De Heere leidt het leven en de weg van Zijn kinderen en ook de weg van Zijn knecht.

 

In het vierde hoofdstuk lezen we nu hoe de oude apostel de gelovigen opwekt, aanspoort, vermaant en vertroost. Hij begint weer met de aanspraak: geliefden. We vinden verschillende aanspraken in zijn brieven. Straks in vers vier schrijft hij weer kinderkens. Daarmee bedoelt hij de gemeente, de Kerk met een hoofdletter.

Het is dus een aanspraak en oproep aan alle leden. Hij wekt hen in het bijzonder op met de woorden: Gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn uitgegaan in de wereld.

We moeten deze woorden verstaan in het licht van de tijd waarin Johannes leefde. Er waren verschillende groepen en er bestonden geen grote gemeenten zoals nu. Het waren meestal huisgemeenten, die gediend werden door rondtrekkende predikers. We lezen in de tweede brief van Johannes in het tiende vers: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Zijt gegroet. Johannes waarschuwt daarmee de gemeentes dat ze die rondreizende predikers niet zomaar mogen ontvangen, maar eerst moeten beproeven of zij uit God zijn.

 

De gemeente Gods wordt in de wereld bestreden. Niet alleen in de tijd van Johannes maar ook vandaag. Wat komt er allemaal op af? Hier is de Christus en daar is de Christus. Allerlei wind van leer. Daarom geldt het bevel van de apostel ook jou, u en mij: Gelooft niet een iegelijken geest, maar beproeft de geesten.

Bedoelt Johannes hier nu dat wij niet geloven moeten? Nee, maar hij zegt dat je niet zómaar moet geloven wat je hoort of wat er verkondigd wordt. Er is een verschil in onze dagen en dat zal in Johannes’ tijd ook zo geweest zijn. Er zijn immers jongeren en ouderen die alles geloven wat ze horen. Het zal wel waarheid en werkelijkheid zijn…

Daarentegen heb je ook mensen die niets geloven. Zij keuren en schrijven alles af. Johannes zegt dan: ‘Weet u wat u moet doen? Beproeft de geesten of zij uit God zijn.’

Matthew Henry zegt hierover: ‘Vertrouwt niet, volgt niet eenieder die voorgeeft de Geest van God te hebben, elke belijder van gezicht of ingeving of openbaring, als van God.’ Een ernstige waarschuwing! Het kan heel veel lijken. Men draagt zoveel aan. Dit alles betovert mensen.

 

Beproeven wil dus zeggen: onderzoeken, of toetsen of iets waar is. Kanttekening 2 zegt dat u dat moet doen aan de toetssteen van Gods Woord.

Wie bedoelt Johannes nu met die geesten?

Die rondtrekkende leraars. In de kanttekening staat: ‘Dat is, leraar, die voorgeeft dat zijn leer is uit de openbaring van de Heilige Geest.’ Johannes wil zeggen: ‘Gelooft niet iedereen die preekt en zegt dit geleerd te hebben van de Heilige Geest. Gelooft niet een iegelijken geest. De waarschuwing tegen verleidende geesten is uitgegaan en geldt voor iedereen.

Wat heeft ook de Heere Jezus Christus veel gewaarschuwd in Zijn dagen. Johannes heeft die waarschuwingen zelf uit de mond van zijn Meester gehoord. Denk bijvoorbeeld aan Mattheus 7 vers15: Maar wacht u van de valse profeten, dewelke in schaapsklederen tot u komen, maar van binnen zijn zij grijpende wolven. En heeft de apostel Paulus ook niet gewaarschuwd toen hij afscheid nam van de ouderlingen van Efeze? Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen; En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich (Hand.20:29,30).

En schrijft Petrus niet in één van zijn brieven: Er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen (2Petr.2:1).

 

We zien dus dat het beproeven van de geesten en de leer alle eeuwen door noodzakelijk is. Ik laat nog een keer Matthew Henry spreken: ‘Het moet ons niet vreemd voorkomen dat valse leraren zich opwerpen in de gemeente, want zo ging het reeds in de dagen van de apostelen.’

Vreselijk is de geest der verblinding en treurig is het, dat mensen zich voordoen als geïnspireerde leraars. Johannes schrijft – en Matthew Henry geeft ons dit ook mee – dat wij de leer die verkondigd wordt, moeten toetsen. Want Johannes zegt dat er vele valse profeten, pseudoprofeten, zullen komen. Je kunt zeggen: ‘Namaakprofeten zijn uitgegaan in de wereld.’ Kanttekening 4 zegt over hen: ‘Dat is, valse leraars. Want gelijk profeten genaamd worden, niet alleen die toekomende dingen voorzeggen, maar ook die de Schrift uitleggen, zo worden ook valse profeten genaamd, niet alleen die iets voorzeggen dat niet waar is, maar ook die de Schrift verkeerdelijk uitleggen en valse leringen drijven.’

 

Zo is het nu ook in onze dagen. Jeugd en ouderen, er klinkt een waarschuwing. Valse profeten gaan uit in de wereld. Vele, staat er. Velen kunnen de toets van het Woord van God niet doorstaan. Daarom, beproef hen. Beproeft staat hier in het Grieks in de onvoltooid tegenwoordige tijd. Johannes wil ons daarmee zeggen dat we voortdurend waakzaam moeten zijn.

Beproeven betekent ook oplettendheid. Er is onderzoek nodig. Mag ik het zo zeggen? Er is aansporing nodig om u te verdiepen in de leer van de Heilige Schrift. Wanneer heeft u een goed boek gelezen of u verdiept in een oudvader? Heeft u onlangs de leer bestudeerd, die door ons beleden wordt? Leest u weleens in de belijdenisgeschriften? Want, gemeente, om de geesten te beproeven, dienen we te studeren. Geen tijd, geen tijd... Had uw voorgeslacht zoveel tijd? Zeker niet! Maar ze waren avonden bezig in boeken zoals ‘De redelijke godsdienst’ van ds. Wilhelmus à Brakel of ‘De viervoudige staat’ van ds. Thomas Boston.  Gemeente, beproef uzelf, onderzoek de Schriften!

 

In Openbaringen 2 vers 20 lees ik dat de verhoogde Christus de gemeente van Thyatíra toespreekt: Ik heb enige weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Izébel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren en Mijn dienstknechten verleiden. Daar tekent Christus ook de verleidende geesten die rondgaan.

In vers 1 wordt door Johannes gezegd dat het de grote vraag is of die geesten uit God zijn. De kanttekening zegt: ‘Dat is, of hun leer van God is ingegeven en met Gods Woord overeenkomt.’ De leer die verkondigd wordt, of als Gods kinderen tot je spreken, dient uit God te zijn. Er komt dan iets van het werk van de Geest openbaar als de verkondiging weerklank mag vinden in de harten.

Beproef, onderzoek, en toets niet de harten van mensen, want daar gaan wij niet over. Hen afschrijven, omdat dit niet het werk van God is, dát zegt Johannes niet. Beproef of de verkondiger de leer van het Oude en Nieuwe Testament en de artikelen van het christelijke geloof en de christelijke Kerk uitdraagt. Dat bevel geldt u en jou. Tweeduizend jaar geleden opgetekend, maar vandaag niet minder nodig.

 

Hoe moeten we nu die opdracht van Johannes vervullen? Dominee, hoe kan ik beproeven of een geest uit God is?

Wel, u moet niet zeggen: ‘Ik vind dit, of ik vind het daar veel gezelliger. Ik denk hier veel meer troost te krijgen, of ik geloof dat het helemaal fout is, wat u zegt.’

Weet u hoe u kunt beproeven of de geesten uit God zijn?

In de kanttekeningen staat het: ‘Namelijk aan de toetssteen van Gods Woord. Of hun leer van God is ingegeven.

De leer, waarin Gods kinderen hun leven horen verklaren, moet getoetst worden aan het onfeilbare Woord van God. ‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast.’ Dit moet biddend gebeuren, in de vreze des Heeren, in de tere omgang met de Heere.

Gemeente, dan zal er iets in ons hart liggen van Psalm 25: ‘Gods verborgen omgang vinden, zielen, waar Zijn vrees in woont; ’t heilgeheim wordt aan Zijn vrinden, naar Zijn vreêverbond, getoond. ‘d Ogen houdt mijn stil gemoed, opwaarts, om op God te letten.’ Leg het maar naast de Schrift, van Genesis tot en met Openbaring.

 

Ik besluit de eerste gedachte met het laatste deel van artikel 7 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis waar Guido de Brès namens de Kerk belijdt: ‘Want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve. Daarom verwerpen wij van ganser harte al met wat deze onfeilbare regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten of zij uit God zijn. Insgelijks: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis.

 

We gaan naar de tweede gedachte.

 

2. De kenmerken waaraan we de geesten kunnen beproeven

 

Johannes geeft vervolgens aan hoe de geesten beproefd moeten worden. Hij noemt daartoe enkele kenmerken. In vers 2 zegt hij: Hieraan kent gij de Geest Gods. De kanttekening zegt dat dit ‘gebiedenderwijze’ plaatsvindt. Er staat eigenlijk: ‘Hieraan moet u het kennen.’

Kennen betekent onderkennen of bekennen. Na beproeven en onderzoek: herkennen. Er zijn twee soorten mensen, en tweeërlei leer. Dat kunt u in de verzen 2 en 3 onderscheiden. Er is de geest van God, de leer die door Gods Geest ingegeven is, en de geest van de antichrist.

Alle geest die belijdt… Johannes zegt het positief in vers twee en negatief in vers drie. Alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God; En alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt, dat komen zal, en is nu alrede in de wereld. En u kunt dit dus weten uit de inhoud van wat beleden wordt.

 

Er ligt hier een verband tussen het werk van de Heilige Geest in het hart van zondaren en wat zij belijden. Het gaat dan niet om een oppervlakkig toestemmen, maar het door het werk van de Heilige Geest van harte geloven, openlijk leren, belijden en kennen. Dat zich houden aan het Woord van God is één van de kenmerken, één van de trekken van het beginnende genadeleven.

Is dat in jouw en uw leven ook zo belangrijk? Is het de begeerte van uw hart om in het Woord verklaard te liggen? Want het werk van de Heilige Geest richt zich altijd op het Woord. Woord en Geest gaan altijd samen. Heer’, ai, maak mij Uwe wegen, door Uw woord en Geest, bekend.’

Wat Johannes schrijft over het toetsen van de belijdenis dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, mogen we als centraal gegeven van dit gedeelte nemen. Toets dit belijden aan de leer die door Gods Geest is ingegeven.

Gaat het hier niet om een minder belangrijk deel van de belijdenis? Is dát nu een kenmerk van het ware werk van God als je belijdt en gelooft dat Jezus Christus in de wereld gekomen is?

Gemeente, we spreken over de hoofdinhoud van de belijdenis van de Christelijke Kerk. Alles hangt samen met het zaligmakend geloof dat Jezus Christus in de wereld gekomen is en ons vlees en bloed heeft aangenomen. Want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Matth.1:21). Hij is de Christus van God. Van eeuwigheid af verordineerd tot onze allerhoogste Profeet, enige Hogepriester, en eeuwige Koning. ‘God uit God en Licht uit Licht’, zo zegt de Geloofsbelijdenis van Nicea.

 

Johannes spreekt ook in zijn Evangelie zo rijk over deze dingen. Hij begint in zijn Evangelie niet bij de kribbe en de herders, maar hij begint in de eeuwigheid. Hij schrijft in diepe verwondering: En het Woord (dat is: God) is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid (Joh.1:14).

Er staat niet ‘mens geworden’, maar ‘vlees geworden’. Weet u dat in het woord ‘vlees’ het gehele lijden en sterven van Christus zit? Het ziet op Zijn nameloos diepe vernedering. Het verwijst naar het gebrachte offer. Hij is gegaan van kribbe tot kruis. Hij heeft Zichzelf geofferd op het vloekhout van Golgotha. Jezus Christus, Gods Zoon. Daar is Zijn vlees verteerd, zoals dat van die rode vaars. Daarom kon Hij zeggen: Die Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven.

 

We moeten de brief ook zien tegen de achtergrond van de tijd van Johannes. Zijn tegenstanders, tegen wie hij waarschuwt, loochenden dat Christus waarachtig mens was. Zij zeiden dat Jezus Christus een schijnlichaam had, en ontkenden de menswording uit Maria. Er was toen een felle strijd over de twee naturen van Christus. Er waren veel stromingen die hierover afwijkend dachten. Men maakte, om het eenvoudig te zeggen, onderscheid tussen de mens Jezus en de geestelijke Christus. De geestelijke Christus was God en de Geest is op Jezus neergedaald bij Zijn doop. Die Geest verliet Hem voor Hij gekruisigd werd. Maar volgens Johannes heeft ieder die dit belijdt de geest van de antichrist. Er zijn ook nog andere dwalingen, bijvoorbeeld de gnostiek en het docetisme. Zij leren: Christus had een schijnlichaam. Die zijn er ook vandaag nog!

Waarom is het eigenlijk zo erg als we de menswording van Christus loochenen? Ontken je dat God mens werd in de kribbe van Bethlehem? Had de Heere Jezus een schijnlichaam? Heeft Hij Zijn lichaam uit de hemel meegenomen en is Hij door Maria heengegaan? Volgens Johannes is dit de leer van de antichrist, de tegenchrist.

Weet u waarom het zo erg is als Jezus een schijnlichaam zou hebben gehad?

Hij was dan een schijnzaligmaker en had slechts schijnbloed gestort. Hij was dan nooit de ware Zaligmaker. De zaligheid van de Kerk was dan voor eeuwig kwijt. Dat voelt Johannes hier goed aan. Daarom zegt hij nadrukkelijk: ‘Beproef de geesten die loochenen dat Christus mens geworden is. Want dat is nodig om verloren zondaren te verlossen.’

Christus moest niet alleen waarachtig God zijn om de toorn van God tegen de zonden te kunnen dragen om daardoor een eeuwige waarde aan het offer op Golgotha te geven. Hij moest ook waarachtig Mens zijn, omdat de rechtvaardigheid van God dat vordert. De natuur die gezondigd had moest betalen. Hij moest waarachtig mens zijn om te lijden en te sterven.

 

Matthew Henry zegt over de menswording van Christus: ‘Jezus Christus moet beleden worden als de Zoon van God, het eeuwige leven en het Woord, dat van de beginne bij de Vader was; als de Zoon van God, die in onze menselijke natuur verscheen en daarin te Jeruzalem leed en stierf. Hij, die dat belijdt en verkondigt, uit een hiertoe bovennatuurlijk onderwezen en verlicht verstand, doet zulks door de Geest van God.’ Matthew Henry beschrijft hiermee de werkelijkheid en de waarheid. Er is een volk op de aarde dat alleen Jezus Christus als Zaligmaker begeert te kennen. Hij heeft Zijn vlees ingebracht in de hemel als een onderpand voor het aangezicht van de Vader. Daarom zal elke ware gelovige tot deze belijdenis worden gebracht!

Dit zal centraal moeten staan: Want met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met de mond belijdt men ter zaligheid (Rom.10:10). Gij zijt de Christus, de Zone Gods (Joh.11:27). Hij heeft de woorden van het eeuwige leven.

Een oprechte leraar is iemand die deze Goddelijke waarheid en leer voorstelt. Paulus zegt in de Korinthebrief dat niemand, die door de Geest Gods spreekt, Jezus een vervloeking noemt. Alleen door de Heilige Geest kan men zeggen Jezus de Heere te zijn.

 

Er is een Kerk, nu en in de dagen van Johannes, die zich wel eens tijdens de Kerstdagen heeft verwonderd en het uitgesnikt heeft: God in de kribbe! Gods kinderen hebben gezien hoe Christus rijk was, maar arm wilde worden, opdat Hij hen rijk zou maken. Zij aanschouwden door het geloof dat Jezus Christus in het vlees gekomen is en leerden Hem door genade volgen in de gangen van Zijn vernedering.

Heeft u daar door genade weleens iets van mogen zien? Want dát is uit God. Dat is het werk uit God; zaligmakende geloof dat door de Heilige Geest gewerkt wordt. Gods kinderen mogen zich weleens verwonderen over het nut dat Christus Jezus kwam in het vlees. Ze mogen weleens zeggen dat Hij met Zijn onschuld en heilige ontvangenis mijn onheiligheid en schuld bedekt voor het aangezicht van God. Dan mag de menswording van Christus de troost van het geloof zijn.

 

In het derde vers verwoordt Johannes het anders: En alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den antichrist, welken geest gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu alrede in de wereld. Wie dat niet belijdt, of met een waar zaligmakend geloof weet, heeft de geest van de antichrist. Johannes zegt dus: ‘Die kent Gods werk niet en is niet uit Hem geboren.’

Johannes ziet in deze denkwijze of gezindheid iets van de antichrist meekomen. De kanttekening zegt: ‘Dat is, de leer van de antichrist, die strijdt tegen de waarheid van de Persoon en het ambt van Christus.’ Het gaat dus aan de ene kant om de bevindelijke kennis van de Persoon van Christus; in Hem is het heil en de zaligheid. De andere kant is de antichrist, die de leer over de Persoon en ambt van Christus ontkent.

 

Johannes heeft in één van de voorgaande hoofdstukken gezegd dat de tijd van de antichrist nabij is. Weet u nog dat die vleesgeworden duivel, de mens der zonde, de zoon van het verderf, op de troon zal zitten en als god zal heersen over de hele wereld?

Nee, hij is er nog niet, maar hij komt. Die antichristelijke geesten zijn volgens Johannes de voorlopers. De antichrist is in de geest al aanwezig en werpt zijn schaduw vooruit en geeft kracht aan allerlei dwaalleraars. Wat zij spreken, zegt Johannes, moet u beproeven, want er zit al iets in van een antichristelijke gezindheid.

En is alrede in de wereld… Moeten wij niet eerlijk belijden, als wij rondom ons zien, hoe de antichristelijke machten zich opmaken? Wij leven in het postchristelijke tijdperk. Dat betekent: de tijd ná het christendom. Moeten we niet zeggen dat we leven te midden van antichristelijke machten? Moet alles wat aan Jezus Christus herinnert niet worden weggedaan? In allerlei vormen worden onder een christelijke naam, onchristelijke waarheden verkondigd. Onder een christelijke naam Jezus Christus toch niet verkondigd. Wat worden er dwalingen verkondigd over Christus, zijn Persoon, Zijn ambt, werk en leer.

 

Jonge vrienden, vraag toch om wijsheid, en lees biddend in de Schrift. Het klinkt soms zo mooi en het gaat nét even makkelijker. Dat wil ik immers? Het lijkt er zo op. Dominee, ik hoor geen verschil. Maar beproeft de geesten of zij uit God zijn. Toets aan de Heilige Schrift of de weg van Jezus Christus in de prediking verklaard wordt. Dan heeft elke tijd zijn eigen ketterijen.

Johannes bestreed het docetisme en de gnostiek. Dominee Kersten bestreed de veronderstelde wedergeboorte. Moeten wij – in onze tijd- niet het veronderstelde geloof bestrijden? Een geloofsbeleving, die het stempel van de Geest niet heeft.

Moet er dan geen eenzijdig wonder van God gebeuren in het leven van de mens?

Nee, dat is ouderwets. Maar toets toch alles aan het Woord van God en de belijdenis. Zeker in een tijd van allerlei wind van leer. Een tijd, waarin klinkt: Hier is de Christus en daar is de Christus.

Weet je wat de belangrijkste vraag is bij dat beproeven?

Die heeft Jezus zelf gesteld: Wie zegt gij dat Ik ben?

De mensen zeggen van alles en nog wat over Jezus Christus. Maar wat zegt u, wat zeg jij over de Zoon des Mensen? Wat is dan het antwoord? Want het gaat erom Hem door het geloof te kennen. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt (Joh.17:3).

Kinderen van God, hoe staat het met de bevindelijke geloofskennis van Hem? Want alleen zij zijn uit God, die wederom geboren worden en niet kunnen rusten voordat ze weten door het geloof gegrond en gebouwd te zijn in Hem. Mag u persoonlijk en bevindelijk iets kennen van Zijn Persoon, Zijn namen, staten, ambten, naturen en weldaden?

Beproef dan maar in uw leven hoe het met die kennis van deze Zaligmaker gesteld is.

 

Gemeente, Johannes roept in onze tekst op tot het beproeven van de geesten. Hij schrijft ook iets over de uitkomst ervan, maar voordat we daarover nog iets zeggen, zingen we Psalm 119 vers 47:

 

‘k Ben eeuwiglijk gedachtig aan Uw woord,
Want ik ontving door Uw bevelen 't leven.
'k Ben d' Uwe, Heer; geleid mij ongestoord;
Behoud mij toch, naar 't woord aan mij gegeven;
Ik heb met lust Uw wetten nagespoord,
En die gezocht, door Uwen Geest gedreven.

 

3. De uitkomst van het beproeven

 

Het beproeven van de geesten. De opdracht, het kenmerk, en in de derde plaats nog iets over de uitkomst. Johannes heeft de gelovigen aangespoord, misschien wel tot hun schrik. Want laat het duidelijk zijn, het gaat niet over iets buiten onze gemeente. Wij moeten ook de dienaren van het Woord beproeven, de ambtsdragers, en de kinderen van God. Is het de Geest van God die hen leidt?  

Daarom spreekt Johannes de kinderen van God in de gemeente toe. Hij legt hen de uitkomst van het beproeven voor. In het Grieks spreekt hij hen aan met: ‘kindertjes’. We hebben het er al verschillende keren over gehad. Wat zegt hij dat teer. Er ligt iets van vriendelijkheid in, omdat hij een hoge leeftijd heeft, maar hij spreekt hen ook zo aan omdat velen van hen door het zaad van het Woord en de kracht van de Geest zijn geboren tot zijn geestelijke kinderen.

 

Wij zien dat Johannes hen bij dat beproeven bemoedigt. Hij schrijft: Gij zijt uit God. In kanttekening 14 staat: ‘Door de Geest Gods wedergeboren en daardoor met de kennis der ware en Goddelijke leer verlicht.’ Johannes wil zeggen: ‘Ik weet dat u uit God bent geboren. Zult u vasthouden aan dat noodzakelijke Godswonder?’ Want al wordt het vaak niet ontkend dat men wederom geboren moet worden, in de prediking hoor je het echter niet.

Johannes weet het: Kinderkens, gij zijt uit God. U bent verlicht door Gods Geest en geleid door de weg van het Woord. En hebt hen overwonnen. Die ‘hen’ zijn de valse leraars, de dwaalleraars. ‘Overwonnen door uw standvastigheid in de ware leer, van welke zij u niet hebben kunnen aftrekken of verleiden’, staat er in kanttekening 16.

 

Zijn er nog standvastige jongeren in de kerk die zich niet laten aftrekken van de leer die naar het Woord van God is? Zijn er nog van die ouderen die door allerlei wind van leer in verwarring werden gebracht, maar die toch naar de belijdenis die ze hebben afgelegd voor het aangezicht van God, hun leven begeren in te richten? Ze hebben zich niet laten misleiden. Gods kinderen staan vast in het geloof; geworteld en gebouwd in de waarheid. Ze hebben deel aan het geloof dat de wereld overwint.

Eigenlijk overwonnen niet zij, maar Christus. Gods kinderen mogen delen in de overwinning van de Leeuw uit de stam van Juda. Hij heeft de satan in al zijn verleidingen in de woestijn van Judea het Woord van God voorgehouden. Hij heeft op Golgotha de kop van satan vermorzeld. In Hem zijn zij meer dan overwinnaars.

 

Johannes schrijft ook: Want Hij is meerder Die in u is, dan die in de wereld is. De kanttekening zegt: ‘Namelijk de Geest van God; dat is, machtiger. Namelijk om u bij de waarheid te behouden en tegen de verleidingen te versterken.’ De Geest van God is machtiger, meerder, en krachtiger om ons vast te houden bij de leer die naar de godzaligheid is. De Heilige Geest is sterker en heerlijker dan alle verleidende geesten.

Deze Geest, die in alle waarheid leidt, hebben we zo nodig. Hij is het Die u leert wat zonde en schuld is. Hij is het die door het geloof Christus in het hart verheerlijkt. Matthew Henry zegt over Hem: ‘De Geest van God woont in u, en die Geest is sterker dan enige geest van mensen of van duivelen. Het is een grote gelukzaligheid onder de invloed van de Heilige Geest te zijn.’

 

Vervolgens zegt Johannes: ‘In de wereld is de geest der dwalingen en de geest uit de afgrond.’ Die dwaalleraars zijn uit de wereld en komen in drie woorden openbaar. Luister maar hoe Johannes dit omschrijft. Ze zijn uit de wereld en vinden veel gehoor. Ze spreken wereldse dingen, brengen een werelds evangelie en een verwaterd Woord van God. Ze openbaren wereldgelijkvormigheid. Ze brengen een evangelie, waarbij je een kind van God kunt zijn en tegelijk de wereld aan de hand kunt houden en naar de hemel gaan. U kunt wel begrijpen dat dit velen aanspreekt.

De kanttekening spreekt over een geest ‘die in de wereldse en onherboren mensen is.’ Zij nemen een dergelijke leer aan. Zij hebben hun oren open voor een evangelie dat naar de mens is, waarbij ze iets kunnen worden en blijven. Waarbij je niet de smalle weg behoeft te bewandelen. Aan een dergelijke leer geven ze zich over.

 

Tenslotte tekent Johannes een tegenstelling. Hij begint ten eerste zichzelf en al Gods kinderen in te sluiten door het geloof. Wij zijn uit God. Wedergeboren tot een levende hoop. Dan vervolgt hij met de woorden: Die God kent, hoort ons.

Iemand die God kent is een kind van God en hoort in de verkondiging de stem van God door de Heilige Geest. Zij vallen voor de leer van de waarheid. Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en ze volgen Mij (Joh.10:27).

Weet u wat het ergst is voor een dienaar des Woords? Als er echte kinderen van God weglopen. Die God kent, hoort ons. Dat verklaart Johannes hier. Leest u maar in kanttekening 26: ‘Dat is, die niet alleen van de Geest Gods wedergeboren en verlicht met de kennis der waarheid, maar ook van Hem beroepen om Zijn Goddelijke waarheid de mensen zuiver te prediken.’

Johannes wil zeggen: Hieruit kennen wij den Geest der waarheid, en den geest der dwaling. Daar heb je de geest der waarheid, waarvan God de Auteur is. Oordeel maar uit de leer en de geschriften van de apostelen over waarheid of dwaling. Dat is het onderscheid. De geest van de waarheid is de Geest die Gods kinderen leidt in de verkondiging naar het Woord. Hiervoor valt een kind van God.

 

Ten tweede zegt Johannes: Die uit God niet is, hoort ons niet. Zo’n mens verwerpt de boodschap van Christus en van de apostelen. Dat is een teken van de geest der dwaling. Gemeente, uit wat de mensen belijden en hun levenswandel kunnen we dus opmaken welke geest in hen woont. Is het een geest der dwaling of is de Geest der Waarheid?

Wereldse mensen worden geleid door de geest der dwaling. Daarover zegt Matthew Henry: ‘Zij belijden een wereldse Messias en Zaligmaker; zij ontwerpen een werelds koninkrijk, en wereldse heerschappij; zij zorgen voor het verkrijgen van wereldse eigendommen en schatten. Die wereldsgezindheid bezorgt hen aanhangers.’

 

Gemeente, onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt (2Kor.13:5). Ook over dit bevel gaat het in dit Schriftgedeelte. Opdat we onszelf, ieder persoonlijk, zouden beproeven en onderzoeken, over allerlei wind van leer.

Hoe verwarrend is het voor onze jongeren als zij horen: ‘Hier is de Christus en daar is de Christus.’ Op allerlei wijze kun je God dienen. Jonge vrienden, bidt dan maar met de psalmdichter: ‘En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer’, Mijn oog verlicht’, de nevels op doe klaren; Dat mijne ziel de wond’ren zie en eer’, Die in Uw wet alom zich openbaren.’ Opdat je treden zouden worden vastgemaakt in het Woord van God. Bovenal in het kennen van Hem, Jezus Christus, die in de wereld gekomen is, het vleesgeworden Woord! En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt (Joh.17:3). Dát is het kenmerk waaraan we ons moeten beproeven.

Daarom de vraag aan Gods kinderen: ‘Hoe staat het met kennis van Hem? Is er een toename in de kennis van de Gezegende van de Vader? Als Jezus vraagt: Wilt gijlieden ook niet weggaan? (Joh. 6:67), mag u dan met Petrus – door het werk van de Geest – die goede belijdenis doen: Heere, tot Wien zullen wij heengaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens (Joh.6:68). Uw woorden zijn voor mij geest en leven geworden. De uitkomst van die toets en beproeving staan eeuwig vast. Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die Zijne zijn, en: Een iegelijk die den Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid (2Tim.2:19).

Daarom geldt: ‘Welzalig zij, die naar Zijn reine leer, in Hem hun heil, hun hoogst geluk beschouwen; die Sions Vorst erkennen voor hun Heer’; Welzalig zij, die vast op Hem betrouwen.’ Zij, die hun ziel en zaligheid aan Jezus Christus betrouwen, die zijn welgelukzalig!  

 

Amen.

 

Wij zingen tot besluit Psalm 25 vers 2:

 

Heer’, ai, maak mij Uwe wegen,
Door Uw woord en Geest, bekend;
Leer mij, hoe die zijn gelegen,
En waarheen G' Uw treden wendt;
Leid mij in Uw waarheid; leer
IJv'rig mij Uw wet betrachten,
Want Gij zijt mijn heil, o Heer’,
'k Blijf U al den dag verwachten.